"Ja zeker!" antwoordde de moeder met eene stem waarvan zij zelve

schrikte, want zij scheen van een geest in haar binnenste te komen

die haar niet toebehoorde, en het knaapje liet zijn vermoeid hoofd

op haren schouder zakken en viel in slaap. Hoe scheen de aanraking

van die armpjes, hoe scheen de zachte ademhaling die haar in den

hals blies, vuur en kracht aan haar bewegingen te geven! Het was

met elke zachte aanraking en beweging van het slapend kind, alsof

electrische stroomen van kracht haar werden ingestort. Verheven is de

heerschappij van den geest over het lichaam, die voor een tijd het

vleesch onoverwinnelijk kan maken, en de spieren spannen als staal,

zoodat de zwakken zoo sterk worden.

De zoomen van hoeve, bosch en plantsoen zweefden haar schemerend

voorbij; en steeds ging zij voort, het eene gemeenzame voorwerp na

het andere achter zich latende, en toefde niet en rustte niet, totdat

het aanbrekende daglicht haar ver van elk gemeenzaam voorwerp op den

open weg vond.

Zij was dikwijls met hare meesteres op een bezoek bij betrekkingen in

het dorpje T*** aan de Ohio geweest, en kende den weg wel. Daarheen

te gaan en over de Ohio te komen, waren de eerste haastige trekken van

het plan harer vlucht geweest; verder kon zij alleen op God vertrouwen.

Toen zich paarden en rijtuigen op den weg begonnen te vertoonen,

begreep zij met die levendigheid van bevatting, die aan een staat van

buitengemeene opgewondenheid eigen is en naar eene soort van ingeving

gelijkt, dat haar haastige tred en verwilderd voorkomen opmerkzaamheid

en achterdocht konden wekken. Zij zette dus haar kind op den grond,

bracht hare kleeding wat in orde, en stapte toen weder voort, zoo

snel als zij meende te kunnen doen zonder aandacht te trekken. In

haar pakje had zij een kleinen voorraad van koekjes en appelen,

welke zij gebruikte om haar kind meer spoed te doen maken. Dikwijls

liet zij een appel een eind vooruitrollen, en dan liep de kleine uit

alle macht om hem te krijgen. Deze list, dikwijls herhaald, bracht

hem menige halve mijl ver.

Na een poos kwamen zij aan een dicht boschje, waardoor eene heldere

beek murmelde. Daar het kind over honger en dorst klaagde, klom zij er

mede over het staketsel; en zich achter eene groote rots neerzettende,

die hen voor voorbijgangers op den weg verborg, gaf zij hem een

ontbijt uit haar pakje. Het knaapje was verwonderd en bedroefd dat

zij niet eten kon, en toen hij, zijne armpjes om haren hals slaande,

haar een stuk van zijn koekje in den mond poogde te stoppen, was het

haar alsof keelkramp haar zou doen stikken.

"Neen, Harry, moeder kan niet eten tot gij veilig zijt. Wij moeten

voort--voort tot wij aan de rivier komen."

En zij snelde met hem naar den weg, en dwong zich daar weder om

bedaard en geregeld voort te stappen.

Zij was mijlen ver elke plaats voorbij waar zij persoonlijk bekend

was. Als zij nog bij toeval iemand mocht ontmoeten die haar kende,

dacht zij dat de algemeen bekende goedheid der familie strekken

zou om alle achterdocht van haar af te wenden, daar het iedereen

onwaarschijnlijk moest voorkomen, dat zij gevlucht zou zijn. Daar

zij ook zoo blank was, dat men haar niet zonder haar opmerkzaam aan

te zien voor eene kleurlinge kon herkennen, en haar kind insgelijks,

was het des te gemakkelijker voor haar om onopgemerkt te blijven.

Hierop vertrouwende, ging zij tegen den middag eene nette boerenwoning

binnen om te rusten, en eten voor zich zelve en haar kind te bekomen;

want daar het gevaar met den afstand kleiner werd, nam ook de

overmatige spanning harer zenuwen af, en voelde zij zoowel vermoeienis

als honger.

De vrouw, die vriendelijk en spraakzaam was, scheen wel in haar schik

te zijn dat er iemand wat met haar kwam praten, en geloofde zonder

eenige navraag Eliza's opgaaf "dat zij een eind ver ging om eene week

bij vrienden door te brengen," hetgeen zij in haar hart wenschte dat

waarheid mocht zijn.

Een uur voor het ondergaan der zon kwam zij aan het dorp T***, bij

de Ohio, vermoeid en met pijnlijke voeten, maar nog krachtig van

hart. Haar eerste blik was de rivier, die gelijk de Jordaan en het

Kanaän der vrijheid aan den overkant stroomde.

Het was in het begin der lente, en de rivier was gezwollen en

onstuimig; groote brokken ijs dreven heen en weder op het troebele

water. Door den bijzonderen vorm van den oever aan de zijde van

Kentucky, waar het land met eene bocht ver in het water uitstak,

was het ijs daar in groote hoeveelheid opgehouden en vastgezet,

en het nauwe kanaal, dat om die bocht heenliep, was ingelijks vol

ijs, zoodat de op elkander gestapelde schotsen een slagboom vormden,

waartegen het afdrijvende ijs stuitte, dat als een groot golvend vlot

de geheele rivier vulde, en zich bijna van den eenen oever tot den

anderen uitstrekte.

Eliza stond voor een oogenblik dezen ongunstigen staat van zaken aan

te zien, welke, zooals zij terstond begreep, eene gewone veerboot

het oversteken moest beletten, en keerde zich toen naar eene kleine

herberg op den oever om eenige navraag te doen.

De waardin, die bij het vuur bezig was met koken en bakken, keerde

zich met eene vork in de hand om, toen Eliza's zachte, klagende stem

haar in haar werk stoorde.

"Wat is er?" zeide zij.

"Is er tegenwoordig geen veerschuit of boot om iemand naar F***

over te zetten?" vroeg Eliza.

"Wel neen," antwoordde de vrouw. "Al de booten hebben opgehouden

met varen."

Eliza's blik van schrik en teleurstelling trof de vrouw, en zij

zeide vragend:

"Misschien moest gij zelf over? Iemand ziek? Ge schijnt zoo angstig

te zijn."

"Ik heb een kind dat heel gevaarlijk is," antwoordde Eliza. "Ik wist

er niets van voor gisteravond, en ben vandaag een heel eind gegaan,

in de hoop om nog aan het veer te komen."

"Wel, dat is ongelukkig," zeide de vrouw, wier moederlijk gevoel

terstond ontwaakte. "Ik heb waarlijk met u te doen.--Salomon!" riep

zij uit het venster naar een achtergebouwtje.

Een man met een lederen schootsvel en zeer morsige handen kwam aan

de deur.

"Zeg eens, Sam," hervatte de vrouw, "gaat die man van avond die vaten

niet overbrengen?"

"Hij zeide dat hij het beproeven zou, als het maar eenigszins te

wagen was," antwoordde de man.

"Er is een man hier, die van avond met eenig goed over zou gaan,

als hij het durfde doen. Dat is een lieve kleine jongen," voegde de

vrouw er bij en bood hem een koekje aan.

Maar het kind, geheel afgemat, schreide van vermoeienis.

"Arme kleine! Hij is het loopen niet gewend, en ik heb hem zoo

gehaast," zeide Eliza.

"Wel breng hem in deze kamer," zeide de vrouw, een kamertje openende

waarin een goed bed stond.

Eliza legde het vermoeide kind daarop neer en hield zijne handjes in de

hare, totdat hij in slaap was. Voor haar was er geene rust. De gedachte

aan den vervolger joeg haar voort, en met verlangende oogen staarde

zij op den gezwollen stroom, die tusschen haar en de vrijheid golfde.

Hier moeten wij voor een oogenblik afscheid van haar nemen om naar

hare vervolgers terug te keeren.

Hoewel Mevrouw Shelby beloofd had dat er haast met den maaltijd zou

gemaakt worden, bleek het echter weldra, gelijk meermalen is gebleken,

dat haast niet altijd spoed is. Hoewel het gebod ten aanhoore van Haley

werd gegeven en door tenminste een half dozijn kleine boden naar de

keuken overgebracht, scheen Tante Chloe toch niet gezind om eenigen

spoed te maken. Zij bromde slechts wat, wierp haar hoofd in den nek

en ging met buitengewone omslachtigheid en langzaamheid haar gang.

Eene of andere bijzondere reden scheen tot eene algemeene verbeelding

onder de bedienden aanleiding te hebben gegeven, dat Mevrouw zich

niet meer boos zou maken over eenig getalm; en het was verbazend

welk een getal van kleine ongelukken er samenliep om den maaltijd

te vertragen. Een lomperd stiet de sauspan om, en toen moest er met

zorgvuldigheid weder nieuwe saus gemaakt worden, die tante Chloe met

hardnekkige oplettendheid mengde en roerde, terwijl zij ieder die van

haast sprak, ten antwoord gaf "dat zij geene klonterige saus op de

tafel zou geven, om wien het ook wezen mocht te helpen vangen." Een

helper deed een val met het water en moest naar de bron gaan om meer

te halen; een ander smeet de boter als een hinderpaal in den loop der

gebeurtenissen om, en van tijd tot tijd werd er grinnikend bericht

in de keuken gebracht, dat "Mijnheer Haley machtig onrustig was,

en onmogelijk op zijn stoel kon blijven zitten, maar telkens naar de

vensters en de veranda wandelde."

"Dat heeft hij er voor," zeide Tante Chloe met verontwaardiging.

"Hij zal wel eens nog onrustiger worden als hij zijn leven niet

betert. Zijn meester zal hem laten halen, en dan zullen wij zien hoe

het hem gaan zal."

"Hij zal naar de plaats der pijning gaan, zonder missen," zeide

kleine Jake.

"Dat verdient hij," zeide Tante Chloe strak. "Hij heeft menig hart

gebroken. Ik zeg u allen," vervolgde zij, zich omkeerende, met eene

opgeheven vork in de hand, "het is zooals de jongeheer George in de

Openbaring las--zielen roepende onder het altaar,--roepende tot den

Heer om wraak over dezulken,--en eens zal de Heer hen hooren.--dat

zal Hij!"

Tante Chloe, die in de keuken in groot aanzien stond, werd met open

monden aangehoord, en daar de maaltijd nu eindelijk was opgedischt,

had iedereen tijd om naar haar te luisteren en met haar te praten.

"Zulke kerels zullen voor eeuwig branden, zullen ze niet?" zeide Andy.

"Of ik blij zal zijn als ik het zie!" liet kleine Jake hierop volgen.

"Kinderen!" riep eene stem, die allen deed schrikken.

Het was Oom Tom, die binnen was gekomen, en bij de deur naar het

gesprek stond te luisteren.

"Kinderen," herhaalde hij, "ik weet dat gij niet weet wat gij

zegt. Voor eeuwig is een schrikkend woord, kinderen; het is

ontzettend om er aan te denken. Gij moet dat nooit een menschelijk

wezen toewenschen."

"Wij zouden het niemand dan de zielendrijvers," zeide Andy. "Niemand

kan het laten het hun toe te wenschen; zij zijn zoo ontzaglijk

goddeloos."

"Roept de natuur zelve geen wraak over hen?" zeide Tante Chloe. "Rukken

zij niet den zuigeling van de moederborst, en verkoopen hem--en de

kleine kinderen, die zich schreiend aan hare kleeren vasthouden,

rukken zij ze niet los en verkoopen ze? Rukken zij niet man en vrouw

van elkander?" vervolgde zij, en begon te schreien, "al moest het

hun ook het leven kosten? En voelen zij iets van dat alles--drinken

en rooken zij niet, en nemen zij het niet heel licht op? O, als de

duivel hen niet krijgt, waar is hij dan goed voor?"

En Tante Chloe bedekte haar gezicht met haar geruiten voorschoot,

en begon in goeden ernst te snikken.

"Bidt voor degenen die u geweld aandoen, zegt het boek," zeide Oom Tom.

"Voor hen bidden!" zeide Tante Chloe. "O, dat is al te hard. Ik kan

niet voor hen bidden."

"Dat is de natuur, Chloe, en de natuur is sterk," antwoordde Tom,

"maar de genade des Heeren is sterker. Bovendien, gij moest bedenken

in welk een ontzettenden staat de ziel van een arm schepsel is,

dat zulke dingen doet--gij moest God danken, dat gij niet aan hem

gelijk zijt, Chloe. Ik ben zeker dat ik mij liever tien duizendmaal

zou laten verkoopen, dan dat alles te verantwoorden te hebben wat

dat arme schepsel heeft."

"Ik ook veel liever," zeide Jake. "Gij ook niet Andy?"

Andy haalde zijne schouders op.

"Ik ben blij dat de meester van morgen niet is heengegaan, zooals hij

voornemens was," zeide Tom, "dat zou mij meer verdriet gedaan hebben

dan het verkoopen. Misschien zou het natuurlijk voor hem zijn geweest;

maar het zou bitter hard voor mij geweest zijn, die hem van kind af

gekend heb. Maar ik heb meester gezien en nu begin ik eenigszins met

den wil des Heeren verzoend te worden. Meester kon zich niet anders

helpen. Hij heeft wèl gedaan; maar ik vrees dat de zaken in de war

zullen loopen als ik wegga. Men kan niet verwachten dat meester overal

zal rondkijken, zooals ik deed, om alles in orde te houden. De jongens

willen wel, maar zij zijn machtig zorgeloos. Dat kwelt mij."

Hier liet de schel zich hooren en werd Tom in de voorkamer geroepen.

"Tom," zeide zijn meester vriendelijk, "ik wilde u kennis geven,

dat ik dezen heer eene schriftelijke belofte heb gegeven, om duizend

dollars te verbeuren als gij niet gereed zijt, wanneer hij u hebben

wil. Hij gaat vandaag naar zijne andere zaken zien, en gij kunt dezen

dag voor u zelven hebben. Ga nu waar gij wilt, mijn jongen."

"Dank u meester," zeide Tom.

"En pas op," zeide de handelaar nu, "en fop uw meester niet met uwe

negerstreken, want ik zal elken cent van hem halen als gij er niet

zijt. Als hij naar mij luisterde zou hij u niet vertrouwen. Ge zijt

zoo glad als alen."

"Meester," zeide Tom, en richtte zich rechtop, "ik was juist acht

jaren oud, toen de oude mevrouw u in mijne armen legde, en gij waart

toen nog geen jaar oud. "Daar," zeide zij. "Tom, dat moet uw jonge

meester zijn; pas goed op hem," zeide zij. En nu vraag ik u, meester,

heb ik ooit mijn woord gebroken of iets tot uw nadeel gedaan, vooral

sedert ik een Christen ben geworden?"

Mr. Shelby was diep getroffen, en de tranen kwamen hem in de oogen.

"Mijn goede jongen," antwoordde hij, "de Heer weet dat gij niets

anders dan de waarheid zegt; en als ik in staat was om anders te doen,

zou de geheele wereld u niet van mij koopen."

"En zoo zeker als ik eene christinne ben," zeide Mevrouw Shelby,

"zult gij losgemaakt worden, zoodra ik op eenerlei wijs de middelen

kan bijeenbrengen. Mijnheer," vervolgde zij tot Haley, "let wel op

aan wien gij hem verkoopt en laat het mij weten."

"Och wel ja, wat dat aangaat," antwoordde de handelaar, "misschien

breng ik hem over een jaar terug, niet eens veel versleten, en

verhandel hem weer."

"Dan zal ik met u handelen, en het tot uw voordeel maken," zeide

Mevrouw Shelby.

"Het is mij natuurlijk hetzelfde," liet de handelaar hierop volgen. "Ik

breng ze even lief de rivier op als de rivier af, als ik maar goede

zaken maak. Al wat ik zoek is bestaan, weet ge, Mevrouw; en dat is

wat wij allen zoeken, denk ik."

Mr. Shelby en zijne vrouw voelden zich beiden gekrenkt en vernederd

door de onbeschaamde gemeenzaamheid van den handelaar, maar

beiden begrepen ook de volstrekte noodzakelijkheid om hun gevoel

te bedwingen. Hoe langgeestiger en gevoelloozer hij zich toonde,

des te grooter werd Mevrouw Shelby's angst dat het hem gelukken

zou Eliza en haar kind te achterhalen, en des te grooter natuurlijk

haar verlangen om hem door allerlei vrouwelijke kunstgrepen op te

houden. Zij glimlachte dus vriendelijk, gaf hem zooveel mogelijk

gelijk, praatte gemeenzaam met hem en deed al wat zij kon om den tijd

ongemerkt te doen omgaan.

Tegen twee uren brachten Sam en Andy de paarden voor, naar het scheen

slechts verfrischt en versterkt door het hollen van dien ochtend.

Sam had door een goed maal insgelijks nieuwe krachten gekregen en was

geheel ijver en gedienstigheid. Toen Haley naderde, pochte hij tegen

Andy in een bloemrijken stijl op den ontwijfelbaar goeden uitslag

der onderneming, nu zij er maar eens toe kwamen.

"Uw meester geloof ik, houdt geene honden," zeide Haley toen hij

gereed was om op te stijgen.

"Bij troepen," antwoordde Sam zegepralende. "Daar is Bruno--dat is

een bullebak, en bovendien houdt bijna elke neger van ons een hond

van de eene of andere soort."

"Poe!" zeide Haley; en hij zeide nog iets anders van die honden,

waarop Sam mompelde:

"Ik zie niet in waar het toe dient, om ze zoo te vervloeken."

"Maar uw meester houdt geene honden--ik weet haast wel zeker van

neen--om negers op te sporen."

Sam wist zeer wel wat hij meende, maar bleef zeer ernstig en dom

onnoozel kijken.

"Onze honden hebben allemaal een fijnen reuk. Ik denk, dat ze wel

van de soort zullen zijn, al zijn ze nooit gedresseerd. Zij loopen

haast naar alles waar men ze op afstuurt. Hier, Bruno," riep hij,

en floot te gelijk den loggen Newfoundlander, die met plompe sprongen

naar hem toekwam.

"Laat ze hangen!" zeide Haley, opstijgende. "Kom aan, te paard maar."

Sam sprong te paard, en terwijl hij dit deed trok hij een gezicht

tegen Andy, waarop deze in een luiden lach uitbarstte, tot groote

verontwaardiging van Haley, die een slag met zijn karwats naar

hem deed.

"Ik ben verbaasd over u, Andy," zeide Sam met strakken ernst. "Het

is een ernstig werk, Andy. Gij moet er den gek niet mee steken. Dit

is de manier niet om Mijnheer te helpen."

"Ik zal den rechten weg naar de rivier nemen," zeide Haley beslissend,

toen zij op de grenzen van het landgoed waren gekomen. "Ik ken

de manier van die wegloopers wel. Zij willen allen maar naar den

overkant."

"Zeker," zeide Sam, "dat is het idee. Mijnheer Haley heeft den spijker

vlak op den kop geslagen. Maar er zijn twee wegen naar de rivier:

de landweg en de tolweg;--welken van die twee denkt Mijnheer te nemen?"

Andy keek Sam onnoozel aan, zeer verwonderd over deze nieuwe

ontdekking, maar bevestigde toch dadelijk het gezegde door eene

nadrukkelijke herhaling.

"Omdat," zeide Sam, "ik haast zou denken,dat Lizzy den landweg genomen

heeft, die het minst begaan en bereden wordt."

Haley, hoewel slim genoeg om altijd streken te vermoeden, liet zich

toch door deze redeneering eenigszins tot hetzelfde gevoel bewegen.

"Als gij maar zulke vervloekte leugenaars niet waart," zeide hij

twijfelende, na een oogenblik te hebben nagedacht.

De peinzende toon, waarop dit gezegd werd, scheen Andy bijzonder te

vermaken; hij bleef wat achter en schudde zoo, dat hij gevaar liep

om van zijn paard te vallen, terwijl Sams gezicht onverzettelijk

ernstig bleef.

"Natuurlijk," zeide Sam, "Mijnheer kan doen wat hij het liefst

wil en den tolweg nemen, als hij dat het beste vindt, het is ons

hetzelfde. Als ik er beter over denk, vind ik ook den tolweg het

beste."

"Zij moest natuurlijk den eenzamen weg kiezen," zeide Haley, hardop

denkende, zonder op het gezegde van Sam te letten.

"Daar is geen zeggen van," liet Sam hierop volgen. "Die meiden zijn

zoo wonderlijk. Zij doen nooit iets dat men denkt dat zij zullen doen,

maar meestal vlak contrarie. Meiden zijn natuurlijk contrarie, en

dus als gij denkt dat zij den eenen weg gegaan zijn, is het beter den

anderen te nemen en dan kunt gij er vast op aan dat gij ze vindt. Nu

is mijne gedachte dat Lizzy den landweg heeft genomen, en dus houd

ik het voor beter den tolweg te nemen."

Deze diepzinnige bespiegeling over den aard der vrouwelijke sekse

scheen Haley niet bijzonder voor den tolweg in te nemen. Hij gaf zijn

stellig besluit te kennen om den anderen weg te kiezen, en vroeg Sam

wanneer zij daar aankwamen.

"Een beetje verder," antwoordde Sam, en gaf tevens Andy een wenk met

het oog dat niet aan Haley's kant was. "Maar ik heb nu over de zaak

gedacht," vervolgde hij zeer ernstig, "en ben vast van meening dat

wij dien weg niet moeten gaan. Ik ben dien weg nooit geweest. Het

is er schrikkelijk eenzaam en wij zouden wel kunnen verdwalen. Onze

lieve Heer alleen weet waar wij zouden terecht komen."

"Ik zal toch dien weg nemen," zeide Haley.

"Nu ik er aan denk geloof ik, dat ik heb hooren zeggen dat die weg bij

de beek en verderop afgeheind en gesloten is. Is het zoo niet, Andy?"

Andy was er niet zeker van; hij had maar alleen van dien weg hooren

spreken, maar was er nooit over geweest. Kortom, hij wilde zich niet

compromitteeren.

Haley, gewoon om de waarschijnlijkheid te berekenen tusschen logens van

meerdere en mindere grootte, meende dat de landweg toch de voorkeur

verdiende. Het was onwillekeurig, gelijk hij meende opgemerkt te

hebben, dat Sam er het eerst van had gesproken; en zijne verwarde

poging tot afrading schreef hij aan een wanhopig liegen toe, toen de

neger zich bedacht had en ongenegen was om Eliza te helpen vatten.

Toen Sam dus den bedoelden weg aanwees, sloeg Haley dien driftig in,

door de twee negers gevolgd.

De weg nu was inderdaad een oude weg, die vroeger tot aan de rivier

had doorgeloopen, maar sedert het aanleggen van den nieuwen tolweg

verlaten was. Omtrent een uur rijdens ver was hij open, maar dan werd

hij door de schuttingen van verscheidene hoeven doorsneden. Sam wist

dit zeer wel; en de weg was reeds zoolang gesloten geweest, dat Andy

er nooit van had hooren spreken. Hij reed dus met een gezicht vol

ootmoedige onderdanigheid mede, en bromde slechts tusschenbeiden dat

de weg machtig ongelijk was en heel slecht voor Jerry's poot.

"Ik zal u eens wat zeggen," zeide Haley. "Ik weet wel wat ge wilt,

maar ge zult mij met al dat geklaag niet van dezen weg afbrengen,

zwijg dus maar stil."

Om zijn ijver te toonen, hield Sam zich alsof hij steeds scherp

uitkeek. Nu riep hij dat hij op eene hoogte in de verte een vrouwenhoed

zag; dan vroeg hij Andy of dat Lizzy niet was, daar beneden in de

diepte, en telkens deed hij die uitroepingen op eene ruwe en rotsige

plek van den weg, waar het versnellen van den draf gevaarlijk en

vermoeiend moest wezen, zoodat Haley in gedurige onrust bleef.

Nadat zij omtrent een uur lang aldus hadden gereden, draafde de troep,

eensklaps in eene diepte afdalende, de werf eener groote boerderij

op. Er was niemand te zien, daar al de arbeiders op het veld waren,

maar eene schuur die dwars over den weg stond, deed duidelijk blijken

dat de tocht in deze richting hier voor goed gestuit werd.

"Heb ik dat Mijnheer niet gezegd?" zeide Sam op een toon alsof hij

zeer verongelijkt was. "Hoe kan een vreemd heer denken, dat hij meer

van het land zal weten dan iemand die er geboren is?"

"Gij, schelm!" zeide Haley, "dat hebt gij wel geweten."

"Heb ik u niet gezegd dat ik het wist, toen gij mij niet woudt

gelooven? Ik heb Mijnheer gezegd dat de weg afgezet en gesloten was,

en dat ik niet dacht dat wij er door zouden kunnen. Andy heeft het

gehoord."

Dit was al te waar om het tegen te spreken, en de ongelukkige Haley

moest zijne gramschap verkroppen zoo goed hij kon. Zij keerden terug

en sloegen den gewonen grooten weg in.

Ten gevolge van al dat oponthoud, was het bijna een uur nadat Eliza

haar kind in de dorpsherberg te slapen had gelegd, toen de troep het

dorp kwam inrijden. Eliza stond voor het venster naar een andere kant

uit te zien, toen Sam met zijn scherpe oogen haar ontdekte. Haley en

Andy waren eenige schreden achter. Op dit oogenblik wist Sam zijn hoed

te laten afwaaien en deed daarbij een luiden, eigenaardigen uitroep,

die haar deed schrikken. Zij trad achteruit, en de geheele troep reed

het venster voorbij naar de voordeur.

Duizendvoudige kracht scheen Eliza in dat eene oogenblik te

worden ingestort. Hare kamer kwam met eene zijdeur op de rivier

uit. Zij greep haar kind en vloog de trap af naar den waterkant. De

handelaar zag juist een zweem van haar, toen zij achter den hoogen kant

verdween. Oogenblikkelijk wierp hij zich van zijn paard, en Sam en Andy

te hulp roepende, zette hij haar na, gelijk een hond een stuk wild. In

dat bedwelmende oogenblik schenen hare voeten den grond nauwelijks te

raken; in een oogenblik was zij aan den waterkant. Vlak achter haar

kwamen zij aan, en met eene kracht begaafd, welke God alleen aan

wanhopigen geeft, deed zij met een wilden schreeuw een geweldigen

sprong, die haar over de opene strook water langs den oever op het

ijsvlot bracht. Het was een wanhopige sprong, niet mogelijk dan alleen

voor de razernij der wanhoop. Haley, Sam en Andy gaven onwillekeurig

een schreeuw en staken de handen op, toen zij het waagstuk zagen.

De groote, groene ijsschots kantelde en kraakte, toen zij er

op neerkwam, maar zij toefde geen oogenblik. Met nog een wilder

schreeuw sprong zij op een andere, al verder en verder, struikelende,

springende, uitglijdende en weder opvliegende. Hare schoenen bleven

steken, hare kousen werden haar van de voeten gereten, haar bloed

teekende elken voetstap; maar zij zag niets, voelde niets, totdat zij

flauw, als in een droom, den grond van Ohio onderscheidde en een man

zag, die haar de hand reikte om haar op den oever te helpen.

"Ge zijt een knappe meid, wie ge ook wezen moogt," zeide de man met

een vloek.

Eliza herkende de stem en het gezicht van den eigenaar eener hoeve,

niet ver van hare oude woning.

"O, Mijnheer Symmes, red mij--red mij toch--verberg mij!" riep zij uit.

"Wat is dat?" zeide de man. "Waarachtig, als dat geene meid van

Shelby is!"

"Mijn kind--dit jongetje--hij heeft hem verkocht! Daar is zijn

meester," zeide zij naar den overkant wijzende. "O Mijnheer Symmes,

gij hebt ook een jongetje!"

"Dat heb ik," zeide de man, terwijl hij haar ruw maar vriendelijk

tegen den steilen kant optrok. "Bovendien, ge zijt eene meid die hart

heeft. Ik houd van courage, waar ik dien ook zie."

Toen zij boven op den kant gekomen waren, bleef de man staan.

De Negerhut · 第 5 / 44 段