brengen. Het beste wat ik doen kan, is u te zeggen, dat gij _daarheen_
gaat," vervolgde hij, naar een groot wit huis wijzende, dat een eind
van het dorp op zich zelf stond. "Ga daar; dat zijn goede lieden. Er
is geene soort van gevaar of zij zullen u helpen--zij zijn aan dat
alles gewoon."
"De Heere zegene u!" zeide Eliza ernstig.
"Toch niet, toch niet,' antwoordde de man. "Wat ik gedaan heb, heeft
niets te beduiden."
"En o, Mijnheer, gij zult het toch zeker niemand zeggen!"
"Loop naar den donder, meid! Waar houdt gij iemand voor? Wel natuurlijk
niet," antwoordde de man. "Kom, ga nu heen als een knappe verstandige
meid, die gij zijt. Gij hebt uwe vrijheid verdiend, en wat mij betreft,
zult gij ze hebben."
Zij sloot haar kind in hare armen en ging snel en met vaste schreden
heen. De man bleef haar staan nakijken.
"Shelby zal dit misschien niet heel buurmanachtig gedaan vinden; maar
wat zal iemand doen? Als hij eene van mijne meiden in denzelfden nood
vindt, laat hij het dan vrij ook zoo maken. Ik ben nooit in staat
geweest om wat voor schepsel het ook wezen mocht te zien vluchten
voor zijn leven, hijgende en zwoegende, met de honden achteraan, en
het dan tegen te houden. Buitendien, ik zie geene enkele verplichting
voor mij om voor anderen jager en vanger te wezen."
Zoo sprak de arme heidensche Kentuckiër, die niet in de
constitutioneele burgerplichten onderwezen was en zich dus liet
verlokken om eenigszins op eene christelijke manier te handelen,
hetgeen hij, als hij beter opgevoed en meer verlicht was geweest,
niet had mogen doen.
Haley had met stomme verbazing naar dit tooneel staan staren, totdat
Eliza achter den hoogen kant verdween. Toen keerde hij zich naar Sam
en Andy met een verwonderd vragenden blik.
"Dat was tamelijk knap gedaan," zeide Sam.
"De meid heeft zeven duivels in het lijf, geloof ik," zeide Haley. "Zij
sprong als een wilde kat."
"Wel," hervatte Sam, zijn hoofd krabbende, "ik hoop dat Mijnheer
het ons niet kwalijk nemen zal, als wij dien weg niet probeeren. Ik
geloof niet dat ik er courage genoeg toe heb." En Sam liet een schor
gelach hooren.
"Lacht gij nog!" snauwde de handelaar.
"God zegene u, meester, ik kon het niet laten," antwoordde Sam en
gaf zijne lang gesmoorde opgetogenheid lucht. "Zij maakte zulk eene
wonderlijke vertooning, daar wippende en springende over dat krakende
ijs. En het hooren er van! Plomp, krik, krak, plis, plas! He, wat ging
dat!" En Sam en Andy lachten, dat hun de tranen over de wangen rolden.
"Ik zal u wel anders leeren lachen," zeide de handelaar en sloeg naar
hunne hoofden met zijne karwats.
Beiden bukten, liepen schreeuwende en joelende den oever op, en waren
te paard eer hij hen bereikte.
"Goeden avond, meester," zeide Sam zeer ernstig. "Ik geloof vast,
dat Mevrouw ongerust over Jerry zal wezen.
"Mijnheer Haley zal ons nu wel niet langer willen ophouden. Mevrouw
zou er toch niet van willen hooren dat wij de paarden van avond over
Lizzy's brug brachten."
En Andy een schertsenden ribbestoot gevende, reed hij voort, door
zijnen makker in vollen ren gevolgd, terwijl de wind nog lang hun
schaterend gelach overwoei.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
ELIZA'S ONTSNAPPING.
Het was juist schemeravond, toen Eliza dien wanhopigen aftocht
over de rivier waagde. De grauwe avondnevel, die langzaam uit het
water oprees, omhulde haar toen zij den oever besteeg, en deed
haar spoedig geheel verdwijnen, terwijl de gezwollen stroom en de
drijvende ijsschotsen een onoverkomelijken slagboom tusschen haar en
haren vervolger plaatsten. Haley keerde dus langzaam en ontevreden
naar de herberg terug, om daar te overleggen wat verder te doen. De
vrouw opende voor hem de deur van een voorkamertje, met een karpet
op den grond en gemeubileerd met eene tafel, met blinkend wasdoek
bedekt, eenige stoelen met hooge pooten en leuningen, en eenige hard
gekleurde pleisterbeeldjes op den mantel van den schoorsteen, waarin
een smeulend vuur brandde. Bovendien stond bij den schoorsteen nog
eene lange houten bank, en daarop zette Haley zich neer om over de
onzekerheid van alle menschelijke hoop te peinzen.
"Wat had ik ook met het kleine kreng noodig," zeide hij bij zich
zelven, "dat ik mij daarvoor zoo voor den gek moest laten houden?"
Hij verlichtte zijn hart door eene niet zeer keurig uitgezochte litanie
van verwenschingen tegen zich zelven, die wij, hoewel er goede reden
zou zijn om ze voor zeer gepast te houden, om den smaak onzer lezers
niet te kwetsen, maar niet zullen herhalen.
Hij werd gestoord door de luide, ruwe stem van een man die voor de
deur scheen af te stijgen, en haastte zich naar het venster.
"Waarachtig, als dat nu niet het naaste bijkomt bij wat de menschen
voorzienigheid noemen!" zeide Haley bij zich zelven. "Ik geloof dat
Tom Loker daar is."
Hij haastte zich naar buiten. Bij het buffet stond een grof gespierd
man, van volle zes voet lengte en breed naar evenredigheid. Hij had
een jas van buffelhuid aan, met het haar naar buiten, hetgeen aan
zijn voorkomen eene ruigheid en woestheid gaf, volkomen strookende
met de uitdrukking van zijn gezicht. Elke trek van dat gezicht en elke
vorming van het hoofd, die dierlijke woestheid kon aanduiden, was zoo
sterk mogelijk ontwikkeld. Wanneer onze lezers zich een bulhond konden
voorstellen, die tot eene manslengte was opgegroeid en met een hoed en
jas rondliep, zouden zij geen slecht denkbeeld hebben van het algemeene
voorkomen van dezen man. In zijn gezelschap had hij een reisgenoot,
die in vele opzichten een volmaakt contrast met hem aanbood. Deze
was kort en tenger, vlug en katachtig in zijne bewegingen, en had
iets turends en loerends in zijne scherpe zwarte oogen, waarmede al
de even scherpe trekken van zijn gelaat overeenstemden. Zijn lange,
smalle neus liep in zulk eene spitse punt uit, alsof hij in alles
wilde inboren; zijn dun, gladgestreken, zwart haar stak insgelijks met
spitse punten naar voren, en al zijne bewegingen en gebaren duidden
listige, voorzichtige slimheid aan. De groote, grove man schonk een
bierglas half vol brandewijn en goot het zonder een woord te spreken
in eens in zijn keel. De kleine, magere man verhief zich op de teenen,
stak het hoofd eerst naar den eenen en toen naar den anderen kant,
alsof hij aan de flesschen wilde ruiken, en bestelde eindelijk een
glaasje likeur, met eene schelle, pieperige stem en met een voorkomen
van voorzichtig overleg. Toen het hem gegeven werd, nam hij het op
en bekeek het met vergenoegde aandacht, gelijk iemand die denkt dat
hij iets juist van pas heeft gedaan, en ging het toen met korte,
bedachtzame teugjes uitdrinken.
"Wel, wie zou zulk een geluk verwacht hebben! Hoe vaart gij,
Loker?" zeide Haley naderkomende, en reikte den groven man zijne hand.
"Voor den duivel, Haley, hoe komt gij hier?" was het beleefde antwoord.
De katachtige man, die den naam van Marks droeg, hield dadelijk op
met slurpen, stak zijn hoofd vooruit, en keek onzen nieuwen bekende
vragend aan.
"Zeg eens, Tom," hervatte Haley, "het is gelukkig dat ik u zie. Ik
zit verduiveld in de klem en gij moet er mij eens uit helpen."
"Hm! Wel te denken!" bromde zijn vriendelijke bekende. "Daar kan
iemand wel zeker van zijn, als ge blijde zijt hem te zien moet het
om een reden zijn. Wat is er nu aan de hand?"
"Gij hebt daar een vriend?" zeide Haley, Marks twijfelachtig
aanziende. "Een compagnon misschien?"
"Ja, zoowat. Hier, Marks, dat is de man met wien ik te Natchez ben
geweest."
"Het zal mij pleizier doen kennis met hem te maken," zeide Marks,
eene lange, magere hand, gelijk een ravenklauw, uitstekende. "Mijnheer
Haley, geloof ik?"
"Dezelfde, Mijnheer," antwoordde Haley. "En nu, Heeren, nu wij
elkander zoo gelukkig hebben ontmoet, dunkt mij, moest ik eens op een
kleinigheid trakteeren. Kom aan, oude," vervolgde hij tegen den man
aan het buffet, "geef heet water, suiker en sigaren, en eene goede
portie van "het echte goed," dan zullen wij de kennis eens hernieuwen."
Ziedaar dan de kaarsen aangestoken, het vuur in den haard opgepookt,
en onze drie vrienden om eene tafel gezeten, wel voorzien met al het
noodige om kennis aan te knoopen en te hernieuwen.
Haley begon een aandoenlijk verhaal van zijn ongeval. Loker kneep
zijn mond dicht en luisterde met norsche aandacht. Marks, die met
veel omslag een glas punch naar zijnen eigen bijzonderen smaak
gereed maakte, keek tusschenbeide eens op en stak dan zijn scherpen
neus bijna in Haley's gezicht. Hij luisterde ook oplettend naar het
geheele verhaal, en het slot scheen hem buitengemeen te vermaken;
want hij lachte dat hij schudde, hoewel zonder geluid te geven,
en kneep met een gezicht vol pret zijn lippen dicht.
"Zoo zijt ge dan gefopt?" zeide hij eindelijk. "Nu, het is aardig
gedaan."
"Dat jonge goed geeft veel last in den handel," zeide Haley droevig.
"Als wij een ras van meiden konden maken dat niet om hare jongen gaf,"
liet Marks hierop volgen, "dunkt mij, dat het nagenoeg de grootste
uitvinding van onzen tijd zou zijn."
"Ja," zeide Haley hierop, "ik heb het nooit kunnen begrijpen. Jongen
zijn een grooten last voor de meiden, en men zou denken dat ze blij
moesten zijn, als zij er af raakten; maar dat zijn ze toch niet. En
hoe meer last een jong geeft, en hoe minder het eigenlijk deugt,
zooveel te meer zijn zij er aan gehecht."
"Ja, Mijnheer Haley," zeide Marks.--"Och, geef mij eens het water
aan!--Ja, Mijnheer, gij zegt daar wat ik altijd gedacht heb. Eens
heb ik eene meid gekocht--eene knappe, frissche meid was zij, en
tamelijk mooi ook--en die had een jong dat ellendig ziekelijk was,
een krommen rug had of zoo iets; en ik gaf hem weg aan een man die
wilde probeeren of hij hem kon grootbrengen, als hij hem toch niets
kostte; en ik had nooit gedacht dat de meid het zich zou aantrekken;
maar o! o! gij had eens moeten zien hoe zij te werk ging. Zij scheen
waarlijk zooveel te meer van het kind te houden, omdat het ziekelijk
en lastig was en haar plaagde; en zij veinsde dat maar niet, neen
zij huilde en werd er mager van, alsof zij alles verloren had wat
zij had. Het was waarlijk koddig, als men het zoo bedacht. Maar de
grillen van vrouwen zijn onverklaarbaar."
"Wel, zoo is het mij ook gegaan," hervatte Haley. "Verleden zomer werd
er aan de Roode Rivier eene meid aan mij verkocht, met een kind dat er
goed genoeg uitzag en oogen had, zoo helder als die van u; maar toen
ik beter keek, bevond ik dat het stekeblind was--stekeblind. Wel,
gij begrijpt, ik vond er geen kwaad in, om hem maar van de hand te
doen zonder er iets van te zeggen, en ik verkocht hem voor een vaatje
jenever; maar toen wij hem van de meid kwamen weghalen, geleek zij wel
eene tijgerin. Het was vóórdat wij van de rivier waren en ik had mijn
troep niet geboeid. Wat zou ze dus doen? Zij vliegt op eene katoenbaal,
grijpt een van het volk op het dek een mes uit de hand, en ik zeg u,
zij deed in het eerst iedereen voor haar loopen, tot zij zag dat het
toch niet baten zou; en toen keert zij zich om en springt, met jong
en al, plompverloren in de rivier, zinkt als een steen en komt nooit
weder boven."
"Bah!" zeide Tom Loker, die met blijkbare minachting naar deze verhalen
had geluisterd. "Gij weet er beiden niet mede om te gaan. _Mijne_
meiden zullen zich nooit zoo aanstellen, dat zeg ik u."
"Zoo! Hoe voorkomt gij dat?" vroeg Marks snel.
"Hoe ik het voorkom! Wel, als ik eene meid koop, die een jong heeft dat
verkocht kan worden, ga ik even naar haar toe en houd mijne vuist voor
haar gezicht, en zeg: "Kijk eens hier. Als gij mij één dwars woord
geeft, zal ik uw gezicht inbeuken. Ik wil geen woord hooren--geen
begin van een woord." En dan zeg ik verder: "Dat jong is van mij,
niet van u; gij hebt er niets mee te maken. Ik zal het bij de eerste
gelegenheid verkoopen. Pas op dat gij geen spektakel daarover maakt,
of ik zal u doen wenschen dat gij nooit geboren waart." Ik zeg u,
zij zien dan wel dat het geen gekheid is als ik begin. Het maakt haar
zoo stom als visschen; en als eene van haar begint en maar eens jankt,
wel...." En daarmede liet hij zijne vuist op de tafel vallen met een
bons, die zijn rede genoegzaam aanvulde.
"Dat noem ik spreken!" zeide Marks glimlachend en gaf Haley een
stoot in de zijde. "Weet Tom het die meiden niet aan het verstand
te brengen, he? Ik geloof dat zij u wel begrijpen, Tom, al zijn
alle negerkoppen wollig. Zij zullen niet twijfelen aan uwe meening,
Tom. Als gij de duivel niet zijt, Tom, zijt gij zijn tweelingbroeder;
dat wil ik voor u getuigen."
Tom nam dit compliment met voegzame bescheidenheid aan, en keek zoo
vriendelijk als hem mogelijk was.
Haley, die vrij wat gedronken had, begon een bijzondere verheffing
van zedelijk gevoel te ontwaren--geen ongewoon verschijnsel bij heeren
van een ernstig en nadenkend karakter onder dergelijke omstandigheden.
"Wel, Tom," zeide hij, "dat is waarlijk te erg, zooals ik u altijd
gezegd hebt. Gij weet wel, Tom, hoe ik over die dingen met u placht
te praten daar te Natchez, en u placht te bewijzen dat wij er
evenveel mee wonnen voor deze wereld, als wij hen goed behandelden,
en bovendien beter kans hielden om eindelijk in den hemel te komen,
als wij eens opraakten en toch anders niets meer konden krijgen. Weet
ge dat nog wel?"
"Bah, of ik het weet!" antwoordde Tom. "Maak me niet misselijk met
dien kost. Mijne maag begint nu al te koken." En hij dronk een half
glas klaren brandewijn uit.
"Ik zeg dit," hervatte Haley, achterover in zijn stoel leunende en met
nadrukkelijke gebaren, "ik zeg dit: ik heb altijd gemeend mijn handel
te drijven om er geld mede te winnen, _eerst en vooral zoo_ goed als
iemand; maar daarom is de handel toch niet alles en geld is niet alles,
want wij hebben allen toch eene ziel. Het kan mij niet schelen, wie
mij dat hoort zeggen--en ik denk er ver....d dikwijls aan, zoodat ik
het ook wel zeggen mag. Ik geloof aan den godsdienst, en eens, als ik
geld genoeg bij elkander heb, denk ik ook voor mijne ziel te zorgen,
en wat baat het dus meer goddeloosheid te doen dan werkelijk noodig
is? Mij komt het voor dat het lang niet voorzichtig is."
"Voor uwe ziel te zorgen!" zeide Tom verachtelijk. "Men zou hard
moeten zoeken om eene ziel in u te vinden. Maak u daarover maar
niet ongerust. Al zift de duivel u door een koornzeef, hij zal geene
ziel vinden."
"Wel, Tom, wat zijt gij barsch!" zeide Haley. "Waarom kunt gij het
niet vriendelijk opnemen, als iemand tot uw bestwil spreekt?"
"Houd op met dat gemaal," antwoordde Tom, even grof. "Ik kan bijna
alle praatjes van u hooren, behalve die vrome praatjes--die zouden
mij ziek maken. En wat is dan eigenlijk het verschil tusschen u en
mij? Het is niet dat gij een zier beter zijt, of een zier meer gevoel
hebt--maar het is klinkklare hondsche laaghartigheid en lafheid,
dat gij den duivel wilt bedriegen en u zelven uit zijne klauwen
redden. Doorzie ik het niet? En uw "godsdienstig worden," zooals gij
zegt, is maar een gemeene streek. Ge laat uw leven lang uwe rekening
bij den duivel oploopen, en wilt dan uitvluchtjes zoeken als het tijd
van betalen wordt. Bah!"
"Kom, kom, Heeren, dat zijn dingen, die nu niet te pas komen," zeide
Marks hierop. "Mijnheer Haley is een heel ordentelijk man, daar twijfel
ik niet aan, en heeft zijne eigene soort van geweten; en gij, Tom,
hebt ook uwe manier van denken, en die is ook heel goed; maar twisten
weet ge, baat niets. Laten wij tot de zaak komen. Wat is het nu,
Mijnheer Haley? Gij wilt dat wij u helpen om die meid te vangen?"
"De meid gaat mij niet aan; zij is van Shelby. Het is mij maar om
den jongen te doen. Ik ben een gek geweest dat ik den aap gekocht heb."
"Gij zijt doorgaans een gek," bromde Tom.
"Stil toch, Loker," duwde Marks hem toe. "Mijnheer Haley wil ons
immers een goed karweitje aan de hand doen. Zeg eens, hoe ziet die
meid er uit, en wat is zij?"
"Wel, blank en mooi, en goed opgebracht. Ik had Shelby achthonderd of
duizend voor haar willen geven, en zou nog goede winst hebben gemaakt."
"Blank, mooi en goed opgebracht?" herhaalde Marks met levendige
begeerte in al zijne scherpe trekken. "Kijk eens aan, Loker, welk een
heerlijk kansje! Wij moeten de zaak voor eigen rekening ondernemen;
wij vangen ze; de jongen gaat natuurlijk naar Mijnheer Haley, en wij
brengen de meid op speculatie naar Orleans. Is dat niet heerlijk?"
Tom, wiens breede grove mond onder het luisteren had opengestaan, sloot
hem nu op eens dicht, gelijk een bulhond naar een stuk vleesch hapt, en
scheen vervolgens op zijn gemak het smakelijke denkbeeld te verzwelgen.
"Gij weet," zeide Marks tot Haley, onder de hand zijn glas punch
omroerende, "wij hebben rechters overal langs de kust, die klaar
staan om alle noodige kleinigheden in ons vak te doen. Tom moet voor
het vangen zorgen; en ik kom als een heer gekleed, met blinkende
laarzen, en dat alles als er gezworen moet worden. Gij moet eens
zien," vervolgde hij met trotsche zelfvoldoening, "hoe ik mij dan
houden kan. Den eenen dag ben ik Mr. Twickens van New-Orleans;
den anderen dag kom ik zoo van mijne plantage aan de Paarlrivier,
waar ik vijfhonderd negers heb; dan weder ben ik een verre neef van
Henry Clay, of een ander groot man. Ieder heeft zijn bijzonder talent,
weet ge. Tom is een kerel, als er gebulderd of gevochten moet worden,
maar voor het liegen deugt hij niet; dat gaat hem niet natuurlijk
af. Maar o, als er iemand in het land is, die beter op alles kan
zweren, en alle omstandigheden beter bij elkander brengen, en een
strakker gezicht daarbij kan zetten dan ik, dan zou ik hem wel eens
willen zien--meer zeg ik niet. Ik geloof dat ik het wel klaren zou,
al keken de rechters wat nauwer dan zij doen. Somtijds wenschte ik
haast dat zij wat nauwer keken; het zou veel aardiger en prettiger
zijn, als zij dat deden, weet ge!"
Tom Loker die, gelijk reeds gebleken is, langzaam in zijn denken en
doen was, stoorde hier Marks door zijne zware vuist op de tafel te
laten vallen, zoodat er alles op rinkelde.
"Ik doe het," zeide hij.
"Gij behoeft de glazen daarom niet te breken," zeide Marks. "Bewaar
uwe vuist maar voor tijd van nood."
"Maar, Heeren, zal ik dan ook geen aandeel hebben in de winst?" vroeg
Haley nu.
"Is het niet genoeg, dat wij den jongen voor u vangen?" antwoordde
Loker. "Wat wilt gij anders?"
"Wel," zeide Haley, "dat ik u het kansje aan de hand doe, is toch
iets waard. Zeg tien percent van de winst, na aftrek van de kosten."
Loker barstte uit in een geduchten vloek en liet nog eens zijne vuist
op de tafel vallen.
"Ken ik u niet, Daniël Haley?" zeide hij vervolgens. "Denk niet dat ge
mij zoo zult beetnemen. Gelooft gij dat Marks en ik het negervangen
bij de hand hebben genomen, alleen om zulke heeren als gij zijt van
dienst te wezen, en niets voor ons zelven te verdienen? Dat lijkt
er niet naar. Wij houden de meid geheel en al, en gij moogt u maar
stilhouden, of wij houden ze allebei. Wat zou het ons beletten? Hebt
gij ons het wild niet gewezen? Wij mogen het evengoed vangen als gij,
zou ik denken. Als gij of Shelby ons wilt vervolgen, ga dan maar eens
kijken waar de patrijzen van verleden jaar zijn. Als gij die of ons
vinden kunt, staat het u vrij."
"Welnu, laat het dan maar zoo blijven," zeide Haley ontsteld. "Gij
vangt dus den jongen voor mij. Gij hebt mij altijd eerlijk behandeld
Tom, en uw woord gehouden."
"Dat weet gij wel," antwoordde Tom. "Ik houd mij niet op met uw geteem;
maar valsch spel speel ik zelfs den duivel niet. Wat ik zeg dat ik
doen zal dat doe ik. Dat weet gij wel, Daniël Haley."
"Ja wel, ja wel; dat zeide ik ook, Tom. En als gij mij maar beloven
wilt dat gij den jongen over een week voor mij gereed zult houden,
waar gij maar zelf verkiest, is het al wat ik eisch."
"Maar nog lang niet al wat ik eisch," hervatte Tom. "Gij denkt toch
niet dat ik voor niet zaken met u gedaan heb te Natchez, Haley? Ik
heb geleerd een aal vast te houden als ik hem pak. Gij moet vijftig
dollars geven, maar vooruit, of ik verzet geen voet. Ik ken u wel."
"Wat als ik u een kansje aan de hand heb gedaan, dat u duizend
of zestienhonderd zuivere winst kan opbrengen? Wel Tom, ge zijt
onredelijk."
"Ja, en hebben wij geen werk aangenomen voor vijf weken achtereen,
zooveel als wij maar af kunnen? En als wij nu alles verzuimen, en
die jongen van u gaan naloopen en eindelijk misschien de meid niet
eens pakken--meiden zijn altijd duivels moeielijk te pakken--wat
dan? Zoudt gij ons dan een cent betalen? Mij dunkt, ik zie het u al
doen! Bah! Neen, tel ons uwe vijftig op de hand toe. Als de zaak
goed uitkomt, geven wij ze u terug, zoo niet dan is dat voor onze
moeite. Dat is billijk. Niet waar, Marks?"
"Zekerlijk, zekerlijk," antwoordde Marks op een verzoenenden toon. "Het
is maar geld op de hand. Maar wij zullen de zaak wel in der minne
schikken, wees maar gerust. Tom zal u den jongen brengen waar gij
verkiest; niet waar, Tom?"
"Als ik het jong vang, breng ik het naar Cincinnatie en laat het bij
grootmoeder Belcher," antwoordde Loker.
Marks had eene smerige portefeuille uit zijn zak gehaald, en een
strook papier daaruit nemende, begon hij mompelende te lezen:
"Barnes--Shelby County--jongen Jim, driehonderd dollars voor hem, dood
of levend, Edward--Dick en Lucy--man en vrouw, zeshonderd dollars;
meid Polly met twee kinderen, zeshonderd voor haar of haar hoofd. Ik
loop onze zaken eens even door, om te zien of wij dit nog kunnen
waarnemen.--Wij zullen Adams en Springer op deze moeten afzenden,"
zeide hij na zich eene poos te hebben bedacht. "Zij staan al eenigen
tijd geboekt."
"Zij zullen te veel rekenen," zeide Tom.
"Dat zal ik wel schikken. Zij zijn zoo jong in het vak en zullen
wel begrijpen, dat zij goedkoop moeten werken," antwoordde Marks,
terwijl hij stil voortlas. "Drie er van zijn gemakkelijke karweien,
want al wat zij te doen hebben, is ze dood te schieten of te zweren
dat zij doodgeschoten zijn; en daar kunnen zij natuurlijk niet
veel voor rekenen. Die andere dingen kunnen nog wel wat uitgesteld
worden;"--daarmede vouwde hij het papier weder op. "Laten wij nu tot
de bijzonderheden overgaan. Gij hebt dus die meid aan land zien komen,
Mijnheer Haley?"
"Zeker--zoo duidelijk als ik u zie."
"En een man die haar den kant ophielp?" zeide Loker.
"Zeker zag ik dat."
"Waarschijnlijk is zij ergens ingenomen," zeide Marks nu. "Waar? Dat
is de vraag. Wat zegt gij Tom?"
"Wij moeten van nacht nog de rivier over," zeide Tom.
"Maar er ligt hier geene boot," liet Marks daarop volgen. "En het
ijs kruit geweldig. Zou het niet gevaarlijk zijn?"
"Daar weet ik niet van, maar alleen dat het gedaan moet worden,"
antwoordde Tom beslissend.
"Maar toch," hervatte Marks onrustig. "Ik weet niet." Hij stond op
en ging naar het venster. "Het is pikdonker buiten, en...."
"Het lange en het korte van de zaak is, dat ge bang zijt, Marks. Maar
dat kan ik niet helpen, ge moet toch mee. Zoudt ge misschien een paar
dagen willen wachten tot de meid langs den onderaardschen spoorweg
[3] naar Sandusky of zoo is gebracht?"
"O neen, ik ben volstrekt niet bang," zeide Marks. "Maar--"
"Maar wat?"
"Wel, eene boot. Gij weet dat er geene boot is."
"Ik heb de vrouw hooren zeggen dat er van avond eene kwam, en dat er
iemand mede overging. Gevaarlijk of niet, wij moeten met hem mede,"
zeide Tom.
"Ik onderstel dat gij goede honden hebt?" merkte Haley nu aan.
"Allerbeste," antwoordde Marks. "Maar wat baat dat? Gij hebt toch
niets van haar, om aan te laten ruiken."
"Ja, dat heb ik wel, zeide Haley zegepralende. "Hier is haar doek,
dien zij in haar haast op bed heeft laten liggen en haar hoed ook."
"Dat is gelukkig," zeide Loker. "Geef maar hier."
"Maar de honden zouden de meid kunnen beschadigen, als zij haar
onverwacht pakten," zeide Haley.
"Dat is eene bedenking," zeide Marks. "Onze honden hebben daar in
Mobile eens een kerel half in stukken gescheurd eer wij hen konden
terug roepen."
"Wel, ziet ge, voor deze soort, die voor haar mooi moet verkocht
worden, gaat dat niet aan," zeide Haley.
"Dat begrijp ik," antwoordde Marks. "En bovendien, als zij ingenomen
is, gaat het ook niet. Honden helpen niet in deze staten, waar die
schepsels met rijtuig weggebracht worden; zij kunnen dan natuurlijk
geen spoor vinden. Zij helpen maar alleen in de plantages, waar de
negers als zij wegloopen zelf moeten loopen, en niet geholpen worden!"
"Welnu," zeide Loker, die even de kamer uit was geweest om iets te
vragen; "zij zeggen dat de man met de boot gekomen is. Dus Marks...."
Deze keek treurig rond in het aangename nachtverblijf, dat hij
verlaten moest, maar stond toch langzaam op. Na nog eenige afspraken
te hebben gemaakt, stelde Haley met zichtbaren tegenzin Tom de vijftig
dollars ter hand, en zoo scheidde het elkander waardige drietal voor
dien avond.