tranen af, streek als het ware hare veeren glad, gelijk een duif na
eene regenbui haar toilet maakt, en begon een huishoudelijk praatje
over hare kasten met aardewerk, glas en tafelgoed, hare provisiekamers
en andere dingen, waarover de nicht het beheer zou aanvaarden, en
gaf zoovele regelen, waarschuwingen en aanwijzingen, dat een minder
koel en helder hoofd dan dat van Ophelia er geheel door verbijsterd
zou zijn geworden.
"En nu," zeide Marie, "geloof ik dat ik u alles gezegd heb, zoodat gij,
als ik weder eene vlaag van mijne kwaal krijg, wel geheel zult voort
kunnen, zonder mij ergens naar te vragen. Maar nu nog over Eva--het
is noodig dat er op haar gelet wordt."
"Zij schijnt een heel zoet kind te zijn," zeide Ophelia. "Ik heb
nooit zoeter kind gezien."
"Eva is een vreemd kind, een zeer vreemd," zeide de moeder. "Zij heeft
dingen over zich die heel wonderlijk zijn: zij gelijkt volstrekt niet
naar mij." En Marie zuchtte, alsof dit eene droevige gedachte was.
Ophelia zeide in haar hart: "Ik hoop wel van neen," maar zij was
voorzichtig genoeg om dit te verzwijgen.
"Eva is altijd liefst bij de bedienden geweest, en dat houd ik voor
sommige kinderen voor heel goed. Ik heb altijd met de kleine negers
van mijnen vader gespeeld, en dat heeft mij nooit kwaad gedaan;
maar Eva schijnt zich altijd met ieder die haar nabijkomt gelijk te
willen stellen. Het is iets vreemds in dat kind. Ik heb haar dat nooit
kunnen afwennen. St.-Clare, geloof ik, helpt haar daarin voort. Om de
waarheid te zeggen: St.-Clare is er op uit om iedereen te believen,
behalve zijne vrouw."
Wederom bewaarde Ophelia een bot stilzwijgen.
"Men kan met bedienden niet te recht komen," zeide Marie, "of men moet
hen onder zich brengen en onder zich houden. Dat is mij van kindsbeen
af altijd eigen geweest. Eva is in staat om een geheel huisvol te
bederven. Hoe zij het maken zal als zij zelve eens moet huishouden,
betuig ik niet te weten. Ik ben gaarne _goed_ voor bedienden, en
dat ben ik ook; maar men moet zorgen dat zij op een afstand blijven
en weten wat zij zijn. Dat doet Eva nooit; men kan het kind geen
zweem van een denkbeeld in het hoofd krijgen, wat een bediende is
en op welken afstand hij behoort te blijven. Gij hebt wel gehoord,
hoe zij des nachts bij mij wilde waken om Mammy te laten slapen. Dat
is nu een staaltje van de manier waarop het kind altijd handelen zou,
als men haar liet begaan."
"Wel," zeide Ophelia zonder omwegen, "ik meen dat gij toch ook denken
zult dat uwe bedienden menschelijke wezens zijn, en rust behooren te
hebben als zij moe zijn."
"Wel zeker--natuurlijk. Ik ben er bijzonder op gesteld om hen alles te
laten hebben wat mij maar eenigszins gelegen komt, alles wat mij maar
niet geheel van mijn streek brengt. Mammy kan haar slaap op een of
anderen tijd inhalen; daar is geen bezwaar in. Zij is het slaperigste
stuk vleesch dat ik ooit gezien heb; naaiende, zittende of staande,
overal valt dat schepsel in slaap. Men behoeft niet bang te zijn dat
Mammy geen slaap genoeg krijgt. Maar de bedienden zoo te behandelen,
alsof zij uitheemsche bloemen of porseleinen vazen waren, is inderdaad
belachelijk," zeide Marie, terwijl zij zich in de diepte eener donzige
sofa liet zinken, en een fraai geslepen reukfleschje opnam.
"Gij merkt wel," vervolgde zij met eene flauwe, echt damesachtige
stem, gelijk de stervende ademtocht van eene Arabische jasmijn, of
iets even kwijnends en aetherisch, "gij merkt wel, Nicht Ophelia, ik
spreek niet dikwijls van mij zelve. Dat is mijne gewoonte niet. Om
de waarheid te zeggen, ik heb er de kracht niet toe; maar er zijn
punten waarover St.-Clare en ik altijd verschillen. St.-Clare
heeft mij nooit gewaardeerd. Dat geloof ik is de grond van al mijne
ziekelijkheid. St.-Clare meent het goed, dat ben ik verplicht te
gelooven; maar de mannen zijn eigenlievend van aard en hebben geen
gevoel voor eene vrouw. Zoo denk ik ten minste."
Ophelia, die geen gering aandeel van de echte Nieuw-Engelsche
voorzichtigheid bezat en zeer ongaarne in huiselijke geschillen
betrokken werd, begon nu te zien dat haar iets van dien aard bedreigde;
zij zette dus haar gezicht in de plooien eener stroeve neutraliteit,
haalde een begonnen kous uit haren zak, die zij daar bewaarde als een
specifiek middel tegen datgene wat volgens Dr. Watts eene gewoonte
van Satan is, als de menschen ledige handen hebben, en begon met
ijver te breien, tegelijk hare lippen dichtknijpende op eene manier
die duidelijk zeide: "Gij behoeft niet te probeeren om mij te doen
spreken; ik wil niets met uwe zaken te doen hebben;"--kortom zij
keek nagenoeg zoo medelijdend als een steenen leeuw. Marie stoorde
zich echter niet daaraan. Zij had iemand om tegen te praten en dat
was genoeg. Nadat zij nog eens aan haar flacon had geroken, om hare
krachten te herstellen, vervolgde zij:
"Gij moet weten, ik heb mijn vermogen en mijne bedienden in eigendom
gehouden toen ik met St. Clare trouwde, en heb een wettig recht om er
op mijne eigene manier mede te handelen. St. Clare heeft zijn vermogen
en zijne bedienden, en ik heb er volstrekt niet tegen dat hij daarmede
naar zijnen eigen zin handelt; maar St. Clare wil zich altijd met het
mijne bemoeien. Hij heeft wonderlijk buitensporige denkbeelden over
allerlei dingen, vooral over de behandeling van bedienden. Hij doet
waarlijk alsof hij zijne bedienden boven mij stelde en boven zich
zelven ook: want hij laat zich allerlei last door hen veroorzaken en
licht nooit een vinger op. Nu is St. Clare, wat sommige dingen betreft,
schrikkelijk ongemakkelijk--zoodat hij mij bang maakt, hoe goedaardig
hij er ook uitziet. Zoo heeft hij zich in het hoofd gezet dat er, wat
er ook gebeuren mag, geen slag in huis mag gegeven worden, behalve
door mij of door hem; en dat drijft hij door op eene manier, dat ik
er mij waarlijk niet overheen durf zetten. Nu zult gij wel zien waar
dat op uitloopt, want St. Clare zou de hand niet oplichten al liepen
zij allen over hem heen, en ik--gij begrijpt wel hoe barbaarsch het
zou zijn van mij te vergen om mij zoo te vermoeien. En toch, gij weet
wel, die bedienden zijn niet anders dan volwassen kinderen."
"Daar weet ik niets van en ik dank den Heere dat ik er niets van weet,"
antwoordde Ophelia nu kortaf.
"O, gij zult het wel leeren en dat ten uwen koste, als gij hier
blijft. Gij weet nog niet welke onverdragelijke, domme, loszinnige,
onredelijke, kinderachtige, ondankbare ellendelingen zij zijn."
Marie scheen altijd eene verwonderlijke kracht te bekomen, als zij
aan dit onderwerp begon. Zij hield nu hare oogen open en scheen hare
kwijnende zwakheid geheel te vergeten.
"Gij weet nog niet," vervolgde zij, "en kunt nog niet weten, hoe eene
huishoudster altijd en overal door hen geplaagd wordt. Maar het baat
niet bij St. Clare daarover te klagen. Hij heeft dan de wonderlijkste
redeneeringen. Hij zegt: wij hebben hen gemaakt wat zij zijn en moeten
hen verdragen. Hij zegt dat al hunne gebreken aan ons te wijten zijn,
en dat het wreed zou zijn eerst de schuld te veroorzaken en dan te
straffen. Hij zegt dat wij in hunne plaats niet beter zouden doen;
alsof er tusschen hen en ons vergelijkingen konden gemaakt worden."
"Gelooft gij niet dat de Heere hen uit één bloed met ons geschapen
heeft?" zeide Ophelia weder kortaf.
"Wel waarlijk niet! Dat zou wat moois zijn. Ze zijn een vernederd
geslacht."
"Denkt gij niet dat zij onsterfelijke zielen hebben?" zeide Ophelia,
met toenemende verontwaardiging.
"O, natuurlijk, daar twijfelt niemand aan," antwoordde Marie
geeuwende. "Maar hen op gelijken rang te plaatsen, alsof wij met
elkander te vergelijken waren, dat is immers onmogelijk! En nu heeft
St. Clare inderdaad wel met mij gesproken alsof het 't zelfde was,
dat Mammy van haar man werd afgehouden, als het zijn zou als ik van
den mijnen werd gehouden. Zóó kan men geene vergelijkingen maken. Mammy
kan zulk een gevoel niet hebben als ik hebben zou. Het is geheel iets
anders--dat spreekt vanzelf; en toch houdt St. Clare zich alsof hij
dat niet begreep, en praat alsof Mammy hare zwarte smerige kinderen
even lief zou hebben als ik Eva heb. Ja, eens heeft St. Clare mij
werkelijk en ernstig willen overreden, dat het mijn plicht was, met
mijne zwakke gezondheid en al wat ik lijd, Mammy terug te zenden en
iemand anders in hare plaats te nemen. Dat was een weinigje te veel,
zelfs voor mij om te dragen. Ik toon niet dikwijls mijn gevoel. Ik
maak er een regel van om alles in stilte te verduren, dat is het
harde lot eener vrouw. Maar toen barstte ik toch uit, zoodat hij
nooit weder daarover gesproken heeft. Maar uit zijn gezicht en uit
kleinigheden die hij zegt, kan ik wel opmaken dat hij nog eveneens
denkt; en dat is immers iemand tergen."
Ophelia keek, alsof zij zeer bang was dat zij tegen wil en dank iets
zeggen zou; maar liet slechts hare breinaalden ratelen op eene manier,
die zooveel zeide als men in een geheel boekdeel zou kunnen schrijven;
indien Marie het maar had kunnen verstaan.
"Gij begrijpt dus," vervolgde deze, "wat gij hier te stellen zult
hebben. Een huishouden zonder eenigen regel, waar de bedienden allen
hun eigen zin volgen, doen wat hun aanstaat en nemen wat hun aanstaat,
behalve in zooverre, als ik met mijne zwakke gezondheid eenige orde
heb gehandhaafd. Ik houd mijne zweep bij mij en sla er somtijds mee
toe; maar het vermoeit mij al te veel. Als St. Clare dat maar wilde
laten doen zooals anderen het doen."
"En hoe is dat?"
"Wel, hen naar den _calaboose_ of een van de andere plaatsen zenden om
gestraft te worden. Dat is de eenige manier, als ik niet zoo zwak en
ziekelijk was, geloof ik dat ik hen met tweemaal zooveel geestkracht
naar mijne hand zou zetten als St. Clare doet."
"En hoe zet hij hen dan naar zijne hand?" zeide Ophelia. "Gij zegt
dat hij nooit slaat."
"Wel, mannen hebben een forscher toon; voor hen is dat gemakkelijk;
en bovendien, als gij hem ooit vlak in de oogen hebt gezien--zij hebben
iets bijzonders, die oogen--en als hij ernstig spreekt, is er een soort
van flikkering in. Ik ben zelve bang daarvoor en de bedienden weten
dan wel dat zij oppassen moeten. Ik zou zooveel niet kunnen doen met
leven en kijven, als St. Clare door een enkelen blik van zijn oog, als
hij het ernstig meent. St. Clare behoeft zich geene moeite te geven,
en dat is de reden dat hij geen gevoel voor mij heeft. Maar gij zult
ondervinden, als gij in het huishouden komt, dat men zonder strengheid
niet voort kan--zoo slecht, zoo logenachtig en zoo lui zijn zij."
"Het oude liedje," zeide St. Clare, op zijn gemak binnenkomende. "Welk
eene geduchte verantwoording zullen die slechte schepsels eindelijk
eens hebben, vooral voor die luiheid! Gij ziet wel, Nicht,"
vervolgde hij, zich zoo lang als hij was op eene sofa tegenover
Marie uitstrekkende, "die luiheid is geheel onverschoonlijk in hen,
bij het voorbeeld dat Marie en ik hun geven."
"O, St. Clare, nu maakt gij het al te erg!" zeide Marie.
"Doe ik! Wel, ik dacht dat ik voor mijn doen al bijzonder goed
sprak. Ik poog altijd kracht aan uwe gezegden bij te zetten, Marie."
"Gij weet wel dat ik het zoo niet gemeend heb, St. Clare."
"O, dan moet ik mij vergist hebben. Dank, lieve, dat ge mij te
recht helpt."
"Gij probeert mij waarlijk boos te maken," zeide Marie.
"Och kom, Marie, het wordt een warme dag vandaag, en ik heb juist
eene lange woordenwisseling met Dolf gehad, die mij geweldig vermoeid
heeft. Eilieve, wees dus vriendelijk, en laat iemand eens in het
licht van uwen glimlach rusten."
"Wat is er met Dolf?" zeide Marie. "De onbeschaamdheid van dien knaap
begint tot eene hoogte te komen, die mij werkelijk onuitstaanbaar
wordt. Ik wenschte maar dat ik een poosje naar mijnen zin met hem
doen kon; ik zou hem wel klein krijgen."
"Wat ge daar zegt, lieve," antwoordde St. Clare, "is weder een blijk
van uwe gewone scherpzinnigheid. Wat Dolf betreft, de zaak is deze, dat
hij zich zoolang moeite heeft gegeven om al mijne goede eigenschappen
na te bootsen, dat hij eindelijk inderdaad met zich zelven en zijnen
meester in de war geraakt en den een voor den ander houdt. Ik ben
dus verplicht geweest hem zijne vergissing eens aan het verstand
te brengen."
"Hoe zoo?" zeide Marie.
"Wel, ik was verplicht hem duidelijk te doen verstaan, dat ik eenige
van mijne kleeren liever voor mijn eigen gebruik wilde houden; ik heb
zijne excellentie ook op een rantsoen van eau-de-cologne gesteld, en
ben inderdaad zoo wreed geweest om hem tot een dozijn van kamerdoeksche
zakdoeken te beperken. Dolf was daarover bijzonder geraakt, en ik
moest hem vaderlijk aanspreken om hem tot berusting te brengen."
"O, St. Clare, wanneer zult gij eens leeren hoe men zijne bedienden
behandelen moet? Het is ijselijk, zooals gij alles toelaat," zeide
Marie.
"Maar wel bezien, wat kwaad steekt er eigenlijk in, dat de arme
jakhals naar zijnen meester wil gelijken? En als ik hem niet beter
heb opgebracht, dan om hem zijn hoogste goed in eau-de-cologne en
kamerdoeksche zakdoeken te doen vinden, waarom zou ik ze hem dan
niet geven?"
"En waarom hebt gij hem niet beter opgebracht," zeide Ophelia botweg.
"Te veel moeite; luiheid, Nicht, luiheid, die meer zielen bederft
dan waarover gij knorren kunt. Als het niet door mijne luiheid was,
zou ik zelf een volmaakte engel zijn.
Ik begin haast te gelooven dat luiheid, zooals die dominee in Vermont
zeide, nog meer dan de gierigheid de wortel van alle kwaad is; en
dat is zeker eene gedachte om iemand onrustig te maken."
"Ik denk dat gij, slavenhouders, eene geduchte verantwoordelijkheid
hebt," zeide Ophelia. "Ik zou die voor geene duizend werelden willen
hebben. Gij behoort uwe slaven op te voeden en hen te behandelen als
redelijke wezens, als onsterfelijke wezens, waarmede gij voor Gods
rechterstoel zult moeten komen. Zoo denk ik er over!" zeide de goede
oudste vrijster, en liet aldus eensklaps al den ijver uitbarsten,
dien zij den geheelen morgen in haar gemoed had opgekropt.
"Och kom, kom," zeide St. Clare snel opstaande, "wat weet gij van ons?"
Hij zette zich voor de piano en begon een levendig stuk te
spelen. St. Clare had veel aanleg voor muziek en was een goed, ja
zelfs verbazend vlug en schitterend pianist. Zijne vingers vlogen
over de toetsen, terwijl hij het eene stuk na het andere afspeelde,
gelijk iemand die zich zelven in een goed humeur wil spelen. Daarna
schoof hij de muziek weg, stond op en zeide vroolijk:
"Welnu, Nicht, gij hebt ons eene goede les gegeven en uw plicht gedaan;
en over het geheel acht ik u er te meer om. Ik twijfel niet of gij
hebt mij een echten diamant van waarheid naar het hoofd gegooid,
hoewel hij mij zoo vlak in het gezicht raakte, dat hij in het eerst
niet naar waarde erkend werd."
"Wat mij betreft, ik zie niet dat zulk praten ergens toe dient,"
zeide Marie. "Als iemand meer voor bedienden doet dan wij doen, zou ik
wel eens willen weten wie; en het doet hun toch geen goed, geen zier;
zij worden al erger en erger. Wat praten of zoo iets betreft, ik heb
tegen hen gepraat tot ik er moe en schor van was, en hen hun plicht
voorgehouden en dat alles; en zij kunnen naar de kerk gaan wanneer zij
willen, hoewel zij toch even weinig van de preek verstaan als zooveel
varkens zouden doen, zoodat het hun toch niet veel baat of zij gaan,
zou ik denken. Maar zij gaan toch en hebben dus alle gelegenheid;
maar zooals ik reeds gezegd heb, zij zijn een vernederd geslacht
en zullen dat altijd zijn, en er is niets aan hen te doen; gij kunt
niets van hen maken, al doet gij nog zoo uw best. Gij begrijpt wel,
nicht Ophelia, ik heb het geprobeerd en gij nog niet; ik ben onder
hen geboren en opgegroeid en ik weet het wel."
Ophelia meende genoeg gezegd te hebben en zweeg dus. St. Clare floot
een wijsje.
"St. Clare, laat ik u mogen verzoeken om niet te fluiten," zeide Marie,
"dat maakt mijn hoofd veel erger."
"Dan zal ik het laten," antwoordde St. Clare. "Is er ook nog iets
dat ge mij woudt verzoeken om niet te doen?"
"Ik wenschte dat gij _wel_ eenige meedoogendheid had met hetgeen ik
uitsta; gij hebt nooit gevoel voor mij."
"Dierbare, beschuldigende engel!" zeide St. Clare hierop.
"Als gij zoo tegen mij spreekt, moet ik immers denken dat het is om
mij te plagen."
"Hoe wilt ge dan dat ik tegen u spreken zal? Ik wil spreken zooals
ge het maar verlangt, om u maar te voldoen."
Een vroolijk gelach klonk van het binnenplein door de zijden gordijnen
der galerij. St. Clare lichtte de gordijn op en begon insgelijks
te lachen.
"Wat is het?" vroeg Ophelia, naar de deur komende.
Daar zat Tom op eene bank, met jasmijnen in al zijne knoopsgaten
gestoken, terwijl Eva, vroolijk lachende, hem nog een krans van rozen
om den hals hing, en toen nog lachende op zijne knie sprong.
"O Tom, nu ziet gij er zoo grappig uit."
Tom zag haar met een stillen, welwillenden glimlach aan, en scheen
zich op zijne bedaarde manier evenzeer met de grap te vermaken als
zijne kleine meesteres. Toen hij zijn meester zag, sloeg hij smeekend
de oogen naar hem op, alsof hij verschooning wilde vragen.
"Hoe kunt gij haar dat toelaten?" zeide Ophelia.
"Waarom niet?" vroeg St. Clare.
"Wel, ik weet het niet, maar het komt mij zoo akelig voor."
"Gij zoudt er geen kwaad in vinden als het kind een grooten hond
liefkoosde, al was hij zwart; maar voor een schepsel dat kan denken,
redeneeren en gevoelen, huivert gij: beken het maar, Nicht. Ik
weet wel hoe dat bij u in het Noorden gesteld is. Niet dat het eene
deugd is dat wij anders zijn; maar de gewoonte doet bij ons wat het
christendom behoorde te doen--zij neemt het gevoel van persoonlijk
vooroordeel weg. Ik heb op mijne reizen in het Noorden opgemerkt,
hoeveel sterker dat gevoel bij u is dan bij ons. Gij zijt vies van
hen als van eene slang of padde, en toch verontwaardigt gij u over het
onrecht dat zij lijden. Gij zoudt hen niet willen laten mishandelen,
maar gij wilt toch zelven niets met hen te maken hebben. Gij zoudt
hen naar Afrika willen zenden, buiten uw gezicht en uwen reuk, en hun
dan een paar zendelingen willen sturen om al de zelfverloochening, die
noodig is om hen te verbeteren, in eens af te doen. Is het dat niet?"
"Wel, Neef," antwoordde Ophelia nadenkend, "dat kan wel eenigszins
de waarheid zijn."
"Wat zouden de armen en geringen doen zonder kinderen?" hervatte
St. Clare, terwijl hij Eva nazag, die met Tom aan de hand
heenhuppelde. "Een kind is de eenige echte democraat. Die Tom is
een held voor Eva: zijne vertellingen zijn wonderen voor haar; zijne
liedjes en methodistische gezangen zijn pleizieriger dan eene opera;
de snuisterijen in zijnen zak zijn eene mijn van juweelen, en hij
zelf is de verwonderlijkste Tom, die ooit eene zwarte huid had. Dit
is eene der rozen van het Eden, welke de Heere opzettelijk voor de
armen en geringen heeft gestrooid, die er weinig genoeg van andere
soort krijgen."
"Het is vreemd, Neef," zeide Ophelia hierop. "Als men u zoo hoort
spreken, zou men haast denken dat gij een "belijder" waart."
"Een belijder?" herhaalde St. Clare.
"Ja, een belijder van den godsdienst."
"Lang niet. Ik ben geen "belijder", zooals men dat bij u noemt;
en wat erger is: ik vrees dat ik ook geen "beoefenaar" ben."
"Hoe komt het dan dat gij zoo spreekt?"
"Niets is gemakkelijker dan het praten," antwoordde St. Clare. "Het
is Shakespeare, geloof ik, die iemand laat zeggen: "ik zou u eerder
twintig dingen kunnen toonen die goed waren om te doen, dan een van
de twintig zijn om mijne eigene aanwijzing te volgen." Niets gaat
boven verdeeling van arbeid. Mijn _fort_ ligt in het praten, het uwe
in het doen."
Tom had nu in zijne uitwendige omstandigheden, gelijk de wereld zegt,
niets om over te klagen. De kinderlijke genegenheid die de kleine Eva
voor hem had opgevat--de instinctmatige dankbaarheid van een edel
hart--had haar heur vader doen verzoeken om hem haar tot bijzonder
geleider te geven, als zij op hare wandelingen of rijtoertjes een
bediende noodig had; en Tom had een algemeenen last ontvangen om alle
andere dingen te laten staan en Eva te vergezellen, wanneer zij hem
daarom vroeg--een last die hem, gelijk men wel denken kan, verre van
onaangenaam was. Hij was altijd welgekleed, want St. Clare was op dit
punt zeer keurig. Zijn staldienst was eene sinecure, en bestond slechts
in een dagelijksch toezicht of de mindere bedienden hun plicht deden;
want Marie St. Clare zeide dat hij geene paardenlucht moest medebrengen
als hij bij haar kwam, en nooit iets doen moest dat hem voor haar
onaangenaam kon maken, dewijl haar zenuwgestel zoo iets niet velen kon;
eene onaangename lucht zou, volgens haar zeggen, genoeg zijn om op eens
een einde aan al hare aardsche onaangenaamheden te maken. Tom zag er
dus met zijn welgeborsteld lakensch pak, zijnen glanzigen hoed, zijne
blinkende laarzen, onberispelijk linnengoed en ernstig en goedhartig
zwart gezicht, deftig genoeg uit, om bisschop van Carthago te zijn,
gelijk lieden van zijne kleur in vroegere eeuwen waren.
Dan had hij ook eene heerlijke woonplaats, iets waarvoor zijn licht
getroffen geslacht nooit onverschillig is, en hij verheugde zich met
stil genot in de vogelen, de bloemen, de fontein, het licht en al
de andere schoonheden van het binnenplein, en de zijden behangsels,
schilderijen, kroonkandelaars, het beeld- en verguldwerk, waardoor
de vertrekken tot zalen van een tooverpaleis voor hem gemaakt werden.
Indien Afrika ooit de zetel wordt van een beschaafd
menschengeslacht--en op een of anderen tijd moet het toch aan de beurt
komen, om in het groote drama van den vooruitgang der menschheid zijne
rol te spelen--dan zal het leven daar ontwaken met een glans en eene
pracht, waarvan onze koude Westersche menschenstammen slechts een
flauw begrip hebben. In dat afgelegen land van goud en juweelen,
specerijen en wuivende palmboomen, wonderbare bloemen en even
wonderbare vruchtbaarheid zullen nieuwe kunstvormen, nieuwe soorten
van weelde ontwaken; en het negergeslacht, niet langer veracht en
vertreden, zal misschien eene der laatste en heerlijkste openbaringen
van den menschelijken geest vertoonen. Zeker zullen de negers met hunne
zachtmoedigheid, met hunne nederigheid van hart, met hunne neiging
om meer verheven geesten te vertrouwen en zich op hoogere macht
te verlaten, met hunne kinderlijke eenvoudigheid, liefderijkheid en
vergevensgezindheid, den hoogsten vorm van het eigenaardig _christelijk
leven_ aanbieden, en misschien, daar God kastijdt wien Hij liefheeft,
heeft Hij het arme Afrika, thans zoo diep vernederd, uitverkoren
om het te maken tot het hoogste en edelste in dat koninkrijk, dat
opgericht zal worden wanneer alle andere koninkrijken zijn gewogen
en te licht bevonden; want de eersten zullen de laatsten zijn en de
laatsten de eersten.
Was het dit waaraan Marie St. Clare dacht, toen zij op een
Zondagochtend prachtig gekleed onder de galerij stond, en een
juweelen armband om hare tengere arm vastmaakte? Waarschijnlijk
wel. Of indien zij daaraan niet dacht, was het aan iets anders;
want Marie hield van het goede en ging nu in volle pracht,--met
diamanten, zijde, kanten en alles--naar eene _fashionable_ kerk,
om eens zeer godsdienstig te zijn. Marie maakte er een regel van
om zich op Zondag vroom te toonen. Daar stond zij dus, zoo tenger,
zoo elegant, zoo sierlijk in al hare bewegingen, met de kanten voile,
die haar als een nevel omhulde. Zij zag er bekoorlijk uit en voelde dat
zij zeer goed was--en zeer elegant. Miss Ophelia stond naast haar als
haar volmaakt contrast. Zij had, wel is waar, eene even fraaie zijden
japon en een even fijnen zakdoek, doch zekere onbeschrijfelijke, maar
duidelijke stijfheid en houterigheid lagen evenzeer over geheel haar
voorkomen verspreid, als zekere gratie over dat harer elegante nicht.
"Waar is Eva?" zeide Marie.
"Het kind is op de trap blijven staan om iets tegen Mammy te zeggen."
En wat zeide Eva tegen Mammy op de trap? Luister, lezer! en gij zult
het hooren, ofschoon Marie het niet hoort.
"Lieve Mammy, ik zie wel dat gij schrikkelijke hoofdpijn hebt."
"God zegene u, Miss Eva, ik heb tegenwoordig altijd hoofdpijn. Gij
behoeft u daarover niet te kwellen."
"Nu, ik ben blij dat gij nu ook uitgaat; en hier, Mammy," en daarmede
sloeg het meisje hare armen om haar heen, "gij moet mijn flacon
ook medenemen."