gedurig voort, totdat ook dit gemompel ophield.
In het midden van den nacht werd Tom eensklaps met schrik wakker. Iets
zwarts snelde hem voorbij naar het boord en daarop hoorde hij een
plomp in het water. Niemand anders zag of hoorde iets. Hij hief
het hoofd op--de plaats der vrouw was ledig. Hij stond op en zocht
vruchteloos om zich heen. Het arme bloedende hart was eindelijk stil,
en de rivier kabbelde even helder alsof zij hare golfjes niet daarboven
gesloten had.
Geduld, geduld, gij wier hart zwelt van verontwaardiging over onrecht
gelijk dit. Geen zucht, geen traan der verdrukten wordt vergeten
door den Man van Smarten, door den Heer der Heerlijkheid. In
zijne geduldige, menschlievende borst draagt Hij het leed eener
wereld. Draagt gij, gelijk Hij, met geduld en arbeidt in de liefde;
want zoo zeker als Hij God is, "zal het jaar zijner verlosten komen."
De handelaar werd vroeg en frisch wakker en kwam buiten om naar
zijne levende waar te zien. Het was nu zijne beurt om verbijsterd
rond te kijken.
"Waar drommel is die meid?" zeide hij tegen Tom.
Tom, die de wijsheid van het stilzwijgen had geleerd, achtte het niet
noodig van zijne opmerkingen en vermoedens te spreken, maar zeide
dat hij het niet wist.
"Zij zal toch van nacht niet aan eene van de ladingsplaatsen zijn
weggeloopen, want ik was wakker en op de wacht, telkens als de boot
stillag. Ik vertrouw die dingen nooit aan anderen."
Dit werd Tom op een vertrouwelijken toon toegevoegd, als iets dat
bijzonder belangrijk voor hem zou zijn. Tom gaf geen antwoord.
De handelaar zocht over het dek van het eene einde tot het andere,
tusschen de balen, kisten en vaten, om de machinerie en bij de
schoorsteenen, maar tevergeefs.
"Zeg nu eens, Tom, wees nu eens oprecht," zeide hij, toen hij na
zijn vruchteloos zoeken weder bij Tom gekomen was. "Gij weet er
iets van. Maak mij maar niets wijs--ik weet het beter. Ik heb de
meid hier zien liggen tegen tien uren, en wederom tegen twaalf,
en wederom tusschen een en twee; en tegen vier uren was zij weg,
en gij laagt hier al den tijd gerust te slapen. Gij moet dus iets
weten--dat kan niet anders."
"Wel, meester," antwoordde Tom, "tegen den ochtend schoof mij iets
voorbij en toen werd ik zoo wat half wakker; en toen hoorde ik een
grooten plomp, en toen werd ik geheel wakker, en de vrouw was weg. Dat
is al wat ik er van weet."
De handelaar was niet ontzet of verbaasd, daar hij, gelijk wij
vroeger gezegd hebben, aan vele dingen gewoon was, waaraan gij
niet gewoon zijt. Zelfs de geduchte tegenwoordigheid van den dood
boezemde hem geene plechtige huivering in. Hij had den dood dikwijls
gezien--was hem in zijn beroep dikwijls tegengekomen en had kennis
met hem gemaakt--hij vond in hem dus slechts een lastigen buurman,
die hem in zijne speculatiën met koopwaren op eene zeer onbillijke
manier dwarsboomde; en zoo zeide hij slechts met een vloek dat de
meid een karonje was, en dat hij duivels ongelukkig was, en dat hij,
als het zoo voortging geen cent met zijne reis verdienen kon. Kortom,
hij scheen zich voor werkelijk verongelijkt te houden; maar er was
niets aan te doen, want de vrouw was ontsnapt naar een staat, die
nooit een vreemdeling wil uitleveren, zelfs niet op den eisch der
roemrijke Unie. De handelaar ging dus onvergenoegd zitten, haalde
zijn notitieboekje uit en schreef het vermiste lichaam met de ziel
op de rekening van verliezen.
Een hatelijk mensch, die handelaar, niet waar? zoo ongevoelig! Is
het inderdaad niet schrikkelijk?
O ja, maar men telt die handelaars ook niet. Zij worden algemeen
veracht--nooit in een fatsoenlijk gezelschap toegelaten.
Maar wie, Mijnheer, is de oorzaak dat er handelaars zijn? Wie is
het meest te laken? De beschaafde, verstandige, verlichte man, die
een stelsel in stand houdt, waarvan de handelaar een onvermijdelijk
gevolg is, of de ongelukkige handelaar zelf? Gij zijt een bestanddeel
van die publieke meening, die zijn beroep in wezen houdt, die hem
zoodanig verblindt en zedelijk verlaagt, dat hij er zich niet meer
voor schaamt: in welk opzicht zijt gij dus beter dan hij?
Gij zijt wél-onderwezen en hij onkundig, gij zijt aanzienlijk en hij
gering, gij zijt beschaafd en hij gemeen, gij zijt helder van oordeel
en hij dom, niet waar?
Op den dag van een toekomstig oordeel zullen juist deze tegenstellingen
het misschien voor hem dragelijker maken dan voor u.
Aan het slot van dit proefje uit hetgeen er in den wettigen handel
voorkomt, moeten wij de wereld verzoeken om niet te denken, dat onze
Amerikaansche wetgevers geheel van menschelijkheid ontbloot zijn,
gelijk misschien ten onrechte zou kunnen worden afgeleid uit de
moeite die zij zich geven, om deze soort van handel te beschermen en
in stand te houden.
Wie weet niet hoe onze groote mannen zich zelven overtreffen in het
declameeren tegen den _vreemden_ slavenhandel? Er is in dit opzicht
een schaar van Clarke's en Wilberforce's onder ons opgestaan, die
allerstichtelijkst is om te zien en te hooren. De negerhandel uit
Afrika, lieve lezers, is toch zoo afschuwelijk! Daaraan is niet te
denken. Maar de negerhandel uit Kentucky--dat is geheel iets anders!
DERTIENDE HOOFDSTUK.
DE KWAKERS.
We hebben nu een stil tooneeltje voor ons. Eene ruime, zindelijke,
net geschilderde keuken, met een effen en glanzig gelen vloer,
zonder een enkel stofje er op; eene nette, zorgvuldig zwart gehouden
kookkachel; rijen van blinkend tinnegoed, die aan allerlei lekker eten
doen denken; glanzige stoelen van gewoon hout, oud maar sterk; een
kleinen schommelstoel met een kussen er in, waarvan het overtrek aardig
uit kleine lapjes van verschillende wollen stoffen is saamgesteld,
en een grooten armstoel, aartsvaderlijk oud, welks wijde armen een
gastvrije uitnoodiging schijnen te geven, die door de veeren kussens
wordt ondersteund--een waarlijk uitlokkende, bruikbare, oude stoel,
voor echt gemak meer waard dan een dozijn nieuwe salonmeubelen.--En
in dien stoel, zachtjes voor- en achterover wiegende, zit onze oude
vriendin Eliza. [5] Ja, daar zit zij, bleeker en magerder dan tehuis in
Kentucky, en stille smart schuilt onder de schaduw harer lange wimpers
en kenmerkt de trekken om den vriendelijken mond. Het was duidelijk te
zien, hoe oud en vast haar jeugdig hart in de leerschool der smart was
geworden; en wanneer zij hare donkere oogen opsloeg, om de huppelende
sprongen van den kleinen Harry te volgen, die als een vlindertje heen
en weder dartelde, lag er in dien blik eene vastberadenheid en kracht,
welke voorheen in gelukkiger dagen nooit daarin te lezen was.
Naast haar zat eene vrouw met eene blikken pan op den schoot, waarin
zij bezig was gedroogde perziken uit te zoeken. Zij kon vijf en
vijftig of zestig jaren oud wezen; maar zij had een van die gezichten,
waaraan de tijd niets anders schijnt te kunnen doen dan ze verhelderen
en verfraaien. De sneeuwwitte muts, naar het stijve kwaker-patroon
opgemaakt, de effen neteldoeksche halsdoek, met strakke plooien
over hare borst gevouwen, de donkergrijze omslagdoek en japon van
dezelfde kleur toonden aanstonds tot welke gezindte zij behoorde. Haar
gezicht was rond en blozend, met eene gezonde, donzige zachtheid,
die aan eene rijpe perzik deed denken. Heur haren, door de jaren
gedeeltelijk verzilverd, waren glad van het hooge, effen voorhoofd
weggestreken, waarop de tijd niets anders geschreven had dan vrede
en welwillendheid; en daaronder straalden een paar groote, heldere,
oprechte, vriendelijke, bruine oogen. Men behoefde slechts recht
daarin te zien, om te weten, dat men tot op den bodem van een hart zag,
zoo goed en trouw als ooit in eene vrouwelijke borst had geklopt. Men
heeft zooveel van de schoonheid van jonge meisjes gezegd en gezongen;
waarom bezingt niet eens iemand de schoonheid der oude vrouwen? Als
iemand in dit opzicht verlangt geïnspireerd te worden, verwijzen wij
hem naar onze goede vriendin Rachel Halliday, gelijk zij daar in haar
schommelstoeltje zit. Dat stoeltje was aan zeker kraken en piepen
onderhevig, en terwijl zij zacht heen en weder wiegde, maakte haar
zetel een geluid, als van elken anderen stoel onuitstaanbaar zou zijn
geweest, maar de oude Simeon Halliday beweerde dikwijls, dat het zoo
goed als muziek voor hem was, en de kinderen zeiden dat zij voor niets
op de wereld het piepen van moeders stoel zouden willen missen. En
waarom dat? Twintig jaren lang, of nog langer, waren er niets dan
vriendelijke woorden en zachte zedenlessen en moederlijke liefdeblijken
van dien stoel gekomen--ontelbare hoofdpijnen en hartepijnen waren daar
genezen--geestelijke en tijdelijke bezwaren waren daar opgeheven--alles
door ééne, goede, liefelijke vrouw. God zegene haar!
"En zoo denkt gij nog naar Canada te gaan, Eliza?" zeide zij,
voortgaande met hare perziken te bekijken.
"Ja, juffrouw!" antwoordde Eliza met vastheid. "Ik moet verder. Ik
kan hier niet blijven."
"En wat zult gij doen als gij daar komt? Daar moet gij ook aan denken,
mijne dochter."
Dat "mijne dochter!" kwam zoo natuurlijk van Rachels lippen; want zij
had juist een voorkomen en uitzicht, dat het zoo natuurlijk maakte om
"moeder" tegen haar te zeggen.
Eliza's handen beefden en eenige tranen vielen op het fijne naaiwerk,
waaraan zij bezig was; maar haar toon bleef toch vast, toen zij
antwoordde:
"Ik zal--alles doen wat ik te doen kan vinden. Ik hoop dat ik iets
vinden zal."
"Gij weet wel, gij kunt hier blijven zoolang het u behaagt," zeide
Rachel.
"O! ik dank u," zeide Eliza; "maar," vervolgde zij, naar Harry
wijzende, "ik kan des nachts niet slapen; ik kan niet rusten. Verleden
nacht droomde ik dat ik een man de werf zag opkomen," voegde zij er
huiverend bij.
"Arm kind!" zeide Rachel, hare oogen afvegende. "Maar gij moet niet
zoo angstig zijn. De Heere heeft het zoo besteld, dat nog nooit een
vluchteling uit ons dorp gestolen is. Ik vertrouw dat gij niet de
eerste zult wezen."
Hier werd de deur geopend en kwam eene andere vrouw binnen, kort en zoo
rond als een speldenkussen, met een vroolijk blozend gezicht, gelijk
een rijpen appel. Zij was evenals Rachel stemmig in het grijs gekleed,
met een neteldoekschen doek over hare zwellende borst geplooid.
"Ruth Stedman," zeide Rachel, met blijdschap naar haar toekomende. "Hoe
is het met u, Ruth?" En daarmede vatte zij deze bij de handen.
"Welletjes," antwoordde Ruth, zette haar grijzen hoed af en ontblootte
zoo een rond hoofdje, waarop de kwakerinnenmuts tamelijk zwierig stond,
hoewel zij haar best deed om die met hare mollige handjes glad te
strijken. Ook eenige verdwaalde lokken en krullend haar waren hier
en daar ontsnapt en moesten weggestopt worden; en daarna keerde de
nieuw-gekomene, die vijf en twintig jaren oud mocht wezen, zich van
het spiegeltje af, waarvoor zij deze beschikkingen had gemaakt en
scheen zeer wel met haar voorkomen tevreden te zijn--gelijk de meeste
menschen die haar aanzagen ook wel konden geweest zijn; want zij was
zulk een gezond, frisch en vroolijk vrouwtje, als ooit het hart van
een man verheugde.
"Ruth, deze vriendin is Eliza Harris, en dit is het jongetje, waarvan
ik u gesproken heb."
"Ik ben blijde u te zien, Eliza, zeer blijde," zeide Ruth en gaf Eliza
zoo hartelijk de hand, als ware zij eene oude vriendin die zij lang
verwacht had; "en dat is uw lieve jongen. Ik heb een koekje voor hem
medegebracht," en daarmede hield zij het koekje den kleinen Harry
voor, die het, door zijne krullen naar haar opkijkende, met zekere
sluwheid aannam.
"Waar is uw kleintje, Ruth?" vroeg Rachel.
"O! hij komt; maar uwe Mary pakte hem op toen ik inkwam, en liep met
hem naar de schuur, om hem aan de kinderen te laten zien."
Op dit oogenblik ging de deur weder open en kwam Mary, een frisch
blozend meisje, met groote bruine oogen, gelijk hare moeder, met het
kind binnen.
"Ha, ha!" zeide Rachel, het gezonde, mollige wicht op den arm nemende,
"wat ziet hij er goed uit, en wat groeit hij!"
"Zeker doet hij dat," zeide de levendige Ruth, nam spoedig het
kind over en ontdeed het van een blauw zijden manteltje en andere
bovenkleeren, waarin het gewikkeld was, vertrok en verschoof hier en
daar iets om het op te knappen, gaf het een hartelijken kus en zette
het naast zich op den grond neer om zich zelf te amuseeren en zoet te
houden. Het wicht scheen aan zulk eene handelwijze volkomen gewoon te
zijn, want het stak terstond een duim in den mond en scheen weldra in
een genoeglijk gepeins te verzinken, terwijl de moeder zich neerzette,
eene opgezette kous uithaalde en ijverig begon te breien.
"Mary, gij moogt den ketel wel eens vullen, zoudt ge niet?" zeide de
moeder, zacht vermanende.
Mary nam den ketel mede naar den waterput, en spoedig terugkomende
plaatste zij hem op de kachel, waar hij spoedig stond te borrelen en te
dampen als een wierookvat in den tempel der gastvrijheid. Weldra werden
ook de perziken, op eenige zacht gefluisterde woorden van Rachel,
door dezelfde hand in eene aarden pan gedaan en op het vuur gezet.
Vervolgens nam Rachel eene sneeuwwitte kneedplank van den wand en
ging eenvoudig wat beschuiten kneden; maar eerst zeide zij tegen hare
dochter: "Mary, zoudt ge John niet eens gaan zeggen om het hoentje
te gaan halen?" waarop Mary weder verdween.
"Wel, hoe is het met Abigaël Peters?" zeide Rachel onder het kneden.
"O! zij is beter," antwoordde Ruth. "Ik ben daar van morgen geweest
en heb het bed opgemaakt en het huis gedaan. Lea Hills is van middag
gegaan en heeft brood en koek gebakken voor eenige dagen, en ik heb
beloofd er van avond weder heen te gaan."
"Ik zal morgen gaan en schoonmaken wat noodig is, en naar het
verstelwerk zien," zeide Rachel.
"Zoo, dat is goed," antwoordde Ruth. "Ik heb gehoord," vervolgde zij,
"dat Hanna Stanwood ziek is. John is er gisteravond geweest--ik moet
morgen daarnaar toe."
"John kan hier komen eten, als het noodig is dat gij den geheelen
dag blijft," zeide Ruth hierop.
"Dank u, Rachel! we zullen morgen zien. Maar daar komt Simeon."
Simeon Halliday, een rijzig, recht welgespierd man, met een bruingrijze
jas en broek en een breedgeranden hoed kwam nu binnen.
"Hoe is het met u, Ruth?" zeide hij met warmte, terwijl hij zijn
breede palm openspreidde, om haar mollig handje er in te leggen. "En
hoe is het met John?"
"O! John is wel, en al de anderen ook," antwoordde Ruth blijmoedig.
"Wat nieuws, vader?" vroeg Rachel, terwijl zij hare beschuiten in
den oven stak.
"Steven Stebbins heeft mij gezegd dat zij van nacht uit moesten met
_paarden_," zeide Simeon met bijzonderen nadruk op het laatste woord,
terwijl hij over een zindelijken gootsteen in een achterkeukentje
zijn handen wiesch.
"Ei!" zeide Rachel, peinzend en met een blik naar Eliza.
"Hebt gij niet gezegd, dat uw naam Harris was?" zeide Simeon tot Eliza,
weder binnenkomende.
Rachel wierp snel een blik naar haren man, terwijl Eliza met bevende
lippen "ja" antwoordde, daar zij vreesde, dat er misschien een prijs
voor haar was uitgeloofd.
"Moeder," zeide Simeon, Rachel roepende, terwijl hij weder naar het
achterkeukentje ging.
"Wat wilt gij hebben, vader?" antwoordde Rachel, hem volgende.
"De man van dat kind is in het dorp en zal van avond hier komen,"
zeide Simeon.
"O! dat zegt ge toch maar niet zoo, vader?" riep Rachel uit, met een
gezicht als het ware stralende van blijdschap.
"Het is werkelijk waar. Peter was gisteren met den wagen naar de
andere plaats, en daar vond hij eene oude vrouw en twee mannen,
en een van hen zeide dat hij George Harris heette, en uit hetgeen
hij van zijne geschiedenis vertelde, weet ik zeker wie hij is. Hij
is een knap, schrander man.--Zullen wij het haar nu zeggen?" voegde
hij er na een oogenblik stilzwijgens bij.
"Laten wij het Ruth zeggen," antwoordde Rachel. "Ruth, kom eens hier."
Ruth legde haar breiwerk neer en was in een oogenblik in het
achterkeukentje.
"Ruth, wat dunkt u?" zeide Rachel. "Vader zegt dat Eliza's man bij
het laatste gezelschap is en van avond hier zal komen."
Een blijde uitroep van het levendige kwakerinnetje viel de spreekster
in de rede. Ruth klapte in de handen en deed zulk een sprong, dat er
weder een paar krullen onder hare muts uitschoten en over haar witten
halsdoek zwierden.
"Stil toch, lieve," zeide Rachel zachtzinnig. "Stil, Ruth, zeg ons,
zullen wij het haar nu zeggen?"
"Nu? Wel zeker, op het oogenblik. Denk eens als het mijn John was,
wat zou ik dan voelen? Zeg het haar toch maar terstond."
"Gij denkt aan u zelven, alleen om te leeren uwe naasten lief te
hebben, Ruth," zeide Simeon, haar met welgevallen aanziende.
"Wel zeker," zeide Ruth. "Is het dat niet, waartoe wij geschapen
zijn? Als ik John en mijn kindje niet liefhad, zou ik zooveel gevoel
niet voor haar kunnen hebben.--Kom nu, zeg het haar toch!" vervolgde
zij, Rachel dringend bij den arm vattende. "Neem haar in uwe
slaapkamer, daar, en laat ik het hoentje braden, terwijl gij het
haar zegt."
Rachel ging weder naar de keuken, waar Eliza zat te naaien en de
deur van een slaapkamertje openende, zeide zij vriendelijk: "kom hier
binnen met mij, mijne dochter. Ik heb u iets nieuws te zeggen."
Het bloed steeg Eliza naar de bleeke wangen; zij stond op, bevende
van zenuwachtigen angst, en zag naar haar kind om.
"Neen, neen!" zeide Ruth, naar haar toeschietende en haar bij beide
handen vattende. "Wees maar niet bang. Het is goed nieuws, Eliza. Ga
binnen, ga binnen."
Zij duwde haar zachtjes de deur in en sloot die achter haar, en toen
zich omkeerende, nam zij den kleinen Harry in hare armen en begon
hem hartelijk te kussen.
"Gij zult uw vader zien, kleine jongen. Weet gij het al? Uw vader
komt," zeide zij nogmaals, en nogmaals, terwijl het kind haar met
verbazing aanzag.
Intusschen had binnen de deur een ander tooneel plaats. Rachel nam
Eliza bij de hand, trok haar dicht naar zich toe en zeide:
"De Heer heeft barmhartigheid met u gehad, mijne dochter. Uw man is
ontkomen uit het huis der dienstbaarheid."
Het plotseling opstijgende bloed deed Eliza's wangen gloeien en
stroomde toen even snel naar het hart terug. Bleek flauw zette zij
zich neer.
"Houd moed, kind," zeide Rachel, haar de hand op het hoofd
leggende. "Hij is onder vrienden, die hem van avond hier zullen
brengen."
"Van avond!" herhaalde Eliza. "Van avond!"
De woorden hadden hunne beteekenis voor haar verloren. Haar hoofd
was verward; alles was voor een oogenblik in een nevel gehuld.
Toen zij ontwaakte lag zij te bed, warm in een deken gestopt,
terwijl Ruth hare handen met kamfer wreef. Zij opende hare oogen in
een toestand van droomerige, streelende kwijning, als iemand die lang
een zwaren last gedragen heeft en nu voelt dat die hem is afgenomen en
hij nu rusten mag. De spanning harer zenuwen, die sedert het eerste
uur harer vlucht geen oogenblik had opgehouden, was nu geweken,
en een vreemd gevoel van veiligheid bekroop haar. Terwijl zij daar
met open oogen lag, volgde zij als in een droom de bewegingen van hen
die haar omringden. Zij zag door de open deur in de andere kamer; zij
zag de tafel met een sneeuwwit tafellaken voor het avondmaal gedekt;
zij hoorde het slaperige zingen van den theeketel, en zag Ruth heen
en weder trippelen met borden en schotels, en nu en dan stilstaan om
Harry een koekje in de hand te stoppen, of zijn hoofd te streelen of
zijne lange krullen om hare witte vingers te winden. Zij zag de breede
moederlijke gestalte van Rachel, die telkens naar het bed kwam, en hier
en daar iets verschikte of het dek instopte, alleen om haar goeden
wil te toonen; en was bewust van eene soort van zonneschijn, welke
haar uit hare oogen bestraalde. Zij zag den man van Ruth binnenkomen;
zij zag deze naar hem toevliegen en zeer ernstig tegen hem fluisteren,
en nu en dan met haar vingertje naar de slaapkamer wijzen. Zij zag
haar zich met haar kindje op den arm aan de theetafel zetten; zij zag
hen allen om de tafel en den kleinen Harry op een hoogen stoel naast
de zorgvuldige Rachel. Zij hoorde een zacht praten en een even zacht
rinkelen van theelepeltjes, kopjes en schoteltjes, dat zich alles
met dien verrukkelijken droom van rust vermengde; en toen viel zij in
slaap, en sliep gelijk zij nog niet geslapen had sedert dat geduchte
middernachtsuur toen zij haar kind had opgenomen om te vluchten.
Zij droomde van een schoon land--een land van rust kwam het haar
voor--met groene kusten, vermakelijke eilandjes en glinsterend water;
en daar in een huis, waar vriendelijke stemmen haar zeiden dat zij
tehuis was, zag zij haar knaapje spelen als een vrij en gelukkig
kind. Zij hoorde de voetstappen van haren man; zij voelde hem nader
komen; zijne armen werden om haar heengeslagen; zijne tranen droppelden
op haar gezicht, en zij ontwaakte. Het was geen droom. Het daglicht
was lang verdwenen; haar kind lag gerust naast haar te slapen, eene
kaars op een tafeltje verspreidde een flauw licht, en haar man zat
snikkend bij haar bed.
Vroolijk was de volgende morgen in het huis van den Kwaker. "Moeder"
was vroeg op en omringd door drukbezige jongens en meisjes, allen
gehoorzaam aan Rachels zachtzinnige "gij moest eens," of het nog
zachtere "zoudt ge niet eens," terwijl men doende was om het ontbijt
gereed te maken; want een ontbijt in de welige valleien van Indiana is
een ding van veel omslag en vereischt meer handen dan die der huisvrouw
alleen. Terwijl dus John naar de bron liep, om frisch water te halen,
en Simeon het jonge meel ziftte voor de koornkoekjes en Mary koffie
maalde, was Rachel stil bezig met beschuiten gereed te maken, een
hoen te snijden, en over alles wat er over het geheel gedaan werd
een oog te laten gaan, dat den invloed van zonneschijn had. Als er
eenig gevaar van wrijving of botsing ontstond uit den ongeregelden
ijver van zoovele jeugdige medewerkers, was haar zacht "kom, kom!" of
"dat zou ik maar niet," voldoende om het bezwaar uit den weg te ruimen.
Onder al die andere toebereidselen stond Simeon de oude in een hoek
voor het spiegeltje, bezig met de antipatriarchale werkzaamheid van
het scheren. Alles ging in de ruime keuken zoo gezellig en vroolijk
toe, iedereen scheen zulk een vermaak te hebben in hetgeen hij deed,
er heerschte zulk een blijkbare geest van vertrouwen en wederzijdsche
welwillendheid--zelfs de messen en vorken hadden iets gezelligs in het
gerammel waarmede zij op de tafel werden gelegd, en het hoentje en de
ham in de pan sisten, alsof het hun beviel dat zij gebraden werden--en
toen George, Eliza en de kleine Harry uit de slaapkamer kwamen,
werden zij met zulk een hartelijk welkom begroet, dat het niet te
verwonderen was indien het geheele tooneel hun als een droom voorkwam.
Eindelijk zaten allen aan het ontbijt, terwijl Mary nog bij de kachel
maïskoekjes stond te roosteren, die, wanneer zij juist volmaakt de
echte goudbruine kleur hadden gekregen, handig op de tafel werden
gezet.
Rachel zag er nooit zoo echt genoegelijk en vriendelijk uit als aan
het hoofd harer tafel. Er was zulk eene moederlijkheid en gulheid
zelfs in de manier waarop zij een bord met koekjes toeschoof of een
kop koffie schonk, dat zij iets van haren geest scheen mede te deelen
aan het eten en drinken dat zij aanbood.
Het was de eerste maal, dat George op den voet van gelijke aan de tafel
van een blanke zat, en hij voelde in het eerst zekere verlegenheid
en gedwongenheid; maar deze aandoening vervloog als een ochtendnevel
voor de stralen dier eenvoudige, natuurlijke goedhartigheid.
Hier was hij waarlijk tehuis;--tehuis, eene uitdrukking waarvan hij
nog nooit de beteekenis had gekend; en het geloof aan God en het
vertrouwen op Zijne voorzienigheid begonnen zijn hart te verhelderen;
terwijl de donkere wolken van menschenhatende en godverloochenende
twijfelingen verdreven werden door het licht van een levend evangelie,
afgestraald van levende menschengezichten, en gepredikt door duizend
bijna onwillekeurige daden van liefde en welwillendheid, die, gelijk
de beker koud water in den naam eens discipels gegeven, haar loon
nimmer zullen verliezen.
"Vader, als gij nu weder ontdekt mocht worden?" zeide Simeon de tweede,
onder het boteren van een geroosterd koekje.
"Dan zou ik mijne boete betalen," antwoordde de oude Simeon koeltjes.
"Maar als zij u in de gevangenis zetten?"