Simeon met een glimlach.
"Moeder kan haast alles doen!" zeide de knaap. "Maar is het geene
schande zulke wetten te maken?"
"Gij moet geen kwaad spreken van uwe overheden, Simeon," antwoordde
zijn vader ernstig. "De Heere geeft ons onze aardsche goederen alleen
opdat wij gerechtigheid en barmhartigheid zouden doen; als onze
overheden een prijs daarvoor van ons eischen, moeten wij dien geven."
"Nu, ik haat toch die oude slavenhouders," zeide de knaap, met zulk een
onchristelijk gevoel als eenig nieuwerwetsch _reformer_ kan koesteren.
"Ik ben verwonderd over u, mijn zoon," zeide Simeon. "Uwe moeder heeft
u nooit zoo geleerd. Ik zou hetzelfde doen voor den slavenhouder als
voor den slaaf, indien de Heere hem in nood aan mijne deur deed komen."
Simeon de tweede kreeg een blos als vuur; maar zijne moeder glimlachte
slechts en zeide: "Simeon is mijn goede jongen. Hij zal wel gauw
ouder worden en dan zal hij naar zijnen vader gelijken."
"Ik hoop, mijn goede heer," zeide George bekommerd, "dat gij om
mijnentwil aan geene moeielijkheden zijt blootgesteld."
"Wees niet bevreesd, George; want daartoe zijn wij in de wereld
gezonden. Als wij voor eene goede zaak geene onaangenaamheden willen
afwachten, zijn wij onzen naam niet waardig."
"Maar voor _mij_," zeide George. "Dat zou ik niet kunnen dragen."
"Wees dan niet bevreesd, vriend George. Het is niet voor u, maar
voor God en de menschen, dat wij het doen," antwoordde Simeon. "En
nu moet gij u hier vandaag schuilhouden, en van avond tegen tien uur
zal Phineas Fletcher u verder brengen naar de naaste rustplaats--u
en de overigen van uw gezelschap. De vervolgers zijn dicht achter u;
wij moeten niet dralen."
"Als dat zoo is, waarom dan tot van avond wachten?"
"Over dag zijt gij hier veilig, want iedereen in het dorp is een vriend
en allen zijn wakende. Bovendien is het veiliger bij nacht te reizen."
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
EVANGELINE.
De Mississippi! Hoe zijn als door een tooverstaf de tooneelen langs
dien stroom veranderd, sedert Chateaubriand zijne dichterlijke
beschrijving gaf van de rivier, voortrollende in een trotsche,
onafgebroken eenzaamheid, tusschen onbekende wonderen der planten-
en dierenwereld!
Doch als in een uur is deze rivier van romaneske droomen in
eene nauwelijks minder romaneske en grootsche werkelijkheid
herschapen. Welke andere rivier van de wereld voert op hare golven
de schatten en voortbrengselen van nog zulk een land naar den
oceaan--van een land waar de natuur alles voortbrengt wat tusschen
de keerkringen en de polen te vinden is? Die troebele golven, die
bruisend en schuimend voortsnellen, zijn een gepast zinnebeeld van
dat voorthollende handelsgetij, over die wateren voortgedreven door
een menschengeslacht, driftiger dan de oude wereld er ooit een gezien
heeft! Ach, droegen zij maar ook niet eene akelige, schrikkelijke
vracht--de tranen der onderdrukten, de zuchten der hulpeloozen,
de bittere gebeden der arme, onkundige harten tot een onbekenden
God--onbekend, ongezien en zwijgend, maar die toch eens "zal komen
om al de armen der aarde te redden."
De schuinsche stralen der ondergaande zon flikkeren over de breede
watervlakte der rivier; het trillende riet en de hooge donkere
cypressen, met kransen van nog donkerder mos behangen, gloeien in
het gouden licht, terwijl de zwaar beladen stoomboot voortvaart.
Met stapels katoenbalen van menige plantage op het dek bevracht,
tot zij in de verte op een vierkanten, grijzen klomp gelijkt, drijft
zij log voorwaarts naar de naderende markt. Wij moeten eenigen tijd
op het volgepropte dek zoeken, eer wij onzen nederigen vriend Tom
wedervinden. Hoog op het bovendek, in een hoekje tusschen de alles
overstelpende katoenbalen treffen wij hem eindelijk aan.
Gedeeltelijk door de aanbeveling van Mr. Shelby, gedeeltelijk door
zijn eigen, stil en onderworpen gedrag, had Tom in zekere mate zelfs
het vertrouwen van zulk een man als Haley gewonnen.
In het eerst had deze hem over dag zorgvuldig in het oog gehouden
en des nachts nooit ongeboeid laten slapen; maar het geduld en
de schijnbare tevredenheid van Tom deden hem langzamerhand deze
voorzorgen nalaten, en sedert eenigen tijd was Tom als het ware een
gevangene op parool en mocht op de boot gaan waar hij wilde.
Altijd stil en gedwee, en dan gewillig om de werklieden beneden
wanneer het noodig was te helpen, had hij de goede meening van al
het bootsvolk verworven, en sleet menig uur onder hen, medehelpende
aan hun werk met zulk eene hartelijke goedwilligheid, als waarmede
hij ooit in Kentucky op het veld had gearbeid.
Als er niets voor hem te doen scheen te zijn, klom hij naar een hoekje
tusschen de katoenbalen op het bovendek, en hield zich bezig met in
zijnen Bijbel te lezen. Daar is het dan ook, dat wij hem nu vinden.
Honderd of meer mijlen ver boven Nieuw-Orleans is de rivier hooger
dan het omliggende land en stuwt zij hare ontzaglijke watermassa
tusschen zware dijken van twintig voet hoogte voort. De reiziger op
het dek eener stoomboot overziet, als van den trans van een drijvend
kasteel, het geheele land mijlen ver in het rond. Tom zag dus in de
elkander opvolgende plantages een tafereel van het leven voor zich
dat hem wachtte.
Hij zag de slaven aan hunnen arbeid; hij zag in de verte hunne dorpen
van hutten in lange rijen tusschen het plantsoen blinken, afgezonderd
van het statige huis en den tuin des meesters; en terwijl dit bewegende
schilderij hem voorbijschoof, keerde zijn kinderlijk hart terug naar
de hoeve in Kentucky met hare oude schaduwrijke beuken, naar het
huis van den meester met zijne ruime, koele zalen, en naar de hut
dicht daarbij met multiflora en bignonia begroeid. Daar scheen hij
de bekende gezichten zijner makkers te zien, die van hunne kindsheid
af met hem waren opgegroeid; hij zag zijne werkzame vrouw, bezig met
zijn avondmaaltijd gereed te maken, hij hoorde het vroolijk lachen
zijner jongens onder hun spel, en het kraaien van het wichtje op zijne
knie, en toen was met een gevoel van schrik alles verdwenen, en zag
hij weder de moerassen en cypressen van voorbijglijdende plantages,
en hoorde hij weder het knarsen en kraken der machinerie, hem maar
al te duidelijk zeggende dat zijn vroeger leven geheel voorbij was.
In zulk een geval schrijft gij aan uwe vrouw en zendt gij boodschappen
aan uwe kinderen; maar Tom kon niet schrijven, de brievenpost had
voor hem geen reden van bestaan, en over de kloof der scheiding lag
geene brug, zelfs niet van een vriendelijk woord of teeken.
Is het dan vreemd dat er eenige tranen op zijnen Bijbel vallen,
terwijl hij dien op de katoenbaal openslaat en met geduldigen vinger
langzaam van woord tot woord zijn weg zoekende, de bijbelsche beloften
naspoort? Daar hij laat had leeren lezen, las Tom zeer langzaam en
kwam slechts ten koste van moeite en tijd van vers tot vers. Gelukkig
was het voor hem dat het boek, hetwelk hij voor zich had, er een
is, waaraan langzaam lezen geen kwaad kan doen--integendeel, een
boek waarvan de woorden, gelijk goudstaven, dikwijls afzonderlijk
schijnen te moeten gewogen worden, eer het gemoed hunne waarde
recht kan vatten. Laten wij hem een oogenblik volgen, terwijl hij,
van woord tot woord wijzende en ieder woord halfluid uitsprekende,
leest:
"Uw--hart--worde--niet--ontroerd.
In--het--huis--mijns--Vaders--zijn--vele--woningen. Ik--ga--heen--om--u
plaats te--bereiden."
Toen Cicero zijne lieveling, zijn eenige dochter begroef, had hij een
hart even vol van oprechte smart als dat van den armen Tom--misschien
niet voller, want beiden waren slechts menschen; maar Cicero kon
geene zulke plechtige woorden van hoop lezen, kon naar geene zulke
toekomstige hereeniging uitzien, en indien hij ze gelezen had,
zou het tien tegen een zijn geweest, dat hij ze niet had geloofd;
hij had zich eerst het hoofd moeten breken over de echtheid van het
geschrift en de nauwkeurigheid der vertaling. Maar voor den armen Tom
waren die woorden, gelijk hij ze daar las, juist wat hij noodig had,
zoo blijkbaar waar en goddelijk, dat zelfs de mogelijkheid van eene
twijfeling nooit in zijn eenvoudig hoofd opkwam. Zij moesten waar zijn;
want waren zij niet waar, hoe kon hij dan leven?
Wat Toms Bijbel aangaat, hoewel deze geene aanteekeningen van geleerde
uitleggers op den kant had, was hij toch versierd met zekere merken en
aanwijzingen van Tom zelven, die hem meer hielpen dan de geleerdste
verklaringen zouden gedaan hebben. Het was zijne gewoonte geweest,
zich den Bijbel door de kinderen van zijnen meester te laten voorlezen,
inzonderheid door den jongeheer George; en terwijl zij lazen, teekende
hij met inktstrepen en figuren de plaatsen aan, die vooral zijne
ooren streelden of zijn hart troffen. Zijn Bijbel was zoo van het
begin tot het einde met allerlei teekens gemerkt, zoodat hij in een
oogenblik zijne geliefkoosde plaatsen kon vinden, zonder de moeite
van alles te spellen wat daartusschen stond; en terwijl het boek
daar voor hem lag met die aangeteekende plaatsen, die hem alle een
vroeger huiselijk tooneel of gelukkig oogenblik herinnerden, scheen
zijn Bijbel alles te zijn wat hem van dit leven was overgebleven,
zoowel als de belofte van een toekomstig leven.
Onder de passagiers op de boot was een jong heer van vermogen en
aanzienlijke familie, die te Nieuw-Orleans woonde en den naam van
St.-Clare voerde. Hij had een dochtertje bij zich, tusschen de vijf en
zes jaren oud, en eene dame die op beiden betrekking scheen te hebben,
en de kleine bijzonder onder haar opzicht had.
Tom had dit kleine meisje dikwijls even gezien, want het was een
van die levendige schepseltjes, die men evenmin op eene plaats kan
vasthouden als een zonnestraal of een zomerkoeltje, en ook was zij
een kind, dat men, als men haar eens had gezien, niet licht weder
vergeten kon.
Hare gestalte was het volmaakte van kinderlijke schoonheid, zonder de
gewone plompheid van vormen. Zij had eene luchtigheid en liefelijkheid
zooals men zich een mythisch of allegorisch wezen zou voorstellen.
Haar gezichtje was minder opmerkelijk door de volmaakte schoonheid der
trekken, dan door eene zonderlinge uitdrukking van peinzenden ernst,
welke iemand, die dieper doordacht, bijna deed schrikken als hij haar
aanzag, en zelfs op de botsten en minst nadenkenden indruk maakte,
zonder dat zij recht wisten waarom. De vorm van haar hoofd en de
houding van haren hals was bijzonder edel, en de lange bruine lokken,
die als eene wolk daaromheen zweefden, en de schrandere ernstigheid
harer donkerblauwe oogen--alles onderscheidde haar van andere kinderen,
en deed iedereen omkijken en haar aanzien als zij op de boot heen
en weder zweefde. Evenwel was de kleine niet wat men een ernstig
of zwaarmoedig kind had kunnen noemen. Integendeel, eene vroolijke
onschuldige dartelheid scheen, als de schaduw van zomergebladerte over
het kinderlijke gezichtje en om geheel hare gestalte te flikkeren. Zij
was altijd in beweging, altijd met een halven glimlach op de roode
lipjes, heen en weder huppelende met een luchtigen, zwevenden tred
bij zich zelve zingende, als in een genoegelijken droom. Haar vader
en hare bewaakster moesten haar gedurig naloopen; maar als zij haar
hadden opgevangen, verdween zij weder als een zomerwolkje, en daar
geen woord van berisping of streng verbod haar ooit in de ooren klonk
wat zij ook verkoos te doen, zwierf zij naar willekeur over de geheele
boot. Altijd in het wit gekleed, dwaalde zij op allerlei plaatsen rond,
zonder zich ooit vuil te maken; en er was geen hoekje boven of beneden,
waar dat romaneske hoofdje met gouden lokken en donkerblauwe oogen
zich niet liet zien.
Wanneer de stoker van zijnen heeten arbeid opkeek, zag hij die oogen
somtijds met verbazing in de gloeiende diepte van het fornuis turen,
en dan met angst en medelijden naar hem omzien, alsof zij dacht dat
hij in vreeselijk gevaar verkeerde. Dan weder glimlachte de stuurman
aan het rad, als dat schilderachtige hoofdje op eens voor hem kwam en
in een oogenblik weder verdwenen was. Duizendmaal op een dag riepen
ruwe stemmen haar een vriendelijken zegenwensch toe, en gleed een
glimlach van ongewone zachtheid over stroeve gezichten; en wanneer
zij onbevreesd over gevaarlijke plaatsen trippelde, werden grove,
zwartberookte handen onwillekeurig uitgestoken om haar te redden of
een weg te banen.
Tom, die de zachte, meewarige inborst van zijn goedaardig geslacht
had, dat zich altijd aan het onnoozele en kinderlijke hecht, sloeg dit
kleine meisje met dagelijks toenemende belangstelling gade. In zijne
oogen was zij bijna iets goddelijks; en wanneer haar gouden hoofdje met
de donkerblauwe oogen van achter eene grauwe katoenbaal te voorschijn
kwam, of over den rand van een stapel pakken op hem neerzag, geloofde
hij bijna dat hem een der engelen uit zijn Nieuw Testament verscheen.
Dikwijls wandelde zij treurig om de plek rond, waar Haley's geboeide
troep van slaven en slavinnen zat. Somtijds sloop zij tusschen
hen in en zag hen met zekere bevreemding en treurigen ernst aan;
somtijds tilde zij met hare kleine handjes hunne ketenen op, en
zuchtte dan droevig, als zij weder heensloop. Verscheidene malen
stapte zij onverwachts tusschen hen met de handen vol kandijklontjes,
noten en sinaasappelen, die zij met blijdschap onder hen uitdeelde,
om dan weder heen te snellen.
Tom sloeg dit dametje langen tijd gade, eer hij het waagde een stap
tot nadere kennismaking te doen. Hij wist eenvoudige middelen genoeg om
de gunst van kinderen te winnen en hen tot zich te lokken, en besloot
nu met voorzichtig overleg te werk te gaan. Hij kon aardige mandjes
van kersepitten snijden, groteske gezichten van noten, en koddige,
springende popjes van vlierpit vervaardigen; en hij was een Pan in
het maken van fluitjes van allerlei soort en grootte. Hij had zijne
zakken nog vol aardige kleinigheden, die hij in vroeger tijd voor de
kinderen van zijnen meester had opgezameld en thans met voorzichtige
spaarzaamheid een voor een te voorschijn haalde en als lokmiddelen
tot kennismaking en vriendschap aanwendde.
In weerwil van al hare levendige belangstelling in hetgeen er om haar
heen voorviel, was het meisje schuw en niet gemakkelijk te temmen. Een
tijdlang bleef zij als een vogeltje op eene kist of baal dicht bij
Tom zitten, en nam van hem zoo, met zekere schroomvalligheid en
beschaamdheid de kleinigheden aan die hij haar aanbood. Eindelijk
kwamen zij echter op een zeer vertrouwelijken voet met elkander.
"Hoe heet het kleine juffertje," vroeg Tom toen hij meende ver genoeg
te zijn gekomen om zulk eene vraag te doen.
"Evangeline St.-Clare," antwoordde de kleine, "hoewel papa en iedereen
mij Eva noemen. En hoe heet gij nu?"
"Mijn naam is Tom, en de kleine kinderen, daar heel ver in Kentucky,
plachten mij Oom Tom te noemen."
"Dan wil ik u ook Oom Tom noemen, omdat ik van u houd, weet ge,"
zeide Eva. "Dus Oom Tom waar gaat gij naar toe?"
"Dat weet ik niet, jongejuffrouw Eva."
"Weet gij dat niet?"
"Neen. Ik zal aan iemand verkocht worden en ik weet niet aan wien."
"Mijn papa kon u wel koopen," zeide Eva snel; "en als hij u koopt,
zult gij goede dagen hebben. Ik zal het hem vragen, vandaag nog."
De boot bleef nu stilliggen om hout in te nemen, en toen Eva de stem
van hare vader hoorde, huppelde zij heen. Tom ging naar voren, om zijn
dienst aan te bieden bij het hout inladen en was spoedig daarbij aan
het werk.
Eva en haar vader stonden bij het dek om de boot te zien afsteken,
en het rad had een paar malen omgedraaid, toen door eene onverwachte
beweging de kleine Eva het evenwicht verloor en over den kant in het
water stortte. Haar vader, nauwelijks wetende wat hij deed, wilde
haar terstond naspringen, maar werd door de lieden, die achter hem
stonden en zagen dat het kind reeds betere hulp kreeg, vastgehouden.
Tom stond vlak onder haar op het benedendek [6] toen zij viel. Hij zag
haar in het water plompen en zinken en sprong haar oogenblikkelijk
achterna. Het kostte den forsch gespierden zwemmer geene de minste
moeite, een korte poos te blijven drijven, tot het kind weder
bovenkwam; toen greep hij de kleine, zwom naar de boot, en reikte haar
druipende aan de honderden handen toe, die, alsof zij aan één persoon
behoorden, werden uitgestoken om haar aan te nemen. Nog eene korte
poos en haar vader droeg haar bewusteloos naar de dameskajuit, waar,
gelijk in zulke omstandigheden meestal het geval is, een welmeenende
wedstrijd ontstond, wie het meest zou doen om noodelooze opschudding
te maken, en het herstel der kleine drenkelinge op alle mogelijke
manieren te verhinderen.
Des anderen daags, met zoel en benauwd weder, naderde de stoomboot
Nieuw-Orleans. Een algemeen gewoel van toebereidselen om te landen
heerschte op de boot. In de kajuit was deze en gene bezig met reeds
zijn goed bijeen te zoeken; en de hofmeester en de kamermeid waren
met nog anderen aan het schoonmaken, boenen en poetsen, opdat de
prachtige boot in volle staatsie zou aankomen.
Op het benedendek zat onze vriend Tom met zijne armen over elkander,
en keek van tijd tot tijd angstig naar een groep aan den anderen kant
van de boot.
Daar stond de bevallige Evangeline, een weinig bleeker dan den vorigen
dag, maar anders zonder eenig spoor van het ongeluk dat haar getroffen
had. Een welgemaakt en welgekleed jongman stond naast haar, met den
elleboog leunende op een katoenbaal, waarop eene portefeuille was
nedergelegd. Het was met een enkelen blik duidelijk te zien, dat
die heer Eva's vader was. Hij had denzelfden edelen gelaatsvorm,
dezelfde blauwe oogen, hetzelfde goudachtig bruine haar, maar de
uitdrukking was toch geheel verschillend. In de heldere blauwe
oogen ontbrak, hoewel teekening en kleur volkomen overeenstemden,
die peinzende, mijmerende uitdrukking: alles was licht en helder,
maar het was een licht geheel van deze wereld; de fraai besneden
mond had eene trotsche, eenigszins spottende uitdrukking, terwijl
zeker gevoel van meerderheid, ongedwongen aan den dag gelegd, in
al zijne bewegingen doorstraalde. Hij luisterde met onverschillige
vriendelijkheid, waarin zekere schertsende minachting doorstraalde,
naar Haley, die met groote woordenrijkheid uitweidde over de goede
hoedanigheden van een artikel dat hij te koop had.
"Alle zedelijke en christelijke deugden compleet, in zwart marokijn
gebonden," zeide hij, toen Haley eindelijk zweeg. "En nu, goede
man, kortaf, wat moet dat ding nu kosten? Voor hoeveel zult gij mij
beetnemen? Spreek maar op!"
"Wel," antwoordde Haley, "als ik dertienhonderd dollars voor dien kerel
zeide, zou ik maar juist geene schade hebben, dat zou ik waarlijk."
"Arme man," zeide de ander, zijne scherpe, spottende oogen op hem
vestigende. "Maar ik geloof dat ge mij hem daarvoor toch geven zoudt,
uit bijzondere achting voor mij?"
"Wel, de jongejuffrouw schijnt op hem gesteld te zijn, dat is
natuurlijk genoeg."
"O, zeker, dat is een beroep op uwe welwillendheid mijn vriend. Zeg
nu eens uit christelijke menschlievendheid hoe goedkoop zoudt ge hem
kunnen geven om eene jonge juffrouw pleizier te doen, die bijzonder
op hem gesteld is?"
"Wel, denk er eens over," zeide de handelaar. "Kijk eens naar die
beenen--en wat een breede borst, zoo sterk als een paard. Zie eens naar
dat hoofd; die hooge voorhoofden teekenen altijd schrandere negers,
van wien men alles gedaan kan krijgen. Dat heb ik opgemerkt. Nu
is een neger van zulke makelij al een goede som waard, alleen, mag
men wel zeggen, voor zijn lichaam, al is hij dom; maar als men nu
zijne verstandelijke vermogens er bij rekent--en ik kan bewijzen,
dat die buitengemeen zijn--dan moet hij natuurlijk hooger komen. Ik
kan u zeggen, die kerel heeft de geheele hoeve van zijn meester
bestuurd. Hij heeft een overleg zooals men weinig vindt."
"Dat is erg, heel erg. Dan weet hij veel te veel," zeide St.-Clare met
denzelfden spottenden glimlach. "Die knappe kerels loopen gedurig weg
en stelen paarden, en spelen over het geheel den drommel. Mij dunkt,
gij moest er een paar honderd afnemen, omdat hij knap is."
"Wel, daar zoudt ge wel eenigszins gelijk in kunnen hebben, als het
niet om zijn karakter was; maar ik kan u recommandatiën van zijnen
meester en anderen laten zien, om te bewijzen dat hij een van de
vromen is--zoo nederig en vroom als gij er ooit een gezien hebt. Men
noemde hem zelfs een prediker in die streek waar hij vandaan komt."
"Dan zou ik hem misschien voor huiskapelaan kunnen gebruiken," zeide
St.-Clare droogjes. "Geen kwade inval. De godsdienst is bij ons in
huis eene bijzonder schaarsche waar."
"Nu steekt gij er den gek mede."
"Hoe weet gij dat? Hebt gij mij niet verzekerd dat hij een prediker
was? Is hij door een synode of concilie geëxamineerd? Kom, laat uwe
papieren maar eens zien."
Als de handelaar niet door zekere flikkering in de groote blauwe
oogen verzekerd was geworden, dat al dat schertsen eindelijk toch
op een koop zou uitloopen, zou hij misschien wel wat ongeduldig zijn
geworden; maar thans legde hij zijn portefeuille op een baal katoen
en zocht met ijver eenige papieren daaruit op terwijl de ander met
een onverschillig spottend gezicht bleef staan toekijken.
"O, Papa, koop hem toch! Het komt er immers niet opaan wat gij
betaalt," fluisterde Eva, nadat zij op een pak was geklommen en haar
arm om heur vaders hals had geslagen. "Gij hebt geld genoeg, dat weet
ik wel; en ik wou hem hebben."
"Waarom, poesje? Zult ge hem als hobbelpaard gebruiken, of wat wilt
ge met hem doen?"
"Ik wil hem gelukkig maken."
"Dat is zeker eene origineele reden."
Nu gaf de handelaar een certificaat over, met den naam van Shelby
onderteekend, hetwelk St.-Clare met de toppen zijner lange vingers
aannam en onverschillig doorkeek.
"Eene fatsoenlijke hand," zeide hij, "en goed gespeld ook. Maar van
zijne godsdienstigheid ben ik toch nog niet zeker," vervolgde hij,
terwijl het spotachtige flikkeren in zijn oog terugkwam. "Het land
wordt bijna geruïneerd door de vrome blanken. Bij de verkiezingen voor
kerk en staat ziet men zooveel vroomheid, dat iemand niet weet wie hem
nog het meest zal foppen. Dan weet ik ook niet of de godsdienstigheid
nu wel hoog aan de markt is. Ik heb in lang niet in de courant gezien
hoeveel zij geldt. Hoeveel honderd dollars hebt gij er wel voor zijne
godsdienstigheid opgelegd?"
"Gij steekt er den gek nu maar mee," antwoordde de handelaar; "maar
gij hebt toch wel eenigszins gelijk. Ik weet wel dat er verschil in
godsdienstigheid is. Sommige soorten zijn ellendig; men heeft vroomheid
die in praten, zingen en bulderen bestaat, en die tel ik niet bij
blanken of bij negers. Maar dit is de echte soort; en die heb ik even
dikwijls bij negers gezien als bij iemand anders, die stille, eerlijke,
oprechte, gestadige godsdienstigheid van zulke vromen, die de geheele
wereld niet zou kunnen verleiden om iets te doen dat zij voor kwaad
hielden; en gij ziet in dien brief wat Toms oude meester van hem zegt."
"Welnu," zeide St.-Clare ernstiger, "als gij mij verzekeren kunt
dat ik deze soort van vroomheid werkelijk kan koopen en dat zij in
het boek daar boven op mijne rekening zal worden gezet, als iets
dat mij toebehoort, wil ik er niet op zien om er iets extra voor te
betalen. Wat zegt gij?"
"Ja, dat kan ik werkelijk niet doen," antwoordde Haley. "Ik denk dat
daar ginder ieder op zijn eigen wieken zal moeten drijven."
"Het is wel hard voor iemand, die voor godsdienstigheid extra
betaalt, dat hij ze niet kan laten gelden in het land waar hij ze
meest zou noodig hebben, vindt ge niet?" hervatte St.-Clare, en
zocht al sprekende eenige banknoten uit. "Daar, tel uw geld maar,
oude jongen," vervolgde hij, de banknoten aan Haley overgevende.
"In orde," zeide Haley met een gezicht dat van blijdschap straalde;
hij haalde daarop een inktkoker uit en ging een koopbrief invullen,
dien hij vervolgers aan St.-Clare overgaf.