ham en hoenders te braden en andere toebereidselen voor het avondmaal
te maken, zaten George en Eliza in hun kamertje met de armen om
elkander heengeslagen en in zulke gesprekken verdiept, als man en
vrouw met elkander moeten hebben, wanneer zij weten dat zij over
weinige uren voor altijd van elkander gescheiden kunnen worden.
"Eliza," zeide George, "menschen die vrienden, huizen, land en geld
en dat alles hebben, kunnen elkander niet zoo liefhebben als wij,
die niets hebben dan elkander. Vóórdat ik u kende, Eliza, had niemand
mij ooit liefgehad, behalve mijne ongelukkige moeder en zuster. Ik zag
de arme Emily nog op den ochtend toen de handelaar haar medenam. Zij
kwam naar den hoek waar ik lag te slapen, en zeide: "Arme George, uw
laatste vriendin gaat heen. Wat zal er van u worden, arme jongen?" En
ik stond op en sloeg mijne armen om haar heen, en schreide en snikte
en zij schreide ook; en dat waren de laatste vriendelijke woorden die
ik in tien lange jaren gehoord heb; en mijn hart verdroogde geheel
en al, tot ik u ontmoette. En toen gij mij liefhadt--wel, het was
bijna alsof iemand uit den dood werd opgewekt. Ik ben sedert dien tijd
een nieuw mensch geweest. En nu, Eliza, zal ik mijn laatsten droppel
bloed geven, maar zij zullen u niet van mij afnemen. Wie u krijgt,
zal over mijn lijk moeten stappen."
"O Heere, wees barmhartig!" zeide Eliza snikkende. "Als Hij ons maar
te zamen uit dit land wil laten komen, dat is al wat wij vragen."
"Is God dan op hunne zijde?" zeide George, minder tot zijne vrouw
sprekende dan zijne eigene bittere gedachten uitstortende. "Ziet Hij al
wat zij doen? Waarom laat Hij zulke dingen gebeuren? En men zegt dat
de Bijbel op hunne zijde is; zeker is alle macht op hunne zijde. Zij
zijn rijk, gezond en welvarend; zij zijn leden van de kerk en denken
in den hemel te komen; het gaat hun goed in de wereld en zij hebben
in alles hun zin; en arme, oprechte, getrouwe christenen--christenen
zoo goed of beter dan zij--liggen in het stof onder hunne voeten. Zij
koopen en verkoopen hen, en drijven handel met hun hartebloed, hunne
zuchten en tranen, en God laat hun dat toe."
"Vriend George," zeide Simeon uit de keuken, "luister eens naar dezen
psalm; hij zal u misschien goed doen."
George schoof zijn stoel naar de deur, en Eliza, hare tranen
afdrogende, kwam ook nader om te luisteren, terwijl Simeon las:
"Maar mij aangaande, mijne voeten waren bijna uitgeweken, mijne
treden waren bijkans uitgeschoten. Want ik was nijdig op de dwazen,
ziende der goddeloozen vrede. Want er zijn geen banden, tot hunnen
dood toe, en hunne kracht is frisch. Zij zijn niet in moeite als
andere menschen, en worden met andere menschen niet geplaagd. Daarom
omringt hen de hoovaardij als een keten, het geweld bedekt hen als
een gewaad. Hunne oogen puilen uit van vet; zij gaan de verbeeldingen
des harten te boven. Zij mergelen de lieden uit, en spreken boozelijk
van verdrukking; zij spreken uit de hoogte. Daarom keert zijn volk
zich hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt,
dat zij zeggen: Hoe zou God het weten, en zou er wetenschap zijn bij
den Allerhoogste?" "Is het nu zoo niet, dat gij denkt, George?"
"Zoo is het waarlijk," antwoordde George. "Zoo goed alsof ik het zelf
geschreven had."
"Hoor dan," zeide Simeon. "Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen
verstaan, maar het was moeite in mijne oogen; totdat ik in Gods
heiligdommen inging en op hun einde merkte. Immers zet Gij hen op
gladde plaatsen en doet hen vallen in verwoestingen. Als Gij opwaakt,
O Heer, dan zult Gij hun beeld verachten. Ik zal dan geduriglijk bij
U zijn: Gij hebt mijne rechterhand gevat. Gij zult mij leiden door
uwen raad, en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen. Het is
mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op den Heere."
Deze woorden van heilig vertrouwen, door den vriendelijken ouden
man uitgesproken, waren als hemelmuziek om den ontrusten geest van
George te stillen, en toen het lezen ophield, droegen zijne trekken
eene uitdrukking van kalmte en onderwerping.
"Indien deze wereld alles was, George," zeide Simeon, "dan mochten
wij wel vragen: Waar is de Heere? Maar het zijn dikwijls diegenen,
die het minste in dit leven hebben, welke Hij voor zijn koninkrijk
uitkiest. Stel uw vertrouwen op Hem, en wat u hier ook overkome,
Hij zal hier namaals wèl maken."
Indien deze woorden door een vermaner van de gewone soort waren
gesproken, in wiens mond zij slechts vrome, redekunstige spreekwijzen
zouden geweest zijn, zouden zij misschien niet veel indruk hebben
gemaakt; maar uit den mond van iemand, die zich voor de zaak van God en
den mensch dagelijks koelbloedig aan boeten en gevangenis blootstelde,
hadden zij een gewicht dat men niet kon nalaten te gevoelen, en beide
ongelukkige vluchtelingen bevonden dat hun daardoor kalmte en kracht
werden ingeboezemd.
Nu nam Rachel Eliza vriendelijk bij de hand en bracht haar naar de
tafel, waarop het avondmaal gereed stond. Toen zij zaten, werd er
zachtjes aan de deur geklopt en daarop trad Ruth binnen.
"Ik kom eens even aanloopen," zeide zij, "met deze kousjes voor den
kleinen jongen--drie paar van lekker warme wol. Het zal zoo koud zijn,
weet ge, daar in Canada. Houdt ge wel goeden moed, Eliza?" vervolgde
zij, kwam de tafel om naar haar toe, en drukte haar hartelijk de hand,
terwijl zij tegelijk Harry een kruidkoekje toestopte. "Ik heb een
pakje daarvan voor hem medegebracht," zeide zij, trekkende om het
bedoelde pakje uit haren zak te krijgen. "Kinderen, weet ge wel,
willen toch altijd eten."
"O, ik dank u; gij zijt al te goed," zeide Eliza.
"Kom, Ruth, ga mede aanzitten," zeide Rachel.
"Ik kan onmogelijk. Ik heb John bij het kleintje gelaten, en ik heb
beschuit in den oven; en ik kan geen oogenblik blijven, of John zal
de beschuit laten verbranden en het kind al de suiker in zijne pap
geven. Dat is zijne manier zoo," zeide het kwakerinnetje. "Goeden dag,
Eliza, goeden dag, George; de Heere geve u eene veilige reis." En
daarmede trippelde Ruth weder de deur uit.
Een poosje na het avondeten kwam er een groote overdekte wagen voor
de deur. Het was een heldere sterrennacht en Phineas sprong vlug van
zijn bankje, om zijne passagiers te schikken. George kwam de deur uit
met zijn kind op den eenen arm en zijne vrouw aan den anderen. Zijn
tred was vast, zijn gezicht ernstig, maar kalm. Rachel en Simeon
kwamen ook buiten.
"Stapt eens even uit,' zeide Phineas tegen hen, die reeds in den
wagen zaten, "en laat ik het achterste van den wagen klaarmaken voor
de vrouwen en het kind."
"Hier zijn de twee buffelhuiden," zeide Rachel. "Maak de plaatsen maar
zoo zacht als gij kunt, want het is toch hard genoeg, den geheelen
nacht te rijden."
Jim stapte het eerst af en hielp toen voorzichtig zijne oude moeder,
die zich aan zijnen arm vastklemde en angstig rondzag, alsof zij
ieder oogenblik een vervolger verwachtte.
"Jim, zijn uwe pistolen in orde?" zeide George, met eene zachte maar
vaste stem.
"Ja, wel zeker," antwoordde Jim.
"En gij zult u niet bedenken wat te doen zal komen?"
"Ik geloof haast van neen," antwoordde Jim, zoo diep ademhalende,
dat zijne breede borst opzwol. "Denkt gij dat ik moeder weder zal
laten krijgen?"
Onder dit korte gesprek had Eliza van hare liefderijke vriendin Rachel
afscheid genomen. Zij werd nu door Simeon in den wagen geholpen,
en met haar kind naar het achtereinde kruipende, zette zij zich op
de buffelhuiden neer.
De oude vrouw werd vervolgens in den wagen geholpen en naast haar
geplaatst; George en Jim zetten zich op de harde bank in het midden
en Phineas klom voorop.
"Vaartwel, mijne vrienden," riep Simeon van buiten.
"God zegene u!" was het antwoord van binnen.
En de wagen reed voort, ratelende en hotsende over den bevroren
weg. Door het stooten en gedruisch dat de wielen maakten, was het niet
mogelijk een gesprek te voeren. Men hotste dus uur op uur maar voort en
voort, door lange donkere streken boschland, over uitgestrekte barre
vlakten, tegen heuvelen op en in dalen af. Het kind viel spoedig in
slaap en lag zwaar op den schoot zijner moeder. De arme vrouw vergat
eindelijk haar angst, en zelfs Eliza bevond, toen het later in den
nacht werd, dat al hare bekommeringen niet in staat waren om hare
oogen het dichtvallen te beletten. Phineas scheen over het algemeen
de levendigste van het gezelschap, en kortte zich den tijd van den
langen tocht door het fluiten van zeer onkwakerachtige deuntjes.
Tegen drie uren ving George's gehoor het gekletter op van snelle
hoefslagen die achter hen aankwamen, en stiet hij Phineas aan den
elleboog. Phineas hield stil en luisterde.
"Dat moet Michael zijn," zeide hij, "ik meen het geluid van zijnen
galop te kennen."
Hij stond op en keek oplettend den weg langs.
Nu kon men op den top van een heuvel een man te paard onderscheiden,
die haastig aankwam.
"Daar is hij, geloof ik," zeide Phineas.
George en Jim sprongen beiden van den wagen, eer zij recht wisten
wat zij deden. Allen tuurden doodstil naar den verwachten bode. Hij
naderde. Nu daalde hij in eene vallei af, waar zij hem niet zien
konden; maar zij hoorden toch de snelle hoefslagen al dichter en
dichter bij komen; eindelijk zagen zij hem op den top eener hoogte,
binnen beroep.
"Ja, dat is Michael," zeide Phineas, en zijne stem hoog verheffende,
riep hij: "Holla daar, Michael!"
"Phineas, zijt gij dat?"
"Ja! Wat nieuws? Komen zij?"
"Vlak achter mij. Met hun achten of tienen. Dol van brandewijn,
vloekende en schuimbekkende als wolven."
En terwijl hij dit zeide, voerde de wind den flauwen klank van
galoppeerende ruiters aan.
"Stapt weer op, jongens," zeide Phineas. "Als gij vechten moet,
wacht dan tot gij een eind verder zijt."
Beiden sprongen weder in den wagen, en Phineas bracht de paarden door
zweepslagen in een ren, terwijl de ruiter naast hen bleef. Hotsend
en stootend vloog de wagen bijna over den bevroren grond; maar al
duidelijker en duidelijker werd het geluid der achteraankomende
ruiters. De vrouwen hoorden dit ook, en uitkijkende zagen zij, ver
achterwaarts, op den kam van een heuvel, een troep mannen tegen
het roode schijnsel van den dageraad afstekende. Nog een heuvel,
en de vervolgers hadden blijkbaar den wagen in het oog gekregen,
daar de witte kap dezen in de verte deed onderscheiden, en een woeste
zegekreet werd door den wind overgevoerd. Met een gevoel alsof ze
flauw zou vallen, drukte Eliza haar kind vaster aan hare borst;
de oude vrouw kermde en bad; George en Jim grepen met de kracht der
wanhoop hunne pistolen. De vervolgers wonnen nu snel. De weg nam een
draai en bracht den wagen vlak bij eenige steile rotsen die bijna
loodrecht oprezen, op eene plek die in het rond geheel effen was. Deze
groep of keten van rotsen, die zwart tegen de reeds helder wordende
lucht afstak, scheen eene schuilplaats, waar men zich veiligheid kon
beloven. Zij waren Phineas wel bekend, daar hij, in vroeger tijd op
de jacht zijnde, dikwijls in deze streek was geweest, en het was om
deze plek te bereiken, dat hij de paarden zoo had voortgejaagd.
"Nu komt het er op aan," zeide hij, zijne paarden eensklaps inhoudende;
en terstond op den grond springende, vervolgde hij: "Dadelijk er uit,
allemaal, en met mij de rotsen op. Michael, bind uw paard aan den wagen
en rijd door naar Amariah, en laat hij met zijne jongens terugkomen,
om met die kerels te spreken."
In een oogenblik waren allen uit den wagen.
"Komt," zeide Phineas, Harry opnemende, "neemt ieder een van de
vrouwen, en loopt dan zooals gij nog nooit in uw leven geloopen hebt."
Zij hadden geene aansporing noodig. Sneller dan wij het zeggen kunnen,
waren allen over het staketsel langs den weg en haastten zij zich
naar de rotsen, terwijl Michael van zijn paard sprong, het aan den
wagen vastbond, voorop klom en zoo hard hij kon voortreed.
"Komt verder," zeide Phineas, toen zij de rotsen bereikten, en in het
flauwe licht van den dageraad de sporen van een ruw maar duidelijk
aangewezen voetpad zagen. "Dat is een van onze oude jagersholen. Komt
op!"
Phineas ging vooruit en sprong als eene geit de rotsen op, met
het kind in zijne armen. Jim, die zijne oude moeder over zijnen
schouder droeg, was de tweede; George en Eliza kwamen achteraan. De
ruiters kwamen ingelijks aan het staketsel, en stegen schreeuwende
en vloekende af om hen te volgen. Eene korte poos klauterens bracht
de vluchtelingen op den top der eerste steilte; vervolgens liep het
pad door eene enge kloof, waardoor zij slechts een voor een konden
heengaan, tot zij plotseling gestuit werden door eene diepe kloof van
meer dan eene el breedte en over de dertig voet diepte, met wanden zoo
steil en effen als een muur. Phineas sprong vlug over de spleet heen,
en zette het kind op het witte veerkrachtige mos neer, dat den effen
top der rots bedekte.
"Komt er over!" riep hij. "Doet nu eens een sprong voor uw leven!"
Weldra waren allen aan den overkant.
Een aantal losse steenen lag daar, zoodanig opgestapeld, dat zij
eene soort van borstwering vormden, zoodat men, daarachter zijnde,
niet van beneden kon gezien worden.
"Zoo, daar zijn wij allen," zeide Phineas, over de borstwering
kijkende naar de vervolgers, die gedeeltelijk de rots opklauterden,
gedeeltelijk beneden bleven staan. "Laten zij ons maar krijgen als zij
kunnen. Die hier komen, moeten een voor een tusschen de rotsen door,
onder bereik van uwe pistolen; ziet ge wel, jongens?"
"Ik zie het," antwoordde George; "en daar de zaak ons alleen aangaat,
zoo laat ons het gevaar op ons nemen en alleen vechten."
"Ik gun u het vechten wel alleen, George," zeide Phineas, eenige
bessenbladeren kauwende, onder het spreken, "maar ik zal toch wel de
aardigheid mogen hebben van toe te kijken, zou ik denken. Maar zie,
die kerels staan daar beneden te overleggen, en kijken naar omhoog,
gelijk kippen als zij naar hare slaapplaats opvliegen. Zou het
niet beter zijn een woordje van goeden raad te geven eer zij komen,
om hun eerlijk te waarschuwen dat er op hen geschoten zal worden,
als zij dat doen?"
De troep beneden, thans in het licht van den aanbrekenden dag
duidelijk zichtbaar, bestond uit onze oude bekenden, Tom Loker en
Marks met twee constabels, en eenige kerels die zich in de laatste
herberg door wat brandewijn hadden laten bewegen om vermaakshalve
mede op de jacht te gaan.
"Wel, Tom, het wild is in de val," zeide een van hen.
"Ja, ik zag ze recht hierop gaan," antwoordde Tom, "en daar is een
pad. Ik ben er voor om terstond op hen af te gaan. Zij kunnen toch
niet in eens naar beneden springen, en het zal niet lang duren of
wij vinden ze."
"Maar Tom, zij kunnen wel achter de rotsen op ons vuren," zeide Marks,
"en dat zou leelijk zijn."
"Ba!" zeide Tom smalend. "Gij wilt altijd uw huid sparen, Marks. Maar
geen gevaar! Negers zijn veel te laf."
"Ik weet niet waarom ik mijne huid niet zou sparen," antwoordde
Marks. "Het is het beste wat ik heb, en negers vechten somtijds
als duivels."
Op dit oogenblik verscheen George op den top der rots boven hen en
zeide met eene heldere en vaste stem:
"Heeren, wie zijt gij daar beneden en wat zoekt gij hier?"
"Wij zoeken een troep weggeloopen negers," antwoordde Tom
Loker. "Zekeren George Harris en Eliza Harris en hun zoon, en Jim
Selden en eene oude vrouw. Wij hebben de officieren hier en eene
volmacht om hen te vatten; en wij zullen hen krijgen ook. Hoort gij
wel? Zijt gij George Harris niet, die aan Mr. Harris van Kentucky
behoort?"
"Ik ben George Harris. Zekere Mr. Harris van Kentucky noemde mij eens
zijn eigendom. Maar nu ben ik een vrij man en sta op Gods vrijen grond,
en mijne vrouw en mijn kind behooren mij toe. Jim en zijne moeder zijn
hier. Wij hebben wapenen om ons te verdedigen en dat zullen wij ook
doen. Gij kunt naar boven komen als gij wilt; maar de eerste van u,
die binnen bereik van onze kogels komt, is een lijk, en de volgende
ook, en zoo voort tot den laatsten toe."
"Och, kom, kom!" zeide een kort, zwaarlijvig manneke, naar voren
komende, en terwijl hij dit deed zijn neus snuitende: "Jonkman, dat
is eene taal die u geheel niet past. Gij ziet, wij zijn officieren
van justitie. Wij hebben de wet op onze zijde, en de macht en zoo
voort. Gij zult dus best doen met u vreedzaam over te geven, ziet ge,
want gij moet het toch eindelijk zeker opgeven."
"Ik weet zeer wel, dat gij de wetten de macht op uwe zijde hebt,"
antwoordde George met bitterheid. "Gij meent mijne vrouw te
Nieuw-Orleans te gaan verkoopen, en mijn kind als een kalf in het
hok van een handelaar op te sluiten, en Jims oude moeder weer naar
dien beestachtigen kerel te brengen, die haar te voren mishandeld
heeft omdat hij haar zoon niet mishandelen kon. Gij wilt Jim en mij
terugbrengen, om gemarteld en getrapt te worden onder de voeten
van hen die zich onze meesters noemen, en uwe wetten zullen dat
goedkeuren--des te meer schande voor u en uwe wetten. Maar gij hebt
ons nog niet. We erkennen uwe wetten niet, wij erkennen uw land niet,
wij staan hier onder Gods hemel als vrije lieden, gelijk gij zijt;
en bij den grooten God die ons geschapen heeft, wij zullen voor onze
vrijheid vechten tot wij sterven."
George stond in het volle gezicht zijner vijanden boven op de rots,
toen hij deze verklaring van onafhankelijkheid aflegde; de gloed
van den dageraad leende een blos aan zijne gebruinde wangen, en
verontwaardiging en wanhoop gaven vuur aan zijne donkere oogen; en
alsof hij zich van de menschen op de rechtvaardigheid Gods beriep,
hief hij onder het spreken zijne hand ten hemel op.
Als hij nu maar een jeugdig Hongaar geweest was, die in eene
bergvesting den aftocht der vluchtelingen beveiligde, welke uit hun
vaderland in Amerika eene wijkplaats wilden zoeken, dan zou dit eene
verhevene heldhaftigheid zijn geweest; maar nu hij een jonkman van
Afrikaansche afkomst was, die vluchtelingen uit Amerika naar Canada
verdedigde, zijn wij natuurlijk te wel onderwezen en te patriotsch,
om daarin eene heldhaftigheid te zien; en indien iemand van onze
lezers dit doet, moet hij het op zijne eigene verantwoordelijkheid
doen. Indien wanhopige Hongaarsche vluchtelingen, tegen het gezag,
ondanks de nasporingen hunner wettige regeering naar Amerika
ontsnappen, weergalmen de drukpers en het politieke kabinet van
toejuichingen en welkomstgroeten. Indien wanhopige Afrikaansche
vluchtelingen hetzelfde doen--dan is het--wat is het dan?
Dat zij gelijk het wil, zeker is het dat de houding, de oogen en de
stem van den spreker den troep beneden voor een oogenblik tot stilte
brachten. Vastberadene stoutmoedigheid heeft iets dat zelfs het ruwste
gemoed voor eene poos ontzag inboezemt. Marks was de eenige die geheel
ongetroffen bleef. Hij spande bedaard den haan van zijn pistool, en
in het oogenblik van stilte, dat op de toespraak van George volgde,
gaf hij vuur op hem.
"Gij begrijpt wel, gij krijgt dood of levend evenveel voor hem in
Kentucky," zeide hij koeltjes, en veegde zijn pistool op zijne mouw af.
George sprong achteruit--Eliza gaf een gil--de kogel was bijna door
zijne haren en dicht langs de wang zijner vrouw gegaan.
"Het is niets, Eliza," zeide George snel.
"Gij moest liever uit het gezicht blijven, als gij aanspraken houdt,"
zeide Phineas. "Zij zijn gemeene schurken."
"Zie nu of uwe pistolen in orde zijn, Jim," zeide George, "en pas
met mij op de engte. Op den eerste die zich vertoont geef ik vuur;
gij neemt den tweede en zoo verder. Het zou niet gaan, weet ge,
twee schoten kruit aan één te verspillen."
"Maar als gij niet raakt?"
"Ik zal raken," antwoordde George koelbloedig.
"Goed zoo! Dat is een jongen die hart heeft," prevelde Phineas
binnensmonds.
De troep beneden bleef, toen Marks gevuurd had, voor eene poos
eenigszins besluiteloos staan.
"Ik ben er voor om recht op hen af te gaan," zeide Tom. "Ik ben nooit
bang voor negers geweest, en dat wil ik nu ook niet worden. Wie volgt
mij?" riep hij en sprong tegen de rots op.
George hoorde deze woorden duidelijk. Hij haalde een pistool te
voorschijn, bezichtigde die nog eens en richtte haar naar dat punt
der engte, waar de eerste man zich vertoonen moest.
Een der dapperste van den troep volgde Tom en toen aldus het voorbeeld
gegeven was, begonnen allen tegen de rotsen op te klauteren, terwijl
de achtersten de voorsten sneller voortduwden, dan zij uit zich zelven
wel zouden gestapt hebben. Zoo kwamen zij aan, en een oogenblik later
vertoonde zich de breede gestalte van Tom bijna aan den rand der kloof.
George gaf vuur--de kogel trof Tom in de zijde, doch hoewel gekwetst,
wilde hij niet terugdeinzen, maar met een brullenden kreet als van
een razenden stier deed hij een sprong, die hem over de kloof onder
de vluchtelingen zou gebracht hebben.
"Vriend," zeide Phineas, eensklaps vooruitkomende en hem met zijne
lange armen een duw gevende, "gij zijt hier niet noodig."
Tom stortte in de kloof en tuimelde tusschen de krakende takken van
boomen en struiken door, tot hij, dertig voet diep, op de afgebrokkelde
steenen bleef liggen. Deze val zou hem het leven hebben gekost als
hij niet daardoor gebroken was, dat zijne kleeren aan de takken van
een grooten boom bleven haken; hij kwam echter nog met tamelijk veel
kracht neer--met meer kracht dan hem eenigszins aangenaam was.
"Heere help ons! Zij zijn baarlijke duivels!" zeide Marks en
stoof vooruit de rots weder af, veel gewilliger dan hij mede was
opgeklommen. Al de anderen volgden hem met even grooten spoed, die
den dikken constabel inzonderheid deed blazen en hijgen.
"Hoort eens, jongens," zeide Marks. "Ge moest omloopen en Tom opnemen,
terwijl ik naar mijn paard ga en terugrijd om hulp te halen."
En zonder zich aan de smaadwoorden en het uitjouwen zijner makkers
te storen, deed Marks wat hij gezegd had en reed weldra in galop heen.
"Heb ik ooit zulk een laffen schobbejak gezien?" zeide een van den
troep. "Wij komen hier voor zijne zaken, en hij loopt weg en laat
ons hier in den steek."
"Nu, wij moeten zijn kameraad toch gaan opzoeken," zeide een ander;
"maar ik mag verd..d zijn, als het mij veel schelen kan of hij levend
of dood is."
Op het geluid afgaande, klauterden en kropen zij door struiken,
stronken en steenen heen, tot zij aan de plek kwamen waar onze held
beurtelings lag te vloeken en te kermen.
"Gij laat u tamelijk hard hooren, Tom," zeide er een. "Zijt ge erg
bezeerd?"
"Dat weet ik niet. Neemt mij maar op als gij kunt. De duivel haal
dien helschen kwaker. Was hij er niet geweest, dan zou ik een van
den troep hier naar hebben gesmeten, om te zien hoe dat hun aanstond."
Met veel moeite en gekerm werd de gevallen held opgeholpen, en hem
onder de armen vasthoudende, brachten zij hem tot bij de paarden.
"Als ge mij maar naar die herberg terug kunt brengen. Geeft mij een
zakdoek of zoo iets om hier in te stoppen en dat duivelsch bloeden
te stuiten."
George keek over de rotsen heen en zag hen beproeven om den loggen
Tom op een paard te tillen. Na een paar vruchtelooze pogingen zwaaide
hij duizelend om en viel met een slag op den grond.
"O, ik hoop maar dat hij niet dood is," zeide Eliza, die nu met al
de anderen stond toe te zien.
"Waarom?" zeide Phineas. "Het zou niet meer dan zijn loon zijn."
"Omdat na den dood het oordeel komt," antwoordde Eliza.
"Ja," zeide de oude vrouw, die onder al het voorgevallene op hare
methodisten-manier had zitten kermen en bidden, "dat zou ontzaglijk
wezen voor de ziel van dat arme schepsel."
"Op mijn woord, zij laten hem liggen, geloof ik," zeide Phineas.
Dit was de waarheid, want na eenig beraad stegen al de anderen te
paard en reden heen. Toen zij uit het gezicht waren, achtte Phineas
het raadzaam ook niet langer te toeven.
"Wij moeten afklimmen en een eind te voet gaan," zeide hij. "Ik heb
Michael gezegd dat hij moest doorrijden en hulp halen en hij zal
spoedig met den wagen terug zijn, maar wij zullen hem een eind wegs
te gemoet dienen te gaan. De Heere geve dat hij spoedig kome! Het
is nog vroeg op den dag, en er zullen nog niet veel voetgangers op
den weg zijn. Wij zijn niet veel verder dan een paar mijlen van onze
rustplaats af. Als de weg verleden nacht niet zoo heel slecht was
geweest, zouden wij hun geheel zijn ontkomen."
Toen de vluchtelingen het hek langs den weg naderden, zagen zij
in de verte hun eigen wagen weder aankomen, door eenige mannen te
paard vergezeld.
"Zoo, daar is Michael en Stephen en Amariah," riep Phineas met
blijdschap uit. "Nu zijn we behouden--zoo goed alsof wij daar al
waren."