geïnventariseerd werd, hoeveel ik wel zou opbrengen. Zeg zooveel voor
den vorm van mijn gezicht, zooveel voor een hoog voorhoofd, zooveel
voor armen, handen en beenen; zooveel voor beschaving, kundigheden,
talenten en godsdienst. Och, dat laatste artikel zou weinig uitmaken,
denk ik. Maar kom, Eva," vervolgde hij, nam zijn dochtertje bij de
hand en stapte met haar de boot over.
"Kijk eens op, Tom," zeide hij vriendelijk en tikte Tom even met den
vinger onder de kin; "en zie hoe uw nieuwe meester u bevalt."
Tom zag op. Het was onmogelijk dat vroolijke, jeugdige, wel besneden
gezicht zonder welgevallen aan te zien, en Tom voelde de tranen in
zijne oogen komen toen hij hartelijk zeide:
"God zegene u, meester."
"Wel, ik hoop dat Hij het doen zal. Misschien zal Hij het op uw
vragen nog eer doen dan op het mijne, naar al wat ik hoor. Kunt ge
rijden, Tom?"
"Ik ben altijd met paarden gewend geweest," antwoordde Tom. "Mijnheer
Shelby fokte er veel aan."
"Welnu, ik geloof dat ik u op eene koets zal zetten, Tom, onder
voorwaarde dat ge niet meer dan eens in de week dronken zijt, behalve
in geval van groote noodzakelijkheid."
Tom keek verwonderd en eenigszins beleedigd op en antwoordde:
"Ik drink nooit, meester."
"Dat heb ik meer hooren zeggen, Tom: maar wij zullen zien. Het zal
een bijzonder gemak wezen voor allen wie het aangaat, als het waar
is. Trek het u maar niet aan, jongen," vervolgde hij vriendelijk,
toen hij zag dat Tom nog ernstig keek: "ik twijfel er niet aan of
gij meent het goed."
"Zeker doe ik dat, meester," zeide Tom.
"En gij zult goede dagen hebben," zeide Eva nu. "Papa is heel goed
voor alle menschen, maar hij wil ze maar altijd uitlachen."
"Papa is u zeer verplicht voor uwe recommandatie," zeide St.-Clare
lachende, keerde zich om en ging heen.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
OVER TOMS NIEUWEN MEESTER EN VERSCHEIDENE ANDERE DINGEN.
Daar de levensdraad van onzen nederigen held thans met dien van hoogere
personen wordt samengestrengeld, is het noodig den lezer eenigszins
met hen te doen kennis maken.
Augustine St.-Clare was de zoon van een rijken planter in
Louisiana. De familie was uit Canada afkomstig. Van twee broeders,
weinig verschillende in karakter en temperament, had de eene zich
op eene vruchtbare hoeve in Vermont nedergezet, de andere was een
welgesteld planter in Louisiana geworden. De moeder van Augustine
was eene protestantsche Fransche dame, wier familie in vroeger tijd
naar Louisiana was verhuisd. Augustine en zijn broeder waren de
eenige kinderen hunner ouders. Daar hij van zijne moeder eene zwakke
gezondheid had geërfd, werd hij op dringenden raad van geneesheeren in
zijne kindsheid voor vele jaren naar zijnen oom in Vermont gezonden,
opdat zijn gestel door een kouder klimaat versterkt zou worden.
In zijne kindsheid onderscheidde hij zich door eene buitengemeene
gevoeligheid, meer grenzende aan de zachtheid der vrouw, dan aan de
gewone hardheid van zijn eigen geslacht. De tijd deed echter deze
zachtheid met eene ruwe schors overgroeien, en weinigen wisten hoe
levendig en frisch zij nog daaronder lag. Zijne talenten waren van
den eersten rang, hoewel hij steeds eene voorkeur voor het ideale
en de schoone kunsten aan den dag legde, en dien tegenzin voor de
bezigheden van het werkelijke leven koesterde, die een gewoon gevolg
van zulk eene gemoedsgesteldheid is. Kort nadat hij zijne studiën had
volbracht, werd zijne geheele ziel door een romanesken hartstocht in
vlam gezet. Zijn uur kwam--het uur dat maar eenmaal komt; zijne ster
rees aan den horizon--die ster, die zoo dikwijls vruchteloos opgaat,
om naderhand slechts de herinnering van een droom te zijn; en voor hem
ging zij vruchteloos op. Om onverbloemd te spreken, hij zag in een der
Noordelijke staten een schoon en edelaardig meisje, won hare liefde en
zij werden verloofd. Hij keerde naar het Zuiden terug om beschikkingen
voor hun huwelijk te maken, toen geheel onverwachts zijne brieven hem
werden teruggezonden, met een kort briefje van haren voogd, dat eer
dit hem bereikte de dame de vrouw van een ander zou zijn. Razend van
spijt, hoopte hij vruchteloos, gelijk zoo menig ander gedaan heeft, de
geheele zaak met eene wanhopige inspanning van zich af te werpen. Te
trotsch om opheldering te vragen, stortte hij zich terstond in de
draaikolk der modewereld; veertien dagen na het ontvangen van dien
noodlottigen brief was hij de verklaarde minnaar der heerschende
_belle_ van het seizoen, en zoodra de noodige schikkingen konden
gemaakt worden, werd hij de echtgenoot van een sierlijk figuurtje,
een paar fraaie zwarte oogen en honderdduizend dollars. Natuurlijk
hield iedereen hem voor een gelukkig man.
Het jonge paar was nog in de wittebroodsweken en onthaalde op hunne
prachtige villa bij het meer Pontchartrain een schitterenden kring
van vrienden, toen hem een brief werd gebracht van die welbekende
hand. Hij ontving dit geschrift te midden van een vroolijk gesprek, in
eene zaal vol gezelschap. Zoodra hij de hand herkende verbleekte hij,
maar hij bleef toch bedaard en zette een schertsenden woordenstrijd
voort met eene dame, die tegen over hem zat. Eene korte poos later
miste men hem uit den kring. In zijne kamer alleen zijnde opende en
las hij den brief, nu erger dan nutteloos. Hij kwam van haar en gaf
hem een wijdloopig verslag van de kunstgrepen, die de familie van
haren voogd had gebezigd om haar tot een huwelijk met zijnen zoon
te bewegen. Zij verhaalde hoe zij in langen tijd geene brieven meer
van hem had ontvangen, hoe zij verscheidene malen geschreven had tot
zij dit moede werd en aan hem begon te twijfelen, hoe hare gezondheid
onder hare bekommeringen was bezweken, en hoe zij eindelijk het geheele
bedrog had ontdekt dat men tegen hen beiden had gepleegd. De brief
eindigde met uitdrukkingen van hoop en dankbaarheid en betuigingen
van eeuwige liefde, die thans voor den ongelukkigen man bitterder
dan de dood waren. Hij schreef haar onmiddellijk:
"Ik heb den uwe ontvangen, maar te laat. Ik geloofde alles
wat ik hoorde. Ik was wanhopig. _Ik ben getrouwd_ en alles is
voorbij. Vergeten--dit is het eenige wat ons beiden overblijft."
En zoo eindigde al het romaneske in het leven van Augustine
St. Clare. Doch het werkelijke bleef over--het werkelijke, gelijk
het slijk dat op den oever blijft liggen, wanneer de heldere golven,
met haar gezelschap van snelle booten en wit gevleugelde schepen,
met de muziek van roeislagen en kabbelend water is afgeloopen--en
lag daar koud, afzichtelijk en akelig voor hem.
Het spreekt vanzelf, in een roman breekt iemand dan het hart, hij
sterft en daarmede is het gedaan, en in een verhaal is dat zeer
gemakkelijk. Maar in het werkelijke leven sterft iemand nog niet,
wanneer alles wat het leven dierbaar maakte voor hem gestorven is. Hij
heeft dan nog een drukken en gewichtigen kringloop over van eten,
drinken, kleeden, wandelen, visites doen, koopen, verkoopen, praten,
lezen en alles wat te zamen datgene uitmaakt, wat men gewoonlijk
_leven_ noemt; en dit bleef ook voor Augustine nog over. Indien
zijne vrouw eene echte vrouw geweest was, had zij nog iets kunnen
doen--gelijk vrouwen dat kunnen--om de gebroken levensdraden weder aan
te knoopen en met de hare tot een schoon geheel samen te weven. Doch
Marie St.-Clare kon niet eens zien dat zij gebroken waren. Gelijk
vroeger gezegd is, bestond zij uit een sierlijk figuurtje, een
paar fraaie oogen en honderdduizend dollars, en geen van die drie
bestanddeelen waren juist geschikt om een krank gemoed te genezen.
Toen men Augustine, doodsbleek en eene plotselinge hoofdpijn als
reden zijner ongesteldheid voorwendende, op de sofa vond liggen,
raadde zij hem aan om hertshoorn te ruiken; en toen de bleekheid
en de hoofdpijn week op week aanhielden, zeide zij slechts dat zij
nooit gedacht had dat Mr. St.-Clare ziekelijk was, maar dat hij zeer
aan hoofdpijn onderhevig scheen te zijn en dat dit een ongelukkig
ding voor haar was, dewijl hij dan geen vermaak had om met haar naar
gezelschappen te gaan, en het raar voor haar stond zooveel alleen
uit te gaan, nu zij zoo pas getrouwd waren. Augustine was heimelijk
blijde dat hij eene zoo weinig scherpziende vrouw had getrouwd; maar
toen het vernis der wittebroodsweken was afgesleten, ontdekte hij,
dat eene schoone jonge vrouw, die al haar leven gewoon was gevleid en
gediend te worden, in het huiselijk leven wel eens een harde meesteres
kon blijken te zijn. Marie had nooit veel vatbaarheid voor liefde
of teergevoeligheid bezeten, en het weinige dat zij daarvan had,
was in eene uitsluitende en onwillekeurige eigenliefde overgegaan,
eene eigenliefde des te hopeloozer, omdat zij zoo geheel blind was
en geene andere rechten kon gewaar worden dan hare eigene. Van hare
kindsheid af was zij door dienstboden omringd geweest, die alleen
leefden om op hare grillen te letten; het denkbeeld dat ook zij gevoel
of rechten hadden, was haar nooit zelfs maar in de verte voor den geest
gekomen. Haar vader, wiens eenig kind zij geweest was, had haar nooit
iets geweigerd dat binnen het bereik der mogelijkheid lag; en toen
zij als een schoon en rijk meisje de wereld intrad, kwamen natuurlijk
alle mannen, die haar voor een goede partij hielden, aan haar voeten
zuchten, en twijfelde zij niet of Augustine moest zich zeer gelukkig
achten dat hij hare hand verwierf. Het is eene groote vergissing dat
eene vrouw zonder vatbaarheid voor liefde, daarom minder gehechtheid
van een minnaar of echtgenoot zal eischen. Niemand op aarde dwingt
met minder barmhartigheid de liefde van anderen af, dan eene door
en door eigenlievende vrouw; en hoe beminnelijker zij wordt, des te
strenger en ijverzuchtiger wil zij de liefde, waarop zij recht meent
te hebben, tot den laatsten penning toe invorderen. Toen dus St.-Clare
die galanterieën en kleine oplettendheden begon te verzuimen, waarvan
hij als minnaar de gewoonte had aangenomen, vond hij zijne sultane
geenszins gewillig om van haren slaaf afstand te doen, en er kwamen
tranen, kwade buien, kleine onweders, verdrietelijkheden en verwijten
in overvloed. St.-Clare was goedhartig en vredelievend, en poogde zich
met presentjes en vleierijen los te koopen; en toen Marie moeder van
eene schoone dochter werd, voelde hij inderdaad voor eene poos iets
dat naar teederheid geleek ontwaken.
St.-Clare's moeder was eene vrouw geweest van buitengewoon verstand en
reinheid van wandel, en hij gaf dit kind den naam zijner moeder, zich
vleiende met de hoop dat het geheel haar evenbeeld zou worden. Dit
werd door zijne vrouw met wrevelige jaloezie opgemerkt, en zij
sloeg de teedere liefde van hare echtgenoot, voor zijne dochter
met wangunst en achterdocht gade; alles wat de kleine werd gegeven,
scheen haar zelve te worden ontnomen. Na de geboorte van het kind
verzwakte hare gezondheid langzamerhand. Een leven van volslagen
werkeloosheid naar het lichaam en den geest--het uitputtende van
gedurige verveling en ontevredenheid, vereenigd met de verzwakking,
welke het kraambed naliet--dat alles veranderde in den loop van
weinige jaren de bloeiende, jonge schoone in eene gele, verwelkte,
ziekelijke vrouw, die haar tijd tusschen de zorgen voor eene menigte
ingebeelde kwalen verdeelde, en zich zelve in alle opzichten voor de
ongelukkigste en meest verwaarloosde lijderes op de wereld hield.
Er kwam geen eind aan haar klagen; maar de kwaal, waarvan zij het
meeste werk maakte, scheen eene stompe hoofdpijn te zijn, welke
haar drie dagen van de zes in hare kamer hield. Daar natuurlijk
alle huiselijke beschikkingen en bezigheden aan dienstboden
werden overgelaten, vond St.-Clare zijn huishouden alles behalve
plezierig. Zijne eenige dochter was zeer teeder van gestel en hij
vreesde dat, zonder iemand om voor haar te zorgen en haar op te passen,
hare gezondheid en zelfs haar leven zou gevaar loopen, dewijl hare
moeder zich zoo weinig aan haar liet gelegen liggen. Hij had haar
medegenomen op een reisje naar Vermont, en zijne nicht Miss Ophelia
St.-Clare overgehaald om met hem naar zijne woonplaats in het Zuiden
terug te keeren. Zoo kwamen zij te zamen op de boot waarop wij hen
aan onze lezers hebben voorgesteld.
Terwijl de koepels en de torens van Nieuw-Orleans in de verte voor
ons oprijzen, hebben wij nog tijd om Miss Ophelia te introduceeren.
Wie in Nieuw-Engeland heeft gereisd, zal zich wel in een of ander
de groote hoeve herinneren met de zindelijke werf, beschaduwd door
het dichte gebladerte van suikermastboomen, en zich daarbij nog wel
kunnen voorstellen welk een geest van orde en kalmte, van duurzaamheid
en onverstoorbare rust de geheele plaats scheen te ademen. Niets
verwaarloosd, niets ongeregeld, geene lat los in de schutting,
geen het minste vuil op de begraasde werf met hare seringenboschjes
die onder de vensters opgroeien. In het huis zal hij zich de ruime,
zindelijke kamers herinneren, waar nooit iets schijnt gedaan te worden
of te zullen gedaan worden, waar alles voor altijd stijf op zijne
plaats staat, en alle huiselijke bezigheden met de regelmatigheid der
oude klok in den hoek afloopen. In de grootste kamer zal hij zich
de deftige boekenkast met glazen deuren herinneren, waarin Rollins
Geschiedenis, Miltons Paradijs Verloren, Bunyans Christens Reize,
Scotts Huisbijbel en andere deftige boeken geregeld naast elkander
staan. Er zijn geene dienstboden in huis; maar de huisvrouw, met hare
sneeuwwitte muts en haar bril op, die daar elken namiddag onder hare
dochters zit te naaien, alsof er niets gedaan was--zij heeft met deze
meisjes in den lang vergeten vroegen ochtend "den boel beredderd,"
en voor het overige van den tijd, waarschijnlijk op alle mogelijke
uren dat gij kunt inkomen, is hij "aan kant." De keukenvloer schijnt
nooit een vlek te krijgen, de stoelen, ja zelfs de potten en pannen,
schijnen nooit van hunne plaats te komen, hoewel daar drie en somtijds
vier maaltijden daags gereedgemaakt worden, hoewel al het linnen daar
gewasschen en gestreken wordt, en hoewel tal van ponden boter en kaas
daar op zekere stille, geheime manier tot aanzijn worden gebracht.
Op zulk eene hoeve, in zulk een huis en zulk gezin, had Miss Ophelia
een rustig leven van omtrent vijf en veertig jaren gesleten, toen haar
neef haar verzocht om met hem mede te komen naar zijne woonplaats in
het Zuiden. Hoewel de oudste van een talrijke familie, werd zij door
haren vader en hare moeder nog als een van de kinderen beschouwd, en
het voorstel dat zij naar Orleans zou gaan, was voor den huiselijken
kring van groot gewicht. Haar grijze vader nam den atlas van Morse
uit de boekenkast om nauwkeurig de ligging na te zien, en las Flints
Reizen in het Zuiden en Westen nog eens na, om over den aard van het
land te oordeelen.
De goede moeder vroeg angstig of Orleans niet "eene ontzettend
goddelooze plaats" was en zeide, dat het haar voorkwam bijna gelijk
te staan met naar de Sandwich-eilanden of ergens anders onder de
heidenen te gaan.
Het werd bij den dominee, bij den dokter en bij Miss Peabody, de
wollenaaister, bekend, dat Ophelia St.-Clare er over praatte, om met
haren neef naar Orleans te gaan, en natuurlijk kon het geheele dorp
niet minder doen dan er mede over helpen praten. De dominee, die tot
de abolitionistische begrippen overhelde, twijfelde of zulk een stap
de Zuiderlingen niet eenigszins in het stelsel der slavernij zou
kunnen steunen; terwijl de dokter, die een ijverig colonisationist
was, tot het gevoelen overhelde dat Miss Ophelia behoorde te gaan,
om de lieden van Orleans te toonen dat zij toch zoo slecht niet over
hen dachten. Toen het echter volkomen zeker was dat zij gaan zou,
werd zij veertien dagen achtereen door alle vriendinnen en geburinnen
op de thee gevraagd, en bij die gelegenheid werden hare plannen en
vooruitzichten naar behooren onderzocht en besproken. Miss Mosely,
die aan huis kwam om te helpen naaien, kon dagelijks nieuwe berichten
geven aangaande den voorraad van onder- en bovengoed dien Miss Ophelia
zou medenemen. Men vernam aldus, dat de oude Sinclare, gelijk zijn
naam gewoonlijk werd samengetrokken, zijne dochter vijftig dollars
had gegeven, met vrijheid daarvoor te koopen wat zij noodig achtte,
en dat men twee nieuwe zijden japonnen en een hoed van Boston had
laten komen. Over het voegzame van zulke buitengewone onkosten waren
de stemmen van het publiek verdeeld; sommigen zeiden dat men, alles
in aanmerking genomen, voor eene enkele maal zoo iets wel doen mocht;
en anderen beweerden dat men het geld liever aan de zendelingen had
moeten geven; maar allen kwamen daarin overeen, dat men nog nooit
zulk een parasol had gezien als er uit Nieuw-York was gekomen, en
dat de eene zijden japon heel wel in staat was om alleen op zich
zelven te staan, wat men ook in dit opzicht van de eigenares mocht
zeggen. Er liepen ook geloofwaardige geruchten van gestikte zakdoeken;
en men wilde zelfs zeggen dat Miss Ophelia één zakdoek had, rondom
met kant bezet--sommigen voegden er ook bij met geborduurde hoeken;
maar dit laatste punt werd nooit geheel uitgemaakt en blijft tot
heden toe onbeslist.
Miss Ophelia, gelijk gij haar nu ziet, staat voor u in een reisgewaad
van blinkend bruin linnen, rijzig, beenderig en hoekig van figuur. Haar
gezicht was mager en had tamelijk scherpe trekken; de lippen waren
dichtgeknepen, gelijk van iemand die gewoon is over alle voorkomende
dingen terstond eene beslissende meening op te vatten, terwijl hare
donkere oogen een bijzonder bedachtzaam zoekenden blik hadden, en
over alles heen en weder gingen, alsof zij naar iets zochten waarop
gelet en gepast moest worden.
Al hare bewegingen waren snel, vast en krachtig, en hoewel zij nooit
veel sprak, waren, wanneer zij dit deed, hare woorden altijd bijzonder
puntig en bondig.
In hare gewoonten en manieren was zij de orde, regelmatigheid en
nauwkeurigheid in eigen persoon. Zij paste op haren tijd met de
juistheid van eene klok en de onverbiddelijkheid van een spoortrein,
en voor alles wat zich niet aan zulk een regel hield, koesterde zij
evenveel minachting als afkeer.
De allergrootste zonde in hare oogen--de som van alle kwaad--werd
aangeduid door eene veel gebezigde en zeer gewichtige uitdrukking
in haar woordenboek;--"onbeholpenheid." Haar ultimatum van afkeuring
bestond in het nadrukkelijk uitspreken van het woord "onbeholpen;" en
daarmede bestempelde zij alle bedrijven en manieren van handelen die
niet duidelijk en rechtstreeks op een bepaald doel afgingen. Menschen,
die niets deden of niet recht wisten wat zij deden, of niet den
kortsten weg namen om uit te voeren wat zij begonnen, waren voorwerpen
van hare diepe verachting, eene verachting, welke zij doorgaans minder
toonde door iets dat zij zeide, dan wel door zekere steenachtige
norschheid van uitzicht, alsof zij het beneden zich achtte iets van
de zaak te zeggen.
Wat hare verstandsontwikkeling betrof, zoo had zij een helder en
krachtig oordeel, was welbelezen in de geschiedenis en de oudere
Engelsche klassieke schrijvers, en redeneerde zeer juist binnen zekere
beperkte grenzen. Haar godgeleerde stellingen waren alle in den meest
bepaalden en duidelijken vorm gebracht, en werden zoo bewaard gelijk
de pakjes garen in haar naaikistje: er waren juist zooveel en er
moest nooit eene meer zijn. Zoo was het ook gelegen met hare meeste
denkbeelden over wereldsche zaken, bij voorbeeld over het huishouden
in al zijne takken, en de politieke aangelegenheden van het dorp harer
geboorte. Doch onder dat alles, dieper, breeder en hooger dan iets
anders, lag het krachtigste beginsel van haar gemoed--nauwgezetheid
van geweten. Nergens heerscht het geweten zoo geheel en boven alles,
als bij de vrouwen van Nieuw-Engeland. Het is de granietformatie
welke het diepste ligt, en toch zelfs tot aan de toppen der hoogste
bergen oprijst.
Miss Ophelia was de slavin van het "moeten." Wanneer het haar eens
duidelijk bleek, "dat de baan van haren plicht," gelijk zij het
gewoonlijk uitdrukte, in zekere richting lag, konden vuur en water
haar niet daarvan doen afwijken. Zij zou recht op een afgrond of op
de tromp van een geladen kanon zijn afgegaan, indien zij maar zeker
was geweest dat de baan van haren plicht daarheen voerde. Haar regel
van recht en plicht was zoo verheven, zoo alles omvattend, ging tot
in zulke kleine bijzonderheden en kende zoo weinig oogluiking voor
menschelijke zwakheden, dat zij, hoewel zij met heldhaftigen ijver
naar haar eigen ideaal streefde, dien toch nooit bereiken kon, en
daardoor natuurlijk steeds een kwellend gevoel van hare tekortkomingen
met zich omdroeg. Dit gaf hare godsdienstige stemming eene strenge
en eenigszins sombere kleur.
Maar hoe in de wereld kan Miss Ophelia met Augustine St.-Clare te
recht komen--een vroolijk, onbezorgd, lichtzinnig, vergeetachtig,
ongodsdienstig jongmensch, die met onbeschaamde vrijpostigheid tegen
al hare geliefkoosde meeningen en gewoonten aanloopt?
Om dan de waarheid te zeggen, Miss Ophelia had hem lief. Toen hij nog
een kind was, was zij het die hem zijnen catechismus moest leeren,
zijne kleeren verstellen, zijne haren kammen, en over het geheel hem
onder opzicht en bedwang houden; en daar haar hart ook een warmen kant
had, was het Augustine gelukt zich een groot gedeelte daarvan toe te
eigenen, en zoo was het hem niet moeielijk geweest haar te overreden,
dat "de baan van haren plicht" in de richting van Nieuw-Orleans lag,
en dat zij met hem mede moest gaan om op Eva te passen, en te zorgen
dat niet alles door de bestendige ziekelijkheid zijner vrouw in de war
liep en hij eindelijk geruïneerd werd. Het denkbeeld van een huishouden
zonder iemand om er op te passen, ging haar aan het hart; dan had zij
ook de innemende Eva lief gekregen, gelijk weinige menschen konden
laten; en hoewel zij Augustine voor een halven heiden hield, had zij
hem toch lief, lachte over zijne grappen, en verdroeg zijne gebreken
zelfs in eene mate, welke diegenen die hem kenden geheel ongelooflijk
voorkwam. Doch wat er meer of anders van Miss Ophelia geweten moet
worden, zal de lezer wel door persoonlijke kennismaking ontdekken.
Daar zit zij nu op de stoomboot in haar kamertje, omringd door een
aantal groote en kleine reiszakken, doozen en manden, die alle iets
bevatten waarvoor zij verantwoordelijk is, met een zeer ernstig
gezicht vast te binden, toe te sluiten en bijeen te pakken.
"Wel, Eva, hebt gij nu uw goed nageteld? Neen, zeker niet--kinderen
denken daar nooit om. Daar is de geruite reiszak en de blauwe doos
met uwen besten hoed--dat is twee; dan dat geverniste zakje, dat
is drie; en mijn garendoosje is vier; en mijn lintendoosje is vijf;
en mijne kragendoos is zes; en dat koffertje is zeven. Waar hebt ge
uw parasol gelaten? Geef haar mij hier, dan zal ik er een papier om
doen en haar met mijne parapluie en parasol bijeenbinden. Daar nu."
"Maar, Tante, wij gaan maar naar huis. Waartoe hoeft dat zoo?"
"Om alles netjes te houden, kind. Iemand moet op zijn goed passen,
als hij het bewaren wil. Hebt gij uw vingerhoed nu geborgen, Eva?"
"Waarlijk, Tante, ik weet het niet."
"Nu, dat doet er niet toe; ik zal uw doosje wel eens
nazien. Vingerhoed, stukje was, twee lepeltjes, schaar, mesje,
rijgpen--alles is er. Zet het nu daar maar neer. Hoe hebt gij het
toch gemaakt, kind, toen ge met uwen papa alleen op reis waart? Ik
zou denken dat gij al wat gij hadt moest verloren hebben."
"Wel, Tante, ik verloor ook veel; maar als we dan ergens stilhielden,
kocht papa weder nieuw daarvoor."
"Wel lieve deugd, kind, welk eene manier van doen!"
"O, het was eene heel gemakkelijke manier, Tante," zeide Eva.
"Maar hoe roekeloos!" zeide tante.
"Maar, tante, hoe zult ge het nu maken?" hervatte Eva. "Die koffer
is te vol om dicht te kunnen."
"Hij _moet_ dicht," zeide tante op een toon van een commandeerend
generaal en stapte boven op het deksel; maar hoe het goed ook werd
samengeperst, de koffer bleef nog een weinig gapen.
"Ga hier eens op zitten, Eva," zeide Miss Ophelia onverschrokken. "Wat
eens gegaan heeft kan ook weer gaan. Die koffer moet gesloten worden;
dat mag niet anders."
En waarschijnlijk door deze vastberadenheid beangstigd, zwichtte
de koffer. De kram knipte in het gat, en Miss Ophelia draaide den
sleutel om en stak dien zegepralend in haren zak.
"Nu zijn wij klaar. Waar is uw papa? Ik acht het tijd dat zijne bagage
uitgezet wordt. Ga toch eens kijken, Eva, waar uw papa is."