over zulke zaken. Gij politieke heeren hebt eene manier om over eene
zaak zooals zij eenvoudig is heen te redeneeren; en als het op de
practijk aankomt, gelooft gij er zelf niet aan. Ik ken u wel genoeg,
John. Gij gelooft evenmin dat zoo iets recht is als ik, en gij zoudt
het ook evenmin doen als ik."
Op dit netelige oogenblik stak de oude Cudjoe, de zwarte huisknecht,
zijn hoofd binnen de deur en vroeg of Mevrouw eens in de keuken wilde
komen; en onze senator, tamelijk blijde hierover, keek zijn vrouwtje
met een zonderlinge mengeling van lachlust en ergernis na, zette zich
toen op zijn gemak in zijn leuningstoel en begon de couranten te lezen.
Eene korte poos later hoorde hij de stem zijner vrouw voor de deur snel
en dringend zeggen: "John, John, ik wou dat ge eens even hier kwaamt."
Hij legde zijne courant neer, ging naar de keuken en deinsde verschrikt
en verbaasd terug op het gezicht dat hij daar ontmoette.--Eene
jonge, tengere vrouw, met gescheurde kleederen, waaraan overal ijs
was vastgevroren, en met een gewonden, bloedenden voet, waarvan de
schoen verloren en de kous afgescheurd was, lag in eene flauwte, alsof
zij dood was, op twee stoelen. Zij had het teeken van het verachte
geslacht om haar gezicht, maar niemand kon ongetroffen blijven voor
de treurige aandoenlijke schoonheid daarvan, terwijl de scherpe,
de koude, doodsche strakheid der trekken ook hem als van koude deed
huiveren. Hij haalde kort adem en bleef zwijgend staan. Zijne vrouw
en hunne eenige gekleurde meid, oude Tante Dina, waren met bijhelpen
bezig; terwijl Cudjoe een knaapje op zijne knie had genomen, het
schoenen en kousen had uitgetrokken om zijn voetjes te warmen.
"Zeker, als dat niet iets is om aan te zien!" zeide de oude Dina
medelijdend. "Denkelijk heeft de warmte haar doen flauw vallen. Zij
was tamelijk bijdehand, toen zij binnenkwam, en vroeg of zij zich hier
even mocht warmen; en ik wilde haar juist vragen waar zij vandaan kwam,
toen zij opeens flauw viel. Zij heeft nooit veel zwaar werk gedaan,
zou ik denken, aan hare handen te zien."
"Ongelukkig schepsel!" zeide mevrouw Bird treurig, toen de jonge vrouw
hare groote donkere oogen opende en haar verbijsterd starende aanzag.
Eensklaps kwam er een trek van zielsangst op haar gelaat en vloog
zij op, uitroepende: "O mijn Harry; hebben zij hem gekregen?"
Het knaapje sprong hierop van Cudjoe's knie, liep naar haar toe en
stak zijne armpjes uit.
"O, hier is hij! hier is hij!" riep zij uit.
"Ach, Mevrouw!" vervolgde zij, zich met verbijsterenden angst naar
Mevrouw Bird keerende; "bescherm ons toch! Laten zij hem niet krijgen!"
"Niemand zal u hier kwaad doen, arme vrouw," antwoordde Mevrouw Bird
bemoedigend. "Gij zijt veilig. Wees niet bevreesd."
"God zegene u," zeide de vrouw, hield hare handen voor haar gezicht
en snikte; terwijl het knaapje, toen het haar zag schreien, op haren
schoot poogde te komen.
Door vele teedere, vrouwelijke dienstbetooningen, die niemand
beter wist te bewijzen dan Mevrouw Bird, werd de arme vluchtelinge
langzamerhand tot meer kalmte gebracht. Er werd op eene rustbank
voor het vuur een bed voor haar gereedgemaakt, en na eene korte
poos viel zij in een zwaren slaap, terwijl het kind, dat niet minder
vermoeid scheen te zijn, gerust in haren arm sluimerde; want de moeder
wederstond met zenuwachtigen angst de vriendelijkste pogingen om het
van haar af te nemen, en zelfs in haren slaap hield zij het vast in
haren arm gekneld, alsof zij ook toen nog waakzaam bleef.
Mr. Bird en zijne vrouw waren weder naar de voorkamer gegaan, waar,
hoe vreemd het ook schijne, door geen van beiden het vroegere gesprek
weder werd aangeroerd. Mevrouw Bird hield zich met haar breiwerk bezig,
terwijl haar man deed alsof hij de courant las.
"Ik ben benieuwd wie en wat zij is," zeide Mr. Bird eindelijk, zijne
courant neerleggende.
"Als zij wakker wordt en zich wat uitgerust gevoelt, zullen wij zien,"
antwoordde Mevrouw.
"Zeg eens vrouw!" zeide Mr. Bird weder, nadat hij eene poos stil had
zitten peinzen.
"Wel, lieve?"
"Zou zij niet eene van uwe japonnen kunnen aandoen, met wat uitleggen
of zoo iets? Zij schijnt wat grooter te zijn dan gij."
Een zeer merkbare glimlach flikkerde over het gezicht van Mevrouw Bird,
toen zij antwoordde: "Wij zullen zien."
"Zeg eens, vrouw!"
"Wel, wat nu?"
"Wel, dien ouden bombazijnen mantel, dien gij alleen bewaard hebt om
mij mee toe te dekken, als ik na den eten een dutje doe, dien mocht
gij haar ook wel geven. Zij heeft wel warme kleeren noodig."
Op dit oogenblik kwam Dina zeggen, dat de vrouw wakker was en Mevrouw
verlangde te zien.
De echtgenooten gingen te zamen naar de keuken, gevolgd door de
twee oudste jongens, daar het kleine goed in dien tijd naar bed
was gebracht.
De vrouw zat nu op de rustbank bij het vuur. Ze staarde strak in de
vlam, met eene kalme treurigheid in haren blik, zeer verschillend
van haren vroegeren woesten angst.
"Hebt gij naar mij gevraagd?" zeide Mevrouw Bird vriendelijk. "Ik
hoop dat gij u nu beter gevoelt, arme vrouw."
Een diepe, angstige zucht was het eenige antwoord; maar zij sloeg
hare donkere oogen op, en zag Mevrouw Bird aan met zulk een jammerlijk
smeekenden blik, dat het goede vrouwtje zelve tranen in de oogen kreeg.
"Gij behoeft voor niets bang te zijn. Wij zijn hier vrienden,
arme vrouw. Zeg mij, waar gij vandaan komt en wat gij hier zoekt,"
zeide zij.
"Ik ben uit Kentucky gekomen," was het antwoord.
"Wanneer?" zeide Mr. Bird, het verhoor opvattende.
"Dezen avond."
"Hoe zijt gij dan gekomen?"
"Ik ben over het ijs gegaan."
"Over het ijs gegaan?" herhaalden al de aanwezigen.
"Ja," zeide de vrouw langzaam. "Dat heb ik gedaan. Daar God mij hielp,
ben ik over het ijs gegaan; want zij waren achter mij--vlak achter
mij--en er was geen andere weg."
"O, Mevrouw!" riep Cudjoe nu uit. "Het ijs is geheel aan schotsen
gebroken, en dobbert op en neer op het water."
"Dat weet ik wel," hervatte zij met eenige woestheid. "Maar ik deed
het toch. Ik dacht niet, dat ik er over zou komen; maar daar gaf ik
niet om. Ik kon maar sterven, als het niet gelukte. De Heere hielp
mij. Niemand weet hoeveel de Heere helpen kan, eer hij het beproeft,"
voegde zij er met flikkerende oogen bij.
"Waart gij slavin?" zeide Mr. Bird.
"Ja, Mijnheer; ik behoorde aan iemand in Kentucky."
"Was hij hard voor u?"
"Neen, Mijnheer! hij was een goed meester."
"Was uwe meesteres dan hard voor u?"
"Neen, Mijnheer! neen, mijne meesteres was altijd goed voor mij."
"Wat kon u dan bewegen om een goed tehuis te verlaten en weg te loopen,
en u in zulk een gevaar te storten?"
De vrouw zag Mevrouw Bird aan met een scherpen, uitvorschenden blik,
en het ontsnapte haar niet, dat zij in rouw gekleed was.
"Mevrouw," zeide zij plotseling, "hebt gij ooit een kind verloren?"
De vraag was onverwacht en trof eene versche wonde; want het was
pas eene maand geleden dat de lieveling der familie naar het graf
was gebracht.
Mr. Bird keerde zich om en ging naar het venster, zijne vrouw barstte
in tranen uit, en toen zij hare stem terug had, zeide zij:
"Waarom vraagt gij dat? Ik heb pas een kleintje verloren."
"Dan zult gij gevoel voor mij hebben. Ik heb twee kinderen verloren,
het eene na het andere. Ik heb ze begraven gelaten waar ik vandaan
kwam, en ik had maar dit eene over. Ik sliep nooit een nacht zonder
hem; hij was al wat ik had. Hij was mijn troost en mijn trots, nacht en
dag; en, Mevrouw, zij wilden hem mij afnemen--hem verkoopen--hem naar
het Zuiden verkoopen, Mevrouw, om alleen daarheen te gaan--een klein
kind, dat zijn leven lang nooit van zijne moeder was geweest. Dat kon
ik niet afwachten, Mevrouw. Ik wist dat ik nooit meer tot iets deugen
zou als zij dat deden; en toen ik wist dat de papieren geteekend waren
en dat hij verkocht was, nam ik hem op en liep in den nacht weg. En zij
jaagden mij na--de man die hem gekocht had, en eenigen van het volk
van mijnen meester--en zij kwamen vlak achter mij aan en ik hoorde
hen. Ik sprong op het ijs, en hoe ik er over kwam weet ik niet. Het
eerste waar ik van wist, was een man die mij op den kant hielp."
De vrouw schreide niet of snikte niet; zij verkeerde nog in een angst,
die geene tranen kent; maar allen om haar heen gaven, ieder op zijne
manier, blijken van het hartelijkste medelijden.
De twee kleine jongens hadden, nadat zij wanhopig in hunne zakken
naar die zakdoeken hadden gezocht, welke moeders wel weten dat daar
nooit te vinden zijn, ieder eene slip van hun moeders rok gepakt,
en veegden daaraan al snikkende naar hartelust oogen en neuzen af;
Mevrouw Bird had haar gezicht geheel in haren zakdoek verborgen;
en de oude Dina, wie de tranen over de wangen rolden, riep gedurig
met evenveel kracht als bij eene veldpredikatie: "Heere, wees ons
genadig!" terwijl Cudjoe, zijne oogen met zijne mouw afwrijvende en
eene buitengewone verscheidenheid van scheeve gezichten trekkende,
dien uitroep tusschenbeide met hetzelfde vuur herhaalde. Onze
senator was een staatsman, van wien men natuurlijk niet verwachten
kon dat hij gelijk andere stervelingen zou schreien: hij keerde
dus het gezelschap zijn rug toe, keek uit het venster en scheen het
bijzonder druk te hebben met zijn keel te schrapen en zijn bril af te
vegen; tusschenbeide zijn neus snuitende op eene manier, welke zeker
achterdocht had moeten verwekken, indien iemand in staat was geweest
om op hem te letten.
"Hoe hebt ge mij dan kunnen zeggen, dat gij een goed meester
had?" zeide hij eensklaps, met geweld iets dat hem in de keel scheen te
komen bedwingende, en keerde zich eenigszins driftig naar de vrouw om.
"Omdat hij waarlijk een goed meester was--dat zal ik altijd van
hem zeggen; en mijne meesteres was ook goed; maar zij konden niet
anders. Zij waren geld schuldig, en er was iets dat ik niet zeggen kan,
waardoor die man hen dwingen kon, en zij waren genoodzaakt hem zijn zin
te geven. Ik luisterde en hoorde hem dat aan mijne meesteres zeggen,
en haar voor mij bidden en smeeken; hij zeide haar dat hij niet anders
meer kon en dat de papieren al geteekend waren; en toen nam ik hem
op en liep weg. Ik wist wel dat ik niet meer kon blijven leven als
zij dat deden; want het is mij alsof dat kind alles is wat ik heb."
"Hebt gij geen man?"
"Ja, maar hij behoort aan iemand anders. Zijn meester is waarlijk
hard voor hem en wil hem bijna nooit laten gaan om mij te zien; en
hij is al harder en harder voor ons geworden en dreigt hem naar het
Zuiden te verkoopen. Het is denkelijk, dat ik hem nooit zal weerzien."
De kalme toon waarmede de vrouw dit zeide, had een oppervlakkig
opmerker kunnen doen denken, dat zij geheel onverschillig was; maar
er sprak eene stille, diepe zielesmart uit hare donkere oogen, die
geheel iets anders aanduidde.
"En waar denkt gij nu heen te gaan, arme vrouw?" zeide Mevrouw Bird.
"Naar Canada, als ik maar wist waar dat ligt. Het is heel veraf,
Canada, niet waar?" zeide zij, met hartelijk vertrouwen naar Mevrouw
Bird opziende.
"Arme ziel!" zeide Mevrouw Bird onwillekeurig.
"Het is heel ver weg, denk ik?" herhaalde de vrouw ernstig.
"Veel verder dan gij denkt, arm kind," antwoordde Mevrouw Bird. "Maar
wij zullen ons best doen om te overleggen wat er voor u gedaan kan
worden. Dina, maak een bed voor haar in uwe eigene kamer, dan zal ik
morgen zien wat er voor haar te doen is. Wees ondertusschen niet bang,
arme vrouw. Stel uw vertrouwen op God. Hij zal u beschermen."
Mevrouw Bird en haar echtgenoot gingen weder naar de voorkamer. Zij
zette zich op haar schommelstoeltje voor het vuur en liet zich peinzend
wiegen; terwijl Mr. Bird de kamer op en neer ging en bij zich zelven
bromde: "Hm, och! Drommels lastige historie!" Eindelijk kwam hij met
een paar groote stappen naar zijne vrouw en zeide:
"Zeg eens, vrouw, zij moet dezen nacht nog hier vandaan. Die kerel zal
haar morgenochtend al op het spoor zijn. Als het de vrouw alleen was,
kon zij stil blijven schuilen tot hij weder was afgetrokken; maar dat
kind zal niet te houden zijn, vrees ik. Het zou zich verraden door
uit een raam te kijken of zoo. Het zou eene leelijke geschiedenis
voor mij zijn, als die twee nu juist hier betrapt werden. Neen,
zij moeten van nacht nog voort."
"Van nacht! Hoe is dat mogelijk? Waarheen?"
"Ik weet al zoo tamelijk wel waarheen," antwoordde de senator en begon
zijne laarzen aan te trekken; maar toen zijn eene been half in de laars
was, bleef hij met beide handen om zijne knie geslagen peinzend zitten.
"Het is eene verduiveld leelijke, lastige historie; dat is maar zoo,"
zeide hij eindelijk en begon weder aan de laars te trekken.
Nadat de eene laars aan was, bleef de senator, met de andere in de
hand, naar de ruiten op het tapijt zitten staren.
"Het zal toch moeten gedaan worden, zoover ik zien kan. Maar lastig
is het," zeide hij weder, trok de andere laars aan en keek eens uit
het venster.
Nu was Mevrouw Bird een bescheiden en verstandig vrouwtje--een
vrouwtje, dat nooit zeide: "dat heb ik u wel gezegd," en hoewel zij
bij deze gelegenheid wel wist welken loop de gedachten van haren
echtgenoot namen, was zij voorzichtig genoeg om zich daarmede niet
te bemoeien en bleef maar stil zitten, zich gereed houdende om de
meeningen van haren heer en meester aan te hooren, wanneer het hem
goeddacht die te kennen te geven.
"Gij weet wel," zeide hij eindelijk, "daar is mijn oude cliënt Van
Trompe, die uit Kentucky is overgekomen en al zijne slaven in vrijheid
heeft gesteld. Hij heeft een goed gekocht, hierachter in de bosschen,
zeven mijlen de kreek op, waar niemand ooit komt of het moet met opzet
wezen, en dan is de plaats nog niet gemakkelijk te vinden. Daar zal
zij veilig genoeg wezen; maar het lastige van de zaak is, dat niemand
haar daar van nacht met rijtuig naar toe kan brengen dan ik."
"Waarom niet? Cudjoe rijdt heel goed."
"Ja, ja, maar hier zit het in. Men moet tweemaal de kreek over,
en de tweede maal is het gevaarlijk, als iemand de plek niet zoo
goed kent als ik. Ik ben daar wel honderdmaal te paard over geweest,
en weet nauwkeurig welke draaien men moet nemen. Dus, ziet ge, is er
niets anders op. Cudjoe moet tegen twaalf uren zoo stil als hij kan
de paarden voorspannen, en ik zal haar brengen. Maar om de zaak een
kleurtje te geven, moet hij tot aan de naaste herberg met mij mee,
alsof hij mij op den postwagen naar Columbus bracht, die daar tegen
drie of vier uren voorbijkomt; zoo zal het schijnen, alsof ik het
rijtuig alleen daarvoor gebruikt had. Dan kan ik morgenochtend in de
vergadering zijn. Ik denk dat ik mij daar wel wat beklemd zal voelen,
na al wat er gezegd en gedaan is; maar verduiveld, ik kan het niet
helpen."
"Uw hart is beter dan uw hoofd in dit geval, John!" zeide zijne vrouw,
haar handje op zijne hand leggende. "Had ik u ooit kunnen liefhebben,
als ik u niet beter gekend had dan gij u zelven kent!"
En het vrouwtje zag er zoo bekoorlijk uit, met de tranen die in hare
oogen glinsterden, dat de senator dacht welk een knap man hij toch
wel moest wezen, om zulk een aardig wijfje zulk eene hartstochtelijke
bewondering voor zich in te boezemen. Wat kon hij dan anders doen,
dan stil heengaan om naar het rijtuig te zien! Bij de deur bleef hij
echter een oogenblik stilstaan, en toen terugkomende, zeide hij met
eenige aarzeling:
"Mary, ik weet niet wat gij er van denkt, maar daar is nog de lade
vol goed van--van den lieven kleinen Henry."
Daarmede keerde hij zich snel om en sloot de deur achter zich.
Zijne vrouw opende een slaapkamertje naast hare kamer, zette daar
de kaars die zij had medegenomen op een bureau, nam vervolgens een
sleutel, stak dien peinzende in het slot eener lade en bleef toen
stilstaan, terwijl de twee knapen, die haar, zooals jongens doen,
op de hielen waren gevolgd, met veelbeteekenende blikken naar hunne
moeder keken. O, moeder, die dit leest, is er in uw huis nooit eene
lade of kast geweest, waarbij het u, als gij ze opendeedt, was alsof
er een kindergrafje geopend werd? O gelukkige moeder, die gij zijt,
als het nooit zoo geweest is!
Mevrouw Bird opende langzaam de lade. Daar lagen kleertjes van
verschillenden vorm en stof, stapels schortjes en rijen kousjes;
zelfs een paar schoentjes met afgesleten neuzen kwamen uit de vouwen
van een papier kijken. Er lag ook eenig speelgoed--een paardje en
een wagentje, een tol en een bal--gedachtenissen met menigen traan
en menigen zucht opgezameld. Zij zette zich neer, en met haar hoofd
in hare handen schreide zij, tot de tranen door hare vingers in de
lade droppelden. Toen eensklaps haar hoofd opheffende, begon zij met
zenuwachtigen haast het eenvoudigste en sterkste van alles uit te
zoeken en maakte een pakje daarvan.
"Mama," zeide een van de knapen, haar zacht aan den arm stootende,
"gaat gij dat goed weggeven?"
"Lieve jongens," antwoordde zij met zachten ernst, "als onze dierbare,
lieve, kleine Henry uit den hemel neerzag, zou hij zich verheugen
dat wij dit doen. Ik zou het hart niet hebben om iets daarvan weg
te geven aan een gewoon mensch--aan iemand die gelukkig was; maar ik
geef het aan eene moeder, die nog droeviger is dan ik en ik hoop dat
God zijn zegen er bij zal zenden."
Er zijn gezegende zielen op de wereld, wier smarten allen in vreugde
voor anderen overgaan; wier aardsche hoop, met vele tranen in het
graf gelegd, het zaad is waaruit genezende bloemen en balsem groeien
voor bedroefden en noodlijdenden. Onder deze behoorde die tengere
vrouw, die daar zat en langzaam tranen liet droppelen, terwijl zij
de gedachtenissen van haren eigen verloren lieveling voor dien der
arme zwervelinge gereed maakte.
Na eene poos opende Mevrouw Bird eene kleerkast, en daaruit een paar
sterke japonnen nemende, zette zij zich bij haar werktafeltje en begon
met schaar, naald en draad aan het "uitleggen", dat haar echtgenoot had
aanbevolen. Zij bleef druk daarmede bezig, tot de klok twaalf sloeg,
en zij het zachte geratel van wielen hoorde.
"Mary," zeide haar man, met zijn jas over den arm binnenkomende,
"gij moet haar nu wakker maken; wij moeten voort."
Haastig pakte Mevrouw Bird al wat zij verzameld had in een koffertje,
verzocht haar echtgenoot om dit in het rijtuig te laten zetten en ging
de arme vrouw roepen. Spoedig met een mantel, hoed en doek gekleed,
die hare weldoenster hadden toebehoord, kwam deze met haar kind op den
arm de deur uit. Mr. Bird haastte haar om in het rijtuig te stappen,
zijn vrouw kwam buiten tot aan de trede. Eliza boog zich uit het
portier en stak hare hand uit, eene hand even schoon als die haar werd
toegereikt. Zij zag Mevrouw Bird aan met oogen vol ernstige beteekenis
en scheen te willen spreken. Zij beproefde dit een paar malen en bewoog
hare lippen, maar er kwam geen geluid, en naar boven wijzende met een
blik dien men nooit vergeten kon, zonk zij achterover op de bank en
bedekte haar gelaat. Het portier werd gesloten en de koets reed voort.
Welk een toestand voor een patriotsch senator, die een geheele week
lang de wetgevende macht van den staat, waarin hij geboren was,
had aangespoord om strengere maatregelen te verordenen tegen de
vluchtelingen en medeplichtigen, die hen voorthielpen!
Onze goede senator had zich in de staatsvergadering door geen
zijner broederen te Washington laten overtreffen in die soort van
welsprekendheid, welke deze heeren een onsterfelijken roem heeft
doen verwerven. Hoe statig had hij daar gezeten met zijne handen
in zijne zakken en gesmaald op de sentimenteele zwakheid van hen,
die het welzijn van eenige ellendige vluchtelingen boven de groote
belangen van den staat wilden stellen!
Hij had zeer stout daarover gesproken en niet alleen zich zelven,
maar ook zijne hoorders overtuigd. Doch zijn denkbeeld van een
vluchteling was alleen het denkbeeld van de letters, waarmede dat
woord gespeld wordt, of ten hoogste van het courantenprentje, dat
een man met een stok en een bundeltje voorstelt en waaronder men
leest: "Weggeloopen van den ondergeteekende." De toovermacht van het
werkelijke gezicht, van het smeekende oog, van de sidderende hand,
van den hulpeloozen zielsangst had hij nog nooit ondervonden. Hij had
nooit bedacht, dat een vluchteling eene ongelukkige moeder kon zijn,
of een weerloos kind, gelijk dat, hetwelk nu het welbekende mutsje
van zijnen verloren lieveling droeg; en daar nu onze arme senator
niet van steen of ijzer was, daar hij een mensch was, en dat wel een
recht edelaardig mensch, bevond hij zich, gelijk iedereen zien moet,
met zijn patriotisme ellendig in het nauw. Gij behoeft niet over hem te
triomfeeren, goede broeder uit de Zuidelijke staten, want wij hebben
eenige reden om te vermoeden, dat het u in dergelijke omstandigheden
niet beter zou gaan. Wij hebben reden om te weten dat er in Kentucky,
zoowel als in Mississippi, goede en edele harten zijn, aan welke
niemand ooit vruchteloos zijn lijden heeft geklaagd. O goede broeder,
is het billijk van u, diensten van ons te verwachten, welke uw eigen
goed en edel hart u niet zou toelaten te bewijzen, als gij in onze
plaats waart?
Dit zij gelijk het wil, indien onze senator een politiek zondaar
was, zoo was hij ook op den "goeden" weg om zijne zonde door den
nachtelijken tocht af te boeten. Er was een langdurige regentijd
geweest, en de weeke vette grond van Ohio is, gelijk iedereen weet,
uitmuntend geschikt om er modder van te maken, terwijl de weg een
Ohio'sche spoorweg uit den goeden ouden tijd was.
"En welke soort van weg mag dat wezen?" zegt een Oostersche reiziger,
die gewoon is geene andere denkbeelden dan die van effenheid of spoed
met een spoorweg in verband te brengen.
Weet dan, onnoozele Oostersche vriend, dat in de Westelijke streken,
waar de modder eene onpeilbare diepte heeft, wegen gemaakt worden
van ruwe, ronde boomstammen, overdwars naast elkander gelegd, en
met aarde, graszoden of wat het eerst bijdehand is overdekt; en
dan noemt de verheugde inboorling dit een weg en beproeft er over
te rijden. Na verloop van tijd spoelt de regen het gras en de aarde
weg en doet de boomstammen verzakken in allerlei schilderachtige
liggingen, hooger en lager en kruiselings, met holen en reten vol
zwarte modder daartusschen.
Over zulk een weg hotste onze senator voort, zedekundige bespiegelingen
makende, zoo samenhangend als onder deze omstandigheden te verwachten
was. Om een voorbeeld van dit rijden te geven, verbeelde men zich
het gezelschap onder het horten en stooten op de twee banken van het
rijtuig gezeten. Op eens helt het overzijdsch en tuimelen senator,
vrouw en kind naar den laagsten kant. Het rijtuig blijft steken,
terwijl men Cudjoe buiten een geweldig leven onder de paarden hoort
maken. Na eenig vruchteloos trekken en sjorren, als de senator juist
op het punt is om alle geduld te verliezen, richt het rijtuig zich
met een schok weder op, maar te gelijk zinken de voorwielen in een
anderen afgrond, en tuimelen senator, vrouw en kind over elkander
op de voorbank. Des senators hoed is over zijnen neus en zijne oogen
gedrukt, zoodat hij niet zien kan, het kind schreeuwt, en Cudjoe houdt
buiten wederom eene aanspraak tegen de paarden, die nu eens schoppen en
steigeren, dan weder door herhaalde zweepslagen aangespoord, al hunne
krachten inspannen. Het rijtuig springt met een schok weder op, en nu
gaan de achterwielen naar beneden, en senator, vrouw en kind stuiven
naar de achterbank over; zijne ellebogen drukken haar hoed ineen,
die door den laatsten schok is afgevlogen, en hare voeten worden in
de zijnen beklemd. Een oogenblik later is men den "kuil" voorbij en
blijven de paarden hijgende staan; de senator zoekt zijn hoed weder op,
de vrouw poogt den haren weder in fatsoen te buigen en sust het kind,
en allen zetten zich opnieuw schrap voor hetgeen er nog komen moet.
Een tijdlang hotst men tamelijk geregeld voort, slechts nu en dan wat
ter zijde overhellende, en zij beginnen zich te vleien, dat het ergste
voorbij is; maar op eens komt er een stampende stoot, die allen doet
opvliegen en even snel weder neervallen, het rijtuig blijft staan, en
na veel opschudding van buiten vertoont Cudjoe zich voor het portier.
"Als het u belieft, Mijnheer, dat is eene erge plek hier. Ik weet
niet hoe wij er door zullen komen. Ik denk dat wij staken zullen
moeten leggen."
De senator stapt wanhopig uit en voelt met de teenen naar iets, om
den voet op te zetten; daar zakt zijn eene voet in eene onmetelijke
diepte: hij beproeft hem op te trekken, verliest het evenwicht en
tuimelt in de modder omver en wordt in een jammerlijken toestand door
Cudjoe opgevischt.