Doch uit medelijden met de beenderen onzer lezers houden wij

op. Westersche reizigers, die zich somtijds te middernacht hebben

moeten vermaken met staken uit een hek te breken, om hun rijtuig

uit een modderkuil te tillen, zullen wel gevoel hebben voor onzen

ongelukkigen held. Wij verzoeken hun een stillen traan te laten vallen

en gaan verder.

Het was zeer laat in den nacht, toen het rijtuig druipende en overal

bemodderd de kreek uitkwam en voor de deur eener groote boerderij

bleef stilstaan. Er was niet weinig volharding noodig om de bewoners

wakker te maken; maar ten laatste kwam de eigenaar toch op en deed

de deur open. Het was een grove, ruige beer van een kerel, volle zes

voet en eenige duimen lang en gekleed in rood flanel. Een bos verward

zandkleurig haar en een baard van eenige dagen groei gaven den braven

man een voorkomen, dat, om het minste te zeggen, niet buitengemeen

innemend was. Hij bleef eene poos met zijne kaars omhoog staan,

en keek onze reizigers aan met eene bevreemding en verslagenheid,

die inderdaad koddig waren. Het kostte onzen senator eenige moeite

om hem de zaak ten volle te doen begrijpen; en terwijl hij daartoe

zijn best doet, willen wij hem onzen lezer wat nader bekend maken.

De oude, brave John van Trompe was eens een aanzienlijk landeigenaar en

slavenhouder in den staat Kentucky geweest. Daar hij alleen voor het

uitwendige ruw en barsch was en door de natuur met een groot, edel en

gevoelig hart was begaafd, juist in evenredigheid met zijn reusachtig

lichaam, was hij eenige jaren lang met gesmoorde onrust getuige

geweest van de gevolgen van een stelsel, dat voor de onderdrukkers en

onderdrukten even slecht is. Eindelijk was eens het groote hart van

John te veel gezwollen om zich langer door banden te laten beklemmen;

en zoo nam hij zijne portefeuille uit zijnen lessenaar, ging naar Ohio,

kocht daar een plek goed vet land, teekende vrijbrieven voor al zijn

volk, mannen, vrouwen en kinderen, pakte allen op wagens en zond ze

heen om zich te vestigen; en toen begaf de brave John zich daar naar

de kreek en vestigde zich insgelijks op eene stille afgelegen hoeve,

met zijn geweten en zijne overdenkingen.

"Zijt gij de man, die eene vrouw en haar kind voor de slavenjagers

wilt bergen?" vroeg de senator ronduit.

"Dat zou ik nog al denken," antwoordde John met zekeren nadruk.

"Ik dacht het ook wel," zeide de senator.

"Als er iemand komt," hervatte de goede man, zijne forsche gestalte

oprichtende, "welnu, ik ben hier voor hem klaar, en ik heb zeven zonen,

ieder zes voet lang, die zullen ook voor hem klaar zijn. Doe hun mijn

compliment maar, en zeg dat het er niet op aankomt hoe spoedig zij

komen; dat maakt voor ons geen verschil."

En daarmede haalde John zijne vingers door zijne verwarde haren en

lachte smakelijk.

Flauw en afgemat kwam Eliza met slepende tred naar de deur, met haar

kind vast in slaap op haren arm. De ruwe man hield zijne kaars voor

haar gezicht, liet een zeker medelijdend geknor hooren, opende de deur

eener kleine slaapkamer naast de groote keuken, waarin hij de vreemden

eerst gelaten had, en wenkte haar om binnen te gaan. Hij stak nog eene

kaars aan, zette deze op tafel en richtte toen het woord tot Eliza.

"Ik zeg u, meid, gij behoeft niet bang te zijn; laat hier maar komen

wie wil. Ik ben voor al die soort van dingen klaar," zeide hij,

naar een paar jachtgeweren voor den schoorsteenmantel wijzende: "en

de menschen die mij kennen, weten ook wel, dat het niet geraden zou

zijn in mijn huis te willen komen, als ik er tegen ben. Nu kunt gij

dus zoo gerust gaan slapen alsof uwe moeder u wiegde." En daarmede

sloot hij de deur.

"Wel, dat is eene buitengemeen mooie meid," vervolgde hij tot den

senator. "Nu ja, de mooie hebben somtijds de grootste reden om weg te

loopen, als zij dat soort van gevoel hebben, dat ordentelijke vrouwen

moeten hebben. Ik weet dat alles wel."

De senator verhaalde met weinige woorden Eliza's geschiedenis.

"Ja, zoo gaat het--of ik het weet," zeide de goede man

medelijdend. "Gejaagd als een wild dier, dat arme schepsel, alleen

omdat zij natuurlijk gevoel heeft en doet wat geene moeder zou kunnen

laten. Ik moet u zeggen, zulke dingen brengen mij het dichtste bij

het vloeken van alles wat er op de wereld gebeurt." En daarmede

veegde de goede John zijne oogen af met den rug zijner groote bruine

hand. "Ik moet u zeggen, vreemdeling, het is jaren aan jaren geweest,

dat ik geen lid van de kerk wilde worden, omdat de dominees in onze

streek wilden preken dat de bijbel dat menschenjagen voorsprak. Ik

kon niet tegen hen aan met hun Grieksch en Hebreeuwsch, en zoo kreeg

ik een hekel aan hen, met Bijbel en al. Ik ben geen lid van de kerk

geworden, vóórdat ik een dominee vond, die tegen hen allen op kon in

het Grieksch en dat alles, en die vlak het tegendeel zeide;--en toen

beviel het mij en voegde ik mij bij de kerk--dat deed ik," zeide John,

onder het spreken eene flesch zeer krachtigen cider opentrekkende,

waaruit hij een paar glazen vulde.

"Gij moest hier blijven tot het dag wordt," vervolgde hij

hartelijk. "Ik zal de oude vrouw oproepen en in een oogenblik een

bed voor u laten maken."

"Wel bedankt, goede vriend," antwoordde de senator. "Maar ik moet

voort, om met de nachtpost van Columbus mee te gaan."

"Welnu, als gij dan moet, zal ik een eind met u medegaan, en u een

dwarsweg wijzen, die beter is dan de weg dien gij gekomen zijt. Die

weg is al heel slecht."

John maakte zich spoedig gereed, en weldra stapte hij met een lantaarn

in de hand vóór het rijtuig des senators uit naar een weg, die door

eene laagte achter zijne woning liep. Toen zij scheidden, stopte de

senator hem een briefje van tien dollars in de hand.

"Het is voor haar," zeide hij kortaf.

"Ja wel," antwoordde John even kort.

Zij gaven elkander de hand en scheidden.

TIENDE HOOFDSTUK.

DE GEKOCHTE WAAR WORDT WEGGEHAALD.

Grauw en regenachtig scheen de Februari-ochtend door het venster

der woning van Oom Tom binnen. Hij bescheen treurige gezichten, de

afspiegeling van bedroefde harten. Het tafeltje, nu met een strijkdeken

bedekt, stond voor het vuur; over de leuning van een stoel hingen

een paar grove, maar helder-schoone hemden, zoo pas gestreken, en

Tante Chloe had een ander vóór zich uitgespreid. Zorgvuldig streek

zij alle zoomen en naden plat, en hief nu en dan haar hand op om de

tranen af te vegen die over hare wangen rolden.

Tom zat bij haar, met zijn Testament open op zijne knie en het hoofd

in de hand; maar geen van beiden spraken zij. Het was nog vroeg en

de kinderen lagen allen nog te slapen.

Tom, die ten volle het zachte, voor huiselijk genoegen vatbare

hart had, dat ongelukkig voor hen, eene bijzondere eigenschap van

zijn beklagenswaardig geslacht is, stond op en ging stil naar zijne

kinderen zien.

"Het is de laatste maal!" zeide hij.

Tante Chloe gaf geen antwoord en streek maar voort over het grove hemd,

dat reeds zoo glad was als hare handen het konden maken; eindelijk

zette zij eenklaps met een wanhopigen slag haar strijkijzer neer, liet

zich bij de tafel op een stoel vallen en verhief hare stem en weende.

"Wij moeten wel berustend zijn," zeide zij, "maar och, och, hoe

kan ik? Als ik maar wist waar gij heengaat en hoe zij u behandelen

zullen! Mevrouw zegt dat zij haar best zal doen om u over een jaar

of twee los te koopen; maar, och! niemand komt ooit hier terug, die

daar naar toegaat! Zij vermoorden hem! Ik heb wel hooren vertellen

hoe zij hen daar op de plantages laten werken!"

"Er zal daar dezelfde God wezen, Chloe, die hier is."

"Ja, dat zal wel zoo zijn," zeide Chloe; "maar de Heere laat somtijds

schrikkelijke dingen gebeuren. Op die manier kan ik ook al geen

troost vinden."

"Ik ben in de hand des Heeren," zeide Tom: "niets kan verder gaan dan

Hij het toelaat; en er is een ding waarvoor ik Hem danken kan. Dat is

dat _ik_ het ben, die verkocht is en daarheen ga, en niet gij of de

kinderen. Hier zijt gij veilig: wat er ook gebeuren moet, zal alleen

met mij gebeuren; en de Heere--Hij zal mij helpen--ik weet dat Hij

dat zal."

O, dapper, mannelijk hart, dat uw eigen leed smoort, om uwe beminden

te troosten! Tom sprak met eene heesche stem en met een beklemd gevoel

in de keel--maar hij sprak toch dapper en stout.

"Laten wij om Zijne genade denken!" voegde hij er bij met eene

bevende stem, alsof hij gevoelde, dat het wel noodig voor hem was,

daaraan te denken.

"Genade!" zeide Chloe. "Ik zie er geene genade in! Het is niet goed,

het is niet goed, dat het zoo gaat! Meester had het nooit zoo moeten

maken, dat gij voor zijne schuld _kondt_ genomen worden. Gij hebt al

wat hij voor u krijgt dubbel voor hem verdiend. Hij was u uwe vrijheid

schuldig, en had u die al jaren geleden moeten geven. Misschien kan

hij nu niet anders; maar ik voel dat het verkeerd is. Niets is in

staat om mij dat uit het hoofd te zetten. Zulk een trouw dienaar

als gij geweest zijt, die altijd zijn belang boven uw eigen hebt

gesteld, en meer voor hem gezorgd hebt dan voor uwe eigene vrouw en

kinderen! Zij, die harteliefde en hartebloed verkoopen, om uit hun

eigen nood te geraken, de Heere zal hen bezoeken!"

"Chloe, als ge mij nu liefhebt, moet ge zoo niet spreken, nu het

misschien de laatste maal is, dat wij bij elkander zullen zijn. En

ik zeg u, Chloe, het gaat mij aan het hart een woord tegen meester te

hooren. Werd hij niet als een klein kind in mijne armen gelegd? Het is

natuurlijk dat ik veel om hem denk; maar het was niet te verwachten

dat hij zooveel om den armen Tom zou denken. Meesters zijn gewoon,

dat al die dingen voor hen gedaan worden, en natuurlijk denken zij

zooveel niet daaraan. Dat kan men niet van hen verwachten. Zet hem

eens naast andere meesters! Wie heeft zulk een leven gehad als ik

gehad heb! En hij had mij dit nooit laten overkomen, als hij het

vooruit had kunnen zien. Ik weet dat hij het niet zou gedaan hebben."

"Nu, er is toch _ergens_ iets onrechtvaardigs," zeide Chloe, bij wie

een streng gevoel voor recht een heerschende karaktertrek was. "Ik

kan niet goed uitmaken, waar het is; maar dat er ergens onrecht is,

dat zie ik duidelijk."

"Gij moest tot den Heere daarboven opzien; Hij is boven allen--er

valt geen muschje op aarde zonder Zijnen wil."

"Dat troost mij toch niet, al moest het dat doen," zeide Chloe

weder. "Maar het helpt niet er over te spreken. Ik zal maar voor den

koek gaan zorgen en een goed ontbijt voor u maken, want niemand weet

wanneer gij er weder een krijgen zult."

Om het leed der negers die naar het Zuiden verkocht worden geheel

te begrijpen, moet men bedenken, dat al de instinctmatige neigingen

van dien menschenstam bijzonder sterk zijn. Hunne gehechtheid aan

eene plaats is zeer duurzaam. Zij zijn niet ondernemend en waagziek

van aard, maar op huiselijkheid gesteld en aan hunne gewoonten en

bekenden verkleefd. Men voege hierbij het verschrikkelijke, waarmede

de onkunde het onbekende bekleedt, en bovenal, dat naar het Zuiden

verkocht te worden den neger van zijne kindsheid af als de strengste

straf wordt voorgehouden. Het dreigement dat meer schrik aanjaagt dan

dat van geeseling of eenige andere pijniging, is het dreigement om de

rivier afgezonden te worden. Wij hebben hen zelve dat gevoel hooren

uitdrukken en het ongeveinsde afgrijzen gezien, waarmede zij, als zij

bij elkander zitten te praten, de akeligste histories vertellen van

dat "de rivier af", dat voor hen gelijkstaat met "het onontdekte land,

van welks grenspaal geen reiziger ooit terugkomt."

Een zendeling onder de vluchtelingen in Canada verhaalde ons, dat

velen van hen bekenden van meesters te zijn weggeloopen, die bij

anderen vergeleken goede meesters waren, maar dat zij bewogen waren

om al de gevaren eener vlucht te tarten door den wanhopigen angst,

waarmede dat "naar het Zuiden verkocht worden" hen vervulde--een lot,

dat hun zelven of hunne vrouwen of kinderen boven het hoofd hing.--Die

angst boezemt den Afrikaan, anders geduldig, schroomvallig en niet

ondernemend, een heldhaftigen moed in en verhardt hem tegen honger,

koude, de gevaren der wildernis en het nog veel geduchter gevaar om

weder gevat te worden.

De eenvoudige ochtendmaaltijd stond nu op de tafel te dampen, want

Mevrouw Shelby had Chloe dien morgen van haren gewonen arbeid in

"het huis" ontslagen. De arme ziel had voor het afscheidsmaal haar

uiterste best gedaan, had haar vetste kuiken geslacht en gebraden,

haar koornkoek met de uiterste zorg, juist naar den smaak van

haren man, gereedgemaakt, en uit zekere geheimzinnige potten op den

schoorsteenmantel de ingemaakte vruchten opgezet, die alleen bij zeer

groote gelegenheden te voorschijn kwamen.

"Wel, Peter!" zeide Mozes met opgetogenheid, "hebben we niet een

heerlijk ontbijt van ochtend?" en tastte te gelijk naar een brok van

het kuiken.

Tante Chloe gaf hem een onverwachten klap om de ooren, met de woorden:

"Daar! zijt ge blij met het laatste ontbijt, dat uw arme vader ooit

tehuis zal hebben?"

"O Chloe!" zeide Tom zacht.

"Wie kan het helpen?" zeide Chloe en hield haar voorschoot voor haar

gezicht. "Ik ben zoo in de war, dat ik "leelijk" doe."

De jongens bleven stilstaan en keken beurtelings op naar vader

en moeder, terwijl het kleinste kind zijn best deed om tegen hare

kleederen op te klauteren en dwingend begon te schreeuwen.

"Daar," zeide Chloe, terwijl zij hare oogen afveegde, en de ongeduldige

kleine opnam, "nu is het gedaan, hoop ik. Eet nu wat. Dat is mijn

lekkerste kuiken. Daar, jongens, gij zult ook wat hebben, arme

kinderen! Moeder is te driftig geweest."

De knapen behoefden niet tweemaal genoodigd te worden, en gingen

met grooten ijver aan het eten: en het was in zeker opzicht gelukkig

dat zij dit deden, dewijl anders aan het ontbijt zeer weinig eer zou

zijn bewezen.

"Nu moet ik uwe kleeren gaan inpakken," zeide Tante Chloe,

spoedig weder opstaande. "Het is heel wel mogelijk dat hij u alles

zal afnemen. Ik ken hunne manieren wel--zij zijn er gemeen genoeg

toe. Zie, uwe flanellen borstrokken liggen hier in den hoek; pas er

wel op, want er zal daar niemand wezen om anderen voor u te maken. En

daar zijn de oude hemden en hier de nieuwe. Ik heb gisterenavond uwe

kousen nog nagezien en den bal er bij gedaan om ze te stoppen. Maar,

och, och! wie zal ze voor u stoppen?" En wederom overstelpt door

haar gevoel, liet zij haar hoofd op den kant van den koffer zinken

en snikte: "als ik daaraan denk! Niemand om u te helpen, ziek of

gezond! Ik weet waarlijk niet, hoe ik mij nog goed kan houden."

Toen de jongens zooveel gegeten hadden als zij konden, begonnen

zij eenigszins te denken om hetgeen er ophanden was; en daar zij

hunne moeder zagen schreien en hun vader een zeer droevig gezicht

zetten, begonnen zij ook te huilen en hunne knuisten in hunne oogen

te duwen. Tom had het jongste kind op zijne knie en liet het zich

vermaken zooveel het maar wilde. Het krabde hem in het gezicht,

trok hem bij de haren, en kraaide tusschenbeide van pret.

"Ja, kraai nu maar, arm schepseltje!" zeide tante Chloe. "Het zal

u ook wel eens overkomen. Gij zult het ook nog beleven dat uw man

verkocht wordt, of gij zelve. En de jongens, zij zullen ook wel

verkocht worden, denk ik--waarom niet?--als zij tot iets beginnen te

deugen. Negers behoeven immers niets te houden."

Juist nu riep een van de jongens: "Daar komt de meesteres aan!"

"Zij kan toch geen goed doen. Waar komt zij voor?" zeide Tante

Chloe. Mevrouw Shelby trad binnen. Tante Chloe zette een stoel voor

haar, maar met zichtbare norschheid en wreveligheid. Mevrouw Shelby

scheen hierop niet te letten; haar gezicht was bleek en betrokken.

"Tom," zeide zij, "ik kom om...."

Zij zweeg eensklaps, zag in het rond naar de zwijgende groep, zette

zich op den stoel neer, hield haar zakdoek voor haar gezicht en begon

te snikken.

"O God, Mevrouw, dat niet--dat niet!" riep tante Chloe nu, insgelijks

uitbarstende, en eene poos lang schreiden allen met elkander; en in

die tranen die zij te zamen schreiden, de aanzienlijke en de geringen,

smelt al de wrevel der onderdrukten weg. O gij, die de bedroefden

bezoekt, weet gij wel dat alles wat uw geld kan koopen, met een koud

en afgewend gezicht gegeven, geen enkelen oprechten traan waardig is,

uit medelijden geschreid?

"Goede man," zeide Mevrouw Shelby, "ik kan u niets geven, dat u

eenig goed kan doen. Als ik u geld geef, zal het u maar afgenomen

worden. Maar ik zeg u plechtig en voor God, dat ik u in het oog zal

houden en u terug laten komen, zoo spoedig als ik het geld daarvoor

kan krijgen; en tot zoolang--vertrouw op God!"

Hier riepen de jongens dat Mr. Haley aankwam, en kort daarna deed een

schop de deur openvliegen. Daar stond Haley in een zeer slecht humeur,

dewijl hij in den nacht hard had moeten rijden en vooral niet beter

gestemd was door den slechten afloop van zijnen tocht om zijne prooi

te achterhalen.

"Komaan, gij neger," zeide hij: "zijt gij gereed?--Uw dienaar,

Mevrouw," vervolgde hij, zijn hoed afnemende toen hij Mevrouw

Shelby zag.

Tante Chloe sloot den koffer, bond er een touw omheen, en toen

opstaande zag zij den handelaar aan, terwijl hare tranen in vurige

vonken schenen te veranderen.

Tom stond gedwee op om zijn nieuwen meester te volgen, en tilde zijne

zware kist op zijnen schouder. Zijne vrouw nam het kleinste kind op

den arm, om met hem naar den wagen te gaan, en de anderen kwamen nog

schreiende achteraan.

Mevrouw Shelby ging naar den handelaar en hield hem nog eenige

oogenblikken op, terwijl zij ernstig met hem sprak; en ondertusschen

ging de geheele familie naar den wagen, die reeds ingespannen voor

de deur stond. Een troep oude en jonge negers en negerinnen stond

daaromheen, wachtende om hunnen ouden makker vaarwel te zeggen. Tom was

bij allen op de plaats, als opzichter en ook als Christelijk leeraar,

in hooge achting geweest, en thans was er veel oprechte droefheid

over hem, vooral onder de vrouwen.

"Wel, Chloe, gij draagt het beter dan wij doen," zeide eene der

schreiende vrouwen, toen zij de sombere kalmte opmerkte waarmede

Chloe bij den wagen stond.

"_Mijne_ tranen zijn gedaan!" antwoordde zij met een grammen blik

naar den handelaar, die nu aankwam. "Ik wil niet schreien voor dien

ouden duivel, om nog zooveel niet."

"Stap in!" zeide Haley tegen Tom, door een troep Negers gaande,

die hem met dreigende blikken aanzagen.

Tom stapte in den wagen, en daarop nam Haley van onder de bank een

paar zware boeien en bevestigde die om zijne enkels.

Een gesmoord gemompel van verontwaardiging liep door den geheelen

kring, en Mevrouw Shelby sprak van de veranda:

"Mijnheer Haley, ik verzeker u dat die voorzorg geheel onnoodig is."

"Dat weet ik niet, mevrouw, ik heb al vijfhonderd dollars hier

verloren, en kan er niet meer aan wagen."

"Wat kon zij anders van hem verwachten?" zeide Tante Chloe met

verontwaardiging, terwijl de twee jongens, die nu eerst recht schenen

te begrijpen wat er met hunnen vader zou gebeuren, zich snikkende

aan haren rok vasthielden.

"Het spijt mij," zeide Tom, "dat jongeheer George juist van huis

moest wezen."

George moest een paar dagen bij een makker op een naburig landgoed gaan

doorbrengen; en daar hij des morgens vroeg vertrokken was, eer nog het

ongeluk van Tom openbaar was geworden, had hij niets daarvan vernomen.

"Doe mijn liefderijken groet aan jongeheer George," zeide hij ernstig.

Haley gaf zijn paard de zweep; en een strakken, ernstigen blik op

zijn oude woonplaats gevestigd houdende, werd Tom weggereden.

Mr. Shelby was op dien tijd niet tehuis. Hij had Tom uit nood verkocht,

om uit de macht te komen van een man voor wien hij bevreesd was,

en zijn eerste gevoel na het sluiten van den koop was verlichting

geweest. De klachten zijner vrouw hadden echter zijn halfsluimerend

naberouw wakker gemaakt, en de belangelooze bereidwilligheid van

Tom vergrootte nog het onaangename zijner aandoeningen. Het was

vruchteloos zich zelven te zeggen dat hij recht had om dit te doen,

dat iedereen het deed, en sommigen het zelfs deden zonder zich met de

noodzakelijkheid te kunnen verontschuldigen. Hij kon zich daarmede niet

bevredigen, en om geene getuige te zijn van onaangename tooneelen bij

de uitvoering van den maatregel, was hij uitgereden op een tochtje

om eenige zaken te doen, hopende dat alles voorbij zou zijn als

hij terugkwam.

Tom en Haley ratelden over den stoffigen weg en reden alle bekende

plekken voorbij, tot zij buiten de grenzen van het landgoed en op

den open tolweg waren. Nadat zij omtrent eene mijl gereden hadden,

hield Haley eensklaps op voor een smidswinkel, en een paar handboeien

medenemende, stapte hij uit om iets daaraan te laten veranderen.

"Die zijn een beetje te klein voor hem," zeide Haley, de boeien

toonende en naar Tom wijzende.

"O, als dat niet Shelby's Tom is!" zeide de smid. "Hij heeft hem toch

niet verkocht?'

"Ja, dat heeft hij," zeide Haley.

"Wel waarlijk, wie zou dat ooit gedacht hebben?" hervatte de

smid. "Maar gij behoeft hem zoo niet te boeien. Hij is de beste

en trouwste...."

"Ja, ja," zeide Haley, "die brave jongens zijn juist de kerels om te

willen wegloopen. De botteriken, wien het niet schelen kan waar zij

gaan, en de dronkaards die om niets meer geven, die blijven wel, en

het bevalt hun zelfs, naar het schijnt, als zij wat rondgesold worden;

maar die knappe kerels haten het als de pest. Er zit niets anders op

dan ze te boeien; zij hebben beenen en zullen ze ook gebruiken--als

ik mij niet vergis."

"Nu ja," zeide de smid, naar zijn gereedschap zoekende, "die plantages

daar ginds zijn juist de plaats niet, waar negers uit Kentucky gaarne

naar toe willen. Zij sterven daar tamelijk gauw, niet waar?"

"Ja, het sterven gaat daar nog al gauw. Met het acclimatiseeren en

het een en ander sterven er zooveel weg, dat zij de markt tamelijk

levendig houden," antwoordde Haley.

"Welnu, iemand kan toch niet nalaten het jammer te vinden, dat een

knappe, bedaarde, ordentelijke kerel, zooals Tom is, op eene van die

suikerplantages moet afgewerkt worden."

"O, hij heeft eene goede kans. Ik heb beloofd dat ik mijn best voor

hem zou doen. Ik zal hem als huisknecht in een oude goede familie

verkoopen, en als hij dan tegen de koorts en het klimaat kan, zal

hij zulk eene goede plaats hebben, als een neger behoeft te verlangen."

"Hij laat vrouw en kinderen hier, zoude ik denken?"

"Ja, maar hij zal daar wel eene andere krijgen. Och, er zijn overal

vrouwen genoeg."

Tom zat onder dit gesprek treurig buiten den winkel. Eensklaps hoorde

hij het trappelen van paardenhoeven achter zich; en eer hij zich van

zijne verrassing kon herstellen, sprong George, zijn gewezen jonge

meester, op den wagen, sloeg onstuimig de armen om zijnen hals,

en gaf al snikkende lucht aan zijne gramschap en verontwaardiging.

"Ik zeg, het is eene laagheid," riep hij. "Het kan mij niet schelen wat

zij er van zeggen, maar het is waarlijk gemeen; het is schande! Als ik

maar een man was, zouden zij het niet doen--neen, dat zouden zij niet!"

"O, jongeheer George, dat doet mij goed," zeide Tom. "Ik kon het niet

dragen, dat ik vertrok zonder u te zien. Het doet mij waarlijk goed,

meer dan ik u zeggen kan."

Hier maakte Tom eene beweging met zijne voeten, en nu vielen George

de kluisters in het oog.

"Welk een schande!" riep hij. "Ik zal dien ouden kerel een gat in

den kop slaan--dat zal ik."

"Neen, dat zult gij niet, jongeheer George; en gij moet zoo hard niet

spreken. Het zou mij niet helpen als hij kwaad werd gemaakt."

"Welnu, ik zal dan niet om uwentwil. Maar als ik er aan denk--is het

geene schande? Zij hebben mij niet laten weten; zonder Tom Lincoln

zou ik er geen woord van gehoord hebben. Ik kan het u zeggen, ik heb

wat een leven gemaakt tegen allemaal tehuis."

"Dat was niet wel gedaan, vrees ik, jongeheer George."

"Dat kan ik niet helpen. Ik zeg dat het schande is. Ziehier, Oom Tom,"

zeide hij zacht, terwijl hij zorg droeg om zich met zijnen rug naar

den winkel te keeren, "_hier breng ik u mijn dollar_."

"O, ik zou er niet aan kunnen denken om dien aan te nemen," zeide

Tom ontroerd. "Dat nooit."

"Maar gij moet hem aannemen," hervatte George, "Ziehier. Ik heb Tante

Chloe gezegd dat ik het doen zou, en zij raadde mij aan er een gaatje

in te maken en er een koordje door te doen, zoodat hij om uwen hals

kon hangen en uit het oog blijven; anders zou die gemeene schavuit

hem u afnemen. Ik moet zeggen, Tom, ik zou hem gaarne de huid vol

schelden. Dat zou mij goed doen."

"Neen, doe dat niet, jongeheer George; want het zou mij geen goed

doen."

De Negerhut · 第 9 / 44 段