"Maar blijf dan nog even," zeide Eliza, "en doet iets voor dien armen

man. Hij kermt zoo akelig."

"Het zou niet meer dan christelijk wezen," zeide George. "Laten wij

hem maar optillen en medenemen"

"En hem onder de kwakers genezen!" zeide Phineas. "Dat zou wel aardig

zijn. Nu, ik heb er niets tegen. Maar laten wij eerst eens naar hem

gaan kijken."

En Phineas, die in zijn jagersleven eenige ondervinding in de chirurgie

had opgedaan, knielde bij den gekwetste neer en begon zorgvuldig zijn

toestand te onderzoeken.

"Marks," zeide Tom met eene flauwe stem, "zijt gij dat Marks?"

"Neen, dat is niet te denken, vriend," antwoordde Phineas. "Hoeveel

Marks van u houdt, hij houdt toch meer van zijne eigene huid. Hij is

al lang voort."

"Ik geloof dat het met mij gedaan is," zeide Tom. "Die lafhartige

rekel, om mij hier alleen te laten sterven! Mijne goede oude moeder

heeft mij altijd gezegd dat het zoo gaan zou."

"Och Heere, hoor dat arme schepsel eens! Hij heeft nog eene moeder,"

zeide de oude negerin. "Ik kan het niet nalaten om medelijden met

hem te hebben."

"Zachtjes, zachtjes; zoo kleinzeerig en driftig niet, vriend," zeide

Phineas, toen Tom ineenkromp en zijn hand wegstiet. "Gij hebt geene

kans meer, als ik het bloeden niet stuit." En Phineas improviseerde

haastig een verband van zijn eigen zakdoek en van die, welke hij bij

het gezelschap nog kon bekomen.

"Gij hebt mij daar afgestooten," zeide Tom met eene flauwe stem.

"Wel, als ik dat niet gedaan had, zoudt gij er ons hebben afgestooten,"

antwoordde Phineas, bukkende om het verband aan te leggen. "Kom,

laat ik u helpen. Wij meenen het wel met u; wij willen u geen kwaad

doen. Gij zult naar een huis gebracht worden, waar men u uitmuntend

zal oppassen--zoogoed als uwe eigene moeder zou kunnen doen."

Tom kermde slechts en sloot zijn oogen. Bij menschen van zijne klasse

zijn kracht en moed iets geheel lichamelijks, en vervliegen met

het wegvloeien van hun bloed; de reusachtige kerel zag er in zijne

hulpeloosheid inderdaad jammerlijk uit.

De andere troep kwam nu aan. Men nam de banken uit den wagen, legde de

buffelhuiden, in vieren gevouwen, geheel langs eene zijde, en daarop

tilden vier mannen met groote moeite den loggen Tom er in. Eer men

hem neerlegde was hij geheel flauw. De oude negerin ging, in haren

overvloed van medelijden, op den grond zitten, en nam zijn hoofd in

haren schoot.

"Wat denkt gij van hem?" zeide George, die naast Phineas voorop zat.

"Wel, het is maar eene tamelijk diepe vleeschwonde; maar dat kneuzen en

krabben bij zijnen val heeft hem geen goed gedaan. Hij heeft tamelijk

sterk gebloed; hij is haast leeggeloopen, met courage en al; maar

hij zal het wel te boven komen en er misschien iets door leeren."

"Ik ben blijde, dat ik dit van u hoor," zeide George, "het zou

altijd eene drukkende gedachte voor mij geweest zijn, als ik zijn

dood veroorzaakt had, zelfs in eene rechtvaardige zaak."

"Ja," zeide Phineas, "het dooden is een leelijk ding, hoe men het ook

neemt--mensch of beest. Ik ben in mijnen tijd een groot jager geweest

en ik zeg u, ik heb dikwijls gezien dat een reebok, die geschoten was

en stierf, iemand zoo aankeek, dat hij haast een gevoel had alsof hij

eene goddeloosheid had gedaan; en met menschelijke wezens is het nog

ernstiger, omdat, zooals uwe vrouw gezegd heeft, voor hen na den dood

het oordeel komt. Ik weet niet of de begrippen van ons volk over die

dingen wel te nauw zijn; en als men bedenkt hoe ik ben groot geworden,

heb ik ze tamelijk wel overgenomen."

"Wat zullen wij nu met dien armen kerel doen?" zeide George.

"O, hem naar Amariah brengen. Daar is oude grootmoeder Stephens--Dorcas

noemen zij haar--zij kan verbazend goed oppassen. Dat is haar

natuurlijk vak, en zij is nooit beter in haren schik dan wanneer zij

een zieke heeft te verzorgen. Wij kunnen hem wel veertien dagen of

zoo bij haar laten."

Na omtrent een uur rijdens kwam men aan eene nette boerenwoning,

waar de vermoeide reizigers terstond op een goed ontbijt werden

onthaald. Tom Loker werd spoedig met behoedzaamheid op een veel

zindelijker en zachter bed gelegd, dan waarin hij ooit gewoon was

geweest te slapen. Zijne wonde werd zorgvuldig gezuiverd en verbonden,

en toen bleef hij stilliggen als een vermoeid kind, kwijnend zijne

oogen sluitende en dan weder openende, om naar de witte gordijnen der

kamer en de zacht voorbijglijdende gedaanten te turen. En hiermede

nemen wij voor het tegenwoordige van dit gezelschap afscheid.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

MISS OPHELIA AANVAARDT HARE TAAK.

Onze vriend Tom vergeleek, in zijn eenvoudig gepeins, zijn eigen

gelukkig lot in zijne dienstbaarheid met dat van Jozef in Egypte;

en naarmate zijn karakter zich voor het oog van zijnen meester meer

en meer ontwikkelde, werd die vergelijking al juister en juister.

St. Clare was traag en onverschillig voor geld. Tot nog toe was het

inkoopen van allerlei benoodigdheden voornamelijk door Adolf bezorgd,

die even onbedacht en spilziek was als zijn meester; en met hun

beiden ging het verkwisten met vervaarlijke snelheid voort. Jarenlang

gewoon zijns meesters eigendom als een aan hem toevertrouwd goed te

beschouwen, zag Tom met eene onrust, die hij bijna niet smoren kon,

de verkwisting in dit huishouden; en op de zachte, zijdelingsche

manier, die menschen van zijnen stand dikwijls aannemen, gaf hij

somtijds wenken en raad.

In het begin gebruikte St. Clare hem nu en dan; maar Weldra overtuigd

van zijn gezond oordeel en zijne bedrevenheid in dit opzicht,

vertrouwde hij hem al meer en meer, totdat eindelijk alle inkoopen

op de markt en elders aan hem werden opgedragen.

"Neen, neen, Adolf," zeide hij eens, toen deze zich beklaagde over

de vermindering van zijne macht, "laat Tom maar begaan. Gij weet

alleen wat er noodig is--Tom weet wat het kost en waar het gekocht

moet worden; en er zou welhaast een einde aan het geld komen, als

wij niet iemand daarop lieten passen."

Zoo onbeperkt vertrouwd door een zorgeloozen meester, die hem eene

banknoot gaf zonder er naar te zien, en het geld aannam zonder

het te tellen, had Tom velerlei gelegenheden en verzoekingen tot

oneerlijkheid, en niets dan zijne eenvoudige rechtschapenheid, door

zijn christelijk geloof versterkt, kon hem daarvan terughouden. Voor

hem was juist het onbeperkte vertrouwen, dat men in hem stelde,

eene drangreden en heilige verplichting tot de striktste nauwgezetheid.

Met Adolf was het geheel anders geweest. Onnadenkend begeerig en niet

gedwongen door vrees voor een meester, die het 't gemakkelijkst vond

alles maar te laten loopen gelijk het wilde, was hij ten opzichte van

dien meester tot zulk eene volkomen verwarring van het _mijn_ en _dijn_

geraakt, dat zelfs St. Clare somtijds onrustig daarover werd. Zijn

eigen gezond verstand zeide hem dat het verkeerd en gevaarlijk was,

zijne bedienden zoodanige gewoonten te laten aannemen. Hij gevoelde

altijd zekere knaging daarover, hoewel deze niet sterk genoeg was om

hem eene beslissende verandering in zijne handelwijs te doen maken; en

juist deze knaging bewoog hem tot verdere toegeeflijkheid. Hij zag de

zwaarste fouten licht over het hoofd, omdat hij zich zelven zeide dat

zonder zijn toedoen zijne bedienden niet daartoe zouden vervallen zijn.

Tom beschouwde zijn vroolijken, luchthartigen, innemenden jongen

meester met een zonderlinge mengeling van welgevallen, eerbied en

vaderlijke bekommering. Dat hij nooit in den Bijbel las en nooit

naar de kerk ging, dat hij spotte met alles waarmede hij verkoos

zijn vernuft te laten spelen, dat hij zijne Zondagavonden in de

opera sleet; dat hij meer dan hem wel dienstig was naar de clubs

en avondgezelschappen ging, waar veel gedronken werd--waren dingen,

welke Tom even duidelijk zien kon als iemand anders, en die hem tot de

overtuiging brachten dat "meester geen christen was;" eene overtuiging

evenwel, die hij zeer bezwaarlijk aan iemand anders zou bekend hebben,

maar die hem in zijn slaapkamertje op zijne eenvoudige manier menig

gebed deed uitstorten. Bij gelegenheid zeide hij ook wel eens zijne

gedachten, met iets van dien tact die aan zijne klasse eigen is. Bij

voorbeeld: daags na den vroeger beschreven Zondag was St. Clare op

eene gezellige partij van vroolijke snaken genoodigd, en werd hij

tusschen één en twee uur in den nacht tehuis gebracht in een toestand,

welke weinig van smoordronken verschilde. Tom en Adolf hielpen hem in

bed. De laatste was zeer vroolijk, hield de zaak blijkbaar voor een

aardigheid en lachte hartelijk over de onnoozele ontzetting van Tom,

die inderdaad eenvoudig genoeg was om het grootste gedeelte van den

nacht te blijven wakker liggen en voor zijnen jongen meester te bidden.

"Wel, Tom, waar wacht gij naar?" zeide St. Clare den volgenden dag,

toen hij in zijne kamerjapon in zijn bibliotheek zat, en Tom juist

verschillende boodschappen en eenig geld had gegeven. "Is het niet

alles in orde?" vervolgde hij, toen Tom nog staan bleef.

"Ik vrees van neen, meester," antwoordde Tom met een ernstig gezicht.

St. Clare legde zijne courant neder en zag Tom aan.

"Wel, Tom, wat scheelt er aan? Gij kijkt zoo plechtig als eene

doodkist."

"Ik ben heel benauwd, meester. Ik heb altijd gedacht, dat meester

voor alle menschen goed zou zijn."

"Wel, Tom, ben ik dat dan niet geweest? Komaan, wat woudt ge

hebben? Gij wilt om iets vragen, denk ik, en dit is de inleiding."

"Meester is altijd goed voor mij geweest. Ik heb in dat opzicht niets

te klagen. Maar er is iemand, voor wien meester niet goed is."

"Wel, Tom, hoe is u dat in het hoofd gekomen? Spreek op, wat meent

gij?"

"Verleden nacht tusschen één en twee uur dacht ik zoo. Ik heb toen

de zaak overlegd. Meester is niet goed voor zich zelven."

Toen Tom dit zeide, keerde hij zich om en tastte naar de kruk van

de deur. St. Clare voelde zijn gezicht bloedrood worden, maar hij

lachte toch.

"O, is dat alles?" zeide hij luchtig.

"Alles!" zeide Tom, zich eensklaps weder omkeerende en op de knieën

vallende. "O, mijn lieve jonge meester, ik vrees dat dit het verlies

van alles zal zijn--van alles--lichaam en ziel. Het goede boek zegt:

Hij zal bijten als eene slang en steken als eene adder, lieve meester."

Zijne stem bleef steken en de tranen rolden over zijne wangen.

"Welnu, ik zal niet meer naar die verwenschte gezelschappen gaan, Tom,"

zeide St. Clare, "op mijn eer, ik zal niet. Ik weet niet waarom ik er

al niet lang van weggebleven ben. Ik heb die ruwheid altijd veracht,

en mij zelven ook omdat ik er aan mededeed. Veeg dus nu uwe oogen maar

af, Tom, en ga uwe boodschappen doen. Neen," vervolgde hij, "geene

zegenbeden! Ik ben zoo verbazend goed nog niet." En dit zeggende,

duwde hij Tom zachtjes naar de deur. "Daar, Tom, ik verpand u mijne

eer, dat ge mij nooit weder zoo zien zult."

Tom veegde zijne oogen af en ging zeer vergenoegd heen.

"En ik zal ook mijn woord aan hem houden," zeide St. Clare, de deur

sluitende.

Hij deed dit werkelijk; want grof zinnelijk genot, van welken aard ook,

was geene groote verzoeking voor hem.

Doch wie zal de menigvuldige verdrietelijkheden van onze vriendin

Ophelia beschrijven, die in zulk een Zuidelijk huishouden de taak

van huishoudster aanvaardde?

Tusschen de bedienden in Zuidelijke huisgezinnen bestaat zooveel

verschil als maar mogelijk is, volgens het karakter en de bekwaamheid

der meesteressen, die hen hebben opgebracht. In het Zuiden,

zoowel als in het Noorden zijn vrouwen, die een buitengewonen

aanleg hebben om heerschappij te voeren en een bijzondere tact van

opvoeding bezitten. Dezulken zijn in staat om met schijnbaar gemak

en zonder gestrengheid de leden van een talrijk gezin aan haren wil

te onderwerpen en in geregelde orde te doen samenwerken, terwijl zij

ieders eigenaardigheden zoodanig aanmoedigen, en wat den een ontbreekt

zoodanig door hetgeen de ander in overmaat bezit weten te vergoeden,

dat daardoor een goed geheel ontstaat.

Zulk eene huishoudster was Mevrouw Shelby, welke wij reeds beschreven

hebben en onze lezers zich misschien nog herinneren. Indien zij in

het Zuiden niet talrijk zijn, is het omdat zij dit op de geheele

wereld niet zijn. Zij zijn daar evengoed te vinden als ergens elders,

en zij vinden daar in den bijzonderen toestand der maatschappij eene

schitterende gelegenheid om hare huiselijke talenten aan den dag

te leggen.

Zulk eene huishoudster was Mevrouw St. Clare niet, evenmin als hare

moeder vóór haar. Traag, kinderachtig, onnadenkend en zelve aan

geenen regel gewend, was het niet te verwachten, dat de bedienden

onder haar bestuur anders zouden zijn, en zij had Ophelia den staat

van verwarring, waarin zij het huishouden zou vinden, naar waarheid

beschreven, hoewel zij dien niet aan de rechte oorzaak had geweten.

Op den eersten morgen van haar regentschap stond Ophelia te vier

uren op, en nadat zij hare eigene kamer had opgeredderd, gelijk zij,

tot groote verbazing der kamermeid, sedert hare aankomst altijd gedaan

had, ging zij een krachtigen aanval doen op de kasten en bergplaatsen,

waarvan zij de sleutels had.

De provisiekamer, de linnenkasten, de porseleinkast, de keuken en de

kelder moesten dien dag eene geduchte inspectie doorstaan. Verborgen

dingen der duisternis werden voor het licht gebracht met zoo weinig

verschooning, dat de gezagvoersters in de keuken en elders er van

versteld stonden, en er niet weinig over "die Noordsche dame" werd

gepraat en gemompeld.

De oude Dina, de opperkeukenmeid en de eerste in gezag in dat gedeelte

van het huis, was niet weinig vergramd over de vermeende schennis

harer privilegiën. Geen baron in den tijd der Magna Charta kon meer

verbitterd zijn over de aanmatigingen der kroon.

Dina was op hare manier een origineel, en wij zouden hare nagedachtenis

onrecht aandoen, als wij den lezer niet eenig denkbeeld van haar

gaven. Zij was eene geboren keukenmeid, evenzeer als Tante Chloe,

want het koken is een aangeboren talent van den Afrikaanschen stam;

maar Chloe was eene geregelde wel-afgerichte keukenmeid, die hare

zaken met orde en overleg verrichtte, terwijl Dina een ongeregeld

genie en, gelijk genieën in het algemeen, ten uiterste eigenzinnig

en onhandelbaar was.

Gelijk zekere klasse van nieuwe philosofen, verachtte Dina alles wat

naar rede en regel geleek, en beriep zich steeds op eene ingeschapen

kennis. Daarmede gewapend, was zij onaantastbaar; geen gezag,

overreding of opheldering kon haar ooit doen gelooven, dat eenige

andere manier beter kon zijn dan de hare, of dat de handelwijs, waaraan

zij gewoon was, in het geringste kon gewijzigd worden. Dit was iets

waaraan hare oude meesteres, de moeder van Marie, en deze zelve na haar

huwelijk hadden toegegeven, daar dit veel gemakkelijker was dan het te

bekampen, en zoo had Dina altijd haar eigen zin gedaan. Dit was haar

des te eer gelukt, daar zij volmaakt meesteres was in die diplomatische

kunst, welke de grootste onderdanigheid van manieren met de grootste

hardnekkigheid wat de zaak zelve betreft weet te vereenigen.

Dina was meesteres in de geheele kunst van verontschuldigingen maken

in al hare takken. Het was bij haar een stelregel dat eene keukenmeid

geen kwaad kan doen; en in eene Zuidelijke keuken vindt de oppervoogdes

altijd hoofden en schouders genoeg om alle zonden en zwakheden op

te laden, zoodat zij hare onfeilbaarheid ongedeerd houdt. Als een of

ander gedeelte van een diner mislukte, waren daarvoor altijd vijftig

ontegenzeggelijk goede redenen; het was onloochenbaar de schuld van

vijftig andere lieden; welke Dina met onbarmhartigen ijver bekeef.

Doch het was zelden dat er iets mislukt kon heeten van hetgeen door

Dina naar de tafel werd gezonden. Schoon de manier waarop zij alles

deed, bijzonder omslachtig en langdradig was, en tijd of plaats daarbij

in geene aanmerking kwam--schoon hare keuken er doorgaans uitzag

alsof alles daar gerangschikt was door een orkaan, die er doorheen had

gewaaid, en zij voor elk stuk kookgereedschap omtrent zoovele plaatsen

had als er dagen in het jaar waren, kwam toch, als men maar geduld had

om haar tijd af te wachten, de maaltijd in volmaakte orde op de tafel,

zoo keurig toebereid dat geen epicurist er iets op kon aanmerken.

Het was nu de tijd voor de allereerste toebereidselen voor den

maaltijd. Dina, die lange tusschenpoozen van rust en nadenken noodig

had, en bij alles zooveel mogelijk gemak zocht, zat op den vloer een

kort stompje pijp te rooken, waarvan zij veel hield, en dat zij altijd

bij wijze van wierookvat liet branden, als zij voor haren arbeid

eenige inspiratie noodig had. Dit was hare manier om de huiselijke

muzen aan te roepen.

Om haar heen zaten verscheidene leden van dat opkomende geslacht, dat

in een Zuidelijk huishouden zoo talrijk is, bezig met erwten te doppen,

aardappelen te schillen, vogels te plukken en andere voorloopige

werkzaamheden, terwijl Dina telkens uit haar gepeins opkeek, om met

een rolstok, die naast haar lag, een harer jonge helpsters een stomp

of een tik op het hoofd te geven. Dina beheerschte inderdaad de jonge

leden van het dienstbare gezin als met eene ijzeren roede. Dit was

de geest van het stelsel waaronder zij zelve was opgegroeid, en dat

zij ook ten volle had aangenomen.

Nadat Ophelia haar hervormingstocht door andere gewesten van haar

gebied had volbracht, kwam zij ook in de keuken. Dina had van

verschillende kanten gehoord wat er gaande was; en bij zich zelve

besloten eene geheel conservatieve en defensieve houding te bewaren,

geene nieuwigheden aan te nemen of te laten invoeren, maar toch tot

geene werkelijke en zichtbare tegenkanting te komen.

De keuken was een ruim vertrek met een vloer van gebakken tegels,

en een grooten ouderwetschen schoorsteen, die aan ééne zijde den

geheelen muur besloeg; eene inrichting, welke St.-Clare vruchteloos

gepoogd had door eene nieuwerwetsche kookkachel te doen vervangen. Hij

had het onmogelijk bevonden Dina zoover te brengen. Hoe meer kastjes

en laden er waren, des te meer schuilhoeken kon Dina vinden, om oude

doeken, kammen, schoenen, linten, weggeworpen kunstbloemen en andere

fraaiïgheden weg te stoppen, waarvoor zij een bijzonderen smaak had.

Toen Ophelia de keuken binnentrad, stond Dina niet op, maar bleef

met statige kalmte zitten rooken, nu en dan in de schuinte naar haar

kijkende, maar schijnbaar op niets anders lettende dan op het werk

om haar heen.

Ophelia begon hare inspectie met een kastje met laden.

"Waar zijn die laden voor, Dina?" zeide zij.

"Die zijn handig voor bijna alle dingen, Juffrouw," was het antwoord.

Zoo bleek het ook te zijn. Uit eene lade haalde Ophelia vooreerst

een fijn damasten tafellaken met bloed bevlekt en blijkbaar gediend

hebbende om rauw vleesch in te wikkelen.

"Wat is dat, Dina? Gij zult toch de beste tafellakens van uwe meesteres

niet om het vleesch heenslaan?"

"O, wel neen, Juffrouw. De handdoeken waren eens allemaal weg--en

toen deed ik het maar. Ik heb het daar gelegd, om het te laten

wasschen--daarom ligt het daar maar."

"Hoe roekeloos!" zeide Ophelia bij zich zelve, haalde de laden verder

uit en vond een muskaatrasp met muskaatnoten, een methodistisch

gezangboek, een paar vuile bonte zakdoeken, eenig breiwerk en wat

garen, een papiertje met tabak en een kort pijpje, eenige zwermen,

een paar porseleinen schoteltjes met pommade, een paar oude schoenen,

een stuk flanel, zorgvuldig dichtgespeld en daarin eenige witte uien,

verscheidene damasten servetten, eenige grove handdoeken, wat bindgaren

en eenige stopnaalden, en verscheidene papiertjes met gaten, waaruit

specerijen door de geheele lade waren gestrooid.

"Waar bewaart gij uwe muskaatnoten, Dina?" zeide Ophelia, met een

gezicht, alsof zij bij zich zelve om geduld bad.

"Bijna overal, Juffrouw. Er zijn er wat in dien gebarsten trekpot

daar boven op, en er zijn er nog wat in die kast daar."

"Er zijn er ook hier in de rasp," zeide Ophelia.

"Och ja, ik heb ze daar van morgen ingedaan. Ik heb mijne dingen gaarne

bijdehand," zeide Dina. "Gij, Jake, waarom werkt gij niet voort? Ik

zal u raken. Pas op!" vervolgde zij, en deed een stomp met den stok

naar de schuldige.

"Wat is dat?" zeide Ophelia, een der schoteltjes met pommade

ophoudende.

"Och, dat is vet voor mijn haar. Ik heb het daar gezet om het bijdehand

te hebben."

"En gebruikt gij de beste schoteltjes van uwe meesteres daarvoor?"

"Och, dat was maar, omdat ik eens haast had; ik zou ze vandaag

verwisseld hebben."

"Hier zijn twee damasten servetten."

"Die heb ik daar gelegd om ze te laten wasschen."

"Hebt gij dan geene vaste plaats voor het goed dat gewasschen moet

worden?"

"Ja, meester heeft die kist daarvoor gegeven, zegt hij, maar ik kneed

mijne beschuit wel eens daarop en zet er goed op, en dan is het zoo'n

omslag om het deksel op te lichten."

"Waarom kneedt gij de beschuit niet daar op de tafel?"

"Och, Juffrouw, die staat altijd zoo vol schotels en allerlei dingen,

dat er nooit plaats op is."

"Maar gij moest uwe schotels wasschen en wegzetten."

"Mijne schotels wasschen?" zeide Dina op hoogen toon, daar thans hare

gramschap sterker werd dan haar ontzag. "Wat de dames van het werk

weten, dat zou ik wel eens willen weten. Wanneer zou meester ooit

zijn eten krijgen, als ik mijn tijd moest verslijten met schotels

wasschen en wegzetten? Miss Marie," zoo noemde zij hare meesteres nog,

gelijk zij gewoon was haar vóór haar huwelijk te noemen, "heeft mij

nooit iets daarvan gezegd."

"Zoo! En hier zijn die uien."

"Och, ja," zeide Dina. "Daar heb ik ze geborgen. Ik kon het mij niet

bezinnen. De uien had ik juist voor dezen ragout bewaard. Ik had

vergeten dat ze in dien ouden lap waren."

Nu nam Ophelia de papiertjes met specerijen op.

"Ik wou dat de juffrouw daar niet aan wilde komen," zeide Dina

tamelijk stout. "Ik houd mijne dingen gaarne waar ik weet waar ik ze

vinden kan."

"Maar ge hebt toch geene gaten in de papieren noodig."

"Dat is handig om uit te strooien," zeide Dina.

"Maar gij ziet wel, dat het door de geheele lade morst."

"Nu ja, als de juffrouw alles zoo overhoop wil halen, dan doet het

dat. De juffrouw heeft al een heelen boel gemorst," zeide Dina,

onrustig naar de lade komende. "Als de juffrouw maar naar boven wil

gaan tot de opruimtijd komt, dan zal ik alles in orde hebben; maar ik

kan niets doen, als er dames om mij heen zijn en mij hinderen. Gij,

Sam, geef dat kind den suikerpot niet. Ik zal je een tik geven,

als ge niet oppast."

"Ik zal de keuken rondgaan, Dina, en alles voor eens in orde brengen;

en dan verwacht ik dat gij het zoo houden zult."

"Wel, Juffrouw Phelia, dat is geene manier voor dames om te doen. Ik

heb nooit dames zoo iets zien doen, mijne oude meesteres en Miss

Marie hebben het nooit gedaan en ik zie ook niet in dat het noodig is."

Dina bleef met verontwaardiging op een afstand, terwijl Ophelia

schotels en borden sorteerde; een dozijn hier en daar verspreide

suikerpotten in één pot ledigde; servetten, tafellakens en

handdoeken bij elkander zocht om te laten wasschen, en eigenhandig

alles schoonmaakte en wegzette met een spoed, waarover Dina geheel

verbaasd stond.

"Nu, als dat de manier is waarop de Noordsche dames doen, dan zijn zij

geene dames," zeide zij tot eenige harer satellieten, toen zij gerust

was dat niemand anders het hooren zou. "Ik heb alles zoo goed in orde

als iemand, als mijn opruimtijd komt; maar ik wil geene dames om mij

heen hebben, die mij in den weg loopen en al mijne dingen zetten waar

ik ze niet vinden kan."

De Negerhut · 第 20 / 44 段