"Wat? Dat mooie gouden ding van u, met diamanten? Wel, Jongejuffrouw,

dat zou geheel niet voegen."

"Waarom niet? Gij hebt het noodig en ik niet. Mama gebruikt het

altijd tegen hoofdpijn, en dan zult gij ook beter worden. Kom nu,

neem maar aan, om mij pleizier te doen."

"Hoor dat lieve kind eens!" zeide Mammy bij zich zelve, toen Eva den

flacon in hare borst stopte, haar een kus gaf en vervolgens de trap

af hare moeder naliep.

"Waarom hebt gij u opgehouden?"

"Ik hield mij maar even op, Mama, om Mammy mijn flacon te geven,

om mede naar de kerk te nemen."

"Uw gouden flacon aan Mammy!" zeide Marie, ongeduldig met haren voet

stampende. "Wanneer zult gij toch eens manieren leeren, kind? Ga dien

terstond terugvragen."

Eva keek bedroefd voor zich en keerde zich langzaam om.

"Och, Marie, laat het kind begaan; zij mag doen wat zij verkiest,"

zeide St. Clare.

"Maar, St. Clare, hoe zal zij ooit door de wereld komen?" zeide Marie.

"Dat weet de Heere," antwoordde St. Clare; "maar zij zal beter naar

den hemel komen dan gij of ik."

"O, Papa, spreek zoo niet," zeide Eva, hem zacht aan den arm stootende,

"dat maakt moeder verdrietig."

"Wel, Neef! zijt gij ook gereed om naar de _meeting_ te gaan?" zeide

Ophelia, zich vlak voor St. Clare plaatsende.

"Wèl verplicht; ik ga niet."

"Ik wenschte zoo dat St. Clare maar eens naar de kerk wilde gaan,"

zeide Marie; "maar hij geeft niets om den godsdienst. Het is inderdaad

niet fatsoenlijk."

"Dat weet ik wel," zeide St. Clare hierop. "Gij, dames, gaat naar de

kerk, om te leeren hoe door de wereld te komen, naar ik meen, en uwe

vroomheid deelt ons fatsoen mede. Als ik al ging, zou ik gaan waar

Mammy gaat; daar is tenminste nog iets om iemand wakker te houden."

"Wat, naar die schreeuwende methodisten?" zeide Mary. "Afschuwelijk!"

"Alles liever dan de doode zee van uwe fatsoenlijke kerken, Marie. Dat

is waarlijk te veel van iemand gevergd. Eva, gaat gij wel gaarne

mede? Kom blijf tehuis en speel met mij."

"Dank u, Papa, maar ik wilde liever naar de kerk gaan."

"Is dat dan niet schrikkelijk vervelend?" zeide St. Clare.

"Ik vind het wel wat vervelend," antwoordde Eva: "en ik ben ook wel

slaperig, maar ik doe mijn best om wakker te blijven."

"Waarom gaat gij dan?"

"Wel, gij weet, Papa," antwoordde zij fluisterend, "nicht heeft mij

gezegd dat God dit van ons hebben wil; en Hij geeft ons alles, weet

ge; en het is niet veel om dat te doen, als Hij het hebben wil. Het

is toch zoo heel vervelend niet."

"Ge zijt een lief gewillig kind," zeide St. Clare--en kuste haar. "Ga

maar als een goed meisje en bid voor mij."

"Zeker, dat doe ik altijd," antwoordde Eva, en zij sprong hare moeder

na in de koets.

St. Clare bleef op de stoep staan en wierp haar een handkus na toen

de koets wegreed. Er waren groote tranen in zijne oogen.

"O Evangeline! Wel moogt gij uw naam dragen," zeide hij. "Heeft God

u niet tot een evangelie voor mij gemaakt?"

Zoo dacht en voelde hij voor een oogenblik; toen ging hij eene

sigaar rooken en een onderhoudend boek lezen, en vergat zijn klein

evangelie. Verschilde hij wel veel van anderen?

"Gij begrijpt wel, Evangeline," zeide hare moeder, "het is wel

behoorlijk de bedienden altijd goed te behandelen, maar het is niet

voegzaam hen eveneens te behandelen als wij onze bloedverwanten of

menschen van onze eigene klasse zouden doen. Als Mammy nu eens ziek

was, zoudt gij haar dan in uw eigen bed willen leggen?"

"Dat zou ik wel gaarne, Mama," antwoordde Eva, "omdat het dan veel

gemakkelijker zou zijn haar op te passen, en ook omdat mijn bed beter

is dan het hare."

Marie werd wanhopig over het gebrek aan zedelijk begrip, dat dit

antwoord aanduidde.

"Wat kan ik doen om mij door dit kind te doen verstaan?" zeide zij.

"Niets," antwoordde Ophelia met nadruk.

Eva keek voor een oogenblik droevig en verslagen; maar bij kinderen

blijft een indruk gelukkig niet lang bestaan, en weldra lachte zij

weder vroolijk over allerhande dingen, die zij in het voorbijrijden

zag.

"Wel, dames," zeide St. Clare, toen zij aan het diner zaten: "wat

heeft men u vandaag in de kerk opgedischt?"

"O, Dr. G.-- heeft vandaag een heerlijke preek gehouden," zeide

Marie. "Het was juist zulk een preek als gij hadt moeten hooren. Hij

heeft alles gezegd wat ik dikwijls denk."

"Dat zal zeer stichtelijk geweest zijn," zeide St. Clare, "en het

onderwerp moet ook uitgebreid geweest zijn.'

"Wel, ik meen wat ik over de maatschappij en zulke dingen denk,"

zeide Marie. "De tekst was: "Hij heeft ieder ding schoon gemaakt

in zijnen tijd," en hij bewees: hoe alle rangen en onderscheidingen

in de maatschappij van God kwamen; en dat het zoo gepast en schoon

was dat sommigen hoog en sommigen gering waren; dat sommigen geboren

werden om te gebieden en anderen om te dienen, en alzoo meer, weet ge;

en hij paste dat zoo wèl toe op de belachelijke opschudding die over

de slavernij gemaakt wordt, en hij bewees duidelijk dat de Bijbel op

onzen kant was en al onze instellingen bevestigde. Ik wenschte maar

dat gij hem gehoord hadt."

"Och, ik had dat niet noodig," antwoordde St. Clare; "ik kan dat

zelfde wel in andere boeken lezen, en dan nog eene sigaar er bij

rooken, wat ik in eene kerk niet doen kan."

"Gelooft gij dus niet aan zulke stellingen?" zeide Ophelia.

"Wie--ik? Ik moet bekennen dat ik lichtzinnig genoeg ben niet

veel stichting te vinden in godsdienstige redeneeringen over zulke

dingen. Als ik iets over die quaestie van de slavernij moest zeggen,

zou ik ronduit bekennen: Wij zitten er nu mee. Wij hebben ze en willen

ze houden. Het is voor ons gemak en voordeel. Dat is toch het lange en

het korte er van, en dat is het ook waar die schijnheilige praatjes

eigenlijk op neer komen; en ik denk, dat zou voor iedereen en overal

verstaanbaar zijn."

"Ik vind dat gij al heel oneerbiedig zijt, Augustine," zeide Marie. "Ik

vind het ijselijk u zoo te hooren spreken."

"IJselijk! Het is de waarheid. Dat godsdienstig gebabbel over zulke

dingen--waarom drijven zij het niet nog wat verder en bewijzen hoe

schoon het is, als iemand op zijnen tijd een glas te veel drinkt,

of wat te laat bij de kaarten blijft zitten, kortom, het schoone van

al die beschikkingen der Voorzienigheid, die onder ons, jongelieden,

tamelijk dikwijls voorkomen? Wij zouden gaarne willen hooren dat al

die dingen ook goed en goddelijk zijn."

"Maar," zeide Ophelia, "houdt gij nu de slavernij voor recht of

onrecht?"

"Gij moet mij niet op die akelige Nieuw-Engelsche manier met zulke

rechtstreeksche vragen komen bestoken, Nicht," zeide St. Clare

schertsend. "Als ik die eene vraag beantwoord, weet ik dat ge mij nog

met een half dozijn meer op het lijf valt, de eene al lastiger dan

de andere, en dat wil ik niet afwachten. Ik ben een van die soort,

die wel met steenen willen smijten naar de glazen huizen van anderen,

maar nooit zelf een glazen huis willen bouwen om hen met steenen te

laten gooien."

"Dat is de manier waarop hij altijd praat," zeide Marie. "Men kan

nooit bepaalde antwoorden van hem krijgen. Ik geloof dat het is omdat

hij niet van den godsdienst houdt, dat hij er altijd zoo omheen praat."

"Godsdienst!" zeide St. Clare, op een toon die beide dames naar hem

deed opzien. "Godsdienst! Is dat, wat gij daar in de kerk hoort,

godsdienst? Is dat, wat men zoo kan buigen en wringen, om in al de

kronkelingen van eene eigenlievende, aardschgezinde maatschappij

te passen, godsdienst? Is dat godsdienst wat minder billijk,

minder edelmoedig, minder rechtvaardig, minder meedoogend voor den

mensch is dan mijn eigen ongodsdienstig, aardschgezind, verblind

gemoed? Neen! Als ik naar godsdienst zoek, dan moet ik zoeken naar

iets dat boven mij is, niet naar iets dat beneden mij is."

"Dus gelooft gij niet dat de Bijbel de slavernij rechtvaardigt?" zeide

Ophelia.

"De Bijbel was mijn moeders boek," antwoordde St. Clare. "Daarmede

heeft zij geleefd en is zij gestorven, en het zou mij zeer spijten

als ik denken moest dat hij dat deed. Ik zou mij even gaarne zien

bewijzen dat mijne moeder brandewijn dronk, en tabak pruimde, en

vloekte, om mij zoo gerust te stellen dat ik recht had om hetzelfde

te doen. Dat zou mij met die dingen voor mij zelven geheel niet

beter tevreden maken en het zou mij den troost ontnemen van haar te

eerbiedigen; en het is waarlijk een troost, in deze wereld iets te

hebben dat men eerbiedigen kan. Kortom," vervolgde hij, eensklaps zijn

schertsende toon hernemende, "al wat ik verlang is, dat verschillende

dingen in verschillende doozen bewaard worden. Het geheele samenstel

der maatschappij, zoowel in Amerika als in Europa, is van allerlei

dingen gemaakt, die niet voor de proef eener maar eenigszins strenge

zedelijkheid bestand zijn. Men is het tamelijk algemeen eens, dat de

menschen niet naar het absolute recht streven, maar alleen omtrent

zoo goed willen zijn als anderen. Als nu iemand opstaat en spreekt als

een man, en zegt dat de slavernij noodig voor ons is, dat wij er niet

buiten kunnen, dat wij doodarm zouden worden als wij er van afzagen,

en dat wij ze natuurlijk denken te behouden--dan is dat krachtige,

duidelijke, bondige taal, die het achtenswaardige der oprechtheid

heeft; en als wij op het doorgaande gebruik kunnen afgaan, zal de

meerderheid der wereld ons daarin gelijk geven. Maar als hij een

lang gezicht wil zetten, temende preeken houden en de Schrift er bij

aanhalen, dan begin ik te denken dat hij niet van de beste soort is."

"Gij oordeelt zeer liefdeloos," zeide Marie.

"Wel," hervatte St. Clare, "onderstel eens dat iets den prijs van

het katoen voor altijd zoodanig deed dalen, dat slaven geene waarde

meer hadden; zoudt ge dan niet denken dat wij spoedig eene andere

uitlegging van de Schrift zouden krijgen? Welk een vloed van licht

zou dan op eens in de kerk stroomen en oogenblikkelijk doen ontdekken

dat de Bijbel geheel het tegendeel leerde!"

"Nu," zeide Marie, zich op de sofa uitstrekkende, "ik ben in allen

gevalle blijde, dat ik ergens geboren ben waar de slavernij bestaat;

en ik geloof dat zij rechtmatig is--ik voel dat zij dit wezen moet;

en in allen gevalle, ik zou er niet buiten kunnen."

"Zeg eens, wat denkt gij, poesje?" zeide St. Clare tot Eva, die juist

met eene bloem in de hand binnenkwam.

"Waarover, Papa?"

"Wel, wat bevalt u het beste, zoo te leven als bij uwen oom in Vermont,

of een huis vol bedienden te hebben zooals wij?"

"O natuurlijk, onze manier is veel pleizieriger," zeide Eva.

"Waarom?" zeide St. Clare, haar over het hoofd streelende.

"Wel, dan heeft men er zooveel meer om zich heen om lief te hebben,"

antwoordde Eva hem ernstig aanziende.

"Dat is weder zoo wonderlijk gesproken als gij altijd doet, Eva,"

zeide Marie.

"Is dat zoo wonderlijk gesproken, Papa?" fluisterde Eva, toen zij op

zijne knie was geklommen.

"Een beetje wonderlijk, poesje, bij hetgeen de wereld gewoonlijk

zegt," antwoordde St. Clare. "Maar waar is mijne kleine Eva onder

het diner geweest?"

"Ik ben bij Tom geweest op zijne kamer, ik heb hem hooren zingen,

en tante Dina heeft mij eten gegeven."

"Zoo! Hebt gij Tom hooren zingen!"

"Ja. Hij zingt zulke mooie dingen van Nieuw-Jeruzalem, en de heerlijke

engelen en het land van Kanaän."

"Dat is nog veel mooier dan in de opera, niet waar?"

"Ja, en hij zal ze mij leeren."

"Zanglessen? Zoo, gij begint te vorderen."

"Ja, hij zingt voor mij, en ik lees voor hem in mijnen Bijbel; en

hij verklaart wat het beduidt, weet ge!"

"Nu, dat zal kluchtig zijn," zeide Marie.

"Tom is zoo kwaad niet om de Schrift uit te leggen," zeide

St. Clare. "Hij heeft een natuurlijk talent voor den godsdienst. Ik

wilde van morgen vroeg de paarden hebben en ging dus naar Tom's

kamertje boven den stal, en daar hoorde ik hem in zijne eenigheid

eene _meeting_ houden; en waarlijk, ik heb in langen tijd niets zoo

hartelijks gehoord als het gebed van Tom. Hij bad voor mij met een

ijver die waarlijk apostolisch was."

"Misschien kon hij raden dat gij stondt te luisteren. Ik heb wel meer

van die streken gehoord."

"Als hij dat deed, was het niet zeer politiek; want hij zeide den Heere

tamelijk vrijpostig zijne meening over mij. Tom scheen te denken dat

er nog vrij wat aan mij te verbeteren viel, en het ernstig met mijne

bekeering te meenen."

"Ik hoop dat gij het ter harte zult nemen," zeide Ophelia.

"Het schijnt dus dat gij zoo wat van dezelfde meening zijt," antwoordde

St. Clare. "Wij zullen zien--niet waar, Eva?"

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

EEN VRIJ MAN, DIE ZIJNE VRIJHEID VERDEDIGT.

Er heerschte zekere stille drukte in het huis van den kwaker, toen

de dag ten avond neigde. Rachel Halliday ging bedaard heen en weder,

en bracht van haren huiselijken voorraad een aantal benoodigdheden

bijeen, welke in eene kleine ruimte konden gepakt worden, voor de

zwervelingen die in den nacht zouden vertrekken. De avondschaduwen

strekten zich oostwaarts, en de ronde, roode zon toefde als het ware

peinzend bij den gezichteinder, terwijl hare gele stralen zacht in

het slaapkamertje schenen, waar George en zijne vrouw bij elkander

zaten. Hij had zijn kind op zijne knie en de hand zijner vrouw in de

zijne. Beider gezicht stond nadenkend en ernstig, en er waren sporen

van tranen op hunne wangen.

"Ja, Eliza," zeide George. "Ik weet dat al wat gij zegt waar is. Gij

zijt een goed kind--veel beter dan ik; en ik zal trachten te doen

gelijk gij zegt. Ik zal trachten te handelen gelijk een vrij man

betaamt. Ik zal trachten het gevoel van een christen te koesteren. God

almachtig weet dat ik wèl heb willen doen--dat ik mij ingespannen

heb om wèl te doen--toen alles tegen mij was, en nu wil ik al het

verledene vergeten, en harde en bittere aandoeningen smoren en mijn

Bijbel lezen en een goed man leeren worden."

"En als wij in Canada komen," zeide Eliza, "kan ik u helpen. Ik kan

heel goed dameskleeren maken, en fijn goed wasschen en strijken en

met ons beiden zullen wij wel genoeg verdienen om van te leven."

"Ja, Eliza, zoolang wij maar elkander en ons kind liefhebben. O,

Eliza, als die menschen maar eens wisten welk een zegen het voor een

man is, dat zijne vrouw en zijne kinderen _hem_ toebehooren! Ik heb

mij dikwijls verwonderd dat een man, die zijne vrouw en kinderen _zijn

eigen_ kon noemen, zich nog over iets anders kwelde. Ik voel mij nu

rijk en sterk, hoewel wij niets hebben dan onze bloote handen. Het

is mij, alsof ik God nauwelijks om iets meer zou durven vragen. Ja,

hoewel ik alle dagen zwaar gewerkt heb tot ik nu vijf en twintig jaren

oud ben, en geen cent geld bezit, en geen dak om mij te dekken, en

geen plekje grond dat ik mijn eigendom kan noemen; toch, als zij mij

nu maar met vrede willen laten, zal ik tevreden zijn, dankbaar zijn,

zal ik werken, en het geld voor u en mijn kind terugzenden. Wat mijn

ouden meester betreft, ik heb hem vijfvoudig alles betaald, wat ik

hem ooit gekost heb. Hem ben ik niets schuldig."

"Maar wij zijn nog niet geheel buiten gevaar," zeide Eliza. "Wij zijn

nog niet in Canada."

"Dat is waar," antwoordde George: "maar het is als rook ik reeds de

vrije lucht, en dat maakt mij zoo sterk."

Op dit oogenblik werden er in de groote kamer stemmen gehoord, die een

ernstig gesprek hielden, en weldra werd er aan de deur geklopt. Eliza

opende haar schielijk.

Simeon Halliday was daar met een van zijne geloofsgenooten, dien hij

als Phineas Fletcher binnenleidde. Phineas was lang en mager; hij

had rood haar en een gezicht, waarvan de uitdrukking schranderheid

en sluwheid aanduidde. Hij had lang niet het stille, kalme, voor de

wereld onverschillige voorkomen van Simeon; maar integendeel een

bijzonder scherp en wakker uitzicht, als iemand die er eenigszins

grootsch op is dat hij weet wat hij doet en goed voor zich ziet;

eigenaardigheden, die vrij zonderling bij zijne stijve kleeding en

manier van spreken afstaken.

"George, onze vriend Phineas heeft iets van belang ontdekt voor u en

uw gezelschap," zeide Simeon; "het zou goed voor u zijn dat te hooren."

"Dat heb ik," zeide Phineas, "en het bewijst hoe nuttig het is dat

een man op zekere plaatsen altijd met één oor open slaapt, gelijk

ik altijd gezegd heb. Den vorigen nacht vertoefde ik in eene kleine

eenzame herberg aan den weg achterwaarts. Gij weet de plaats nog wel,

Simeon, waar wij verleden jaar appelen verkocht hebben aan die dikke

vrouw met groote oorringen. Nu, ik was moede van het harde rijden en

na mijn avondmaal legde ik mij op een hoop zakken in een hoek neer,

en dekte mij met een buffelhuid, om te wachten tot mijn bed gereed was,

en wat doe ik anders dan vast in slaap vallen."

"Met één oor open, Phineas?" zeide Simeon koeltjes.

"Neen, ik sliep met beide ooren en al een paar uren lang, want ik was

tamelijk moede; maar toen ik tot mij zelven kwam, bevond ik dat er

eenige mannen in de kamer waren, die aan de tafel zaten te drinken

en te praten; en ik dacht dat ik, eer ik veel beweging maakte, even

moest zien waar zij aan bezig waren, vooral daar ik hen iets over

de kwakers hoorde zeggen. "Dus zijn zij zeker in het kwakersdorp,"

zeide er een. Toen luisterde ik met beide ooren, en bevond dat

zij juist over ditzelfde gezelschap spraken. Dus bleef ik liggen

en hoorde hen al hunne plannen overleggen. Deze jonge man, zeiden

zij, zou weder naar Kentucky gezonden worden, naar zijnen meester,

die een voorbeeld aan hem zou stellen, om alle negers het wegloopen

af te leeren; en zijne vrouw zouden twee van hen naar Nieuw-Orleans

brengen om te verkoopen, en zij rekenden zestien- of achttienhonderd

dollars voor haar te krijgen; en het kind, zeiden zij, moest naar

een handelaar, die het gekocht had; en dan waren er de jongen Jim en

zijne moeder, zij zouden weder naar hunne meesters in Kentucky. Zij

zeiden dat er twee constabels waren in een stadje, een weinig verder

op, die met hen zouden gaan om hen te vatten; en de jonge vrouw zou

voor een rechter gebracht worden; en een van die lieden, die klein

en welbespraakt is, zou zweren dat zij zijn eigendom was en haar aan

hem laten overleveren. Zij hebben een recht begrip van den weg dien

wij van nacht willen nemen; en zij willen ons nazetten, zes of acht

man sterk. Dus, wat is er nu te doen?"

De groep, die na deze mededeeling in verschillende houdingen staan

bleef, was een schilder waardig. Rachel Halliday, die het kneden

van een baksel beschuit had laten staan om het nieuws te hooren,

stond daar nu met opgeheven, bemeelde handen en een zeer verslagen

gezicht. Simeon stond ernstig te peinzen; Eliza had hare armen om haren

man geslagen en zag naar hem op. George stond daar met dichtgeknepen

vuisten en gloeiende oogen; zijn blik was gelijk die van ieder ander

man zou mogen wezen, als zijne vrouw bij opbod verkocht en zijn zoon

aan een handelaar overgeleverd zou worden, alles onder het schild

der wetten van een christelijk volk.

"Wat zullen wij doen, George?" zeide Eliza flauw.

"Ik weet wel wat _ik_ doen zal," antwoordde George en ging het kamertje

weder binnen, om zijne pistolen na te zien.

"Ja, ja," zeide Phineas, Simeon toeknikkende: "gij ziet wel wat er

op volgen moet."

"Ik zie het," zeide Simeon met een zucht; "maar ik bid dat het zoover

niet komen zal."

"Ik wil niemand met mij of voor mij in gevaar brengen," zeide George

nu. "Als gij mij uwe kar wilt leenen en den weg beduiden, zal ik

alleen naar de volgende schuilplaats rijden. Jim heeft reuzenkracht

en is zoo dapper als de dood en de wanhoop; en ik insgelijks."

"Dat is wel, vriend," zeide Phineas; "maar gij zult toch een voerman

noodig hebben. Al het vechten zal met genoegen voor u worden gelaten;

maar ik weet een paar dingen van den weg, die gij niet weet."

"Maar ik wil niemand in ongelegenheid brengen," zeide George.

"In ongelegenheid?" herhaalde Phineas met een zonderlingen

glimlach. "Als gij mij in ongelegenheid brengt, wees dan zoo

vriendelijk om het mij te laten weten."

"Phineas is een wijs en bekwaam man," zeide Simeon. "Gij doet wel,

George, met u naar zijn oordeel te voegen, en," vervolgde hij, zijne

hand vriendelijk op George's schouder leggende en naar de pistolen

wijzende, "wees niet al te haastig met de--jong bloed is heet."

"Ik zal niemand aanvallen," antwoordde George. "Al wat ik van dit land

vraag, is dat men mij met vrede laat, en ik zal vreedzaam heengaan;

maar," hij zweeg een oogenblik en zijn gezicht werd donker--"er is

eene zuster van mij op de markt van dat Nieuw-Orleans verkocht. Ik

weet waartoe men haar verkocht; en ik zal het aanzien dat zij mijne

vrouw nemen en haar verkoopen, terwijl God mij een paar sterke armen

gegeven heeft om haar te verdedigen! Neen, zoo helpe mij God! Ik zal

tot den laatsten ademtocht vechten, eer zij mijne vrouw en mijn zoon

krijgen. Kunt gij mij laken?"

"Geen sterfelijk mensch kan u laken, George. Vleesch en bloed kunnen

niets anders doen," zeide Simeon. "Wee over de wereld vanwege de

ergernis; maar wee over hen, door wie de ergernis komt."

"Zoudt gij in mijne plaats niet hetzelfde doen, Mijnheer?"

"Ik bid dat ik niet beproefd worde," antwoordde Simeon. "Het vleesch

is zwak."

"Ik denk dat mijn vleesch in zulk een geval tamelijk sterk zou zijn,"

zeide Phineas, een paar armen uitstekende, die naar de wieken van een

windmolen geleken. "Ik ben niet zeker, vriend George, of ik niet wel

een kerel voor u zou vasthouden als gij eene rekening met hem had af

te doen."

"Indien de mensch ooit het kwaad behoort te wederstaan," zeide

Simeon, "dan moet George de vrijheid gevoelen om dit nu te doen;

maar de leidslieden van ons volk hebben ons een meer uitmuntenden

weg geleerd; want de toorn des mans wekt Gods gerechtigheid niet;

maar deze strijd bitterlijk tegen den bedorven wil des menschen en

niemand kan haar ontvangen dan zij aan wie zij gegeven wordt. Laten

wij den Heere bidden dat wij niet verzocht worden."

"Dat doe ik ook," zeide Phineas; "maar als wij al te zeer verzocht

worden--welnu, laten zij voor zich zien, dat is alles."

"Het is duidelijk dat gij geen Vriend geboren zijt," zeide Simeon

met een glimlach. "De oude natuur blijft nog tamelijk sterk in u."

Om de waarheid te zeggen, Phineas was een forsche, hardhandige boschman

geweest, een geweldig jager en scherpschutter; maar verliefd op eene

bevallige kwakerin, was hij door de macht harer bekoorlijkheden

bewogen om zich bij het gezelschap in deze streek te voegen; en

hoewel hij een eerlijk, nuchter en nuttig lid der gemeente was,

en er niets bijzonders op zijn gedrag was te zeggen, konden toch de

meer geestelijkgezinden niet nalaten een bijzonder gebrek aan heilige

zachtmoedigheid bij hem op te merken.

"Vriend Phineas zal altijd zijne eigene manieren hebben," zeide Rachel

glimlachende; "maar wij allen denken toch dat zijn hart op de rechte

plaats zit."

"Welnu," zeide George; "is het niet best dat wij onze vlucht

verhaasten?"

"Ik ben te vier uren opgestaan en heb allen spoed gemaakt, twee of drie

uren voor hen, als zij vertrekken op den tijd dien zij afspraken. Het

is in allen gevalle niet veilig te vertrekken eer het donker is; want

er zijn eenige booze menschen in de dorpen verder op, die genegen

konden zijn om zich met ons te bemoeien als zij onzen wagen zagen,

en dat zou ons meer ophouden dan het wachten; maar over twee uren

denk ik dat wij het kunnen wagen. Ik zal naar Michael Cross gaan,

en hem vragen om op zijnen harddraver achter ons aan te komen,

en onderweg scherp uit te zien, en ons te waarschuwen als er een

gezelschap aankomt. Michael heeft een paard, dat de meeste andere

paarden spoedig kan vooruitloopen; en hij zou vooruit kunnen rijden,

en het ons doen weten als er eenig gevaar was. Ik ga nu Jim en de oude

vrouw waarschuwen om zich gereed te houden en naar de paarden zien. Wij

zijn een goed eind vooruit en hebben dus kans om in veiligheid te

komen eer zij ons inhalen. Heb dus goeden moed, vriend George; dat

is niet de eerste maal, dat ik met uw volk leelijk in het nauw ben

geweest," zeide Phineas, terwijl hij de deur sloot.

"Phineas is schrander," zeide Simeon. "Hij zal ook het beste doen

dat voor u gedaan kan worden, George."

"Werkelijk, gij brengt u voor ons in ongelegenheid," zeide George.

"Gij zult ons zeer verplichten, vriend George, met daarvan niets meer

te zeggen. Wat wij doen, zijn wij volgens ons geweten verplicht om

te doen; wij kunnen niet anders. En nu, moeder," zeide hij, zich naar

Rachel keerende, "spoed u met uwe toebereidselen voor deze vrienden,

want wij moeten hen niet vastende heenzenden."

De Negerhut · 第 18 / 44 段