haastig het koordje met den dollar om den hals. "Daar, knoop uw buis
er nu over dicht, en bewaar hem, en bedenk telkens als gij hem ziet,
dat ik u eens zal komen terughalen. Tante Chloe en ik hebben daarover
gesproken. Ik zeide haar dat zij niet bang moest wezen. Ik zal er
voor zorgen, en mijn vader doodplagen als hij het niet doet."
"O, jongeheer George, gij moet zoo niet van uwen vader spreken."
"Nu, ik meen geen kwaad, Tom."
"Maar, jongeheer George," hervatte Tom, "gij moet een brave goede
jongen zijn, en bedenken hoeveel harten aan u gehecht zijn. Houd altijd
uwe moeder in waarde. Leer de dwaze manieren niet van de jongens, die
denken dat zij te groot worden om zich aan hunne moeder te storen. Ik
zal u wat zeggen, jongeheer George. De Heere geeft vele goede dingen
tweemaal over; maar uwe moeder geeft Hij u maar eens. Gij zult geene
andere zoodanige vrouw vinden, jongeheer George, al wordt gij honderd
jaar oud. Houd u dus aan haar vast en groei op om haar tot troost te
zijn. Dat zult gij immers, niet waar?"
"Ja, dat zal ik, dat wil ik, Oom Tom," antwoordde George ernstig.
"En wees voorzichtig in uw spreken, jongeheer George. Jongelieden,
als zij op uwe jaren komen, zijn somtijds driftig en eigenzinnig--dat
is natuurlijk. Maar echte _gentlemen_, zooals ik hoop dat gij er een
worden zult, laten zich nooit een woord ontvallen dat niet eerbiedig
voor hunne ouders is. Gij wordt toch niet boos, dat ik dit zeg,
jongeheer George."
"Neen, waarlijk niet, Oom Tom. Gij hebt mij altijd goeden raad
gegeven."
"Ik ben ouder, weet ge," zeide Oom Tom, zijne groote grove hand over de
krullende lokken van den knaap strijkende, met eene stem, zoo zacht als
die eener vrouw, "en ik zie hoeveel er van u verwacht kan worden. O,
jongeheer George, gij hebt alles--kundigheden, voorrechten, lezen en
schrijven--en gij zult opgroeien tot een groot man; en allen op de
plaats en uwe moeder zullen trotsch op u zijn. Wees een goed meester,
gelijk uw vader, en wees een christen, zooals uwe moeder. Gedenk aan
uwen Schepper in de dagen uwer jeugd, jongeheer George."
"Ik wil _waarlijk_ goed worden, Oom Tom, dat zeg ik u," antwoordde
George. "Ik zal waarlijk mijn best doen. En wordt gij maar niet
moedeloos. Ik zal u nog wel terughalen, zooals ik Tante Chloe van
morgen heb gezegd. Ik zal een nieuw huis voor u bouwen, en gij zult
eene voorkamer hebben met een tapijt op den vloer, als ik groot ben. O,
gij zult nog eens een goeden tijd krijgen."
Haley kwam weder aan de deur met de boeien in de hand.
"Luister eens, Mijnheer," zeide George, van den wagen stappende,
met een toon van meerderheid, "ik zal vader en moeder eens zeggen
hoe gij Oom Tom behandelt."
"Dat staat u vrij," antwoordde de handelaar.
"Ik zou denken dat gij u schamen moest, al uw leven te slijten met
menschen te koopen en als honden aan kettingen te sluiten. Ik zou
denken dat gij u laag moest voelen," zeide George.
"Zoolang gij, groote lui, menschen wilt koopen, ben ik evengoed als
gij," antwoordde Haley, "het verkoopen is niet lager dan het koopen."
"Ik zal geen van beiden doen als ik eens een man ben," liet
George hierop volgen. "Ik schaam mij vandaag dat ik een Kentuckiër
ben. Voorheen ben ik daar altoos trotsch op geweest."
En met deze woorden zette hij zich recht op zijn paard en keek rond,
alsof hij dacht dat de geheele staat ontzag zou hebben voor zijn
gevoelen.
"Nu, goeden dag, Oom Tom, houd maar moed!" zeide hij eindelijk.
"Goeden dag, jongeheer George," antwoordde Tom, hem met ingenomenheid
en bewondering aanziende, "God almachtig zegene u! Ach, Kentucky heeft
er niet veel zooals gij!" zeide hij uit de volheid van zijn hart,
toen het openhartige, jeugdige gezicht uit zijne oogen verdween. Hij
bleef nog staren tot hij de hoefslagen niet meer hoorde, het laatste
geluid, dat hem aan zijne oude woning herinnerde. Maar boven zijn
hart scheen een warme plek te blijven, waar die jeugdige handen dien
kostbaren dollar hadden geplaatst. Tom hief zijne hand op en drukte
hem vast tegen zijne borst.
"Nu zal ik u eens wat zeggen," zeide Haley, toen hij bij den wagen kwam
en de handboeien daarin wierp. "Ik meen redelijk met u te beginnen,
zooals ik doorgaans met mijne negers doe; en ik zeg u om te beginnen,
als gij mij redelijk behandelt, zal ik u ook redelijk behandelen. Ik
ben nooit hard voor mijne negers en meen mijn best voor u te doen. Gij
ziet, het is het beste dat gij stil blijft zitten en geene streken
beproeft; want ik ben aan alle negerstreken gewoon en die baten bij
mij niet. Als een neger zich stilhoudt en niet beproeft weg te loopen,
heeft hij een goeden tijd bij mij; zoo niet, dan is het zijne schuld
en niet de mijne."
Tom verzekerde Haley dat hij niet van voornemen was om weg te
loopen. Over het geheel scheen de vermaning overbodig bij iemand,
die een paar boeien aan de beenen had, maar Haley had de gewoonte
aangenomen om zijn betrekking met zijn menschelijk vee met zulke korte
opwekkingen te beginnen, waardoor hij dacht gerustheid en vertrouwen
in te boezemen en onaangename tooneelen te verhoeden.
En nu nemen wij vooreerst afscheid van Tom, om de lotgevallen der
andere personen van ons verhaal te vervolgen.
ELFDE HOOFDSTUK.
WAARIN EEN SLAAF VOORKOMT DIE GEEN SLAAF MEER IS.
Het was laat op een regenachtigen namiddag, toen een reiziger voor
de deur van eene landelijke herberg in het dorp N*** in Kentucky
afstapte. In de buffetkamer vond hij een zeer gemengd gezelschap van
lieden, die daar voor het weder eene schuilplaats hadden gezocht en
het gewone tooneel van zulk eene samenkomst aanboden. Zware, lange,
grof gebouwde Kentuckiërs in jachtkleedij, die achteloos uitgestrekt,
met hunne lompe leden eene aanzienlijke plaats besloegen--jachtroeren
in een hoek bijeengezet--weitasschen, kogelzakken, jachthonden en
kleine negers bij elkaar in de andere hoeken, waren de eigenaardige
trekken van het tafereel. Aan iedere zijde van den haard zat een
heer met lange beenen, met achterover gewipten stoel, den hoed op
het hoofd, en de hielen zijner bemodderde laarzen te pronk op den
schoorsteenmantel--eene houding, welke men in Westersche herbergen
zeer dikwijls door reizigers ziet aannemen.
De kastelein, die achter de toonbank aan het buffet stond, was gelijk
de meeste zijner landgenooten, goedaardig, groot van gestalte en
lang van leden, met een vervaarlijken ruigen bos haar op het hoofd,
en een hoogen hoed daar bovenop.
Iedereen in de kamer droeg met echt republikeinschen vrijheidszin
dat teeken der mannelijke oppermacht op het hoofd, hetzij van vilt
of palmbladeren, oud en smerig of glimmend-nieuw. De hoed scheen
zelfs het karakteristiek onderscheidingsteeken van elken persoon te
zijn. Sommigen droegen hem luchtig op een oor, en dit waren ook de
luchtige, vroolijke lieden, luimig en ongegeneerd; anderen hadden hem
diep op den neus gedrukt, en dit waren de harde karakters, mannen van
stavast, die als zij een hoed op hadden, wilden laten zien dat zij
hem op hadden en voor niemand afnamen; nog anderen hadden den hoed ver
achterover gezet, en dit waren lieden, die bijzonder bijdehand waren
en een onbelemmerd uitzicht wilden hebben; terwijl onverschillige,
zorgelooze lieden, wien het niet schelen kon hoe hun hoed stond,
dien ook blijkbaar hadden opgezet, gelijk het toeval wilde. Men had
van die hoeden eene geheele studie kunnen maken.
Verscheidene negers, met zeer wijde broeken maar niet overmatig van
hemden voorzien, liepen heen en weer, zonder veel meer te doen, dan
hunne bereidwilligheid te toonen om voor de gasten alles overhoop
te halen. Men voege bij dit tafereel nog een vroolijk vlammend en
knetterend vuur, dat hoog in een wijden schoorsteen opslaat--terwijl
de buitendeur en vensters wijd openstaan, en de katoenen gordijnen
in den vochtigen guren wind die met tamelijk veel kracht waait, heen
en weder zwieren--en men heeft een denkbeeld van de aangenaamheden
eener landelijke herberg in Kentucky.
De Kentuckiër van den tegenwoordigen tijd is een goed bewijs voor de
leer van het erfelijke van eigenaardige gewoonten en neigingen. Zijne
vaderen waren groote jagers--menschen, die in de bosschen leefden en
onder den blooten hemel sliepen, met de sterren om hun te lichten;
en hun afstammeling doet nog altijd alsof hij het huis voor het
open veld hield--heeft altijd zijn hoed op, smijt zich neer zoo
lang als hij is en legt zijne voeten op de leuning van een stoel
of op den schoorsteenmantel, evenals zijn vader op het groene gras
ging liggen, met zijne voeten op een boomstam--laat winter en zomer
deur en venster open om lucht genoeg te krijgen voor zijne groote
longen--noemt iedereen met luchthartige vriendelijkheid "vreemdeling,"
en is over het geheel het rondborstigste, vroolijkste, ongegeneerdste
schepsel op de wereld.
Onder een gezelschap van zulke ongegeneerde lieden trad onze reiziger
nu binnen. Hij was een kort, zwaarlijvig man, zorgvuldig gekleed,
met een rond, goedhartig gezicht en eene eenigszins zonderlinge
drukte in zijne manieren. Hij was zeer bezorgd voor zijn valies en
parapluie, bracht deze met eigen handen binnen en wees hardnekkig de
aanbiedingen der bedienden af om hem daarvan te ontslaan. Hij keek met
zekere angstigheid in de kamer rond, en zich met zijne kostbaarheden
naar den warmsten hoek begevende, schikte hij ze onder een stoel,
zette zich daarop neer en bleef eenigszins vreesachtig zitten turen
naar den heer, wiens hielen dat einde van den schoorsteen versierden,
en die rechts en links spuwde met eene kracht, welke iemand, die zwak
van zenuwen en net op zijne kleeren was, wel mocht verontrusten.
"Zeg eens, vreemdeling, hoe vaart gij?" zeide de bovenbedoelde heer,
een saluutschot van tabakssap naar den nieuw-aangekomene richtende.
"Zoo tamelijk wel," was het antwoord van den ander, die met schroom
het dreigende eerbewijs ontweek.
"Iets nieuws?" vroeg de eerste weder en haalde een stuk pruimtabak
en een groot mes uit zijn zak.
"Niets, dat ik weet," was het antwoord.
"Pruimen?" zeide de eerste weder, en bood den ouden heer een stuk tabak
aan met eene gulheid, die inderdaad broederlijk mocht genoemd worden.
"Neen, wel bedankt; dat bekomt mij niet goed," antwoordde het manneke
zich afwendende.
"Niet? Zoo!" zeide de ander en stak het stuk in zijn eigen mond,
waarna hij weder aan het kauwen en spuwen ging.
De oude heer maakte telkens eene kleine beweging van schrik, wanneer
zijn lange broeder in zijne richting vuurde; en toen deze dit opmerkte,
was hij goedhartig genoeg om zijne artillerie naar den anderen kant
te keeren en spuwde in het vuur.
"Wat is dat?" zeide de oude heer, toen hij opmerkte dat eenigen van
het gezelschap eene groep vormden voor een groot gedrukt biljet.
"Een neger geadverteerd," antwoordde een van de groep kortaf.
Mr. Wilson, want zoo heette de oude heer, stond op, en nadat hij zijn
valies en parapluie te recht had gelegd, haalde hij zeer bedaard zijn
bril uit en zette dien op zijn neus. Dit verricht hebbende las hij
het volgende:
"Weggeloopen van den ondergeteekende mijn mulat George. Gezegde George
zes voet lang, zeer lichte mulat, met bruin krullend haar, is zeer
schrander, spreekt goed, kan lezen en schrijven; zal waarschijnlijk
beproeven voor een blanke door te gaan, heeft diepe litteekens op
rug en schouder, is in zijne rechterhand gebrand met de letter H.
"Ik wil vierhonderd dollars levend voor hem geven, en dezelfde som
voor voldoend bewijs dat hij doodgeschoten is."
De oude heer las deze advertentie van het begin tot het einde
binnensmonds, alsof hij ze van buiten leerde.
De langgebeende man, die in het vuur had zitten spuwen, nam nu zijne
hielen van den schoorsteenmantel, richtte zijne lange leden op,
kwam naar het biljet en bespoot het zeer bedaard met een groote
klad tabakssap.
"Dat is mijn gevoelen daarover!" zeide hij kortaf en ging weder zitten.
"Wel, vreemdeling, waarom doet gij dat?" zeide de kastelein.
"Ik zou den schrijver van dat papier hetzelfde doen als hij hier was,"
antwoordde de lange man en sneed koelbloedig weder een pruim. "Iemand
die zulk een jongen heeft en geene betere manier weet om hem te
behandelen, verdient hem te verliezen. Zulke papieren als dat zijn
eene schande voor Kentucky; dat is mijn gevoelen ronduit, als iemand
het verlangt te weten."
"Wel zoo, dat schrijf ik maar op," zeide de kastelein en schreef ook
iets in zijn boek.
"Ik heb een troep jongens, mijnheer," zeide de lange man, weder in
het vuur spuwende, "en ik zeg hun eenvoudig: "Jongens, loop maar weg
als gij wilt. Ik zal nooit iemand komen zoeken." Dat is de manier,
waarop ik de mijnen houd. Laten zij weten dat het hun vrijstaat
om weg te loopen, dan hebben zij er geen lust meer toe. Meer nog:
ik heb vrijbrieven voor hen allen laten opmaken, ingeval mij eens
iets overkomen mocht, en ik zeg u, vreemdeling, er is niemand in
onze streken die meer van zijne negers gedaan krijgt dan ik. Wel,
mijne jongens zijn naar Cincinnati geweest met vijfhonderd dollars
waarde aan veulens, en zijn met het geld regelrecht weer naar huis
gekomen. Het spreekt vanzelf dat zij dit deden. Behandel ze als honden
en gij zult hondenwerk en hondenbedrijf van hen hebben. Behandel ze
als menschen en gij zult menschenwerk hebben."
En in zijner ijver spuwde de brave paardenkooper nog eens zoo forsch
in het vuur.
"Ik geloof dat gij volkomen gelijk hebt, vriend," zeide Mr. Wilson;
"en de jongen die hier beschreven wordt, is een knappe kerel--dat
is zeker. Hij heeft zes jaren in mijne fabriek gewerkt en hij was
mijn beste arbeider, Mijnheer. Hij is een vernuftige kerel ook. Hij
heeft eene machine uitgevonden om hennep te zuiveren--inderdaad een
kostbaar ding. Zij is in verscheidene fabrieken in gebruik gekomen
en zijn meester heeft het patent daarvan."
"Daar maakt hij geld van," zeide de paardenkooper, "en dan keert
hij zich om en brandmerkt den jongen in zijne rechterhand. Als ik
gelegenheid had, denk ik, zou ik hem eens merken, dat hij een poosje
geteekend zou blijven."
"Die knappe jongens zijn altijd weerspannig en brutaal," zeide een
grove gemeene kerel aan den anderen kant van het vertrek, "daarom
worden zij geslagen en gebrand. Als zij zich onderdanig hielden zou
dat niet gebeuren."
"Dat is te zeggen, de Heere maakte hen menschen en het is moeielijk
hen tot beesten te verlagen," merkte de paardenkooper droogjes aan.
"Schrandere negers brengen hunne meesters nooit voordeel aan," hervatte
de ander, tegen de verachting van zijnen tegenstander achter zijne
grove stompzinnigheid verschanst. "Wat baten iemands talenten en zulke
dingen, als gij ze zelfs niet gebruiken kunt. Het eenige gebruik dat
zij er van maken, is maar om u te bedriegen. Ik heb eens een paar van
die snaken gehad, maar ik heb ze de rivier af verkocht. Ik wist toch
wel dat ik ze vroeg of laat verliezen zou."
"Zend liever eene boodschap aan den Heere, om een troep voor u te
maken en hunne ziel geheel weg te laten," zeide de paardenkooper.
Hier werd het gesprek gestoord door het stilhouden van een rijtuigje
met een paard voor de herberg. Het zag er zeer fatsoenlijk uit, en
op de bank zat een welgekleed persoon, die geheel het voorkomen van
een _gentleman_ had, terwijl een zwarte knecht het paard mende.
Het geheele gezelschap monsterde den nieuw-aangekomene met de
nieuwsgierigheid van menschen, die zich op een regenachtigen dag
zitten te vervelen. Hij was zeer rijzig, had een donkere Spaansche
tint, fraaie zwarte oogen en glanzig krullend haar van de zelfde
kleur. Zijn welgevormde kromme neus, zijn strakke dunne lippen en
de geheele bouw zijner ranke leden brachten het gezelschap terstond
op de gedachte, dat hij een buitengemeen persoon moest wezen. Hij
stapte met vrijmoedige ongedwongenheid onder het gezelschap, wees
den knecht met een wenk waar zijn koffer moest geplaatst worden,
ging met zijnen hoed in de hand op zijn gemak naar de toonbank en
gaf den kastelein zijn naam op, als Henry Butler van Oakland in het
graafschap Shelby. Zich toen onverschillig omkeerende, ging hij naar
de advertentie en las die hardop.
"Jim," zeide hij tot zijnen knecht, "het komt mij voor dat wij zulk
een jongen daar bij Bernan hebben ontmoet. Is het niet zoo?"
"Ja, meester," was het antwoord; "maar van de hand ben ik niet zeker."
"Daar heb ik natuurlijk ook niet naar gezien," zeide de vreemdeling
onverschillig. Vervolgens naar den kastelein gaande, verzocht hij
dezen hem een afzonderlijk vertrek te verschaffen, daar hij terstond
iets te schrijven had.
De kastelein was geheel gedienstigheid en weldra zag men een troep
van zes of zeven negers, oud en jong, man en vrouw, groot en klein,
gelijk een vlucht patrijzen rondfladderen, en elkander op de hielen
trappen en omverloopen in hunnen ijver om de kamer voor den vreemdeling
klaar te maken, terwijl deze zich op zijn gemak midden in het vertrek
neerzette en in gesprek trad met iemand die naast hem zat.
De fabrikant Wilson had den vreemdeling van dat hij binnenkwam af met
zekere onrustige en pijnlijke nieuwsgierigheid aangezien. Het kwam hem
voor dat hij dezen ergens gekend had, maar hij kon zich niet herinneren
waar. Telkens wanneer die persoon zich bewoog, sprak of glimlachte,
vestigde hij met eene kleine beweging van schrik zijne oogen op hem,
maar sloeg ze schielijk weder neer voor den helderen blik, die met
koelbloedige onverschilligheid den zijnen ontmoette. Eindelijk scheen
eene plotselinge herinnering bij hem op te komen, want nu staarde hij
den vreemdeling met zulke in het oogloopende verbazing aan, dat deze
naar hem toekwam.
"Mijnheer Wilson, geloof ik," zeide hij op een toon van
vriendschappelijke herkenning, hem zijne hand toestekende. "Ik verzoek
u verschooning, dat ik u niet vroeger herkende. Ik zie dat gij u mij
herinnert--Mr. Butler van Oakland in het graafschap Shelby."
"Ja wel--ja wel, Mijnheer," antwoordde Mr. Wilson, gelijk iemand die
in een droom spreekt.
Juist kwam een negerjongen binnen, om te zeggen dat Mijnheers kamer
gereed was.
"Jim, zorg voor de koffers," zeide de vreemdeling achteloosweg; en
zich toen weder tot Wilson keerende, vervolgde hij: "Ik zou u gaarne
eens in mijne kamer over zaken spreken, als het u belieft."
Mr. Wilson volgde hem, als iemand, die in zijnen slaap wandelt, en
zoo gingen zij naar eene groote bovenkamer, waar een pas aangelegd
vuur knetterde en de dienstboden nog ronddwarrelden om hier en daar
eene laatste hand aan te leggen.
Toen alles gedaan was en de bedienden heengegaan waren, sloot de
jonkman bedaard de deur, stak den sleutel in zijnen zak, keerde
zich daarna om, sloeg zijne armen kruiselings over de borst en zag
Mr. Wilson strak in het gezicht.
"George," zeide Mr. Wilson.
"Ja, George," antwoordde de jonkman.
"Ik kon het haast niet denken."
"Ik ben tamelijk wel vermomd, verbeeld ik mij," zeide de jonkman
met een glimlach. "Een weinigje notenschors heeft mijn gele huid
een fatsoenlijk bruin gegeven, en ik heb mijn haar zwart gekleurd;
dus ziet ge dat ik volstrekt niet aan de advertentie beantwoord."
"O, George, het is een gevaarlijk spel dat gij speelt. Ik zou het u
nooit geraden hebben?."
"Ik kan het op mijne eigen verantwoording doen," antwoordde George
met een trotschen glimlach.
Wij moeten terloops aanmerken, dat George van vaders zijde van blanke
afkomst was. Zijne moeder was eene dier ongelukkigen van haar geslacht,
welke door hare schoonheid tot slavin der hartstochten van haren
bezitter worden bestemd en moeders van kinderen worden, die nooit een
vader mogen kennen. Van eene der aanzienlijkste familiën in Kentucky
had hij zijne fraaie Europeesche trekken en zijn hoogvliegenden,
ontembaren geest geërfd. Van zijne moeder had hij alleen eene geringe
tint van mulattenkleur ontvangen, rijkelijk vergoed door de daarmede
gepaard gaande gloeiende zwarte oogen. Eene geringe wijziging in
de kleur van zijne huid en het verven van zijn haar hadden hem dat
Spaansche voorkomen gegeven dat hij nu had; en daar sierlijkheid van
bewegingen en fatsoenlijke manieren hem altijd eigen waren geweest,
had hij geene moeite om de vermetele rol te spelen welke hij nu had
aangenomen, de rol van een _gentleman_ die met zijne bediende op
reis was.
Mr. Wilson, een zeer goedhartig, maar buitengewoon voorzichtig en
schrikachtig oud heer, trippelde onrustig de kamer op en neer. Zijn
gemoed was verdeeld tusschen zijnen wensch om George te helpen en een
verward denkbeeld van den plicht om wet en orde te handhaven. Terwijl
hij zoo rondscharrelde sprak hij nu en dan:
"Wel, wel, George--ik vermoed dat gij weggeloopen zijt--uw wettigen
meester verlaten, George--het verwondert mij wel niet--maar het
spijt mij toch ook, George--ja, zeker, mij dunkt ik moet u dat
zeggen. George--het is mijn plicht--om u dat te zeggen."
"Wat spijt u, Mijnheer?" vroeg George bedaard.
"Wel, u als het ware te zien opstaan tegen de wetten van uw land."
"Mijn land!" zeide George met bitteren nadruk. "Welk land zal ik ooit
hebben behalve het graf, en gave God dat ik daarin lag!"
"Neen, neen, George, zoo niet! Zulke manier van spreken is goddeloos,
is tegen den bijbel. George, gij hebt een hard meester--eigenlijk is
hij--nu ja, hij gedraagt zich berispelijk--ik wil zijne verdediging
niet op mij nemen. Maar gij weet wel hoe de engel Hagar beval om naar
hare meesteres terug te keeren en zich te vernederen onder hare hand;
en hoe de apostel Onesimus aan diens meester terugzond."
"Doe geene aanhalingen uit den bijbel op die manier, Mijnheer Wilson,"
zeide George met schitterende oogen; "doe dat niet, want mijne vrouw is
Christin, en ik meen het ook te worden, als ik ooit kom waar ik heen
wil; maar voor iemand in mijne omstandigheden zulke aanhalingen uit
den bijbel te doen, is genoeg om hem dien geheel te doen verwerpen. Ik
beroep mij op God almachtig, ik ben bereid om mijne zaak voor Hem te
brengen en Hem te vragen of ik kwaad doe als ik mijne vrijheid zoek."
"Dat gevoel is heel natuurlijk, George," zeide de goedhartige man,
zijn neus snuitende. "Ga, het is natuurlijk, maar ik mag er u niet
in aanmoedigen. Ja, mijn jongen, het spijt mij voor u; het is een
hard geval--zeer hard; maar de apostel zegt: "Laat iedereen blijven
in den staat waarin hij geroepen is." Wij moeten ons allen aan de
beschikkingen der Voorzienigheid onderwerpen, George--ziet gij dat
niet in?"
George stond met het hoofd trotsch opgericht en zijne armen over
zijne breede borst gekruist, terwijl een bittere glimlach zijne lippen
deed krullen.
"Ik zou wel eens willen weten, Mijnheer Wilson, als de Indianen eens
kwamen en u als gevangene medenamen van uwe vrouw en kinderen af,
en u al uw leven voor hen lieten spitten en schoffelen, of gij het
dan uw plicht zoudt achten, om in den staat te blijven waarin gij
geroepen waart! Ik geloof veeleer dat gij het eerste losse paard
dat gij vinden kondt voor eene beschikking der Voorzienigheid zoudt
houden. Zoudt gij niet?"
Het oude heertje keek verbaasd op bij deze toelichting der zaak; maar
hoewel hij niet sterk in het redeneeren was, had hij toch zooveel
gezond verstand--en dit hebben sommigen die over dit onderwerp het
woord voeren niet eens--om niets te zeggen waar niets gezegd kan
worden. Hij hervatte dus maar zijne algemeene waarschuwingen:
"Gij ziet wel, George, gij weet wel, ik ben altijd uw vriend geweest
en wat ik gezegd heb, heb ik tot uw bestwil gezegd. Nu komt het mij
voor dat gij u aan een schrikkelijk gevaar blootstelt. Gij kunt niet
hopen er door te komen. Als gij gevat wordt, zal het erger dan ooit
met u afloopen; men zal u half dood slaan en de rivier af verkoopen."
"Mijnheer Wilson, ik weet dat alles wel," antwoordde George. "Ik
loop gevaar, maar," met deze woorden sloeg hij zijn overjas open
en liet een paar pistolen en een mes zien, "gij ziet, ik ben er op
bedacht. Naar het Zuiden zal ik nooit gaan. Neen, als het zoover komt,
kan ik mij ten minste zes voet vrijen grond verschaffen--den eersten
en den laatsten die ooit in Kentucky mijn eigen zal zijn."
"Maar, George, dat zijn schrikkelijke voornemens. Dat is waarlijk een
wanhopig opzet, George. Het doet mij leed van u. Gij wilt in opstand
komen tegen de wetten van uw land."