"Hij is in de heerenkajuit," antwoordde Eva.

"Hij weet zeker niet hoe dichtbij wij al komen," zeide tante. "Zoudt

gij niet eens naar hem toe gaan en hem waarschuwen?"

"Papa haast zich nooit met iets," antwoordde Eva; "en wij zijn nog

niet aan land. Kom eens kijken, Tante. Zie, daar staat ons huis,

daar in die straat."

De boot begon nu, steunende als een afgemat monsterdier, zich door

de menigte van andere stoombooten langs de kade heen te werken. Eva

wees met blijdschap naar den toren, koepels en andere voorwerpen,

waaraan zij hare geboorteplaats herkende.

"Ja, ja, lieve, alles is heel mooi," zeide Miss Ophelia. "Maar lieve

hemel, daar ligt de boot al stil en waar is uw vader?"

Nu kwam de gewone drukte van het landen--knechts wilden naar twintig

kanten te gelijk heenloopen--mannen sleepten met koffers, doozen en

reiszakken--vrouwen riepen angstig om hare kinderen, en allen drongen

dicht op elkander naar de loopplank.

Miss Ophelia zette zich op den laatst overmeesterden koffer, en

nadat zij eene verschansing van hare andere goederen had gebouwd,

scheen zij zich gereed te houden om die tot het uiterste te verdedigen.

"Zal ik uw koffer dragen, Juffrouw?"--"Zal ik uwe bagage

opladen?"--"Laat mij maar voor uw goed zorgen."--"Zal ik u helpen,

Juffrouw?" regende het om haar heen, zonder dat zij er op lette. Zij

bleef, haar bundel van parapluies en parasols vasthoudende, stokstijf

zitten, en keek zoo zuur, dat zelfs een huurkoetsier er bang voor

moest worden, tusschenbeide Eva aansprekende om te betuigen dat zij

niet begreep waar haar papa bleef.

"Hij kan toch niet overboord gevallen zijn; maar er moet zeker iets

gebeurd wezen."

Juist toen zij zich inderdaad angstig begon te maken, kwam St.-Clare

met zijne gewone onverschilligheid aankuieren, en nadat hij Eva een

vierdepartje van een sinaasappel had gegeven, dien hij nog bezig was

te eten, zeide hij:

"Wel, Nicht Vermont, ik geloof haast dat ge klaar zult zijn?"

"Ik heb al haast een uur zitten wachten," antwoordde Ophelia. "Ik

begon waarlijk ongerust over u te worden."

"Welnu," zeide hij, "het rijtuig staat te wachten en het gedrang is

over, zoodat men nu op eene fatsoenlijke manier aan land kan gaan,

zonder geduwd en gestooten te worden. Hier," vervolgde hij tot een

koetsier die achter hem stond, "neem die dingen eens op."

"O, ik zal ze zelve wel dragen en bergen," zeide Ophelia.

"Kom, kom, Nicht, waartoe dat?"

"Nu, in allen gevalle wil ik dit, en dit, en dit, zelve dragen,"

zeide Ophelia, drie doozen en een reiszakje uitzoekende.

"Maar lieve Miss Vermont, gij moet hier niet doen alsof gij in de

Groene Bergen waart. Gij moet ten minste iets van onze zuidelijke

manieren overnemen en u zelve niet zoo bevrachten. Men zou u voor

een kamenier houden. Geef die dingen maar aan dien man; hij zal er

zoo voorzichtig mee omgaan alsof het eieren waren."

Miss Ophelia liet zich met een wanhopig gezicht al hare schatten

afnemen, en was zeer blijde toen zij er behouden mede in het rijtuig

zat.

"Waar is Tom?" zeide Eva.

"Hij zit achterop, poesje. Ik zal hem aan mama geven tot een presentje

om vrede te maken en haar dien dronken kerel te doen vergeten, die

de kast heeft omgesmeten."

"O, Tom zal zeker een uitmuntend koetsier zijn," zeide Eva. "Hij zal

zich nooit dronken drinken."

Het rijtuig hield stil voor een oud huis, hetwelk die zonderlinge

mengeling van den Spaanschen en Franschen bouwtrant vertoonde,

waarvan men in sommige gedeelten van Nieuw-Orleans nog voorbeelden

ziet. Het was een vierkant gebouw, dat een binnenplein omsloot,

hetwelk men door eene gewelfde koetspoort opreed. Dit binnenplein was

blijkbaar ingericht om aan een schilderachtigen en weelderigen smaak

te voldoen. Om al de vier zijden liepen breede galerijen, met bogen,

ranke pilaren en arabesken versierd, die den geest als in een droom

naar den romanesken tijd van de heerschappij der Oosterlingen in

Spanje terugvoerden. In het midden wierp eene fontein haar zilveren

waterstraal, die als regen in een marmeren bekken neerviel met een

breeden rand van geurige bloemen omzoomd. Het water in dat bekken,

zoo helder als kristal, wemelde van goud- en zilvervischjes, die

als zoovele levende juweelen flikkerend heen en weder schoten. Om

de fontein liep een pad met een mozaïek van keitjes bevloerd, in

allerlei grillige figuren geschikt; en dit werd wederom omgeven door

een grasperk, zoo effen als groen fluweel, terwijl een breed rijpad het

geheel omsloot. Twee groote oranjeboomen, thans met geurige bloesems

beladen, gaven eene verkwikkelijke schaduw; en in een kring op het gras

stonden fraai gebeeldhouwde marmeren vazen, met de keurigst bloeiende

heesters der keerkringslanden. De galerijen om dit plein waren met

gordijnen van gebloemde stof gedrapeerd, die naar welgevallen konden

neergelaten worden om de zonnestralen af te weren. Het voorkomen van

het geheel was bij uitstek weelderig en romanesk. Toen men de poort

inreed, geleek Eva, in hare woeste blijdschap, naar een vogeltje dat

uit zijne kooi wil breken.

"O, is het hier niet mooi, niet heerlijk?" zeide zij tegen Miss

Ophelia. "Hoe vindt gij mijn huis? Is het niet allerliefst?"

"Het is heel aardig," antwoordde Ophelia afstappende, "hoewel het

mij wel wat ouderwetsch en heidensch voorkomt."

Tom stapte van het rijtuig en zag met stil maar innig genot om

zich heen. De neger, moet men bedenken, is uit het heerlijkste der

wereld afkomstig en heeft eene hartstochtelijke zucht voor alles wat

prachtig, rijk en veelkleurig is, eene zucht, welke hem, wanneer hij

haar met zijnen onbeschaafden smaak involgt, aan den spot der koelere,

juister oordeelende blanken blootstelt.

St.-Clare, die in zijn hart een poëtisch wellusteling was, glimlachte

bij Ophelia's oordeel over zijne woning, en zich naar Tom wendende,

die nog met een glans van bewondering op zijn zwart gezicht stond

rond te zien, zeide hij:

"Wel, Tom, mijn jongen, dat schijnt u te bevallen?"

"Ja, meester," antwoordde Tom, "dat lijkt haast het rechte ding

te wezen."

Dit alles gebeurde in een oogenblik, terwijl de koffers werden

afgeladen, de huurkoetsier betaald werd, en een troep mannen,

vrouwen en kinderen door de galerijen boven en beneden kwam aanloopen

om meester te zien komen. Vooraan plaatste zich een jonge mulat,

blijkbaar een gedistingueerd persoon, die overdreven zwierig en naar

de mode gekleed was, en sierlijk met een geparfumeerden zakdoek stond

te wuiven.

Deze persoon joeg met grooten ijver den geheelen troep van bedienden

terug.

"Ik schaam mij over u," zeide hij op een toon van gezag. "Zoudt gij u

bij meesters huiselijke betrekkingen willen indringen, in het eerste

uur zijner terugkomst?"

Allen stonden verslagen over deze fraaie bestraffing, die met

niet weinig air werd uitgesproken, en bleven op een afstand, met

uitzondering van twee sterke negers, die nader kwamen en de bagage

begonnen weg te dragen.

Mr. Adolf had het zoo aangelegd, dat er, toen St.-Clare den

huurkoetsier had betaald en zich omkeerde, niemand in het gezicht

was, behalve Mr. Adolf zelf, die door zijn satijnen vest, gouden

horlogeketting en wit linnengoed genoeg in het oog liep en met

onbeschrijfelijke gratie en vriendelijkheid stond te buigen.

"Ha, Adolf! zijt gij daar?" zeide zijn meester hem de hand

toereikende. "Hoe gaat het mijn jongen?" En daarop bracht Adolf met

groote vlugheid eene aanspraak voor den dag, welke hij sedert veertien

dagen zorgvuldig had bedacht en van buiten geleerd.

"Goed, goed," zeide St.-Clare, met zijne gewone spottende

onverschilligheid voortstappende; "dat is alles heel mooi bijeengelapt,

Adolf. Zorg eens dat de bagage goed geborgen wordt. Ik zal zoo meteen

bij het volk komen." En met deze woorden bracht hij Miss Ophelia naar

eene kamer die op de galerij uitkwam.

Terwijl dit voorviel was Eva als een vogeltje naar een klein boudoir

gevlogen, dat insgelijks op de galerij uitkwam.

Eene rijzige, geelbleeke vrouw met donkere oogen richtte zich half

op van de sofa waarop zij lag.

"Mama!" riep Eva in eene verrukking van blijdschap, sloeg hare armpjes

om haren hals en kuste haar nogmaals en nogmaals.

"Dat is genoeg--pas op, kind--maak niet dat ik hoofdpijn krijg,"

zeide de Moeder, na haar flauw een kus te hebben gegeven.

Nu kwam St.-Clare binnen, gaf zijn vrouw een echt orthodoxen,

echtelijken kus en presenteerde haar daarna zijne nicht. Marie sloeg

met zekeren zweem van nieuwsgierigheid hare groote oogen naar Ophelia

op en ontving haar met kwijnende beleefdheid. Een troep bedienden

verdrong elkander om den ingang; de voorste daaronder was eene mulattin

van middelbare jaren en een fatsoenlijk voorkomen, die van vroolijk

ongeduld scheen te beven.

"O, daar is Mammy!" riep Eva, vloog de kamer door, wierp zich in hare

armen en kuste haar verscheidene malen.

Deze vrouw sprak niet van hoofdpijn, maar liefkoosde haar en lachte en

schreide, tot men er aan twijfelen kon of zij wel bij haar verstand

was, en toen zij haar losliet, vloog Eva van den een naar den ander,

handen gevende en kussende, op eene manier waarvan Miss Ophelia

naderhand zeide dat zij inderdaad misselijk was geworden.

"Nu," zeide zij, "uwe kinderen in het Zuiden kunnen iets doen, dat _ik_

niet zou kunnen doen."

"Wat is dat?" zeide St.-Clare.

"Wel, ik wil wel tegen iedereen vriendelijk zijn en zou niemand willen

kwaad doen; maar negers...."

"Zoenen te geven," zeide St.-Clare, "daartoe zijt gij niet in staat,

niet waar?"

"Ja, dat is het. Hoe kan zij het doen?"

St. Clare lachte en stapte de gang in.

"Holla daar, waar blijft gij nu? Hier, allemaal--Mammy, Jimmy,

Polty, Suckey--blij dat ge meester weerziet?" zeide hij en gaf allen

achtereen de hand. "Pas op de kinderen," vervolgde hij, toen hij

over een pikzwarten kabouter struikelde, die op handen en voeten

kroop. "Als ik er op een trap, laat hij het dan maar zeggen."

Gelach en zegewenschen in overvloed beloonden den meester, toen hij

kleingeld onder hen uitdeelde.

"En maak nu dat gij wegkomt, als goede jongens en meiden," zeide hij

en de geheele vergadering, zwart en bruin, stoof de deur uit naar

de galerij, gevolgd door Eva, die een grooten zak medenam, welken

zij op de geheele reis naar huis met appelen, noten, kandijklontjes,

eindjes lint en kant en allerlei speelgoed had gevuld.

Toen St. Clare zich omkeerde om heen te gaan, viel hem Tom in het oog,

die onrustig nu op den eenen dan op den anderen voet stond te wiegelen,

terwijl Adolf, tegen een pilaar leunende, hem door een lorgnet bekeek,

met een _air_ dat een modeheertje tot eer zou hebben gestrekt.

"Gij, aap!" zeide zijn meester en sloeg hem het lorgnet uit de hand:

"is dat de manier om uw gezelschap te behandelen? Mij dunkt, Dolf,"

vervolgde hij, met zijnen vinger naar het gebloemd satijnen vest

wijzende waarmede Adolf pronkte, "mij dunkt dat is _mijn_ vest."

"O, meester, dat vest was overal met wijn bemorst. Natuurlijk kon een

_gentleman_ van meesters fatsoen zulk een vest nooit meer dragen. Ik

dacht dat ik het wel hebben mocht. Voor een armen neger zooals ik,

is het nog goed."

Adolf wierp zijn hoofd in den nek en streek zijne vingers sierlijk

door zijne geparfumeerde haren.

"Zoo, is dat het geval?" zeide St.-Clare onverschillig. "Nu, ik zal Tom

aan zijne meesteres laten zien, en neem hem dan mede naar de keuken,

en pas op dat gij u niet weer zulke _airs_ tegen hem geeft. Hij is

meer waard dan twee zulke apen als gij."

"Meester wil altijd gekscheren," zeide Adolf lachende. "Ik ben blij

dat ik meester weer zoo vroolijk zie."

"Hier, Tom!" zeide St.-Clare hem wenkende.

Tom trad de kamer binnen. Hij zag de tapijten en de voorbeeldelooze

pracht der spiegels, schilderijen, standbeelden en gordijnen, en,

gelijk de koningin van Scheba voor Salomo, er was geen geest meer in

hem. Hij scheen zelfs bevreesd om zijn voet neer te zetten.

"Zie eens hier, Marie," zeide St.-Clare tot zijne vrouw, "nu heb ik

eindelijk een koetsier voor u gekocht zooals ge hebben woudt. Hij is

zoo zwart en deftig als eene geheele lijkstaatsie en zal u ook even

deftig rijden als gij wilt. Doe uwe oogen nu eens open en zie hem

aan. Zeg nu niet meer dat ik nooit om u denk als ik uit ben."

Marie opende hare oogen en keek naar Tom, maar zonder zich op te

richten.

"Ik weet toch wel dat hij ook drinken zal," zeide zij nu.

"Neen, men heeft er voor ingestaan dat hij vroom en nuchter is."

"Nu, ik hoop dat het met hem schikken zal," zeide de dame; "maar het

is meer dan ik verwacht."

"Dolf!" zeide St.-Clare, "wijs Tom den weg naar de keuken. En pas op,"

voegde hij er bij, "onthoud wat ik u gezegd heb."

Adolf trippelde sierlijk heen. Tom volgde met zware schreden.

"Hij gelijkt wel een olifant," zeide Marie.

"Komaan, Marie," zeide St.-Clare, zich bij de sofa op een stoel

zettende, "wees nu eens vriendelijk en zeg iemand iets aardigs."

"Gij zijt veertien dagen over den tijd uitgebleven," zeide de dame

pruilende.

"Maar gij weet wel, ik heb u de reden geschreven."

"Zulk een korten, koelen brief."

"Maar mijn hemel, de post zou vertrekken, ik moest kort schrijven of

geheel niet."

"Zoo is het altijd," zeide de dame; "altijd is er iets om uwe reizen

lang en uwe brieven kort te maken."

"Zie nu eens hier," hervatte hij, een elegant fluweelen doosje uit

zijnen zak halende en openende, "hier is een presentje, dat ik u uit

Nieuw-York heb medegebracht."

Het was eene daguerreotype, zoo duidelijk en fraai als eene gravure,

van Eva en haar vader, hand aan hand naast elkander zittende.

Marie bekeek die portretjes met een onvergenoegd gezicht.

"Waarom moest gij in zulk een stijve houding zitten?"

"Nu, over de houding mag verschil van meening zijn; maar wat vindt

gij van die gelijkenis?"

"Als gij u aan mijne meening in dit opzicht niet stoort, zult gij het

ook wel in het andere niet doen," antwoordde zij, het doosje sluitende.

"Welk een onaangenaam wijf!" dacht St.-Clare bij zich zelven;

maar overluid zeide hij: "Komaan nu, Marie, wat dunkt u van de

gelijkenis? Wees nu niet dwaas."

"Het is al zeer ongevoelig van u, St.-Clare," antwoordde de dame,

"dat gij mij dwingt om nu naar allerlei dingen te kijken en er over

te spreken. Gij weet wel dat ik den geheelen dag met hoofdpijn heb

gelegen, en sedert gij tehuis gekomen zijt, is er zulk een geweld

gemaakt, dat ik halfdood ben."

"Zijt gij zoo aan hoofdpijn onderhevig, Mevrouw?" zeide Miss Ophelia,

uit de diepte van een kussenstoel oprijzende, waarin zij stil was

blijven zitten, bij zich zelve een inventaris van de meubelen makende

en berekenende wat zij moesten gekost hebben.

"Ja, ik ben eene martelares daarvan," antwoordde de dame.

"Jeneverbessen-thee is heel goed voor hoofdpijn," zeide Ophelia,

"tenminste Augusta, de vrouw van den ouden Abraham Perry, placht zoo

te zeggen, en zij had veel ondervinding."

"Ik zal de eerste jeneverbessen, die in onzen tuin bij het meer

rijp worden, opzettelijk daarvoor laten komen," zeide St.-Clare

zeer ernstig en trok te gelijk aan de schel. "Ondertusschen, Nicht,

zult gij wel gaarne naar uwe kamer willen gaan, om u na de reis wat

te verfrisschen. Dolf," vervolgde hij, "laat Mammy terstond eens

hier komen."

De mulattin, welke Eva met zooveel verrukking had geliefkoosd, trad

spoedig binnen. Zij was zeer net gekleed en had een rooden en gelen

tulband op, dien Eva haar nu pas had medegebracht, en welken het

meisje zelf om haar hoofd had gewonden.

"Mammy," zeide St.-Clare, "ik stel deze dame onder uwe zorg. Zij is

moede en heeft rust noodig. Breng haar naar heur kamer en zorg er

voor dat zij alle gemak heeft."

Daarop verdween Ophelia, door Mammy voorgegaan.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

TOMS NIEUWE MEESTERES EN HARE GEVOELENS.

"En nu, Marie," zeide St.-Clare, "zullen er gouden dagen voor

u aankomen. Hier is nu onze knappe huishoudelijke nicht uit

Nieuw-Engeland, die den geheelen last van zorgen van uwe schouders

zal nemen, en u tijd laten om u op te frisschen om weder jong en

mooi te worden. Gij moest nu maar terstond tot de ceremonie van het

overgeven der sleutels komen."

Dit zeide hij aan de ontbijttafel, eenige ochtenden nadat hij met

Ophelia was aangekomen.

"O, zij is welkom," zeide Marie en liet kwijnend haar hoofd op hare

handen rusten. "Ik denk dat zij wel iets ondervinden zal, namelijk,

dat wij meesteressen hier eigenlijk de slavinnen zijn."

"O zeker, dat zal zij wel ontdekken, en nog een aantal heilzame

waarheden bovendien," zeide St.-Clare.

"Men praat van slaven houden, alsof wij het voor ons gemak deden,"

hervatte Marie. "Zeker, als wij daarom dachten, zouden wij hen allen

terstond laten gaan."

Evangeline zag hare moeder ernstig aan, alsof er iets gezegd was dat

haar verbijsterde, en vroeg toen eenvoudig:

"Waarom houdt gij ze dan, Mama?"

"Dat weet ik zelf niet, of het moest tot eene plaag wezen; zij zijn

de plaag van mijn leven. Ik geloof dat zij meer de schuld van mijne

ziekelijkheid zijn dan iets anders; en de onze, dat weet gij wel,

zijn de ergsten waarmede ooit iemand geplaagd was."

"Och kom, Marie, ge zijt van morgen melancholiek," zeide

St.-Clare. "Gij weet wel dat het zoo niet is. Daar is Mammy--die

is immers de beste meid van de wereld. Hoe zoudt gij het zonder

haar maken?"

"Mammy is de beste die ik ooit gekend heb," zeide Marie hierop;

"en Mammy is toch zoo eigenlievend--schrikkelijk eigenlievend; dat

is het gebrek van het geheele ras."

"Eigenliefde is inderdaad een akelig gebrek," zeide St.-Clare ernstig.

"Nu, daar is dan die Mammy," hervatte Marie. "Mij dunkt, het is zeer

eigenlievend van haar, des nachts zoo vast te slapen. Zij weet wel

dat ik gedurig kleine diensten noodig heb, als ik mijne ergste vlagen

krijg, en toch is zij zoo moeielijk te wekken, dat ik van morgen

stellig erger was door de inspanning, die ik van nacht van mij had

moeten vergen om haar wakker te krijgen."

"Maar is zij niet al verscheidene nachten bij u opgebleven,

Mama?" zeide Eva.

"Hoe weet gij daarvan?" zeide Marie scherp. "Zij zal er denkelijk

over geklaagd hebben."

"Zij heeft niet geklaagd. Zij zeide mij maar welke slechte nachten

zij gehad hadt, zooveel achtereen."

"Waarom neemt gij Jane of Rosa niet voor een paar nachten in hare

plaats, en laat haar uitslapen?" zeide St.-Clare.

"Hoe kunt ge mij zoo iets voorstellen?" antwoordde Marie. "Gij zijt

waarlijk ongevoelig, St.-Clare. Zoo zenuwachtig als ik ben, brengt

het minste mij van streek, en eene vreemde helpster bij mij zou mij

haast razend maken. Als Mammy zooveel om mij gaf als zij doen moest,

zou zij gemakkelijker wakker worden--natuurlijk zou zij dat. Ik heb

wel van menschen gehoord die zulke trouwe dienstboden hadden; maar

ik ben nooit zoo gelukkig geweest." En Marie slaakte een zucht.

Miss Ophelia had met een gezicht vol scherpe, ernstige oplettendheid

naar dit gesprek geluisterd en kneep nu hare lippen nog vaster

dicht, alsof zij zich voornam eerst met volle zekerheid waar te

nemen welke menschen zij hier voor zich had, eer zij zich eenigszins

compromitteerde.

"Mammy heeft wel zekere soort van goedhartigheid," hervatte Marie;

"zij is vriendelijk en gedienstig; maar eigenlijk is zij toch zeer

eigenlievend. Zoo wil zij maar nooit ophouden over dien man van haar

te kniezen en te malen. Gij begrijpt wel, toen ik getrouwd was en

hier kwam wonen, moest ik haar natuurlijk medenemen, en haar man kon

mijn vader niet missen. Hij was een smid en daar zeer noodzakelijk; en

ik dacht en zeide toen, dat Mammy en hij liever van elkander moesten

afzien, daar zij waarschijnlijk toch nooit weder met elkander zouden

kunnen leven. Ik wenschte nu wel dat ik dat had doorgezet en Mammy met

iemand anders getrouwd; maar ik was dwaas en al te inschikkelijk en

wilde het niet doorzetten. Ik zeide Mammy toen, dat zij niet denken

moest hem meer dan nog een paar maal in haar leven weer te zien,

want dat de lucht van de streek, waar mijn vader woonde, niet goed

voor mijne gezondheid is, en ik daar dus zeer zelden weder komen zou,

en ik raadde haar om met iemand anders te leven; maar neen--zij wilde

niet. Mammy heeft zekere koppigheid in enkele opzichten, die iedereen

niet zoo waarneemt als ik doe."

"Heeft zij kinderen?" vroeg Ophelia.

"Ja, zij heeft er twee."

"Het zal haar denkelijk wel spijten dat zij daarvan gescheiden is."

"O, natuurlijk kon ik die niet meenemen. Het waren nog kleine morsige

dingen, die ik niet onder mijne oogen velen kon; en bovendien namen

zij te veel van haren tijd weg; maar ik geloof toch dat Mammy daarover

altijd eenigszins is blijven wrokken. Zij wil met niemand anders

trouwen, en ik geloof zeker dat zij, hoewel zij weet hoe ik haar

noodig heb en hoe zwak mijne gezondheid is, morgen weder naar haren

man zou gaan, als zij maar kon. Ja zeker; en zoo eigenlievend zijn

de besten van die wezens."

"Het is treurig om aan te denken," zeide St.-Clare droogjes.

Ophelia zag hem scherp aan, en bemerkte den blos van ergenis en de

spottend krullende lip, waarmede hij dit zeide.

"Nu is Mammy toch altijd eene soort van troetelkindje van mij geweest,"

zeide Marie. "Ik wenschte dat uwe vrije dienstboden uit het Noorden

hare kasten met kleeren eens konden zien. Zijden en mousselinen

japonnen, en eene van echt kamerdoek heeft zij daarin hangen, en ik

heb somtijds een heelen middag gewerkt om hare mutsen op te maken en

haar voor een partijtje op te schikken. Wat mishandelen betreft, zij

weet niet eens wat dat is. Zij heeft niet meer dan eens of tweemaal in

haar geheele leven de zweep gehad. Zij heeft alle dagen haar koffie of

thee met witte suiker. Dat is wel overdadig; maar St.-Clare wil dat

zij in de keuken ook op een grooten voet leven, en ieder doet daar

dus wat hem bevalt. Om de waarheid te zeggen, onze bedienden hebben

het al te goed. Ik geloof dat het gedeeltelijk onze eigen schuld is,

dat zij zoo eigenlievend zijn en doen als bedorven kinderen. Maar ik

heb gepraat dat ik er moede van ben."

"En ik ook," zeide St.-Clare.

Eva had naar hare moeder staan luisteren met dien blik vol

geheimzinnigen ernst, die haar bijzonder eigen was. Nu kwam zij naar

hare moeder toe en sloeg haar arm om haren hals.

"Wel, Eva, wat nu?" zeide Marie.

"Mama, zou ik u niet voor een nacht kunnen oppassen--maar één? Ik

zou u zeker niet zenuwachtig maken, en ik zou ook niet slapen. Ik

lig toch dikwijls des nachts wakker te denken...."

"Och, dwaasheid kind," antwoordde Marie. "Welk een wonderlijk kind

zijt ge toch!"

"Maar mag ik, Mama? Ik denk," zeide zij schroomvallig, "dat Mammy

niet wel is. Zij heeft mij gezegd, dat zij tegenwoordig aanhoudend

hoofdpijn heeft."

"Dat is weer eene van hare kuren. Mammy is als al de rest--allen

maken zij zulk een beweging van wat pijn hier of daar; maar daar geef

ik nooit aan toe--nooit. Dat is een grondregel van mij," vervolgde

zij, zich naar Ophelia keerende, "en gij zult zelve ondervinden hoe

noodzakelijk die is. Als men bedienden toelaat om zich aan ieder

onaangenaam gevoel te storen en over elke kleine onpasselijkheid te

klagen, heeft men er nooit rust van. Ik zelve klaag nooit--niemand

weet wat ik lijd. Ik acht het mijn plicht om dat stil te dragen,

en dat doe ik ook."

Ophelia's oogen gaven hare ongeveinsde verbazing over dit besluit der

redevoering te kennen, hetwelk St.-Clare zoo overmatig koddig vond,

dat hij in een luiden lach uitbarstte.

"St.-Clare lacht altijd, als ik het minste woord van mijne

ziekelijkheid zeg," zeide Marie op den toon van eene geduldige

martelares. "Ik hoop maar dat er niet eens een dag zal komen, dat

hij daaraan denken zal." En daarmede hield zij haar zakdoek voor

hare oogen.

Natuurlijk volgde er nu eene eenigszins lastige stilte. Eindelijk

keek St.-Clare op zijn horloge, zeide dat hij uit moest, stond op en

ging heen. Eva trippelde hem na, en zoo bleven nu Marie en Ophelia

met elkander alleen.

"Zoo maakt St.-Clare het altijd," zeide de eerste, en nam met een

tamelijk driftigen zwaai haar zakdoek van haar gezicht, toen de

misdadiger, wiens hart zij wilde roeren, buiten de deur was. "Hij

verbeeldt zich nooit, hij kan en zal zich nooit verbeelden wat ik

jarenlang geleden heb en nog lijd. Als ik veel van klagen hield,

of ooit eenige beweging over mijne kwalen maakte, zou hij gelijk

hebben. Natuurlijk worden de mannen eene vrouw moede, die altijd

klaagt. Maar ik heb alles voor mij zelve gehouden en gedragen, doch

St.-Clare denkt dat ik alles dragen kan."

Ophelia wist niet recht wat zij hierop moest antwoorden.

De Negerhut · 第 16 / 44 段