Om Dina recht te doen moeten wij zeggen, dat zij op geregelde tijden

vlagen van zindelijkheid en orde had, die zij hare "opruimtijden"

noemde. Dan ging zij met grooten ijver aan het werk, haalde alle

kasten en laden op den vloer en de tafels uit, en maakte de gewone

verwarring nog zevenmaal erger; vervolgens stak zij haar pijpje aan,

ging op haar gemak den boel aanzien en bedenken en overleggen hoe alles

moest geschikt worden; liet hare helpsters alles boenen en schuren,

hield alles eenige uren lang in de grootst mogelijke opschudding en

verklaarde deze drukte aan allen, die naar de reden vroegen, door te

zeggen dat zij "opruimde."--"Zij kon den boel niet zoo laten loopen als

het ging, en zou dat jonge goed beter orde leeren houden," want Dina

streelde zich met den waan, dat zij zelve de orde in eigen persoon

was en het slechts aan "het jonge goed en anderen" was te wijten,

dat in dit opzicht de keuken beneden de volmaaktheid bleef. Wanneer

al het kopergoed blinkend was geschuurd en de tafels sneeuwwit waren

geboend, en alles wat aanstootelijk kon zijn, in hoeken en gaten was

gestopt, kleedde Dina zich netjes aan, met een schoon voorschoot en

zwierigen bonten tulband, en zeide het stroopende jonge goed dat het

uit de keuken moest blijven, want dat alles nu in orde moest gehouden

worden. Deze tijdperken waren zelfs een ongemak voor het geheele

huisgezin; want Dina kreeg dan zulk eene overdreven gehechtheid aan

haar blinkend keukengereedschap, dat zij het tot niets hoegenaamd

weder wilde laten gebruiken, ten minste totdat het vuur van den

"opruimtijd" weder verflauwd was.

Ophelia had na weinige dagen alles in huis op een geregelden voet

gebracht; maar in die opzichten, waarin het gevolg harer bemoeiïngen

van de medewerking der bedienden afhing, geleek haar arbeid naar

dien van Sisyphus of der Danaïden. Eens deed zij wanhopig haar beklag

bij St.-Clare.

"Het is niet mogelijk," zeide zij, "iets wat naar orde en regel

gelijkt in dit huishouden te brengen."

"Dat is het ook niet," antwoordde St.-Clare.

"Zulk een roekeloosheid, zulk een vermorsen van allerlei dingen,

zulk een ongeregeldheid heb ik nog nooit gezien."

"Dat zult ge zeker wel niet."

"Gij zoudt dat niet zoo koel opnemen als gij eene huishoudster waart."

"Lieve Nicht, gij moogt wel voor eens en altijd hooren dat wij

meesters in twee klassen zijn verdeeld: de onderdrukkers en de

onderdrukten. Wij, die goedaardig zijn en een afkeer van gestrengheid

hebben, moeten vrij wat onaangenaams voor lief nemen. Als wij tot ons

gerief een troep domme, loszinnige, onbedreven dienaren willen houden,

dan moeten wij ook de gevolgen daarvan dragen. Ik heb eenige zeldzame

voorbeelden gezien van menschen, die door een bijzonder talent, zonder

gestrengheid orde kunnen houden; maar ik behoor daar niet onder, en ik

heb dus reeds lang geleden het besluit genomen om het maar te laten

loopen gelijk het kan. Ik wil de arme duivels niet laten ranselen en

dat weten zij; en daardoor hebben zij natuurlijk het heft in handen."

"Maar geen tijd, geene plaats, geen regel te hebben, alles maar zoo

in de war te laten loopen...."

"Lieve Nicht, gij goede lieden, die bij de Noordpool woont, hecht

eene buitensporige waarde aan den tijd. Wat op de wereld heeft de

tijd te beduiden voor iemand, die er tweemaal zooveel van heeft als

hij er iets mede weet uit te richten? Wat orde en regel betreft, als

men niets anders te doen heeft dan op de sofa te luieren en wat te

lezen, is het niet van groot belang of men een uur vroeger of later

ontbijt en dineert. Nu bezorgt Dina toch een heerlijk diner--soep,

ragout, gebraad, dessert, roomijs en alles--en dat schept zij uit

een chaos daar in de keuken. Ik vind hare manier van doen inderdaad

subliem. Maar, lieve hemel, als wij nu naar beneden gaan en haar onder

den vuilen verwarden boel met haar stompje pijp op den grond zien

zitten, moeten wij maar nooit meer eten. Absolveer u zelve daarvan,

lieve Nicht. Het is erger dan een Roomsche penetentie en van even

weinig nut. Gij zult maar uit uw humeur raken en Dina geheel in de

war brengen. Laat haar maar haar eigen gang gaan."

"Maar, Augustine, gij weet niet hoe ik alles gevonden heb."

"Weet ik het niet? Weet ik niet dat de rolstok onder haar bed ligt,

en het muskaatraspje bij hare tabak in haren zak zit--dat er vijf en

zestig verschillende suikerpotten zijn in alle hoeken en gaten van

het huis--dat zij de schotels den eenen dag met een servet wascht,

en den anderen dag met een lap van een ouden rok? Maar het einde

van alles is dat zij uitmuntende diners op tafel brengt en heerlijke

koffie zet; en gij moet haar beoordeelen gelijk men veldoversten en

staatslieden beoordeelt, naar den uitslag."

"Maar de verspilling--de onkosten!"

"Och ja. Sluit alles weg wat gij kunt wegsluiten. Geef bij kleine

porties uit en vraag nooit naar overschotjes--dat is het beste."

"Maar er is iets dat mij onrustig maakt, Augustine. Ik kan niet

nalaten te denken dat die bedienden niet eerlijk zijn. Zijt gij wel

zeker dat men hen vertrouwen kan?"

Augustine lachte schaterend over het ernstige en benauwde gezicht,

waarmede Ophelia deze vraag deed.

"O, Nicht, dat is al te koddig. Eerlijk!--alsof men zoo iets verwachten

kon. Eerlijk!--Wel zeker zijn ze dat niet. Waarom zouden zij dat

wezen? En wat op de wereld zou het hen maken?"

"Waarom leert gij hun dan niet beter?"

"Leeren! Kom, kom, gekheid. Hoe zou ik hun iets kunnen leeren, denkt

gij? Daar ben ik wel de man naar. Wat Marie betreft, zij is zeker

driftig genoeg om eene geheele plantage dood te slaan als men haar

begaan liet; maar het bedriegen zou zij hun toch niet afwennen."

"Zijn er dan geene eerlijke?"

"Nu en dan wel eens een, wien de natuur zoo onhandelbaar, onnoozel,

braaf en trouw heeft gemaakt, dat de slechtste voorbeelden hem

niet bederven kunnen. Maar ziet ge, van de moederborst af leert het

gekleurde kind dat hem geene andere dan slinksche wegen openstaan. Hij

kan anders met zijne ouders, zijne meesters en zijne kleine meestertjes

en meesteresjes, die tegelijk zijne speelkameraden zijn, volstrekt

niet voort. List en bedrog worden hem tot noodzakelijke, onmisbare

gewoonten. Het is niet billijk iets anders van hen te verwachten. Zij

behooren er niet voor gestraft te worden. Wat eerlijkheid betreft,

de slaaf wordt in zulk een afhankelijken, halfkinderlijken staat

gehouden, dat men hem geen denkbeeld van het recht van eigendom kan

geven, en niet kan doen voelen dat het goed van zijnen meester hem

niet toebehoort, als hij het zich kan toeëigenen. Wat zoo iemand als

dien Tom aangaat--hij is een zedelijk mirakel."

"En wat wordt er dan van hunne zielen?" zeide Ophelia.

"Dat is mijne zaak niet, zoover ik weet," antwoordde St.-Clare. "Ik

heb alleen met de zaken van het tegenwoordige leven te doen; en om de

waarheid te zeggen, men denkt vrij algemeen dat zij in deze wereld

ten onzen voordeele aan den duivel zijn overgegeven, hoe het dan in

de andere met hen mag afloopen."

"Maar dat is afschuwelijk," zeide Miss Ophelia. "Gij moest u schamen."

"Dat weet ik nog niet. Wij staan zoo tamelijk met anderen gelijk,

zooals de menschen over het geheel zijn," zeide St-Clare. "Zie maar

naar grooten en geringen over de geheele wereld en het is overal

eveneens; de lagere klassen met lichaam en ziel ten voordeele der

hoogere gebruikt en versleten; zoo is het in Engeland, zoo is het

overal; en toch staat het geheele christendom versteld en gloeit van

edele verontwaardiging, omdat wij dezelfde dingen in een eenigszins

anderen vorm doen dan zij."

"In Vermont is het zoo niet."

"Nu ja, in Nieuw-Engeland en de vrije Staten zijt gij ons vooruit;

dit geef ik toe. Maar daar hoor ik de klok; laten wij dus voor eene

poos onze geschillen en vooroordeelen aan kant zetten, lieve Nicht,

en gaan dineeren."

Toen Ophelia laat in den namiddag weder in de keuken was, riepen

eenige van de zwarte kinderen: "O, daar komt Prue aan, brommende en

knorrende, zooals zij altijd doet."

Eene lange, beenderige, gekleurde vrouw, kwam met eene mand vol

beschuitjes en warme broodjes op het hoofd, de keuken binnen.

"Zoo, Prue, zijt gij daar?" zeide Dina.

Prue's gezicht had eene bijzonder kwaadaardige uitdrukking en hare stem

een norschen, brommenden toon. Zij zette hare mand op den grond en zich

zelve daarbij op de hurken, met de ellebogen op de knieën, en zeide:

"Och! ik wou dat ik maar dood was!!"

"Waarom wenscht gij om maar dood te zijn?" zeide Ophelia.

"Dan zou ik uit mijne ellende wezen," antwoordde de vrouw stuursch

en zonder hare oogen op te slaan.

"Wat behoeft gij u ook dronken te drinken en altijd slaag te krijgen,

Prue?" zeide een opgeschikt kamermeisje, eene quadrone, en liet onder

het spreken hare koralen oorbellen bengelen.

De vrouw zag haar met een stuurschen blik aan.

"Misschien zult gij er ook wel eens toe komen," zeide zij. "Ik zou

blijde zijn als ik het zag, dat zou ik. Dan zoudt gij ook verlangen,

zooals ik, naar een droppel om uwe ellende te vergeten."

"Kom, Prue," zeide Dina. "Laat uwe beschuitjes zien. De juffrouw zal

ze betalen."

Ophelia nam er een paar dozijn van.

"Daar zijn nog eenige loodjes in de gebarsten kan op de bovenste

plank," zeide Dina. "Klim eens op een stoel en geef ze haar aan."

"Loodjes--waar zijn die voor?" zeide Ophelia.

"Wij koopen loodjes van haren meester en zij geeft ons brood daarvoor."

"En zij tellen mijn geld en mijne loodjes als ik tehuis kom, en als

het niet uitkomt slaan ze mij halfdood."

"Dat is uw verdiende loon," zeide Jane, het snibbige kamermeisje,

"als gij hun geld besteedt om u dronken te drinken; en dat doet zij,

Juffrouw."

"En dat _wil_ ik doen; ik kan anders niet leven; ik moet drinken en

mijne ellende vergeten."

"Het is zeer slecht en dwaas van u," zeide Ophelia, "dat gij uw

meesters goed steelt, om u zelve tot een redeloos dier te maken."

"Dat mag wel zoo zijn, Juffrouw; maar ik wil het toch doen--ja,

ik wil. Och, ik wou dat ik maar dood was, dat doe ik. Ik wou dat ik

maar dood was en uit mijne ellende."

Zij stond stijf en langzaam op en zette hare mand weder op haar hoofd,

maar eer zij heenging keerde zij zich naar het kamermeisje, dat nog

met hare oorbellen stond te spelen.

"Gij denkt," zeide zij, "dat gij machtig mooi daarmee zijt, en vrij

uw hoofd in den nek kunt werpen en op iedereen neerzien. Nu, dat komt

er niet op aan--gij kunt nog wel een oud, afgebeuld schepsel worden,

zooals ik. Ik hoop dat de Heere dat doen zal; en zie dan of gij niet

drinken zult--drinken--drinken--u zelve naar de hel drinken; en dat

zal uw verdiende loon zijn--oe!" En met een kwaadaardig geluid ging

zij heen.

"Dat misselijke oude beest!" zeide Adolf, die in de keuken was gekomen

om scheerwater voor zijnen meester te halen. "Als ik haar meester was,

zou ik haar nog erger laten afzweepen."

"Dat zoudt ge niet eens kunnen," zeide Dina. "Haar vel kan nooit

meer genezen."

"Ik vind dat men zulke gemeene schepsels niet bij fatsoenlijke

huishoudens moest laten rondgaan," zeide Jane. "Wat denkt gij daarvan,

Mijnheer St.-Clare?" vervolgde zij, coquet haar hoofdje naar Adolf

omdraaiende.

Onder de dingen, welke Adolf zich van zijnen meester had toegeëigend,

behoorde ook zijn naam, en in de gekleurde kringen van Nieuw-Orleans

was hij algemeen als Mr. St.-Clare bekend,

"Zekerlijk ben ik van uw gevoelen, Juffrouw Benoir," antwoordde Adolf.

Benoir was de naam der familie van Marie St.Clare, en Jane behoorde

onder hare lijfbedienden.

"Lieve Juffrouw Benoir, mag ik vragen of die oorbellen voor het bal

van morgenavond bestemd zijn? Zij zijn waarlijk betooverend."

"En ik ben waarlijk benieuwd, Mijnheer St.-Clare, hoever gij heeren

de vrijpostigheid drijven zult," en zij schudde haar hoofdje dat hare

oorbellen wederom bengelden. "Ik zal den geheelen avond niet met u

dansen, als gij mij nog zoo iets vraagt."

"O, zoo wreed zult ge toch niet zijn. Ik was juist zoo verlangend om

te weten of gij uw rose kleedje zoudt aan hebben," zeide Adolf.

"Wat is er?" zeide Rosa, eene kleine, pikante quadrone, die juist de

trap kwam aanwippen.

"Wel, die mijnheer St.-Clare is zoo onbeschaamd."

"Op mijne eer," zeide Adolf, "ik wil het juffrouw Rosa laten

beslissen."

"Ik weet wel dat hij een ondeugend schepsel is," zeide Rosa, zich op

een harer nette voetjes wiegende en Adolf schalkachtig aankijkende.

"Hij maakt mij altijd kwaad op hem."

"O Dames, Dames, gij zult met u beiden mijn hart nog breken," zeide

Adolf. "Ik zal eens op een ochtend dood in mijn bed worden gevonden

en dat zult gij te verantwoorden hebben."

"Hoor dien ondeugd eens aan!" riepen beide dames en schaterden van

het lachen.

"Kom, maakt maar dat gij voortkomt," zeide Dina nu. "Ik kan dat

gebabbel in de keuken niet velen. Gij loopt mij maar in den weg met

uwe zotternij."

"Tante Dina is knorrig, omdat zij niet mede naar het bal kan gaan,"

zeide Rosa.

"Ik wil niet met uw lichtkleurige bals te maken hebben," antwoordde

Dina. "Gij wilt u verbeelden dat gij blanken zijt, en gij zijt toch

maar negers, zoo goed als ik."

"Tante Dina smeert zich het haar wel alle dagen met vet om het glad

te doen worden," zeide Jane.

"En het blijft toch maar wol," voegde Rosa er bij, en schudde spottend

hare lange zijden krullen.

"Welnu, is wol niet evengoed als haar in de oogen des Heeren?" zeide

Dina. "Ik zou van mevrouw wel eens willen hooren wie het meeste waard

is--een paar zooals gij, of ééne zooals ik. Maakt nu maar dat gij

wegkomt; ik wil u niet om mij heen hebben."

Hier werd het gesprek van twee kanten gestoord. Men hoorde boven aan

de trap de stem van St. Clare, die Adolf vroeg of hij den geheelen

avond met het water dacht uit te blijven; en tegelijk kwam Ophelia

er weder aan en zeide:

"Jane en Rosa, waarom staat gij daar uw tijd te verbeuzelen? Gaat

aan uw naaiwerk."

Onze vriend Tom, die onder het gesprek met de oude Prue in de keuken

was geweest, was haar de straat op gevolgd. Hij zag haar langzaam

voortstrompelen, en hoorde haar telkens bij zich zelve brommen en

zuchten. Eindelijk zette zij hare mand op eene stoep neer en begon den

ouden verschoten doek, die over hare schouders hing, te verschikken.

"Ik zal uwe mand wel een eind ver dragen," zeide Tom medelijdend.

"Waarom zoudt ge?" zeide de oude vrouw. "Ik heb geene hulp noodig."

"Gij schijnt ziek, of droevig, of zoo iets te wezen," zeide Tom.

"Ik ben niet ziek," antwoordde de vrouw kortaf.

"Ik wenschte," zeide Tom, haar ernstig aanziende, "ik wenschte dat

ik u kon overhalen om het drinken te laten. Weet gij niet dat het uw

verderf zal zijn, naar ziel en lichaam?"

"Ik weet wel dat ik naar de hel ga," zeide de oude vrouw norsch. "Gij

behoeft mij dat niet te zeggen. Ik ben slecht, ik ben goddeloos--ik

ga recht naar de hel. Och, ik wou dat ik er al was."

Tom huiverde bij die schrikkelijke woorden, die met stroeven,

onverschilligen ernst werden uitgesproken.

"O, de Heere zij u genadig, arm schepsel! Hebt gij nooit van Jezus

Christus gehoord?"

"Jezus Christus, wie is dat?"

"Wel hij is _de Heere_," zeide Tom.

"Ik heb wel gehoord van den Heere en het oordeel en de hel. Daar heb

ik wel van gehoord."

"Maar heeft niemand u ooit van den Heere Jezus gesproken, en gezegd

dat Hij onze arme zondaren liefhad en voor ons gestorven is?"

"Daar weet ik niets van," antwoordde zij. "Niemand heeft mij ooit

liefgehad sedert mijn oude man dood is."

"Waar zijt gij opgebracht?" vroeg Tom.

"Daar hooger op in Kentucky. Een man hield mij om kinderen voor de

markt van mij te krijgen, en verkocht ze zoo gauw ze groot genoeg

waren. Eindelijk verkocht hij mij aan een handelaar, en mijn meester

kreeg mij van hem."

"Maar wat heeft u aan die slechte gewoonte van drinken gebracht?"

"Om maar uit mijne ellende te komen. Ik kreeg nog een kind nadat ik

hier kwam, en toen dacht ik dat ik er een hebben zou om groot te

brengen, omdat mijn meester geen koopman was; en mijne meesteres

scheen er eerst veel werk van te maken; het schreeuwde nooit en

was gezond en vet. Maar mijne meesteres werd ziek en ik paste haar

op; toen kreeg ik ook de koorts en ging al mijn zog weg; mijn kind

teerde uit tot vel en been en mijne meesteres wilde er geene melk

voor koopen. Zij wilde niet naar mij luisteren, als ik zeide dat

ik geen zog had. Zij zeide dat ik het wel voeden kon met hetzelfde

dat andere lieden aten; en het kind verkwijnde, schreeuwde nacht en

dag, en was niets meer dan vel en been; en mijne meesteres kreeg er

een hekel aan en zeide dat het niets anders dan stoutigheid was. Zij

wenschte dat het dood was, zeide zij, en zij wilde het des nachts niet

bij mij laten, omdat het mij wakker hield, zeide zij, en maakte dat

ik over dag nergens toe deugde. Ik moest bij haar in de kamer slapen;

en ik moest het kind wegzetten op een soort van zoldertje, en eens op

een nacht schreeuwde het zich dood. Dat deed het, en toen ging ik aan

het drinken om zijn schreeuwen uit mijne ooren te houden. Dat deed

ik, en ik wil drinken. Ik wil, en ik wil, al ga ik er naar de hel

voor. Meester zegt dat ik naar de hel zal gaan en gepijnigd worden;

maar ik zeg dat ik nu toch al gepijnigd word."

"O, gij arm schepsel!" zeide Tom nu. "Heeft dan niemand u ooit gezegd

hoe de Heere Jezus u liefhad en dat Hij voor u gestorven is? Hebben

zij u niet gezegd dat Hij u ook helpen wil, en dat gij in den hemel

kunt komen, en daar eindelijk rust hebben?"

"Ik zie er wel naar uit om in den hemel te komen," antwoordde de

vrouw. "Is het daar niet waar de blanken naar toe gaan? Misschien

zouden zij mij daar wel willen hebben. Ik ga liever naar de hel,

als ik maar van mijnen meester en mijne meesteres afkom--veel liever."

En met haar gewoon brommen en zuchten nam zij hare mand weder op en

ging heen.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

GESCHIEDENIS VAN ST.-CLARE.

Tom keerde zich om en ging treurig naar huis terug. Op het binnenplein

ontmoette hij de kleine Eva met een bloemenkransje op het hoofd en

oogen die van blijdschap straalden.

"O, Tom, zijt gij daar? Ik ben blij dat ik u vind. Papa zegt dat gij

de hitjes moogt laten inspannen en mij in een nieuw wagentje laten

rijden," zeide zij, hem bij de hand nemende. "Maar wat scheelt u,

Tom? Gij ziet zoo ernstig."

"Ik ben geschrikt, Jongejuffrouw Eva," antwoordde Tom droevig.

"Maar zeg mij toch, Tom, wat scheelt er aan? Ik heb u met die brommende

oude Prue zien spreken."

Tom verhaalde met ernstige, eenvoudige bewoordingen de geschiedenis

dezer vrouw. Eva deed geene uitroeping en schreide ook niet, gelijk

andere kinderen zouden gedaan hebben. Hare wangen verbleekten; en

haar blik werd donker en strak. Zij legde beide handen op hare borst

en slaakte een zwaren zucht.

"Tom, gij behoeft de paarden niet te laten inspannen. Ik wil niet

gaan rijden," zeide zij toen.

"Waarom niet, Jongejuffrouw Eva?"

"Die dingen zinken mij in het hart, Tom," antwoordde zij. "Zij

zinken mij in het hart," herhaalde zij nog ernstiger. "Ik heb geen

lust meer om te gaan rijden." En daarmede keerde zij zich om en ging

weder in huis.

Eenige dagen later kwam eene andere vrouw, in plaats van de oude Prue,

de beschuitjes brengen. Ophelia was juist in de keuken.

"Wel!" zeide Dina. "Wat scheelt er aan met Prue?"

"Prue komt niet meer," antwoordde de andere vrouw geheimzinnig.

"Waarom niet?" zeide Dina. "Zij is niet dood, is ze?"

"Dat weten wij niet recht. Zij is in den kelder," antwoordde de vrouw

met een blik naar Ophelia,

Nadat Ophelia beschuitjes had genomen, ging Dina met de vrouw mede

naar de deur.

"Wat is er toch met Prue?" zeide zij.

De vrouw scheen verlangend en toch bevreesd om te spreken en antwoordde

op een zachten, geheimzinnigen toon:

"Wel, gij moet het niemand vertellen. Prue is weder dronken geweest--en

zij brachten haar in een kelder--en lieten haar daar den geheelen dag;

ik hoorde zeggen dat _de vliegen haar hadden beetgekregen_--en nu is

zij dood!"

Dina stak hare handen op, en toen zij zich omkeerde, zag zij vlak

achter haar de kleine Eva staan, met afgrijzen in hare wijd starende

oogen en zonder eenig spoor van kleur op hare wangen.

"De hemel bewaar ons! Jongejuffrouw Eva zal nog flauw vallen. Waarom

hebben wij haar zulke dingen laten hooren! Haar papa zal razend wezen!"

"Ik zal niet flauw vallen, Dina," antwoordde het kind op vasten

toon. "En waarom zou ik dat niet hooren? Het is voor mij zooveel niet

om het te hooren als voor de arme Prue om het te lijden."

"Och, och, zulke teere, zachte juffertjes als gij moesten zulke

histories niet hooren. Het is genoeg om ze den dood te doen."

Eva zuchtte wederom en ging langzaam en treurig naar boven.

Ophelia vroeg nu met zekere angstige nieuwsgierigheid wat de

vrouw gezegd had. Dina gaf haar een zeer woordenrijk verslag van

het gebeurde, waarbij Tom de bijzonderheden voegde, welke hij dien

ochtend had vernomen.

"Dat is nu toch iets verschrikkelijks--iets verfoeielijks!" riep

Ophelia uit, toen zij de kamer binnentrad waar St.-Clare zijne courant

zat te lezen.

"Wel, welke verfoeielijkheid weet gij nu weder?" zeide hij.

"Wat ik weet? Wel, dat volk heeft Prue dood gegeeseld," antwoordde

Ophelia, en deelde toen met veel ophef het voorgevallene mede, over

welks akelige bijzonderheden zij met verontwaardiging uitweidde.

"Ik dacht wel, dat het eens daartoe komen zou," zeide St.-Clare,

zijne courant weder inkijkende.

"Dacht gij dat wel? En zult gij er nu niets meer aan doen?" hervatte

Ophelia. "Hebt gij hier geene "hoofdlieden", of iemand om zulke dingen

te onderzoeken en zich aan te trekken?"

"Men denkt gewoonlijk dat het eigenbelang in zulke gevallen een

voldoende waarborg is. Wanneer iemand verkiest zijne eigene bezittingen

te vernielen, weet ik niet wat er aan te doen is. Het schijnt dat die

arme vrouw eene dievegge en aan den drank was, en dus kan men niet

hopen dat men iemand zal kunnen bewegen om zich aan haar te laten

gelegen liggen."

"Het is ontzettend--het is afschuwelijk, Augustine! Het zal zeker

eens een oordeel over u brengen."

"Lieve Nicht, ik heb het niet gedaan en ik kan het niet verhelpen;

ik zou wel willen, als ik maar kon. Als gemeene, ruwe kerels naar

hunnen aard willen handelen, wat zal ik er dan aan doen? Zij hebben

onbeperkte macht; zij zijn onverantwoordelijke despoten. Het zou niet

baten zich met hen te willen bemoeien; er is geene wet, die in zulk

een geval van wezenlijke hulp is. Het beste dat wij kunnen doen is:

oogen en ooren sluiten en het maar zoo laten. Dat is het eenige wat

ons overschiet."

"Hoe kunt gij oogen en ooren sluiten? Hoe kunt gij zulke dingen zoo

maar laten?"

"Maar wat zoudt gij dan willen, lieve Nicht? Hier is eene geheele

klasse--verdierlijkt, onkundig, traag, koppig, onhandelbaar--zonder

eenige beperkingen of bedingen onder de macht gesteld van menschen

gelijk de meeste menschen in de wereld zijn, menschen zonder nadenken

of zelfbeheersching, die zelfs hun eigen welbegrepen belang niet in

het oog houden--want zoo is het met de grootste helft van 't menschdom

gesteld. Wat kan nu in zulk eene maatschappij een man van menschelijk

gevoel anders doen, dan zooveel hij kan zijne oogen sluiten en zijn

hart verharden? Ik kan alle mishandelde ellendelingen niet koopen. Ik

kan geen dolend ridder worden en ondernemen om ieder onrecht in zulk

eene stad als deze te herstellen. Het eenige dat ik doen kan is:

beproeven om er mij zelven vrij van te houden."

St.-Clare's gezicht bleef voor eene poos betrokken; maar eensklaps

zijn vroolijken glimlach hernemende, zeide hij:

"Kom, kom, Nicht, blijf daar niet staan als eene dreigende

ongeluksprofetes. Gij hebt nog maar even een hoekje der gordijn

opgelicht--nog maar even een proefje er van gezien, hoe het op eene of

andere manier door de geheele wereld toegaat. Als wij alle akeligheden

van het leven willen opzoeken en beloeren, zullen wij nergens lust

meer in hebben. Dat zou hetzelfde zijn alsof men al te nauwlettend

de details van Dina's keuken wou bekijken." En St.-Clare strekte zich

weder op de sofa uit en ging tevens voort met lezen.

Ophelia zette zich neer, haalde haar breiwerk tevoorschijn en bleef

met een gezicht vol barsche verontwaardiging zitten breien; maar

terwijl zij breide en peinsde, brandde het vuur in haar binnenste

voort en eindelijk barstte zij uit:

"Ik zeg u Augustine, ik kan mij niet over zulke dingen heenzetten,

indien gij dat al doen kunt. Het is verfoeilijk van u, zulk een

stelsel te verdedigen--zoo denk ik er over."

"Wat nu?" zeide St.-Clare opkijkende. "Begint gij er nog eens over?"

"Ik zeg dat het verfoeielijk van u is, zulk een stelsel te verdedigen,"

herhaalde Ophelia met toenemende warmte.

"_Ik_ het verdedigen, lieve Juffrouw? Wie heeft ooit gezegd dat ik

het verdedigde?" zeide St.-Clare.

"Wel zeker verdedigt gij het--dat doet gij allen--al gij

Zuidlanders. Waarom houdt gij slaven, als gij dat niet doet?"

"Zijt gij dan zoo dood-onnoozel, dat gij nog denkt dat iemand op de

wereld ooit iets doet dan wat hij voor recht houdt? Doet gij nooit

iets, of hebt gij nooit iets gedaan, dat gij niet voor geheel recht

houdt?"

"Als ik dat doe heb ik er berouw van, hoop ik," antwoordde Ophelia

en liet vinnig hare breinaalden ratelen.

"Ik ook," zeide St.-Clare, onder het schillen van een sinaasappel. "Ik

heb er op den duur berouw van."

"Waarom gaat gij er dan mede voort?"

"Zijt gij nooit voortgegaan met kwaad doen, nadat gij er al berouw

van hadt, goede Nicht?"

"Welnu, ja, maar alleen als ik in zware verzoeking was," antwoordde

Ophelia.

De Negerhut · 第 21 / 44 段