nadat zij verscheidene malen vruchteloos aan hare schel had getrokken.
Shelby stond voor zijnen spiegel, bezig met zijn scheermes aan te
zetten; en juist toen werd de deur geopend en kwam een zwarte jongen
binnen om zijn meester heet water te brengen.
"Andy," zeide zijne meesteres, "ga eens naar Eliza's deur, en zeg
haar dat ik al driemaal om haar gescheld heb. Arme ziel!" voegde zij
er bij zich zelve zuchtend bij.
Andy kwam spoedig terug met groote oogen van verbazing.
"O Mevrouw! Lizzy's laden staan alle open, en al haar goed ligt overal
in het rond, en ik geloof dat zij de deur uit is."
Op hetzelfde oogenblik begrepen Shelby en zijne vrouw beiden de
waarheid.
"Dan heeft zij het vermoed en is weggeloopen," riep hij uit.
"Dat geloof ik ook. God zij gedankt!" zeide Mevrouw Shelby.
"Vrouw, gij spreekt als eene zottin. Het zal er inderdaad leelijk
voor mij uitzien als zij het gedaan heeft. Haley zag dat ik er tegen
had om dat kind te verkoopen, en zal nu denken dat ik oogluikend
heb toegelaten hem uit den weg te helpen. Dat raakt mijne eer!" En
daarmede snelde hij de kamer uit.
Omtrent een kwartier lang hoorde men heen en weer loopen en eene
menigte van uitroepingen, afgewisseld met het openen en toeslaan
van deuren, en zag men gezichten van allerlei tinten van kleur
hier en daar te voorschijn komen. Één persoon echter, de eenige
die eenig licht over de zaak had kunnen verspreiden, hield zich
geheel stil. Tante Chloe namelijk, de eerste keukenmeid, wier eens
zoo vroolijk gezicht donker betrokken was, bleef zwijgend aan het
gereedmaken der ontbijtbeschuiten, als zag of hoorde zij niets van
het gewoel om zich heen.
Zeer spoedig zaten een half dozijn, kleine zwarte jongens en meisjes,
als zooveel kraaien, op het hek der veranda, allen verlangende de
eerste te zijn, om den vreemden meester zijn ongeluk aan te kondigen.
"Hij zal razend worden, dat geloof ik vast," zeide Andy.
"Of hij ook vloeken zal!" zeide de kleine Jake.
"Ja, want hij vloekt erg," liet een meisje, Mandy geheeten, hierop
volgen. "Ik heb het hem gisteren aan tafel hooren doen. Ik heb er toen
alles van gehoord, omdat ik in de kast was gekropen, waar Mevrouw de
groote kruiken bewaart; en ik hoorde ieder woord."
En Mandy, die nog nooit in haar leven over een woord dat zij hoorde had
nagedacht, nam nu een voorkomen van bijzonder gewicht aan, en zeide
niet dat zij, hoewel zij werkelijk op den genoemden tijd tusschen de
kruiken had gelegen, al dien tijd vast had geslapen.
Toen Haley eindelijk gelaarsd en gespoord aankwam, werd hij van alle
kanten met de slechte tijding begroet. De kleine kwelgeesten op het
hek werden niet teleurgesteld in de hoop van hem te hooren vloeken;
hij deed dit met eene vlugheid en kracht, die hen allen verbazend
vermaakte, terwijl zij herwaarts en derwaarts stoven, om buiten bereik
van zijne karwats te komen. Eindelijk liepen zij allen een eind weg,
rolden over het verdorde gras en gilden, met de hielen in de lucht
schoppende, hunne pret uit.
"Als ik die kleine duivels maar had!" prevelde Haley tusschen zijne
tanden.
"Maar gij hebt ze nog niet," zeide Andy zegevierend, toen hij buiten
gehoor was, en trok een geheele reeks van onbeschrijfelijke gezichten
achter den rug van den ongelukkigen handelaar.
"Zeg eens, Shelby, dat is een vreemd geval hier!" zeide Haley, toen
hij vrijpostig de voorkamer binnentrad. "Het schijnt dat die meid
weggeloopen is met haar jong."
"Mijnheer Haley, Mevrouw Shelby is hier," zeide Shelby.
"Verschooning, Mevrouw," hervatte Haley, even buigende, maar nog met
een donker gezicht. "Maar ik zeg nog eens, gelijk ik zeide, dat is
een vreemd gerucht hier. Is het waar, Mijnheer?"
"Mijnheer," antwoordde Shelby, "als gij mij verlangt te spreken,
moet gij eenigszins de manieren van een _gentleman_ in acht
nemen. Andy, ontlast Mijnheer Haley van zijn hoed en karwats. Ga
zitten, Mijnheer. Ja, Mijnheer; het spijt mij te moeten zeggen, dat
die jonge vrouw iets van de zaak moet afgeluisterd of op eene andere
manier vernomen hebben, en daardoor opgewonden in den nacht met haar
kind is weggeloopen."
"Ik had een eerlijke manier van handelen verwacht, dat moet ik
bekennen," zeide Haley.
"Mijnheer," antwoordde Shelby, zich driftig naar hem omkeerende,
"wat moet ik uit dat gezegde verstaan? Als iemand mijne eer in twijfel
trekt, heb ik maar een antwoord voor hem."
De handelaar scheen hierdoor uit het veld geslagen, en zeide op een
wat lageren toon dat het toch verduiveld hard voor iemand was, als
hij een goeden koop gedaan had, dan zoo gefopt te worden.
"Mijnheer Haley," antwoordde Shelby hierop, "als ik niet dacht dat
gij eenige reden tot verdrietelijkheid hadt, zou ik zulk een ruw en
vrijpostig binnenkomen in mijne kamer niet van u verdragen hebben. Ik
zeg nu echter, dewijl uwe houding reden daartoe geeft, dat ik mij
geene gezegden zal laten welgevallen, alsof het denkbaar was dat ik
mij met eenige oneerlijkheid in dit geval had ingelaten. Bovendien
zal ik mij verplicht achten om u, wat het gebruik van paarden,
bedienden enz. betreft, alle hulp te verleenen om uw eigendom terug te
bekomen. Dus kortom, Haley," vervolgde hij, eensklaps van zijnen koel
deftigen toon tot zijne gewone rondborstige vriendelijkheid overgaande,
"het beste wat gij doen kunt, is in een goed humeur te blijven,
en hier te ontbijten; dan zullen wij daarna zien wat er te doen is."
Mevrouw Shelby stond nu op, en zeide dat hare bezigheden haar
verhinderden dien morgen bij het ontbijt te blijven; en nadat zij
eene zeer welgemanierde mulattin had belast de heeren van koffie te
bedienen, verliet zij de kamer.
"De oude vrouw schijnt niet machtig op uwen onderdanigen dienaar
gesteld," zeide Haley, met een gedwongen poging om zeer familiaar
te zijn.
"Ik ben niet gewoon op zulk een vrijen toon van mijne vrouw te hooren
spreken," antwoordde Shelby droogjes.
"Verschooning! Natuurlijk maar een aardigheid, weet ge," zeide Haley,
gemaakt lachende.
"Sommige aardigheden zijn minder aangenaam dan andere," zeide Shelby
hierop.
"Duivels licht geraakt, nu ik die papieren geteekend heb!" mompelde
Haley. "Vervloekt grootsch geworden sedert gisteren."
Nooit maakte de val van een eersten minister meer algemeenen indruk
aan een hof, dan het gerucht van het lot dat Tom te wachten stond
op het landgoed. Iedereen had er overal den mond vol van; en in het
huis en op het veld deed men niets anders dan over de waarschijnlijke
gevolgen van dat voorval spreken. Eliza's vlucht--eene voorbeeldelooze
gebeurtenis op het goed--bracht er ook niet weinig toe bij om de
algemeene spanning te vergrooten.
Zwarte Sam, gelijk hij gewoonlijk genoemd werd, omdat hij een zweempje
zwarter was dan iemand anders op de plaats, overwoog de zaak in al
hare omstandigheden en gevolgen, met een scherpzinnigheid en eene
stipte aandacht voor zijn eigen belang, die een blank patriot te
Washington tot eer zouden zijn geweest.
"Het is een slechte wind, die nergens heenwaait--zoo is het,"
zeide hij spreukmatig en trok zijn broek op, om voor een afwezigen
bretelknoop een langen spijker in de plaats te steken; eene vinding,
waarmede hij zeer in zijn schik scheen te zijn.
"Ja, het is een slechte wind, die nergens heenwaait," herhaalde
hij. "Daar is nu Tom naar omlaag--natuurlijk geeft dat ruimte voor
een anderen neger om omhoog te komen--en waarom deze neger niet?--dat
is de vraag. Tom het land doorrijden--met gepoetste laarzen--pas in
zijn zak! Waarom Sam nu niet? Dat zou ik willen weten."
"Hallo, Sam! O Sam! Meester zegt dat ge Bill en Jerry moet vangen,"
riep Andy, Sam's alleenspraak afbrekende.
"Ho! Wat is er nu te doen, jongen?"
"O, gij zult nog niet weten, dat Lizzy met haar jongen is weggeloopen."
"Loop uwe grootmoeder een lesje geven," antwoordde Sam met diepe
minachting. "Dat heb ik veel eer geweten dan gij. Deze neger is zoo
dom niet."
"Welnu, meester wil Bill en Jerry dadelijk opgetoomd hebben; en gij
en ik moeten met Mijnheer Haley mee om haar te zoeken."
"Zoo! Goed! Zoo laat is het nu!" zeide Sam. "Het is nu Sam,
die geroepen wordt. Hij is nu de neger. Zie maar of ik haar niet
vang. Meester zal zien wat Sam doen kan."
"Ja, maar, Sam," zeide Andy, "daar moogt ge u nog wel eens op bedenken;
want Mevrouw wil niet hebben dat zij gevangen wordt en zij zal het
u betaald zetten."
"Ho!" zeide Sam met wijd starende oogen. "Hoe weet ge dat?"
"Dat heb ik haar van morgen zelve hooren zeggen, toen ik meester
scheerwater bracht. Zij liet mij gaan zien waarom Lizzy haar niet kwam
kleeden; en toen ik haar kwam zeggen dat deze weg was, stond zij op en
zeide: "God zij gedankt!" en meester geleek half dol te worden en zei:
"vrouw! gij spreekt als een zottin." Maar zij zal hem wel ompraten. Ik
weet wel hoe dat gaat. Het is altijd best, het met Mevrouw te houden;
dat zeg ik u."
Zwarte Sam krabde zijn kroeskop, die, als hij geene zeer diepe
wijsheid bevatte, toch genoeg van die bijzondere soort inhield, welke
onder staatkundigen van alle kleuren en landen zeer in trek is, en
gemeenlijk genoemd wordt: te weten aan welken kant het brood geboterd
is. Sam dacht dus ernstig na en trok daarbij zijn broek nog eens op,
zijne gewone manier om zich in diepzinnige overpeinzingen te helpen.
"Men kan toch nooit iets zeggen,--nooit--van iets op deze wereld,"
zeide hij eindelijk.
Hij legde zulk een nadruk op het woord _deze_, alsof hij in
verschillende werelden ondervinding had opgedaan, en zoo na rijp
beraad tot zijn besluit gekomen was.
"Ik zou zeker gedacht hebben dat Mevrouw de geheele wereld door naar
Lizzy zou laten zoeken," voegde hij er vervolgens bij.
"Dat zou ze ook," zeide Andy hierop; "maar kunt gij niet door eene
ladder heen zien, gij, zwarte neger? Mevrouw wil niet dat die Mijnheer
Haley Lizzy's jongen krijgt; dat is het."
"Ho!" zeide Sam, met die onbeschrijfelijke uitdrukking in den toon,
welke alleen zij zich kunnen voorstellen, die dezen uitroep van negers
gehoord hebben.
"En ik zal u nog meer zeggen," vervolgde Andy. "Ik geloof, dat ge best
zoudt doen naar de paarden te gaan zoeken, en wat gauw ook; want ik heb
Mevrouw naar u hooren vragen. Gij hebt al lang genoeg staan talmen."
Sam maakte nu ernst van de zaak, en kwam weldra in zegepraal naar huis
met Bill en Jerry in vollen galop. Zich behendig afwerpende, terwijl
de paarden nog in vollen ren waren, liet hij ze als een wervelwind
voorbij den paal stuiven, die daar geplaatst was om paarden aan te
binden. Haley's paard, een schichtig, jong veulen, sprong op zijde
en trok hard aan zijn halster.
"Ha, ha! Schichtig? Zijt gij dat?" zeide Sam, en een zonderlinge glans
van boosaardig, spottend vermaak verlichtte zijn zwart gezicht. "O,
ik zal u wel mak maken."
Een groote beukenboom overschaduwde de plek, en de scherpe, driehoekige
beukennootjes lagen in menigte op den grond. Met een van deze tusschen
zijne vingers naderde Sam het veulen, om het te streelen en schijnbaar
tot bedaren te brengen. Veinzende den zadel te willen recht leggen,
stak hij het scherp beukennootje behendig daaronder, zoodanig dat het
minste gewicht op den zadel het gevoelige dier onverdragelijk moest
prikken, zonder eene zichtbare wonde of schram te veroorzaken.
"Daar," zeide Sam, en liet met een grijns van genoegen zijne oogen
rollen. "Nu heb ik hem klaar."
Op dit oogenblik verscheen Mevrouw Shelby op het balkon en wenkte
hem. Sam naderde met zulk een goed voornemen om zijn hof te maken,
als ooit eenige sollicitant naar eene ledige plaats te Londen of
Washington.
"Waarom hebt ge zoo getalmd, Sam? Ik heb Andy laten zeggen dat gij
u haasten moest."
"God zegene u, Mevrouw", antwoordde Sam, "de paarden wilden zich zoo
gauw niet laten vangen. Zij waren heel naar de zuidweide geloopen en
de Heer weet waar."
"Sam, hoe dikwijls moet ik u zeggen, om niet zoo lichtzinnig zulke
uitdrukkingen te gebruiken, als "God zegene u" en "de Heere weet",
en dergelijke? Dat is goddeloos."
"O, God zegene me, Mevrouw! Ik vergat het. Ik zal nooit zoo iets
meer zeggen."
"Wel, Sam, daar hebt gij het al weer gedaan."
"Heb ik? O, Heere--ik wil zeggen; ik wilde het niet eens doen."
"Gij moet attent wezen, Sam."
"Laat mij maar even op adem komen, Mevrouw, dan zal ik wel beter
oppassen. Ik zal heel attent zijn."
"Nu, Sam, gij moet met Mijnheer Haley mederijden om hem den weg te
wijzen en hem te helpen. Maar pas op de paarden, Sam. Gij weet wel dat
Jerry verleden week wat kreupel ging. Laat hem niet te hard loopen."
Mevrouw Shelby zeide deze laatste woorden zacht, maar met bijzonderen
nadruk.
"Laat dit kind daarvoor maar zorgen," antwoordde Sam, en liet zijne
oogen rollen op eene manier, die genoeg zeide. "De Heere weet! dat
meende ik daar niet," riep hij uit, naar adem snakkende, met eene
koddige beweging van schrik, die zijne meesteres tegen wil en dank
deed lachen. "Ja, Mevrouw, ik zal wel op de paarden passen."
"Nu, Andy," zeide Sam, naar den beukeboom terugkeerende, "het zou mij
volstrekt niet verwonderen, dat het paard van dien heer schopte of
steigerde als hij wil opstijgen. Ge weet wel, Andy, die dieren doen dat
somtijds." En daarmede gaf hij Andy een veelbeteekenenden ribbestoot.
"Ho!" zeide Andy, met oogenblikkelijk begrip.
"Ja, ziet ge, Andy, mevrouw wil tijd winnen; dat kan de domste wel
zien. Ik zal eens een beetje voor haar winnen. Ge weet wel, Andy, als
die paarden eens dol rondliepen, om het huis heen en naar het bosch,
dan geloof ik niet dat die mijnheer zoo gauw onderweg zou zijn."
Andy grinnikte.
"Ge ziet wel, Andy, ge ziet wel, als het gebeuren mocht dat Mijnheer
Haley's paard baloorig mocht worden en ging steigeren, zouden gij
en ik de onze moeten loslaten om hem te helpen--en wij zouden hem
helpen, zekerlijk."
Sam en Andy staken de hoofden bijeen en lachten zacht, maar
allersmakelijkst, terwijl zij van pret op den grond trappelden.
Op dit oogenblik kwam Haley onder de veranda. Eenigszins verzacht
door eenige koppen zeer goede koffie, kwam hij lachende en pratende
naar buiten en scheen weder in een tamelijk goed humeur te zijn. Sam
en Andy tastten naar zekere bossen palmbladeren, die zij gewoon waren
voor hoeden te houden, en schoten toe om "mijnheer te helpen." Sams
zoogenaamde hoed was zoodanig versleten, dat de rand geheel was
losgeraakt en de strooken palmblad, waarvan hij eens gevlochten
was geweest, als een krans van pluimen naar alle kanten opstaken;
van Andy's hoed was de geheele rand af, maar hij duwde toch met een
handigen stomp den bol op zijn hoofd, met een gezicht alsof hij vragen
wilde: "wie zegt nu dat ik geen hoed op heb?"
"Kom dan, jongens," zeide Haley. "Nu wat vlug. Wij moeten geen tijd
verliezen."
"Geen korreltje er van, Mijnheer!" antwoordde Sam, gaf Haley de teugels
in de hand en hield zijn stijgbeugel voor hem, terwijl Andy de andere
paarden losmaakte.
Op het oogenblik toen Haley zich in den zadel zette, deed zijn paard
zulk een onverwachten en geweldigen sprong, dat het zijn ruiter
eenige voeten ver op het zachte, droge gras neersmeet. Sam deed met
een dollen uitroep van schrik een greep naar de teugels; maar deed
eigenlijk niets anders dan met zijn bovengemeld hoofdsieraad van
palmbladeren het paard langs de oogen schrappen, hetgeen geenszins
bevorderlijk was om het dier te bedaren. Het deed nog een sprong,
die Sam omver smeet, brieschte een paar malen met toornige minachting
en rende toen heen, gevolgd door Bill en Jerry, die Andy volgens
afspraak op dit oogenblik losliet en eenige jammerkreten achterna
zond. Daarop volgde een tooneel van koddige verwarring. Sam en Andy
schreeuwden--honden blaften hier en daar--en een heele troep zwarte
en bruine jongens en meisjes klapte in de handen en gilde en joelde,
met luidruchtige dienstvaardigheid en onvermoeibaren ijver.
Haley's paard, dat vlug en vurig was, scheen weldra smaak in het
gewoel te krijgen, en daar het tot renbaan een uitgestrekt grasperk
had, dat naar alle zijden naar een boschland afhelde, scheen het
vermaak te hebben om te beproeven, hoe nabij het zijne vervolgers
kon laten komen, om, als zij nog maar een handbreed van hem af waren,
met een gehinnik en een zijsprong weder voort te stuiven en eene laan
van het bosschage in te rennen. Niets was verder uit Sams gedachten
verwijderd dan om een der paarden te laten opvangen, vóórdat hij
dit goedvond, en heldhaftig waren de inspanningen die hij daartoe
van zich vergde. Gelijk het zwaard van Richard Leeuwenhart altijd in
het dichtste van den strijd flikkerde, zoo zag men ook de pluim van
palmbladeren van Sam overal, waar het minste gevaar was, dat een paard
zou gevangen worden. Daarheen kwam hij dan in volle vaart aanloopen,
schreeuwende: "nu er op aan! Pak hem, pak hem!" op eene manier,
die allen in een oogenblik uit elkander deed stuiven.
Haley liep vloekend en stampvoetende op en neer. Shelby poogde
zich van het balkon vruchteloos te doen hooren om bevelen te geven,
en Mevrouw Shelby zat voor het venster harer kamer, beurtelings te
lachen en zich te verwonderen, niet zonder eenig vermoeden wat de
grond van die verwarring was.
Eindelijk, tegen twaalf uren, kwam Sam zegepralend aan, op Jerry
gezeten en met het paard van Haley aan den teugel, dampende van
zweet, maar nog met flikkerende oogen en opgespalte neusgaten, die
aankondigden dat zijne wildheid nog niet geheel bedaard was.
"Hij is gevangen!" riep Sam zegevierend. "Als ik er niet geweest
was, hadden zij zich allen te barsten kunnen loopen; maar ik heb
hem gevangen."
"Gij," bromde Haley, in geene zachtzinnige luim. "Als gij er niet
geweest waart, zou het nooit gebeurd zijn."
"God zegene ons, Mijnheer!" antwoordde Sam op een toon van diepe
spijt. "En ik heb geloopen en gedraafd, dat het zweet van mij
neerdruipt."
"Zoo!" hervatte Haley. "Gij hebt mij drie uren doen verliezen met uwe
vervloekte gekheid. Laten wij nu voortmaken, zonder meer zotternij."
"Wel, Mijnheer," zeide Sam zeer nederig, "ik geloof dat gij ons
allen om hals wilt helpen, paarden en al. Mijnheer zal er nu toch
niet aan denken om voor den eten af te rijden. Mijnheers paard moet
afgewreven worden, zie maar hoe het zich bespat heeft; en Jerry loopt
ook kreupel. Ik geloof nooit dat mevrouw van ons zal vergen om zoo heen
te rijden. Wij zullen de meid toch wel vangen, al wachten wij wat."
"Lizzy is nooit eene groote loopster geweest."
Mevrouw Shelby, die met groot genoegen dit gesprek beluisterd had,
besloot nu insgelijks hare rol te spelen. Zij kwam naar buiten,
gaf met beleefdheid haar leedwezen over Haley's ongeluk te kennen
en drong hem om ter maaltijd te blijven, zeggende, dat de keukenmeid
alle mogelijke haast zou maken.
Alles overlegd hebbende, ging Haley, hoewel niet zeer goedschiks,
naar de voorkamer, terwijl Sam hem eene onuitsprekelijke beteekenis
in zijn rollende oogen nakeek, en vervolgens zeer stil de paarden
naar de stalwerf bracht.
"Hebt gij hem gezien?" zeide Sam, toen zij veilig achter de schuur
gekomen waren en de paarden hadden vastgebonden. "O, was het niet
zoo pleizierig als psalmzingen, om hem daar te zien rondspringen en
op ons vloeken? Hebt gij hem niet gehoord? Vloek maar, oude knaap,
zeide ik bij mij zelven. Wilt gij uw paard nu terstond hebben, of
wachten tot ik het gevangen heb? O, mij dunkt ik zie hem nog zoo."
Het gesprek werd gestaakt totdat beiden op hun gemak hadden
uitgelachen.
"Gij hadt eens moeten zien hoe dol hij keek, toen ik met het paard
aankwam," hervatte Sam. "Hij had mij wel willen doodslaan, als hij
gedurfd had. En daar stond ik zoo onschuldig en zoo nederig."
"O, ik zag het wel," zeide Andy. "Zijt gij niet een oude snaak, Sam?"
"Dat denk ik wel haast," was het antwoord. "Hebt ge Mevrouw boven
voor het venster zien staan? Ik heb haar zien lachen."
"Ik liep zoo hard, dat ik niemendal zag," zeide Andy.
"Wel, ziet ge," hervatte Sam, terwijl hij het paard van Haley ging
poetsen, "ik heb gekregen wat men de gewoonte van bopservasie noemt,
en dat is eene heel voordeelige gewoonte, Andy, en ik raad u, om ze
aan te leeren, nu gij nog zoo jong zijt. Til den achterpoot eens op,
Andy. Ziet ge wel, Andy, het is de bopservasie, die al het verschil
maakt tusschen den eenen neger en den anderen. Zag ik niet wat Mevrouw
hebben wilde, al zeide ze het niet? Dat is bopservasie, Andy. Het is
een talent, zooals men dat noemt, en alle menschen hebben verschillende
talenten; maar aanwennen kan veel doen."
"Ik geloof, als ik uwe bopservasie van morgen niet geholpen had,
zoudt ge niet zooveel gezien hebben," zeide Andy.
"Andy," zeide Sam hierop, "ge zijt een veelbelovende jongen, daar is
niet aan te twijfelen. Ik houd veel van u, en schaam mij geheel niet
om een idee van u over te nemen. Wij moeten op niemand laag neerzien,
Andy, omdat de knapste van ons wel eens struikelen kan. En dus,
Andy, laten wij nu in huis gaan. Mevrouw zal ons zeker dezen keer
eens buitengemeen goed laten onthalen."
ZEVENDE HOOFDSTUK.
MOEDERANGST EN MOEDERKRACHT.
Het is onmogelijk zich een menschelijk wezen voor te stellen, meer
hulpeloos en verlaten dan Eliza, toen zij de hut van Oom Tom verliet.
Het lijden en gevaar van haren echtgenoot en de nood van haar kind
vermengden zich in hare gedachten met een verbijsterend, bedwelmend
gevoel van hetgeen zij zelve waagde, door het eenige tehuis te
verlaten, dat zij ooit gekend had, en zich te onttrekken aan de
bescherming eener vriendin, die zij liefhad en eerbiedigde. Daarbij
kwam het scheiden van alles waaraan zij gewoon was--van de plaats
waar zij was opgegroeid, de boomen waaronder zij gespeeld had, de
bosschages waar zij in gelukkiger tijd menigen avond aan de zijde van
haren jeugdigen echtgenoot had gewandeld. Alles wat daar in het heldere
sterrenlicht voor haar lag, scheen haar verwijten toe te spreken,
en haar te vragen waarheen zij gaan kon van een tehuis gelijk dit.
Doch sterker dan alles was de moederliefde, door een vreeselijk
dreigend gevaar tot eene aan het waanzinnige grenzende overspanning
gedreven. Haar knaapje was oud genoeg om naast haar te loopen, en
in een gewoon geval zou zij het slechts bij de hand hebben geleid;
maar nu deed de gedachte alleen om hem uit hare armen te laten
haar huiveren, en drukte zij hem, terwijl zij snel voortstapte,
met stuipachtige kracht aan hare borst.
De bevroren grond kraakte onder hare voeten, en zij beefde bij dat
geluid. Elk trillend blaadje, elke wuivende schaduw dreef het bloed
naar heur hart terug en versnelde hare schreden. Zij verbaasde zich
zelve over de kracht die haar scheen gegeven te worden; want het
gewicht van haar kind was voor haar gevoel slechts een veertje, en
elke vlaag van angst scheen de bovennatuurlijke macht te versterken,
die haar als het ware droeg, terwijl aan hare bleeke lippen telkens
een uitroep ontsnapte, die een gebed was tot den Vriend daarboven:
"Heere help mij! Heere behoud mij!"
Indien het uw Harry was, moeder, of _uw_ Willie, die u morgenochtend
door een barbaarschen slavenhandelaar zou ontrukt worden--indien
ge den man hadt gezien, en gehoord had dat de papieren geteekend
en overgegeven waren, en gij niet meer tijd hadt om te vluchten dan
van middernacht tot aan den ochtend--hoe snel zoudt gij dan kunnen
gaan? Hoevele mijlen zoudt gij dan kunnen afleggen in die weinige
uren, met den lieveling aan uwe borst--met het slapende hoofdje op
uwen schouder--met de zachte armpjes vertrouwelijk om uwen hals?
Want het kind sliep. In het eerst hadden onrust en verwondering het
wakker gehouden; maar zijne moeder stuitte zoo haastig ieder woord
of geluid, en verzekerde hem zoo, dat zij hem zeker zou redden als
hij zich maar stil hield, dat hij zich ook stil om haren hals klemde
en toen hij voelde dat hij in slaap zou vallen, alleen maar vroeg:
"Moeder, ik behoef niet wakker te blijven, niet waar?"
"Neen, mijn lieveling; slaap maar als gij moet."
"Maar moeder, als ik ga slapen, zult gij hem mij niet laten krijgen?"
"Neen zoo helpe mij God!" antwoordde de moeder met bleeke wangen en
een helder licht in hare oogen.
"Gij weet dat zeker, niet waar, moeder?"