"Mijn land, nog eens! Mijnheer Wilson, _gij_ hebt een land; maar

wat land heb _ik_, of iemand die zooals ik van eene slavenmoeder

geboren is? Welke wetten zijn er voor ons? Wij maken ze niet--wij

stemmen er niet in toe--wij hebben er niets mede te doen. Alles wat

zij voor ons doen, is ons verdrukken en onder bedwang houden. Heb ik

uwe vierde Juli-redevoering niet gehoord? Zegt gij ons niet eens in

het jaar, dat de regeering hare rechtvaardige macht verkrijgt door

de toestemming van hen die geregeerd worden? Kan iemand die zulke

dingen hoort niet denken? Kan hij het eene niet met het andere in

verband brengen en zien wat daaruit voortvloeit?"

Mr. Wilsons geest was een van die, welke men niet ongepast bij eene

baal katoen zou kunnen vergelijken--donzig zacht en verward. Hij

had inderdaad hartelijk medelijden met George, had ook een flauw en

beneveld begrip van den aard der aandoeningen die dezen vervulden;

maar hij achtte het toch zijn plicht om hem met onuitputtelijke

volharding "het goede" voor te houden.

"George, dat deugt zoo niet. Ik moet u als vriend zeggen dat gij beter

zoudt doen u niet met zulke denkbeelden op te houden. Zij zijn slecht,

zeer slecht, George, voor menschen in uwe omstandigheden."

En daarna zette Mr. Wilson zich bij eene tafel neer en kneep zich

zenuwachtig in de vingers.

"Zie eens hier, Mijnheer Wilson," zeide George, zich koelbloedig op

een stoel tegen hem over plaatsende: "zie mij nu eens aan. Zit ik daar

niet vóór u in alle opzichten evengoed een mensch als gij zijt? Zie

naar mijn gezicht--naar mijne handen--naar mijne houding," en daarmede

richtte de jonkman zich trotsch op. "Waarom ben ik niet een mensch zoo

goed als iemand? Welnu, Mijnheer Wilson, luister naar wat ik u zeggen

zal. Ik heb een vader gehad--een van uwe heeren uit Kentucky--die mij

niet goed genoeg achtte om te zorgen, dat ik niet met zijne paarden of

honden voor zijne schulden verkocht werd toen hij stierf. Ik zag mijne

moeder publiek verkoopen met hare zeven kinderen. Zij werden voor hare

oogen verkocht een voor een aan verschillende meesters, en ik was het

jongste. Zij knielde voor mijnen meester neer en bad hem om haar ook

te koopen, opdat er ten minste één kind bij haar zou blijven; maar hij

schopte haar van zich af met zijne zware laars. Ik zag hem dat doen;

en het laatste wat ik hoorde, was haar kermen en gillen, toen ik aan

zijn paard werd gebonden om naar zijn goed gebracht te worden."

"En toen?"

"Mijn meester kocht daarna mijn oudste zuster nog van iemand

anders. Zij was een vroom, goed meisje--lid van de baptistenkerk--en

even bevallig als mijne arme moeder geweest was. Zij was welopgevoed

en had goede manieren. Eerst was ik blijde dat zij gekocht werd, want

nu had ik eene vriendin bij mij. Spoedig speet het mij, Mijnheer;

ik heb bij de deur gestaan en haar hooren gegeeseld worden terwijl

het was alsof elke slag in mijn hart sneed; en ik kon toch niets doen

om haar te helpen.--En zij werd gegeeseld, Mijnheer, omdat zij een

eerlijk Christenleven wilde leiden, en eindelijk zag ik haar geketend

onder een troep, die naar de markt te Orleans werd gezonden,--om

niet anders dan dat--en dat is het laatste wat ik van haar weet. Nu,

ik groeide op--lang waren de jaren--zonder vader, moeder of zuster,

zonder iemand, die meer om mij gaf dan om een hond; niets dan slagen,

kwade woorden en honger lijden. Mijnheer, ik heb zulk een honger

geleden, dat ik blij was met de beenderen die men den honden toewierp;

en toch, toen ik nog een kleine jongen was en geheele nachten wakker

lag en schreide, was het niet van den honger of om de slagen. Neen,

Mijnheer, het was om mijn moeder en zuster; het was omdat ik niemand

op de wereld had om mij lief te hebben. Ik had nooit geweten wat

gerustheid of genoegen was; nooit had iemand mij vriendelijk woord

toegesproken, tot ik in uw fabriek kwam werken. Mijnheer Wilson, gij

hebt mij goed behandeld; gij hebt mij aangemoedigd om mijn best te

doen, om te leeren lezen en schrijven, om te beproeven iets van mij

zelven te maken; en God weet hoe dankbaar ik u daarvoor ben. Toen,

Mijnheer, vond ik mijne vrouw. Gij hebt haar gezien--gij weet hoe

schoon zij is. Toen ik vond dat zij mij liefhad, toen ik met haar

getrouwd was, kon ik nauwelijks gelooven dat ik leefde, zoo gelukkig

was ik; en o, Mijnheer, zij is even goed als schoon. Maar wat nu? Wel,

nu komt mijn meester, neemt mij weg van mijn werk, van mijne vrienden,

van alles waar ik aan gehecht ben, en zet mij aan den zwaarsten,

geringsten arbeid. En waarom? Omdat ik, zegt hij, vergat wie ik was;

om mij te leeren, zegt hij, dat ik maar een neger ben. En eindelijk

komt hij tusschen mij en mijne vrouw en zegt dat ik van haar moet

afzien en met eene andere vrouw leven. En tot dat alles geven uwe

wetten hem macht, in spijt van God en menschen. Zie dat eens aan,

Mijnheer Wilson. Er is niets van al die dingen, die mijne moeder en

mijne zuster, mijne vrouw en mij zelven het hart hebben gebroken,

of uwe wetten veroorloven het en geven ieder man in Kentucky macht

om het te doen, zonder dat iemand het hem kan beletten! Noemt gij

die wetten de wetten van _mijn_ land? Mijnheer, ik heb evenmin een

land als ik een vader heb. Maar ik zal er nu een krijgen. Ik wil

niets van _uw_ land, behalve dat het mij met rust laat, dat het mij

vreedzaam laat heengaan, en als ik in Canada kom, waar de wetten mij

zullen erkennen en beschermen, zal dat mijn land zijn, en ik zal daar

de wetten gehoorzamen. Maar als iemand mij wil tegenhouden, laat hij

zich hoeden, want ik ben wanhopig. Ik zal voor mijne vrijheid vechten

tot mijnen laatsten ademtocht. Gij zegt dat uwe vaderen dit gedaan

hebben; als zij wél hebben gedaan, doe ik ook wél."

Deze rede, gedeeltelijk zittende, gedeeltelijk op en neer stappende

uitgesproken, met tranen, flikkerende oogen en wanhopige gebaren was

te veel voor het goedhartige, oude manneke, tot wien zij gericht werd

en die een grooten gelen zijden zakdoek had uitgehaald waarmede hij

ijverig zijn gezicht afveegde.

"Dat de donder hen allen sla!" barstte hij eensklaps uit. "Heb ik

dat niet gezegd--die helsche schavuiten! Ik hoop toch dat ik niet

vloek. Wel, ga uw gang, George; ga uw gang. Maar wees voorzichtig,

mijn jongen. Schiet niemand dood, George, of--maar gij zoudt beter

doen niet te schieten, ten minste ik zou toch niemand raken, weet

ge. Waar is uwe vrouw, George?" voegde hij er eindelijk bij, met

zenuwachtige onrust opstaande.

"Heengegaan, Mijnheer, heengegaan met haar kind op den arm. De Heere

alleen weet waarheen. Zij is de noordster gaan zoeken, en wanneer

wij elkander zullen wederzien, en of wij elkander ooit op de wereld

zullen wederzien, kan geen schepsel zeggen."

"Verbazend! Is het mogelijk! Van zulk eene goede familie!"

"Goede familiën raken in schulden, en de wetten van ons land

veroorloven haar het kind van de moederborst te verkoopen om de

schulden van den meester te betalen," zeide George met bitterheid.

"Wel, wel," zeide de brave oude man, in zijnen zak zoekende. "Ik

vrees haast dat ik niet met overleg handel--loop heen, ik _wil_ niet

met overleg handelen!" vervolgde hij eensklaps. "Daar dan, George!"

En een rolletje bankbriefjes uit zijne portefeuille nemende, bood

hij dit George aan.

"Neen, mijn goede heer!" zeide George. "Gij hebt al veel voor mij

gedaan, en dit zou u in moeite kunnen brengen. Ik heb geld genoeg

hoop ik, om mij zoover te brengen als noodig is."

"Neen, neen. Gij moet, George. Geld is een groote hulp overal; gij

kunt er niet te veel van hebben, als gij het eerlijk krijgt. Neem

het--kom aan, neem het, mijn jongen,"

"Onder beding, Mijnheer, dat ik het eens mag teruggeven, neem ik het

dan aan," zeide George.

"En nu, George, hoelang zult gij op deze manier reizen? Niet lang

of ver, hoop ik. Gij voert het uitmuntend uit; maar het is al te

stout. En die zwarte kerel, wie is hij?"

"Een trouwe kerel, die langer dan een jaar geleden naar Canada is

gegaan. Hij hoorde, toen hij daar was, dat zijn meester zoo kwaad

was over zijn wegloopen, dat hij zijne arme moeder liet geeselen:

en hij is dien geheelen weg teruggekomen om haar te troosten en eene

gelegenheid te zoeken om haar weg te krijgen."

"Heeft hij haar gekregen?"

"Nog niet. Hij heeft om de plaats rond gezworven, maar nog geen

kans gevonden. Ondertusschen gaat hij met mij mede tot in Ohio,

om mij daar onder de vrienden te brengen die hem geholpen hebben,

en dan zal hij om haar terugkomen."

"Gevaarlijk! zeer gevaarlijk!" zeide de oude man.

George richtte zich trotsch op met een glimlach van minachting.

De oude heer bekeek hem van het hoofd tot de voeten met zekere

onnoozele verwondering.

"George, er is iets dat u verbazend veranderd heeft," zeide hij. "Gij

houdt nu het hoofd op en spreekt alsof gij een ander mensch waart

geworden."

"Omdat ik nu een _vrij man_ ben, Mijnheer," zeide George met

trotschheid. "Ja, Mijnheer, ik heb voor de laatste maal "meester"

tegen iemand gezegd. Ik ben vrij."

"Pas op. Gij zijt nog niet veilig. Gij kunt weder gevat worden."

"Alle menschen zijn vrij en gelijk in het graf, Mijnheer Wilson,

als het zoover komt," zeide George.

"Ik sta geheel verstomd over uwe vermetelheid," hervatte Wilson. "Hier

zoo recht naar de naaste herberg te komen."

"Mijnheer Wilson, het is _zoo_ vermetel en de herberg is zoo nabij, dat

zij er nooit aan zullen denken. Zij zullen mij veel verder opzoeken,

en gijzelf zoudt mij niet gekend hebben. De meester van Jim woont

niet in dit graafschap, hij is in deze streken onbekend. Bovendien,

hij is opgegeven, niemand zoekt meer naar hem, en mij zal men op de

advertentie niet aanhouden."

"Maar het merk in uwe hand?"

George trok zijn handschoen uit en liet een versch litteeken in zijne

hand zien.

"Dat is een aandenken van Mijnheer Harris," zeide hij: "veertien

dagen geleden kreeg hij in het hoofd om mij dat te geven, omdat

hij geloofde, zeide hij, "dat ik wel eens zou beproeven om weg te

loopen." Het ziet er aardig uit, niet waar?" voegde hij er bij,

zijn handschoen weder aantrekkende.

"Ik verklaar u, het bloed stolt mij als ik er aan denk--uwe

omstandigheden en uw gevaar!" zeide Mr. Wilson.

"Het mijne is al jarenlang gestold geweest, maar nu is het kokend

heet," antwoordde George.

"Wel, mijn goede heer," vervolgde hij na een poos van stilte, "ik zag

dat gij mij herkend hadt en ik meende dat ik eens even met u spreken

moest, opdat uw verwonderd gezicht mij niet zou doen ontdekken. Ik

vertrek morgenochtend vóór den dageraad; en morgennacht hoop ik veilig

in Ohio te slapen. Ik zal bij daglicht reizen, in de beste hôtels

gaan en mij met de heeren des lands aan tafel zetten. Vaarwel dus,

Mijnheer. Als gij hoort dat ik gevat ben, kunt gij ook weten, dat ik

dood ben."

George stond daar als eene rots en stak met de houding van een vorst

zijne hand uit. Het vriendelijke, oude heertje drukte die hartelijk, en

na eenige vermaningen tot voorzichtigheid trippelde hij de kamer uit.

George staarde peinzend naar de deur toen zij gesloten werd. Eensklaps

scheen hem iets in te vallen. Hij deed een paar schreden, opende de

deur weder en zeide:

"Mijnheer Wilson, nog een woordje."

De oude heer kwam weder binnen. George sloot de deur gelijk te voren

en bleef toen een oogenblik besluitloos staan. Eindelijk zeide hij,

als met inspanning:

"Mijnheer Wilson, gij hebt u door uwe manier van handelen met mij een

christen getoond--ik wilde een laatste daad van christelijke liefde

van u vragen."

"Wel, George?"

"Wel, Mijnheer, wat gij zegt is de waarheid. Ik loop een

verschrikkelijk gevaar. Er is op aarde geene levende ziel, die

zich om mij bekommert;" hij haalde nu zwaar adem en sprak slechts

met groote moeite voort: "Ik zal als een hond weggeschopt en als

een hond begraven worden, en een dag later zal niemand meer om mij

denken--behalve mijne arme vrouw. Arme ziel! Zij alleen zal om mij

treuren. Als gij een middel kondt vinden, Mijnheer Wilson, om haar dit

speldje te doen toekomen. Zij gaf het mij eens als een kerstpresentje,

het goede kind. Geef het haar, en zeg dat ik haar tot het laatste

toe heb liefgehad. Wilt gij? Zult gij?"

"Ja zeker, arme man," antwoordde Wilson met eene van aandoening

bevende stem, en nam met tranen in de oogen de speld aan.

"Zeg haar nog dit eene," hervatte George, "het is mijn laatste wensch,

dat zij, als zij naar Canada kan komen, daarheen moet gaan. Hoe

goed hare meesteres ook wezen mag--hoeveel zij van hare woonplaats

mag houden, laat zij niet terugkeeren--want slavernij eindigt in

ellende. Zeg haar dat zij haar kind als een vrij man moet opvoeden,

en dat hij dan niet lijden zal zooals ik heb geleden. Zeg haar dat,

Mijnheer Wilson; wilt gij?"

"Ja, George, ik zal het haar zeggen: maar ik vertrouw dat gij niet

sterven zult. Vat moed; gij zijt immers een moedig man. Vertrouw op

den Heere. Ik wenschte met al mijn hart dat gij er veilig doorheen

waart, hoewel--maar ik wenschte het toch."

"Is er een God om op te vertrouwen?" zeide George op zulk een toon

van bittere wanhoop, dat de oude heer er van versteld stond.

"O, ik heb in mijn leven dingen gezien, die mij deden denken dat

er geen God kon zijn. Maar christenen weten niet hoe die dingen ons

voorkomen. Er is een God voor u, maar is er een voor ons?"

"O, neen, neen, spreek zoo niet mijn jongen," zeide de oude man bijna

snikkende: "denk zoo niet. Er is een God! Rondom Hem zijn wolken en

duisternis, maar waarheid en gerechtigheid zijn de grondvesten van

Zijnen troon. Er is een God, George--geloof dat, vertrouw op Hem,

en ik ben zeker dat Hij u helpen zal. Alles zal terechtkomen--zoo

niet in dit leven, dan in een ander."

De echte godsvrucht en menschlievendheid van den eenvoudigen ouden

man bekleedden hem, toen hij zoo sprak, voor een oogenblik met gezag

en waardigheid. George, die in groote gemoedsbeweging de kamer op en

neer stapte, bleef een oogenblik peinzend staan en zeide toen zacht:

"Ik dank u dat gij dit gezegd hebt, mijn goede vriend. Ik zal er

aan denken."

TWAALFDE HOOFDSTUK.

EEN PROEFJE VAN WAT ER IN DEN WETTIGEN HANDEL VOORKOMT.

Eene stem is gehoord in Rama,

geklag, geween, en groot gekerm;

Rachel beweent hare kinderen en

wil niet vertroost wezen, omdat zij

niet meer zijn.

Mr. Haley en Tom hotsten op den wagen voort, ieder voor eene poos in

zijne eigene gedachten verdiept. Nu is het met de gedachten van twee

menschen die naast elkander zitten, zonderling gesteld. Terwijl zij op

dezelfde bank gezeten zijn, dezelfde oogen, ooren, handen en allerlei

andere organen hebben, is het verwonderlijk welk een verschil wij in

hunne gedachten zullen vinden.

Wat Haley bij voorbeeld betreft, hij dacht het eerst aan Toms lengte,

breedte en sterkte, en voor hoeveel deze verkocht zou kunnen worden,

als hij vet en in goeden staat gehouden werd tot hij aan de markt

kwam. Hij dacht hoe hij een troep bijeen zou brengen, hij dacht aan

de waarde van zekere mannen, vrouwen en kinderen, waaruit die troep

bestaan zou, en andere handelszaken. Daarna dacht hij aan zich zelven

en hoe menschelijk hij was, daar, terwijl anderen hunne negers aan

handen en voeten boeiden, hij Tom alleen boeien aan de beenen deed en

zijne handen vrij liet zoolang hij zich wel gedroeg; en dan zuchtte

hij bij de gedachte hoe ondankbaar de menschen waren, zoodat het zelfs

twijfelachtig was of Tom zijne barmhartigheid wel waardeerde. Hij was

zoo dikwijls beetgenomen door negers, die hij gunsten had bewezen,

dat hij zich verwonderde hoe hij nog zoo goedhartig was gebleven.

Wat Tom aangaat, hij dacht aan eenige woorden uit een oud boek,

dat tegenwoordig niet meer in de mode is, maar die hem gedurig in

het hoofd kwamen. Zij waren de volgende: "Wij hebben hier geene

blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende. Daarom schaamt zich

God hunner niet om hun God genaamd te worden, want Hij heeft hun

eene stad bereid." Deze woorden uit een oud boek, voornamelijk door

"onkundige en ongeleerde mannen" geschreven, hebben door alle tijden

heen eene zonderlinge macht uitgeoefend over het gemoed van arme,

eenvoudige lieden zooals Tom. Zij brengen hunne ziel tot in hare

diepste diepte in beweging en wekken, als met trompetgeschal, moed,

kracht en geestdrift op, waar te voren niets anders dan wanhoop was.

Haley haalde eenige couranten uit zijn zak en begon met aandacht

de advertentiën na te zien. Hij was geen zeer vlot lezer en had dus

de gewoonte om in eene soort van recitatief half-overluid te lezen,

als wilde hij zijne ooren laten oordeelen of zijne oogen het recht

begrepen. Op dezen toon las hij het volgende:

"Verkoop bij executie.--Negers.--Volgens machtiging van het Hof

zullen op Dinsdag 20 Februari, voor de deur van het Raadhuis,

in de stad Washington, Kentucky, verkocht worden de volgende

negers: Hagar, oud 60; John, oud 30; Ben, oud 21; Saul,

oud 15; Albert, oud 14. Te verkoopen ten voordeele van de

crediteuren en erfgenamen in den boedel van Jesse Blutchford.

Samuel Morris en Tomas Flint, executeuren."

"Daar moet ik naar kijken," zeide Haley tegen Tom, uit gebrek aan

iemand anders om tegen te spreken. "Ge moet weten, ik zal een mooien

troep bijeenbrengen om met u mee te nemen, Tom; dat zal het gezellig

en plezierig maken, zulk goed gezelschap, he? Wij moeten eerst recht

naar Washington; daar zal ik u dan in de gevangenis plakken, terwijl

ik zaken ga doen."

Tom hoorde deze aangename kennisgeving met zachtzinnige gedweeheid

aan, en verwonderde zich eenvoudig bij zich zelven, hoeveel van

die ongelukkige mannen vrouwen en kinderen zouden hebben, en of

zij ook hetzelfde zouden gevoelen als hij, wanneer zij die moesten

verlaten. Het moet ook gezegd worden, dat het naïeve bericht dat

hij in de gevangenis zou gezet worden, geen zeer aangenamen indruk

teweegbracht bij een armen kerel, die altijd eenigszins trotsch was

op zijn eerlijkheid, daar hij niet veel anders had om trotsch op

te wezen. Als hij tot sommige hoogere klassen der maatschappij had

behoord, zou hij misschien geen gevaar hebben geloopen om tot zulk

eene trotschheid te komen. Maar hoe dit zij, die dag verliep, en de

avond zag Haley en Tom te Washington bezorgd, den een in de herberg,

den ander in de gevangenis.

Tegen elf uren van den volgenden dag verzamelde zich een gemengde

troep menschen bij de stoep van het raadhuis, rookende, pruimende,

spuwende, vloekende en pratende, volgens ieders smaak en neiging,

en wachtende tot de verkooping beginnen zou. De mannen en vrouwen,

die verkocht zouden worden, zaten afzonderlijk in eene groep en spraken

zacht met elkander. De vrouw, die in de advertentie Hagar was genoemd,

was eene echt Afrikaansche van gezicht en gestalte. Zij kon zestig

jaar wezen, maar scheen door zwaar werken en ziekelijkheid veel ouder;

zij was half blind en half kreupel van rheumatiek. Naast haar stond

haar eenige overgebleven zoon Albert, een jongen van veertien jaren,

met een schrander uitzicht. De knaap was alleen nog over van eene

talrijke familie, die stuk voor stuk naar de Zuidelijke markt was

verkocht. De moeder hield hem met beide handen vast, en beefde van

angst als er iemand aankwam om hem te bezichtigen.

"Wees maar niet bang, tante Hagar," zeide de oudste der mannen. "Ik

heb er met meester Thomas over gesproken, en hij dacht dat hij het

wel schikken kon om u te zamen te verkoopen."

"Zij behoeven mij nog niet versleten te noemen," zeide zij daarop,

hare bevende handen opheffende. "Ik kan nog koken, schrobben en

schuren. Ik ben het koopen nog wel waard, als ik goedkoop ga. Zeg

hun dat--zeg hun dat toch," voegde zij er met aandrang bij.

Haley kwam naar de groep en bezichtigde het eerst een ouden man, deed

zijn mond open en keek erin, bevoelde zijne tanden, liet hem opstaan,

zich uitrekken, zijn rug buigen en verschillende bewegingen maken,

om zijne spieren te laten zien. Daarna ging hij naar den volgenden en

nam dezelfde proeven. Eindelijk kwam hij bij den knaap, betastte zijne

armen, kneep zijne handen, bekeek zijne vingers en liet hem springen,

om zijne vlugheid te toonen.

"Hij wordt niet zonder mij verkocht," zeide de oude vrouw met

hartstochtelijke drift. "Hij en ik gaan samen in één koop. Ik ben

nog heel sterk, meester, en kan nog een boel werk doen--een boel

werk, meester."

"Op eene plantage?" zeide Haley met een blik van minachting. "Dat

gelijkt er wel naar."

En voldaan met zijn onderzoek, kuierde hij op, en bleef met zijne

handen in zijne zakken en een sigaar in zijnen mond heen en weder

drentelen.

"Wat dunkt u er van?" zeide een man, die Haley's onderzoek had

gadegeslagen, alsof hij zelf daarop wilde afgaan.

"Wel," antwoordde Haley, eens spuwende: "ik zal op een paar van de

jongsten en op dien knaap bieden."

"Zij willen den knaap en de oude vrouw samen verkoopen," hervatte

de man.

"Dat zullen zij vrij moeielijk vinden. Zij is immers een oude zak

met knokken, die haar zout niet waard is."

"Gij zoudt haar dan niet willen hebben?"

"Het zou een gek zijn die dat wilde. Zij is half blind, krom van de

rheumatiek, en nog simpel ook er bij."

"Er zijn menschen die dat oude goed koopen, en zeggen dat er nog veel

meer mee te doen is dan men denken zou," zeide de man peinzend.

"Ik zou haar niet present willen hebben," antwoordde Haley. "Ik heb

haar gezien."

"Wel, het zou jammer zijn haar niet met haren zoon te koopen;

zij schijnt er haar hart zoo op gesteld te hebben. Als zij haar nu

goedkoop op hem toegeven?"

"Voor iemand die op die manier geld heeft weg te gooien, is het goed

en wel," antwoordde Haley. "Ik zal op den jongen bieden voor een

plantage arbeider. Maar met haar wil ik niet belast wezen, al gaven

zij er haar op toe."

"Zij zal razend te werk gaan," zeide de man.

"Natuurlijk zal zij dat," antwoordde de handelaar koeltjes.

Hier werd het gesprek gestoord door een algemeen gemompel, en de

afslager, een kort en dik manneke, drong met veel drukte en groote

deftigheid door de menigte heen. De oude vrouw haalde diep adem en

greep onwillekeurig haar zoon vast.

"Blijf dicht bij mij, Albert--dicht bij mij--zij zullen ons te zamen

opzetten," zeide zij.

"Och, moeder, ik vrees, dat zij toch niet zullen," antwoordde de knaap.

"Zij moeten, kind. Anders kan ik niet blijven leven," riep zij

heftig uit.

De forsche stem van den afslager, roepende om ruimte te maken,

kondigde nu aan dat de verkooping beginnen zou. Men schikte zich in

een kring, en het bieden begon. De mannen, die op de lijst stonden,

werden spoedig toegeslagen tot prijzen, die bewezen dat er tamelijk

veel vraag aan de markt was. Twee van hen vielen Haley ten deel.

"Kom aan nu, jongen," zeide de afslager en gaf den knaap een stootje

met zijnen hamer. "Op, en laat zien hoe ge springen kunt."

"Zet ons samen op,--samen, als het u belieft, meester," riep de oude

vrouw, zich aan haren zoon vasthoudende.

"Uit den weg," zeide de afslager, haar ruw terugduwende. "Gij komt

het laatst. Kom aan, zwarte, spring!"

En met deze woorden duwde hij den knaap naar het blok, terwijl achter

hem een zware zucht werd geslaakt. De jongen bedacht zich nog en

keek om, maar er werd hem geen tijd gelaten. Hij veegde de tranen

uit zijne heldere oogen en was in een oogenblik omhoog.

Zijn welgemaakte leden, forsche lichaamsbouw en schrander uitzicht

wekten aanstonds kooplust op en wel zes stemmen deden tegelijk een

bod. Angstig keek de knaap van den een naar den ander, terwijl het

opbieden voortging en nu hier, dan daar een hoogere som werd geroepen,

tot eindelijk de hamer viel. Haley had hem gekregen. Hij werd van het

blok naar zijnen nieuwen meester geduwd, maar bleef nog een oogenblik

staan en keek om, terwijl zijne arme, oude moeder, over al hare leden

bevende, hare sidderende handen naar hem uitstak.

"Koop mij ook, meester. Om onzen lieven Heerswil, koop mij. Ik zal

sterven als gij het niet doet."

"Gij moogt sterven als ik het doe," antwoordde Haley. "Neen, zeg

ik." En daarmede keerde hij zich om.

Voor de arme, oude sloof, werd maar één bod gedaan. De man, die met

Haley gesproken had en niet van medelijden ontbloot scheen te zijn,

kocht haar voor eene kleinigheid en daarna begonnen de toeschouwers

uiteen te gaan.

De arme slachtoffers der verkooping, die jarenlang met elkander op

dezelfde plaats hadden gewoond, verzamelden zich om de wanhopige oude

moeder, wier zielesmart jammerlijk was om aan te zien.

"Konden zij er mij niet één laten? Meester heeft altijd gezegd dat

ik er één houden zou--altijd heeft hij dat gezegd," herhaalde zij

gedurig op een hartbrekenden toon.

"Vertrouw maar op den Heere, Tante Hagar," zeide een der mannen

droevig.

"Wat zal mij dat baten?" antwoordde zij, hartstochtelijk snikkende.

De Negerhut · 第 11 / 44 段