Indien sommige van onze beschaafde en christelijke lezers iets

tegen het gezelschap hebben, waarin dit tooneel hen gebracht heeft,

laten wij hen dan mogen verzoeken om bijtijds hunne vooroordeelen te

overwinnen. Het negervangen, moeten wij hun herinneren, verheft zich

thans tot de waardigheid van een wettig en patriotsch beroep. Wanneer

het geheele breede land tusschen den Mississippi en de Stille Zuidzee

ééne groote markt voor lichamen en zielen wordt, en menschelijke

koopwaar de locomotieve neigingen dezer negentiende eeuw behoudt,

kunnen de handelaar en de negerjager nog wel eens tot onze aristocratie

gerekend worden.

Terwijl dit in de herberg voorviel, reden Sam en Andy vol blijde

zelfvoldoening naar huis.

Sam was zoo opgewonden als maar mogelijk was, en gaf zijne

overmaat van genot lucht door allerlei onnatuurlijke geluiden en

uitroepingen, en allerlei wonderlijke bewegingen en verwringingen van

zijn lichaam. Somtijds reed hij het achterste voor, met het gezicht

naar den staart van zijn paard; en zich dan met een zegekreet en een

luchtsprong weder recht plaatsende, zette hij een ernstig gezicht en

begon Andy op hoogdravenden toon eene vermaning te geven, dat hij

lachte en voor gek speelde. Dan weder sloeg hij zich met de handen

in de zijden en hief een schaterend gelach aan, zoodat het door de

oude bosschen weergalmde. Onder al die grimassen wist hij echter

zijn paard in vliegenden ren te houden, tot hij met zijn makker,

tusschen tien en elf uur, weder over het kiezelgruis langs de veranda

knerste. Mevrouw Shelby ijlde naar buiten.

"Zijt gij dat, Sam? Waar zijn zij?"

"Mijnheer Haley zit in de herberg uit te rusten. Hij is schrikkelijk

vermoeid, Mevrouw."

"En Eliza, Sam?"

"O, zij is den Jordaan over. In het land van Kanaän, zou iemand

mogen zeggen."

"Wat meent gij toch, Sam?" zeide Mevrouw Shelby, bijna flauw vallende,

toen de mogelijke beteekenis dezer woorden haar te binnen kwam.

"Wel, Mevrouw, de Heere bewaart die de Zijnen zijn. Lizzy is over de

rivier gekomen naar Ohio, zoo wonderlijk, alsof de Heere haar in een

vurigen wagen met twee paarden had overgebracht."

Sams vroomheid was in de tegenwoordigheid zijner meesteres bijzonder

vurig, en hij bracht dan altijd zooveel schriftuurlijke uitdrukkingen

en beelden te pas als hij maar kon.

"Kom hier, Sam," zeide Mr. Shelby, die insgelijks onder de veranda

was gekomen, "en zeg uwe meesteres wat zij verlangt te weten. Kom,

Emilia," vervolgde hij, zijn arm om haar heenslaande. "Gij staat te

beven. Gij geeft al te veel toe aan uw gevoel."

"Te veel toe aan mijn gevoel! Ben ik geene vrouw--geene moeder? Zijn

wij niet bij God verantwoordelijk voor dat arme schepsel? O God,

reken ons deze zonden niet toe!"

"Welke zonde, Emilia? Gij ziet immers zelve wel, dat wij alleen maar

gedaan hebben wat wij moesten doen."

"Het geeft mij toch een ontzettend gevoel van schuld," antwoordde

Mevrouw Shelby. "Dat kan ik niet wegredeneeren."

"Hier, Andy, gij neger, maak wat haast!" riep Sam. "Breng de paarden

naar den stal. Hoort gij niet dat de meester mij roept?"

En weldra verscheen Sam, met zijn hoofdsieraad van palmbladeren in

de hand, voor de deur der voorkamer.

"Zeg ons nu duidelijk, Sam, hoe de zaak is afgeloopen," zeide

Mr. Shelby. "Waar is Eliza, als gij dit weet?"

"Wel, meester, ik zag haar met mijne eigene oogen op het drijvende ijs

overstappen. Zij kwam op eene buitengemeene manier aan den overkant;

het was niets minder dan een wonder. En ik zag een man aan den Ohiokant

haar ophelpen, en toen raakte zij in het donker uit mijne oogen."

"Ik vind dat wonder eenigszins ongeloofelijk, Sam. Op drijvend ijs

overstappen gaat zoo gemakkelijk niet," zeide Mr. Shelby.

"Gemakkelijk!" riep Sam. "Niemand kon het gedaan hebben, als de Heere

hem niet hielp. Ik zal het u zeggen, hoe het was. Mijnheer Haley

en ik en Andy, wij kwamen aan het herbergje aan de rivier, en ik

reed een beetje vooruit--ik had zulk een ijver om Lizzy te vangen,

dat ik mij niet kon inhouden--en toen ik voorbij het venster kwam,

daar stond zij zoo waar vlak in het gezicht en zij kwamen achter mij

aan. Wel, ik verlies mijn hoed, en schreeuw hard genoeg om de dooden

wakker te maken. Natuurlijk hoort Lizzy dat en zij stapt achteruit,

en Mijnheer Haley rijdt voorbij naar de deur. En toen liep zij de

achterdeur uit naar de rivier. En toen zag Mijnheer Haley haar en

schreeuwde, en hij en ik en Andy, wij liepen haar na. Zij komt aan de

rivier, en daar was de strooming langs den kant volle tien voet breed,

en aan de overzijde lag het ijs op en neer te wiegelen, alsof het

een groot eiland was. Wij kwamen recht achter haar aan en ik dacht

zeker dat hij haar al had--en toen gaf zij zulk een schreeuw als

ik nooit in mijn leven gehoord heb, en daar was zij op eens aan den

overkant van den stroom, op het ijs, en voort liep zij, al gillende

en springende--en het ijs ging krik, krak, plis, plas! en zij sprong

maar voort als een hert! Och, wat kan die meid springen!"

Mevrouw Shelby was stil en bleek van aandoening blijven zitten,

terwijl Sam dit verhaalde.

"God zij gedankt, zij is dan niet dood!" zeide zij eindelijk. "Maar

waar is het arme kind nu?"

"De Heere zal voorzien," antwoordde Sam en liet met eene zonderlinge

vertooning van vroomheid zijne oogen rollen. "Zooals ik gezegd heb,

dat is de Voorzienigheid geweest en niets anders, gelijk Mevrouw

ons altijd heeft onderricht. Er komen altijd werktuigen op, om den

wil des Heeren te doen. Als ik er niet geweest was, zou zij vandaag

wel twaalf maal gevangen zijn. Was ik het niet die de paarden van

morgen liet hollen en ze bleef naloopen tot dicht bij etenstijd? En

bracht ik mijnheer Haley van avond niet vijf mijlen van zijn weg af,

anders zou hij Lizzy zoo gemakkelijk achterhaald hebben als een hond

een kip. Dat zijn alles proeven van de Voorzienigheid."

"Het zijn eene soort van proeven, waar gij spaarzaam mede zult moeten

zijn, Sam. Ik duld zulke streken niet van mijne onderhoorigen," zeide

Mr. Shelby, met zooveel barschheid, als hij bij deze gelegenheid

veinzen kon.

Nu baat het even weinig zich op een neger boos te willen houden als

op een kind; beiden zien door instinct den waren staat der zaken,

al veinst men het tegendeel; en Sam schrikte dus volstrekt niet van

deze bestraffing, hoewel hij een gezicht vol droevigen ernst zette,

en zeer boetvaardig de hoeken van zijn mond neertrok.

"Meester heeft gelijk--volkomen gelijk. Het was leelijk van mij--dat

is niet anders. En natuurlijk willen meester en Mevrouw zulke dingen

niet goedkeuren. Dat gevoel ik wel, maar een arme neger zooals ik komt

somtijds in groote verzoeking om leelijke dingen te doen, als iemand

zoo te werk gaat als die Mijnheer Haley. Hij is geen _gentleman_,

gansch niet; iedereen die zoo is grootgebracht als ik, moet dat

wel zien."

"Wel, Sam," zeide Mevrouw Shelby, "daar gij uw misstap schijnt te

begrijpen, kunt gij nu Tante Chloe gaan zeggen dat zij u wat van die

ham kan geven, die vandaag van het diner is overgebleven. Gij en Andy

moeten wel honger hebben."

"Mevrouw is veel te goed voor ons," antwoordde Sam, maakte eene vlugge

buiging en ging heen.

Men zal wel zien, gelijk reeds vroeger is aangemerkt, dat Sam een

aangeboren talent bezat, hetwelk hem in de politieke wereld zeker ver

had kunnen brengen--een talent om alles wat hem voor de voeten kwam tot

een kapitaal te maken, om tot eigen lof en eer te beleggen; en nadat

hij tot genoegen der voorkamer, gelijk hij vertrouwde, zijne vroomheid

en nederigheid had laten blinken, zette hij met zekeren lossen zwier

zijn hoofddeksel van palmbladeren op, en ging naar het gebied van

Tante Chloe met het voornemen om in de keuken eens recht te schitteren.

"Ik zal die negers eens een redevoering laten hooren, nu ik er

gelegenheid toe heb," zeide hij bij zich zelven. "Ik zal maken dat

zij mij met open mond staan aan te kijken."

Het moet hier aangemerkt worden, dat Sam er bijzonder vermaak in had,

met zijn meester naar allerlei politieke vergaderingen te rijden,

waar hij, op een hek of in een boom gezeten, met groote liefhebberij

naar de redenaren zat te luisteren, om dan, afgeklommen onder de

broeders van zijne eigene kleur, die insgelijks met hunne meesters

waren medegekomen, deze met de koddigste nabootsingen, die hij met

onverstoorbare deftigheid uitsprak, te stichten en te vermaken. Hoewel

zijne naaste toehoorders lieden van zijne eigene kleur waren, stonden

niet zelden in het rond eenigen van blanker tint, die lachende en

wenkende luisterden, waarop Sam dan niet weinig trotsch was. Kortom,

Sam was blijkbaar tot redenaar geroepen, en verzuimde geen gelegenheid

om die roeping te volgen.

Nu had van oude tijden af tusschen Sam en Tante Chloe eene soort van

slepende vijandschap, of liever eene in het oog loopende koelheid

bestaan; maar daar hij thans het oog op een goeden maaltijd had,

besloot hij, om zijne vooruitzichten niet te bederven, ditmaal

buitengemeen verzoenlijk te zijn; want hij wist, dat hoewel de bevelen

van mevrouw zeker naar de letter zouden worden opgevolgd, het toch

een groot voordeel voor hem zou zijn, als de geest ook daarbij

medewerkte. Hij verscheen dus voor Tante Chloe met een bedeesd,

geduldig gezicht, gelijk iemand, die om een zijner ongelukkige

medemenschen te dienen, onmetelijk veel had uitgestaan, en weidde er

breed over uit dat mevrouw hem gezegd had naar Tante Chloe te gaan,

om vergoeding te krijgen voor wat hij aan eten en drinken te kort

gekomen was, waardoor hij onbewimpeld hare opperheerschappij in de

keuken en de aanhoorigheden daarvan erkende.

Hij slaagde naar wensch. Geen onnoozele brave vergadering van

kiezers liet zich ooit gemakkelijker door de oplettendheden van een

geslepen candidaat om den tuin leiden, dan Tante Chloe zich door

Sams vriendelijkheid liet innemen; en al ware hij de verloren zoon

zelf geweest, zoo had hij niet met meer moederlijke mildheid kunnen

overladen worden. Weldra zat hij vergenoegd bij een grooten blikken

pan, die eene _olla podrida_ bevatte van alles wat er in de laatste

twee of drie dagen op de tafel was geweest. Smakelijke brokken

ham, goudkleurige maïskoek, stukken pudding van allerlei fatsoen,

hoenderbouten, vlerken en koppen, alles lag daar in schilderachtige

verwarring; en Sam zat daar, als koning van dat alles, met zijne

palmbladeren-kroon op een oor, en Andy als begunstigd lijftrawant

aan zijne rechterhand.

De keuken was vol van zijne makkers, die haastig uit de verschillende

hutten waren komen aanloopen, om te hooren welken uitslag de avonturen

van den dag hadden gehad. Nu kon Sam schitteren. Hij herhaalde zijne

geschiedenis, met al de sieraden die noodig waren om het effect er

van te vergrooten, want Sam liet een verhaal nooit door zijne handen

gaan zonder het te verfraaien. Een schaterend gelach begeleidde zijne

vertelling, en werd opgevangen en voortgezet door het kleine goed,

dat in aantal op den vloer lag en in de hoeken zat. Onder al dat

rumoer en gelach bewaarde Sam echter eene onverzettelijke kalmte,

en liet slechts van tijd tot tijd zijne oogen rollen, of wierp zijnen

hoorders een onweerstaanbaar koddigen blik toe, zonder van de hoogte

zijner welsprekendheid af te dalen.

"Gij ziet nu, landgenooten," zeide Sam, met nadruk een hoenderboutje

opstekende, "gij ziet nu, waartoe ik in staat ben om u allen te

verdedigen--ja u allen, zeg ik. Want hij die beproeft om één van

ons volk te vangen, is evengoed als die allen beproeft te vangen;

gij ziet, het beginsel is hetzelfde, dat is duidelijk. En ieder van

die drijvers, die naar een van ons volk komt zoeken, welnu, hij vindt

mij in zijnen weg; ik ben de man met wien hij te doen heeft--ik ben

de man bij wien gij allen maar komen moet, mijne broeders, ik zal voor

uwe rechten strijden--ik zal ze verdedigen tot den laatsten ademtocht."

"Maar Sam," viel Andy hierop in, "gij hebt mij pas van morgen gezegd,

dat ge dien mijnheer woudt helpen om Lizzy te vangen. Het komt mij

voor dat uw praten niet goed samenhangt."

"Ik zeg u nu, Andy," antwoordde Sam met geduchte meerderheid, "dat

gij niet praten moet over iets waar gij niets van weet. Jongens,

zooals gij, Andy, meenen het wel goed, maar zij kunnen nog geene

opinie hebben over de groote beginselen van gedrag."

Andy scheen verslagen, vooral door het vreemde woord opinie, hetwelk

ook de meeste jeugdige leden der vergadering voor alles afdoende

schenen te houden. Sam vervolgde:

"Dat was volgens mijn geweten, Andy. Toen ik Lizzy meende te vangen,

dacht ik werkelijk dat meester daarop gesteld was. Toen ik begreep,

dat mevrouw op het tegendeel gesteld was, was dat nog meer volgens mijn

geweten--omdat iemand altijd meer wint als hij zich op den kant van

mevrouw houdt. Zoo ziet ge, dat ik op allebeide manieren consequent

ben, en mijn geweten getrouw blijf en mij aan beginselen houd. Ja,

beginselen," vervolgde hij en pikte nadrukkelijk in een lekkeren brok;

"waar zouden beginselen goed voor zijn, als men niet consequent is,

dat zou ik wel eens willen weten. Daar, Andy, gij moogt dat beentje

hebben; het is nog niet schoon afgekloven."

Daar Sams gehoor met open mond bleef luisteren, kon hij niet anders

doen dan voortgaan.

"Dat stuk van de consequentie," hervatte hij, zeer diepzinnig kijkende,

"is iets wat de meeste menschen niet duidelijk begrijpen. Ziet ge

wel, als iemand eerst stijf en sterk volhoudt voor het eene, en

dan naderhand voor het tegendeel, dan zeggen de menschen (en dat

zeggen zij natuurlijk genoeg) hij is niet consequent. Maar laten

wij het eens beter bezien. Ik hoop dat de _gentlemen_ en de schoone

sekse mij zullen verschoonen, als ik eene alledaagsche vergelijking

gebruik. Hier wil ik boven op een hooiberg komen. Wel, ik zet mijne

ladder aan den eenen kant, maar daar gaat het niet. Omdat ik dan daar

niet meer probeer, maar mijne ladder aan den anderen kant zet, ben ik

daarom niet consequent? Ik ben consequent als ik er op wil komen, aan

wat voor kant mijne ladder ook staan mag. Ziet ge dat allemaal niet?"

"Dat is het eenige, waarin gij ooit consequent zijt geweest, dat

weet de Heer," mompelde Tante Chloe, die ongeduldig begon te worden,

daar de vroolijkheid van den avond voor haar eenigszins was, zooals

de Schrift zegt, "gelijk edik op salpeter."

"Ja, waarlijk," hervatte Sam, tevreden met zijn avondmaal en den

gemaakten indruk opstaande, "ja mijne medeburgers en dames van de

andere sekse in het algemeen, ik heb beginselen, ik ben trotsch

om ze te bekennen--zij zijn een roem voor dezen tijd en voor alle

tijden. Ik heb beginselen, en ik houd er mij aan vast met hand en

tand. Zoodra ik denk dat iets een beginsel is, pak ik het aan. Het

zou mij niet kunnen schelen, al wilden zij mij levend verbranden;

ik zou recht naar den brandstapel gaan, dat zou ik, en zeggen: hier

kom ik om mijn laatste bloed te storten voor mijne beginselen, voor

mijn vaderland en voor de algemeene belangen der maatschappij."

"Wel," zeide Tante Chloe hierop, "een van uwe beginselen zal moeten

wezen, om op een of anderen tijd van den nacht naar bed te gaan,

en niet iedereen tot aan den ochtend op te houden. En nu, als gij,

jongens, geene klappen wilt hebben, maakt dat gij voorkomt, en wat

heel gauw!"

"Negers, gij allen," sprak Sam, en zwaaide met deftige vriendelijkheid

zijn hoofdsieraad; "ik geef u mijn zegen. Gaat nu naar bed en weest

brave jongens."

En met dit aandoenlijk afscheid ging de vergadering uiteen.

NEGENDE HOOFDSTUK.

WAARIN HET BLIJKT DAT EEN SENATOR NIET MEER DAN EEN MENSCH IS.

Het licht van een vroolijk vuur bescheen het tapijt eener deftig

gemeubileerde voorkamer, en flikkerde op de theekopjes en den

blinkenden trekpot, toen senator Bird zijne laarzen uittrok om

zijne voeten in een paar fraaie pantoffels te steken, die zijne

vrouw voor hem gewerkt had, terwijl hij op zijne senatoriale reis uit

was. Mevrouw Bird was met een vergenoegd gezicht bezig met nog een en

ander op de tafel te schikken, en sprak tusschenbeiden een vermanend en

waarschuwend woordje tot eenige kinderen van verschillenden ouderdom,

die zich vermaakten met al die manieren van dartel kwaad doen,

welke sedert de dagen van den zondvloed de moeders hebben verbaasd

doen staan.

"Tom, blijf van de deur af, als een zoete jongen. Mary, Mary, trek de

kat niet bij haar staart--arme poes! Neen, Jim, gij moogt niet op de

tafel klimmen. Gij weet niet, lieve, welk eene verrassing het voor ons

allen is u van avond nog tehuis te zien," voegde zij er eindelijk bij,

toen zij tijd vond om iets tegen haar man te zeggen.

"Ja, ik dacht, ik moest eens komen overvliegen, en tehuis een

pleizierigen avond en wat rust hebben. Ik ben doodmoede en heb

hoofdpijn."

Mevrouw Bird wierp een blik naar een fleschje met kamferdroppeltjes,

dat in eene half opene kast stond, en scheen er naar toe te willen

gaan; maar haar echtgenoot weerhield haar.

"Neen, neen, Mary," zeide hij, "geen medicijn. Een kop sterke, heete

thee en wat van onzen goeden huiskost, is al wat ik noodig heb. Het

is een vervelend werk, dat wetten maken."

En de senator glimlachte, alsof hij zich eenigszins streelde met het

denkbeeld, dat hij zich voor zijn vaderland opofferde.

"Wel," zeide zijne vrouw, toen het aan de theetafel minder druk begon

toe te gaan: "en wat hebben zij in den senaat gedaan?"

Nu was het iets zeer ongewoons bij het zachtzinnige Mevrouwtje Bird,

dat zij haar hoofd brak met hetgeen er in het Huis van den senaat

omging, zeer wijselijk denkende, dat zij genoeg met haar eigen huis

te stellen had. Mr. Bird sloeg dus een paar eenigszins verbaasde

oogen op, en antwoordde:

"Niet veel van belang."

"Maar is het waar, dat zij eene wet hebben aangenomen om de menschen

te verbieden eten en drinken te geven aan die arme kleurlingen, die

ergens langs komen? Ik heb gehoord, dat men van zulk eene wet sprak,

maar ik dacht niet, dat eene christelijke wetgeving ze zou aannemen."

"Wel Mary, gij wordt op eens politiek."

"Neen, toch niet! Ik stoor mij geen zier aan al uwe politiek over

het geheel, maar dit zou ik rechtuit voor wreed en onchristelijk

houden. Ik hoop toch lieve, dat er geene zulke wet is aangenomen?"

"Er is eene wet aangenomen, om iedereen te verbieden de slaven voort

te helpen, die van Kentucky overkomen, lieve. Er is zooveel van dien

aard door die heethoofdige abolitionisten gedaan, dat onze broeders

in Kentucky zeer verstoord zijn, en het schijnt noodig en niet meer

dan menschlievend en christelijk, iets te doen om die opgewondenheid

te doen bedaren."

"En wat zegt die wet? Zij verbiedt ons toch niet om die arme schepsels

een nacht te laten schuilen? En om ze wat hardsterkends te eten en

wat oude kleeren te geven, en weer stil te laten heengaan?"

"Ja zeker, lieve, dat zou voorthelpen zijn."

Mevrouw Bird was een blozend en zachtzinnig vrouwtje, omtrent vier

voet lang, met zachte blauwe oogen, eene heldere fijne kleur en het

zachtste, liefste stemmetje van de wereld. Wat haar moed betrof,

een kalkoensche haan van middelbare grootte kon haar op de vlucht

jagen, als hij maar eens kokkelde, en een huishond van de gewone

soort kon haar oogenblikkelijk tot onderwerping brengen, alleen door

zijne tanden te laten zien. Haar echtgenoot en hare kinderen waren

hare geheele wereld, en deze beheerschte zij meer door verzoek en

overreding, dan door bevel of redekaveling. Er was slechts één ding,

dat in staat was om haar vuur te doen vatten, en dit was iets, wat

juist den zachtsten kant van haar buitengemeen zacht en medelijdend

gemoed trof: alles wat naar wreedheid geleek was in staat om haar in

eene drift te brengen, des te meer ontrustend en onverklaarbaar, omdat

zij anders zoo zacht van karakter was. Doorgaans de inschikkelijkste

van alle moeders, hadden hare jongens nog eene eerbiedige herinnering

aan de geduchte kastijding die zij hun eens gegeven had, toen zij hen

met eenige ondeugende knapen uit de buurt samengespannen had gevonden,

om een weerloos katje te steenigen.

"Ja, toen was ik verschrikt," placht kleine William te zeggen. "Moeder

kwam naar mij toe, zoodat ik dacht dat zij razend was geworden, en ik

kreeg een pak en werd zonder eten in bed gestopt, eer ik nog bekomen

was van de verwondering wat er met mij gebeurde; en daarna hoorde

ik moeder buiten de deur hardop snikken, en dat was nog erger dan al

het andere. Ik zeg u, wij hebben nooit weer eene kat gesteenigd."

Bij deze gelegenheid stond Mevrouw Bird snel op, met zeer roode

wangen, die haar gezichtje lang niet leelijker maakten, kwam met eene

inderdaad vastberadene houding naar haren echtgenoot en zeide op een

even vastberaden toon:

"Nu, John, wil ik weten of gij zulk eene wet voor recht en christelijk

houdt."

"Gij zult mij toch niet doodschieten, Mary, als ik ja zeg?"

"Dat had ik nooit van u gedacht, John. Gij hebt er toch niet vóór

gestemd?"

"Juist zoo, mijne schoone politieke dame."

"Gij moest u schamen, John. Arme schepsels die niet onder dak kunnen

komen! Het is eene schandelijke, goddelooze, verfoeielijke wet, en ik

zal haar breken, zoodra ik er maar gelegenheid toe heb; en ik hoop,

dat ik er gelegenheid toe krijgen zal, dat doe ik. Het is mooi met

de zaken gesteld, als eene vrouw geen maal eten en geen bed mag geven

aan menschen die gebrek en honger lijden, juist omdat zij slaven zijn

en al hun leven mishandeld en onderdrukt zijn--die ongelukkigen!"

"Maar, Mary, luister eens. Uw gevoel is op zich zelf goed en ik heb

er u te liever om. Maar, lieve, wij moeten niet toelaten, dat ons

gevoel ons verstand overheerscht. Gij moet bedenken dat dit geene zaak

van iemands bijzonder gevoel is. Er zijn groote openbare belangen in

betrokken; er is zulk eene algemeene spanning ontstaan, dat wij ons

bijzonder gevoel ter zijde moeten zetten."

"John, ik weet niets van politiek, maar ik kan mijn Bijbel lezen;

daar vind ik dat ik de hongerigen moet voeden, de naakten kleeden en

de bedroefden troosten, en dien Bijbel denk ik te volgen."

"Maar in gevallen, dat men zoo doende een groot kwaad voor het algemeen

zou stichten...."

"God gehoorzaam te zijn kan nooit geen kwaad voor het algemeen

stichten; dat weet ik. Het is in alle gevallen het veiligste, te doen

gelijk Hij ons beveelt."

"Maar luister nu eens, Mary, ik kan u met eene zeer duidelijke

redeneering bewijzen...."

"Neen, John! gij kunt den geheelen nacht praten, maar dat zou niet

gaan. Ik vraag het u, John, zoudt gij nu een arm, hongerig, verkleumd

mensch van uwe deur jagen, omdat hij een vluchteling was? Zoudt

ge dat?"

Om nu de waarheid te zeggen, had onze senator het ongeluk van een

man te zijn, die een bijzonder week en medelijdend hart had; iemand

die in nood verkeerde van zijne deur te jagen, was nooit zijn fort

geweest, en wat bij deze gelegenheid nog erger voor hem was, zijne

vrouw wist dit, en richtte dus natuurlijk haar aanval op een punt

dat bijna onverdedigbaar was. Hij nam daarom de toevlucht tot de

gewone middelen om tijd te winnen, waarmede men zich in zulke gevallen

behelpt. Hij zeide "ahem" en kuchte eenige malen, haalde zijn zakdoek

uit en begon zijn bril af te vegen. Mevrouw Bird, ziende hoe zwak

het gebied des vijands verdedigd was, vond er geen bezwaar in om haar

voordeel te vervolgen.

"Ik zou het u wel eens willen zien doen, John, dat zou ik waarlijk! Gij

zoudt, bijvoorbeeld, eene vrouw in een sneeuwstorm de deur uitjagen,

of misschien zoudt gij haar oppakken en in de gevangenis zetten,

zoudt ge niet! Ja, dat zou u goed afgaan."

"Natuurlijk, het zou een zeer pijnlijke plicht wezen," begon Mr. Bird

op zeer gematigden toon.

"Plicht, John? Gebruik dat woord toch niet. Gij weet wel dat het

geen plicht is. Het kan geen plicht wezen. Als de menschen willen

dat hunne slaven niet wegloopen, laten zij ze dan goed behandelen,

dat is mijne leer. Als ik slaven had--ik hoop dat ik ze nooit hebben

zal--zou ik het wel er op durven wagen of zij van mij zouden wegloopen,

en dat zoudt gij ook, John. Ik zeg u, menschen loopen niet weg als

zij het goed hebben; en als zij wegloopen, de arme schepsels, lijden

zij genoeg van honger en koude en angst, dat iedereen tegen hen is;

en hetzij wet of geene wet, dat zal ik nooit, zoo helpe mij God!"

"Mary, Mary, lieve, laat mij toch met u redeneeren!"

De Negerhut · 第 7 / 44 段