"Moeder, moeder, spreek zoo niet," riep de knaap. "Zij zeggen dat

gij een goeden meester hebt gekregen."

"Dat kan mij niet schelen--dat kan mij niet schelen. O, Albert, o,

mijn jongen--mijn laatste kind! O Heere, hoe kan ik?"

"Kom, maakt haar liever los," zeide Haley droogjes. "Het doet haar

immers geen goed dat zij zoo te werk gaat."

De oudsten van den troep dwongen de oude vrouw, half door overreding,

half met geweld, haar zoon eindelijk los te laten, en poogden haar te

troosten, terwijl zij haar naar den wagen van haren nieuwen meester

brachten.

"Kom aan!" zeide Haley, zijne drie koopjes bij elkander duwende. Daarop

haalde hij een bos handboeien uit, deed ze hun om de polsen, maakte

allen aan een langen ketting vast en dreef hen zoo ver voor zich uit

naar de gevangenis.

Eenige dagen later was Haley met zijn eigendom op eene der stoombooten,

die gedurig den Ohio bevaren. Deze nieuwe koopjes waren nog maar een

begin van zijnen troep, dien hij, naarmate de boot verder de rivier

afvoer, zou vermeerderen met andere koopwaar van denzelfden aard,

welke hij hier en daar langs den oever in bewaring had gelaten.

_La Belle Riviére_--zulk eene fraaie boot als ooit de rivier had

bevaren, naar welke zij genoemd was--dreef vroolijk de rivier af, onder

eene heldere lucht, met de strepen en sterren van het vrije Amerika

aan den mast, en het dek vol welgekleede heeren en dames, die heen en

weder wandelden en zich in het heerlijkste weder verlustigden. Alles

was vol leven en vroolijkheid; alles, behalve de troep van Haley,

die met de andere vracht op het benedendek was verborgen, en waarvan

niemand eenige reden tot blijdschap scheen te gevoelen.

"Kom aan jongens," zeide Haley, luchtig naar hen toekomende. "Ik

hoop dat gij vroolijk blijft. Geen druilen, hoort ge. Houdt u goed,

en ik zal mij ook goed houden."

De aangesprokenen antwoordden met het onveranderlijk "Ja meester,"

dat sedert eeuwen de leus van het arme Afrika is; maar het moet gezegd

worden dat zij toch niet bijzonder opgeruimd keken. Zij hadden hunne

verschillende kleine voordeelen ten gunste van vrouwen, kinderen,

moeders en zusters, die zij voor de laatste maal hadden gezien,

en hoewel hunne verdrukkers vroolijkheid van hen eischten, was deze

niet zoo aanstonds gereed.

"Ik heb eene vrouw," sprak het artikel op de lijst als "John,

oud dertig" aangeduid, en legde zijne geboeide hand op Toms knie,

"en zij weet geen woord hiervan, de arme ziel!"

"Waar woont zij?" zeide Tom.

"In eene herberg, een eind weegs hier de rivier af," antwoordde

John. "Ik wenschte dat ik haar nog maar eens in de wereld zien kon."

Arme John! Zijn wensch was wel eenigszins natuurlijk; en de tranen,

die onder het spreken over zijne wangen rolden, zagen er zoo natuurlijk

uit, als ware hij een blanke geweest. Tom haalde met een beklemd hart

diep adem en poogde hem op zijne eenvoudige manier te troosten.

En boven hun hoofd, in de kajuit, zaten vaders en moeders, mannen en

vrouwen; en vroolijk huppelende kinderen fladderden als vlindertjes

om hen heen, en allen waren vroolijk en wel te moede.

"O, Mama," zeide een knaapje dat juist van het dek was gekomen,

"er is een negerhandelaar aan boord en hij heeft vier of vijf slaven

daar beneden."

"Arme schepsels!" zeide de moeder, op een toon tusschen beklag en

verontwaardiging.

"Wat is er?" zeide eene andere dame.

"Eenige arme slaven beneden," antwoordde de moeder.

"En zij hebben kettingen aan," zeide het knaapje.

"Welk eene schande voor ons land," zeide eene andere dame, "dat men

zoo iets ziet."

"O, er is aan beide kanten veel van de zaak te zeggen," zeide nu een

zwierige dame, die bij de deur van haar salon zat te naaien, terwijl

een jongetje en een meisje bij haar speelden. "Ik ben in het Zuiden

geweest, en ik moet zeggen, ik denk dat de negers het beter hebben

dan het geval zou zijn als zij vrij waren."

"In sommige opzichten hebben sommigen van hen het goed, dat geef

ik toe," zeide de dame, wier gezegde zij had beantwoord. "Het

schrikkelijkste der slavernij, naar mijne gedachten, is het geweld dat

zij de natuur en het gevoel aandoet, bij het scheiden van huisgezinnen

bij voorbeeld."

"Dat is zeker een kwaad," zeide de andere dame, met aandacht de

belegsels bekijkende van het kinderjurkje dat zij naaide. "Maar ik

verbeeld mij dat het niet dikwijls gebeurt."

"O ja, zeker," zeide de eerste dame haastig. "Ik heb jarenlang zoowel

in Kentucky als in Virginië gewoond en genoeg gezien om iemand het

hart te doen wegkrimpen. Verbeeld u eens, Mevrouw, dat uwe twee

kinderen van u afgenomen en verkocht werden."

"Wij kunnen ons gevoel niet met dat van die soort van lieden

vergelijken," antwoordde de andere dame, nog altijd bezig met het

jurkje.

"Inderdaad, Mevrouw, als gij zoo spreekt, moet gij niets van hen

weten," zeide de eerste dame met warmte. "Ik ben onder hen geboren en

grootgebracht. Ik weet dat zij gevoel hebben--een even fijn gevoel--nog

fijner misschien dan wij."

"Inderdaad?" zeide de andere dame en keek geeuwende uit een

venstertje. Ten slotte herhaalde zij, om alles af te doen, nog eens

het gezegde, waarmede zij begonnen was: "Ik denk toch dat zij het

beter hebben, dan wanneer zij vrij waren."

"Het is ontwijfelbaar de bedoeling der Voorzienigheid, dat het

Afrikaansche ras dienstbaar zal zijn en in onderwerping gehouden

worden," zeide een deftig heer in het zwart, een geestelijke, die

bij de deur der kajuit zat. "Vervloekt zij Kanaän; een knecht der

knechten zal hij zijn, zegt de Schrift."

"Zeg eens, vreemdeling, is het dat wel wat die tekst beteekent?" zeide

een lang man, die er bij stond.

"Zonder twijfel. Het heeft der Voorzienigheid om ondoorgrondelijke

redenen behaagd, dat geslacht eeuwen geleden tot slavernij te

veroordeelen; en onze eigene meeningen moeten daartegen niet

aandruischen."

"Wel zoo, dan gaan wij onzen gang maar en koopen negers, als de

Voorzienigheid het toch zoo hebben wil," zeide de lange man. "Niet

waar, heerschap?" vervolgde hij, zich naar Haley keerende, die met de

handen in de zakken bij de kachel stond en oplettend naar het gesprek

had geluisterd. "Wel ja," vervolgde hij, "wij moeten ons immers naar

de besluiten der Voorzienigheid voegen. Negers moeten verkocht en

versleept en onder bedwang gehouden worden; dat is het, waarvoor

zij geschapen zijn. Zulke begrippen schijnen heel verkwikkelijk,

niet waar, vreemdeling?" en daarmede keerde hij zich weder naar Haley.

"Ik heb daarover nooit gedacht," antwoordde Haley, "ik wist dat niet

eens, want ik ben niet geleerd. Ik heb den handel maar opgevat om

fortuin te maken, en als ik niet wèl deed, dacht ik wel bijtijds

berouw te zullen hebben, weet ge?"

"En nu zult gij u die moeite maar sparen, niet waar?" hervatte de

lange man. "Zie eens hoe goed het is de Schrift te kennen. Als gij

uw Bijbel maar hadt gelezen, gelijk die brave man, dan hadt gij dit

te voren kunnen weten en dus niet ongerust behoeven te zijn. Hij had

maar even kunnen zeggen: "Vervloekt zij"--hoe heet het ook weer?--en

alles zou in orde zijn geweest."

Daarmede zette de vreemdeling, die niemand anders was dan de eerlijke

paardenkooper, met wien onze lezers in de herberg in Kentucky kennis

hebben gemaakt, zich weder neer en begon te rooken, met een zeer

zonderlingen glimlach op zijn lang en strak gezicht.

Een rijzig tenger jonkman, wiens uitzicht verstand en gevoel aanduidde,

nam nu het woord en zeide: "Alles wat gij wilt dat de menschen

u zouden doen, doet gij hun ook alzoo. Ik meen," vervolgde hij,

"dat dit evengoed in de Schrift staat als: 'vervloekt zij Kanaän.'"

"Zeker, vreemdeling, die tekst schijnt even duidelijk voor arme lieden,

zooals wij," zeide John en rookte als een vulkaan.

De jonkman bedacht zich alsof hij voornemens was nog meer te zeggen,

toen eensklaps de boot bleef stil liggen en het gezelschap volgens

gewoonte naar het dek snelde, om te zien waar men aanlegde.

"Zijn die twee allebei dominees?" zeide John tegen iemand, toen zij

naar buiten gingen.

De man knikte.

Toen de boot stillag, kwam eene zwarte vrouw als razend over de plank

stormen, drong door alles heen, vloog naar de plaats, waar de troep

slaven zat, sloeg hare armen om het stuk koopwaar, bekend als "John oud

dertig" en jammerde met tranen en snikken over hem--haren echtgenoot.

Maar wat behoeven wij eene geschiedenis te verhalen, die maar al te

dikwerf--die dagelijks herhaald wordt--hoe harten gebroken worden,

en hoe de zwakke wordt vertrapt ten voordeele van den sterke!

Dit behoeft niet meer herhaald te worden;--elke dag verhaalt het,

verhaalt het voor de Ooren van Eenen die niet doof is, hoewel Hij

lang stilzwijgt.

De jonkman, die vroeger voor de zaak der menschelijkheid en van God

gesproken had, stond dit tooneel met over elkander geslagen armen

aan te zien. Hij keerde zich om, en Haley stond naast hem.

"Mijn vriend," zeide hij met eene gesmoorde stem, "hoe kunt gij, hoe

durft gij zulk een beroep drijven? Zie die arme schepselen aan! Hier

ben ik, mij verheugende in mijn hart dat ik naar huis ga, naar mijne

vrouw en mijn kind; en dezelfde klok, die het teeken geeft om mij

naar hen toe te brengen, zal dezen armen man en zijne vrouw voor

altijd scheiden. Wees er zeker van, God zal daarvoor met u in het

gerecht treden."

De handelaar keerde zich zwijgend om.

"Zeg eens," zeide de paardenkooper, hem aan zijnen elleboog stootende,

"dat is een verschil in dominees, niet waar? "Vervloekt zij Kanaän"

schijnt bij dezen niet af te doen, he?"

Haley, blijkbaar zeer slecht op zijn gemak, bromde iets binnensmonds.

"En dat is het ergste nog niet," hervatte John. "Misschien zal het

ook bij den Heere niet baten, als gij eens met Hem afrekent, gelijk

wij allen toch moeten, geloof ik."

Haley wandelde peinzend naar het andere einde der boot.

"Als ik met dezen en nog een of twee troepen goede winst maak," dacht

hij, "denk ik er toch maar van af te stappen. Het wordt inderdaad

gevaarlijk."

Daarmede haalde hij zijne portefeuille uit en begon zijne

waarschijnlijke winst te berekenen, eene tijdkorting, welke nog vele

andere heeren, behalve Haley, een specifiek middel voor een ongerust

geweten hebben bevonden.

De boot stak weder af en alles was even vroolijk als te voren. De

mannen praatten, kuierden, lazen en rookten; de vrouwen naaiden,

de kinderen speelden, en de tocht ging van dag tot dag zoo voort.

Op een dag, toen de boot voor eene poos bij een stadje in Kentucky

bleef stilliggen, ging Haley van boord om zaken te doen.

Tom, wiens boeien hem niet verhinderden eene matige wandeling te

doen, ging naar voren en stond daar verstrooid naar den oever te

kijken. Na verloop van eenigen tijd zag hij den handelaar met vluggen

tred terugkomen in gezelschap van eene gekleurde vrouw, die een klein

kind op den arm had. Zij was zeer fatsoenlijk gekleed en werd gevolgd

door een kleurling die haar koffertje droeg; en zoo kwam zij de plank

over en op de boot. De klok luidde, de stoom siste, de machine stampte

en hijgde, en de boot voer weder af.

De vrouw ging naar het voordek tusschen de koffers en de balen,

zette zich daar neer en begon zachtjes voor haar kind te zingen.

Haley wandelde de boot een paar malen op en neer, en toen naar haar

toekomende, zette hij zich naast haar neer en zeide iets op een

zachten, onverschilligen toon.

Tom zag dat het gezicht van de vrouw terstond betrok, en dat zij snel

en driftig antwoord gaf.

"Ik geloof het niet, ik wil het niet gelooven," zeide zij, "steek

den gek maar met mij."

"Als gij niet gelooven wilt, zie dan hier," zeide Haley, een papier

toonende. "Dat is de koopbrief en daar staat uws meesters naam onder,

en ik heb hem duur genoeg betaald, dat kan ik u zeggen--dus!"

"Ik geloof niet dat meester mij zoo bedriegen zou; het kan niet waar

zijn," zeide de vrouw met toenemende ontroering.

"Gij kunt een van die lieden hier vragen, die schrift kunnen

lezen. Hier," zeide Haley tot iemand die voorbijkwam, "lees dit eens

even, als gij wilt. De meid wil mij niet gelooven als ik haar zeg

wat het is."

"Wel, het is een koopbrief, geteekend door John Fosdick," antwoordde

de man, "waarmede u de meid Lucy en haar kind worden overgedaan. Het

is alles in orde, zoover ik zien kan."

De hartstochtelijke uitroepingen der vrouw verzamelden weldra eene

groep om haar heen, en de handelaar zeide met korte woorden wat de

reden van hare aandoening was.

"Hij heeft mij gezegd dat ik naar Louisville ging, om als keukenmeid

verhuurd te worden in dezelfde herberg waar mijn man werkt; dat is

het wat de meester zelf mij gezegd heeft, en ik kan niet gelooven

dat hij mij voorliegen zou," zeide de vrouw.

"Maar hij heeft u toch verkocht, arme vrouw, daaraan is niet te

twijfelen," zeide een man met een goedhartig uitzicht, die de papieren

had nagezien. "Hij heeft het gedaan; dat is niet anders."

"Dan helpt er geen praten," zeide de vrouw eensklaps bedarende, sloot

haar kind vaster in hare armen, zette zich op hare kist neder, keerde

zich met den rug naar de groep en staarde verstrooid naar de rivier.

"Zij zal het toch nogal licht opnemen," zeide de handelaar. "Het kan

haar niet veel schelen, zie ik."

Terwijl de boot voortvoer, bleef de vrouw bedaard zitten; en

het zachte zomerkoeltje zweefde als een medelijdende geest over

haar hoofd--dat zachte koeltje, dat nooit vraagt of het voorhoofd

dat het streelt zwart of blank is. Zij zag den zonneschijn op het

kabbelende water flikkeren en hoorde vroolijke stemmen in het rond,

maar haar hart was zoo beklemd, als ware haar een zware steen op

de borst gevallen. Haar kindje klauterde tegen haar op en streelde

hare wangen met zijne handjes, en scheen haar door zijn kraaien en

dartelen te willen opwekken. Zij klemde het eensklaps nog vaster

in hare armen, en langzaam viel de eene traan na den anderen op het

onnoozele verwonderde gezichtje; maar zij scheen langzamerhand weder

tot kalmte te komen en streelde en koesterde het wicht.

Het kind, een jongetje van tien maanden, was buitengemeen groot

en sterk voor zijn ouderdom, en zeer vlug en krachtig in zijne

bewegingen. Het hield zich geen oogenblik stil en gaf zijne moeder

gedurig werk, om op te passen dat het haar niet van den schoot sprong.

"Dat is een frisch kind," zeide een man die met de handen in de zakken

voor haar bleef staan. "Hoe oud is hij?"

"Tien en een halve maand," antwoordde de moeder.

De man floot eens en hield den kleine een klontje suiker voor, dat

deze gretig pakte en terstond in zijnen mond stak.

"Slimme jongen!" zeide de man. "Hij weet zijn weetje al!" En daarmede

wandelde hij fluitend heen.

Toen hij aan de andere zijde der boot gekomen was, trof hij Haley aan,

die op een stapel kisten zat te rooken.

De man stak ook eene sigaar aan, en dit gedaan hebbende, zeide hij:

"Een knappe meid die gij daar hebt, vreemdeling."

"Ja, zij ziet er tamelijk wel uit," antwoordde Haley, een rookwolk

uitblazende.

"Brengt gij haar naar het Zuiden?" zeide de man.

Haley knikte slechts.

"Voor eene plantage?" was wederom de vraag.

"Ja," zeide Haley, "ik moet eene bestelling voor eene plantage

bijeenbrengen, en ik denk dat ik er haar bij zal doen. Zij zeiden dat

zij eene goede keukenmeid was; zij kunnen haar dus daarvoor gebruiken

of aan het katoenpluizen zetten. Zij heeft de rechte vingers daarvoor;

kijk er maar naar. Zij is op beide manieren haar geld waard."

"Maar zij zullen op eene plantage dat jong niet willen hebben,"

zeide de man.

"Ik zal het ook verkoopen zoodra ik maar gelegenheid heb," antwoordde

Haley en stak eene andere sigaar aan.

"Gij zult hem zeker tamelijk goedkoop geven," zeide de vreemdeling

en klom insgelijks op den hoop kisten, waarna hij zich op zijn gemak

neerzette.

"Dat weet ik nog niet," antwoordde Haley. "Het is een ferme jongen,

welgemaakt, sterk en vet, met vleesch zoo hard als een spijker."

"Dat is waar. Maar de kosten en de last van het grootbrengen."

"Gekheid," zeide Haley. "Zij zijn even gemakkelijk groot te brengen

als andere beesten; zij geven niet meer last dan jonge honden. De

kleine snaak zal over een maand overal heenloopen."

"Ik heb een goede gelegenheid om klein goed groot te brengen, en zou

nog wel wat voorraad willen opdoen," zeide de man. "De eene keukenmeid

heeft verleden week een jong verloren--in de waschtobbe verdronken,

terwijl zij het goed te drogen hing--en het zou niet kwaad zijn haar

dit te geven om groot te brengen."

Haley en de vreemdeling bleven een poos zitten rooken, daar geen

van beiden genegen scheen om ter zake te komen. Eindelijk zeide

de vreemdeling:

"Gij zoudt wel niet meer dan tien dollars voor dat snaakje willen

hebben, daar gij hem toch van de hand moet doen?"

Haley schudde zijn hoofd en spuwde met bijzonderen nadruk.

"Wel neen," zeide hij en begon weder te rooken.

"Wel vreemdeling, wat wilt ge dan nemen?"

"Wel," antwoordde Haley, "ik kan hem zelf grootbrengen of laten

grootbrengen. Hij is buitengewoon gezond en frisch. Over zes maanden

zou hij honderd en over een paar jaren tweehonderd dollars halen,

als ik hem aan de rechte markt bracht; en dus wil ik nu geen cent

minder dan vijftig voor hem nemen."

"O, vreemdeling, dat is al te gek om van te spreken."

"Het is toch zoo," zeide Haley met nadruk.

"Welnu, ik zal u veertig dollars geven."

"Ik zal u eens wat zeggen," zeide Haley, wederom krachtig spuwende. "Ik

wil het verschil deelen en vijf en veertig zeggen; dat is het uiterste

wat ik doen wil."

"Welnu, toegeslagen," zeide de man na een poos bedenkens.

"Gedaan dus," zeide Haley. "Waar gaat gij aan land?"

"Te Louisville."

"Te Louisville. Heel goed. Daar komen wij tegen schemeravond. Het

kind zal slapen--zooveel te beter--gij kunt hem stil meepakken,

zonder schreeuwen of huilen--dat komt heel mooi uit--ik doe gaarne

alles met zachtheid--ik heb een hekel aan rumoer en opschudding." En

nadat eenige banknoten uit de portefeuille des vreemdelings in die

des handelaars waren overgegaan, nam deze zijne sigaar weder.

Het was een heldere stille avond, toen de boot aan de werf te

Louisville aanlegde. De vrouw zat met haar kind in de armen, dat nu

gerust sliep. Toen zij den naam der stad hoorde noemen, legde zij

het kind in een wiegje, dat in eene holte tusschen de koffers stond,

nadat zij eerst zorgvuldig haar omslagdoek over het wicht had gespreid,

en ging toen naar het boord, in de hoop, dat zij onder de knechts uit

de herbergen die op de werf stonden, misschien haar man zou zien. In

deze hoop bukte zij over de leuning heen en tuurde naar het gewoel op

den oever, terwijl een troep menschen tusschen haar en haar kind drong.

"Nu is het uw tijd," zeide Haley, het slapende kind opnemende en aan

den vreemdeling overgevende. "Maak hem niet wakker en laat hem niet

schreeuwen; anders hebben wij den drommel maar last met de meid."

De man nam het pakje zorgvuldig aan, en verdween spoedig onder den

hoop menschen die naar de werf gingen.

Toen de boot weder voortvoer, keerde de vrouw terug naar de plaats

waar zij gezeten had. Daar zat de handelaar--het kind was er niet meer.

"Wat--waar?" begon zij verbijsterd van verrassing.

"Lucy," zeide Haley, "uw kind is weg. Het is evengoed dat gij dit nu

hoort als later. Gij begrijpt wel dat ik het niet kon meenemen naar het

Zuiden, en ik had gelegenheid om het te verkoopen aan eene familie van

den eersten rang, die het beter zal grootbrengen dan gij kunt doen."

De handelaar was tot dien trap van christelijke en politieke

volmaaktheid gekomen, die sedert eenigen tijd door sommige predikers

en staatkundigen in het Noorden wordt aanbevolen, en had dus alle

menschelijke zwakheden en vooroordeelen overwonnen. Zijn hart was

zoover, Mijnheer, als het uwe en het mijne met behoorlijke moeite

en oefening ook gebracht zouden kunnen worden. De woeste blik van

angst en wanhoop, waarmede de vrouw hem aanzag, had iemand die minder

geoefend was, kunnen verontrusten; maar hij was er aan gewoon. Hij had

denzelfden blik honderden malen gezien. Gij kunt ook aan zulke dingen

gewoon worden, mijn vriend, en het is het groote doel der onlangs

aangewende pogingen om, tot roem der Unie, onze geheele Noordelijke

maatschappij daaraan gewoon te maken. De handelaar beschouwde dus den

doodelijken angst, waardoor hij die trekken zag verwrongen worden,

die dichtgeknepen handen en die benauwde ademhaling slechts als kleine

bijzaken van zijn beroep, en berekende alleen of zij zou gaan gillen

en opschudding veroorzaken; want, gelijk andere voorstanders van onze

eigenaardige instellingen, had hij bepaalden afkeer van alle gerucht.

De vrouw gilde echter niet. Het schot was haar te onverwacht recht

door het hart gegaan om te kunnen schreien of geluid geven. Duizelig

ging zij zitten. Hare slappe handen vielen als levenloos bij haar

neer. Zij staarde recht voor zich, maar zag niets. Het gerucht op

de boot en dat der machinerie klonk haar in de ooren alsof het in

een droom was; het arme, getroffen hart had kreet noch traan om zijn

jammer te uiten. Zij bleef geheel kalm.

De handelaar die voor zijn doen bijna even menschlievend was als

sommigen onzer staatslieden, scheen zich geroepen te gevoelen om die

soort van troost toe te dienen, die het geval toeliet.

"Ik weet wel, dat u dit in het begin een beetje hard moet vallen,

Lucy," zeide hij; "maar zulk een knappe en schrandere meid als gij

zijt, zal zich dat toch wel niet willen aantrekken. Gij begrijpt het

wel, het was noodzakelijk en niet te veranderen."

"O houd op, meester, houd op!" zeide de vrouw met eene stem, alsof

ze op het punt was om te stikken.

Maar Haley bleef aanhouden.

"Gij zijt eene knappe meid, Lucy," zeide hij, "en ik meen het goed

met u te maken en u eene beste plaats daar aan de rivier te bezorgen,

en gij zult gauw een anderen man krijgen, zulk een frissche meid als

gij zijt...."

"O meester, spreek nu maar niet tegen mij," zeide de vrouw op een

toon zoo vol zielesmart, dat de handelaar begreep, dat er in dit

geval iets was waarvoor zijn troost te kort schoot. Hij stond op,

en de vrouw keerde zich om en verborg haar gezicht in haren omslagdoek.

De handelaar wandelde eene poos op en neer, en bleef nu en dan staan

om naar haar te kijken.

"Zij neemt het wel wat zwaar op," was zijne alleenspraak; "maar

toch stil. Laat ze maar een poosje huilen; zij zal straks wel weer

bijkomen."

Tom had dit geheele voorval van het begin tot het einde gadegeslagen

en begreep volkomen wat de afloop zou zijn. Voor hem was het iets

onuitsprekelijk wreeds en gruwelijks, omdat hij, arme, onkundige,

zwarte ziel niet geleerd had zich op een hooger standpunt te verheffen

en de zaken in het algemeen en met ruimen blik te beschouwen. Als

hij slechts door zekere Christelijke leeraren onderwezen was geweest,

zou hij er misschien beter over gedacht hebben voor een dagelijksch

voorval in een wettigen handel; een handel, die de steun is eener

instelling, welke, gelijk een Amerikaansch godgeleerde [4] ons zegt,

"_geen kwaad heeft, dan wat van alle andere betrekkingen in het

gezellige en huiselijke leven onafscheidbaar is_." Daar Tom echter,

gelijk wij zien, een arm, onkundig man was, wiens lectuur geheel

tot het Nieuwe Testament beperkt was gebleven, kon hij zich niet

met zulke begrippen troosten en opbeuren. Zijn hart bloedde over

hetgeen hij hield voor het _kwaad_, dat de arme vrouw werd aangedaan,

die daar als een vertrapt wegwerpsel op de koffers lag; voor dat

gevoelende, levende, bloedende en toch onsterfelijke ding, dat de

Amerikaansche wetten van staat koelbloedig onder pakken, balen en

kisten rangschikten, waartusschen het lag.

Tom naderde en poogde iets te zeggen: maar zij antwoordde slechts met

tranen en zuchten. Met oprechten ijver en terwijl de tranen over zijne

wangen rolden, sprak hij van een hart vol liefde in den hemel; van

een medelijdenden Jezus en een eeuwig vaderland; maar het oor was doof

van zieleleed, en het doodelijk getroffen hart kon niets meer voelen.

De nacht kwam,--die stille, plechtige, heerlijke nacht, en zag met

zijne ontelbare glinsterende oogen op haar neer, alsof het oogen van

engelen waren; doch er kwam geene spraak of taal, geene medelijdende

stem, geene helpende hand uit den verwijderden hemel. Langzamerhand

werd het stiller en stiller, eindelijk sliep alles op de boot en hoorde

men alleen het kabbelen van het water voor den boeg. Tom strekte zich

op een kist uit, en terwijl hij daar lag, hoorde hij nog telkens een

gesmoorden snik of uitroep van de bedroefde vrouw.

De Negerhut · 第 12 / 44 段