Openbaring, dikwijls gestoord door zulke uitroepingen als: "Dat zijn
de beloften nu!"--"Hoor dat nu eens!"--"Denk daar eens aan!"--"Zal
dat alles zeker komen?"
George, die een schrandere jongen was, en door zijne moeder wel in
godsdienstige zaken onderwezen werd, voegde er, nu hij zich een
voorwerp van algemeene bewondering zag, van tijd tot tijd eenige
aanmerkingen tusschen, met een loffelijken ernst en eene deftigheid,
waarvoor hij door de jongen bewonderd en door de ouden gezegend
werd. Algemeen zeide men, "dat een dominee niet beter kon uitleggen
dan hij deed", en dat het "waarlijk verbazend was."
Oom Tom werd in den omtrek voor een soort patriarch gehouden. Daar hij
zeer geregeld leefde en zijn geest zoowel krachtiger als meer beschaafd
was dan die zijner makkers, zag men met eerbied, als een leeraar en
voorganger, tot hem op: en het eenvoudige, hartelijke en oprechte
zijner vermaningen had zelfs menschen van betere opvoeding kunnen
stichten. Maar het was vooral in het bidden, dat hij uitmuntte. Niets
kon de treffende eenvoudigheid en den kinderlijken ernst overtreffen
van zijn gebed, in de taal der Heilige Schrift gekleed, welke hem
zoo eigen was geworden, dat zij hem van de lippen scheen te vloeien,
zonder dat hij zelf het wist. Zoo sterk werkte zijn gebed altijd op
het godsdienstig gevoel zijner hoorders, dat er dikwijls gevaar scheen
te bestaan, dat het geheel onhoorbaar zou worden door den overvloed
van uitroepingen, die overal om hem heen uitbarstten.
Terwijl dit tooneel in de hut van den dienaar plaats had, had men in
de woning van zijn meester van een geheel ander getuige kunnen zijn.
De handelaar en Mr. Shelby zaten bij elkander in de bovenvermelde
eetzaal, aan eene tafel met papieren en schrijfgereedschap.
"Alles in orde," zeide de handelaar. "Nu nog maar deze teekenen."
Shelby haalde haastig de koopbrieven naar zich toe en teekende ze,
als een man die spoedig eene onaangename zaak wil afdoen. Haley
haalde uit een versleten valies een perkament, dat hij, na het even
te hebben ingezien aan Shelby overgaf, die het met een gretigheid,
welke hij vruchteloos poogde te ontveinzen, aannam.
"En nu is de zaak gedaan," zeide de handelaar opstaande.
"Ja, gedaan!" zeide Shelby binnensmonds, en na diep adem te hebben
gehaald, zeide hij nog eens: "het is gedaan!"
"Gij schijnt er niet zeer mee in uw schik te zijn, naar het mij
voorkomt," zeide de handelaar.
"Haley," antwoordde Shelby, "gij zult hoop ik onthouden, dat gij op
uwe eer hebt beloofd dat gij Tom niet zult verkoopen, zonder te weten
in welke soort van handen hij komt."
"Wel, dat hebt ge daar juist gedaan, Mijnheer," zeide de handelaar.
"Omstandigheden, zooals gij weet, hebben mij gedwongen," antwoordde
Shelby trotsch.
"Wel, gij weet, zij kunnen mij ook dwingen," zeide de
handelaar. "Evenwel, ik zal mijn best doen, zooveel ik kan, om Tom
eene goede plaats te bezorgen; en dat ik hem slecht zou behandelen,
daarvoor behoeft ge niet bang te zijn. Als er iets is waarvoor ik
onzen lieven Heer dank, is het dat ik nooit wreed ben."
Na de uitweiding over zijne menschlievendheid, welke de handelaar
vroeger had gedaan, gevoelde Shelby zich door deze verklaring niet
zeer gerustgesteld; maar daar zij de beste troost was dien het geval
veroorloofde, liet hij Haley stilzwijgend vertrekken en bleef in
eenzaamheid zijne sigaar rooken.
VIJFDE HOOFDSTUK.
WAT LEVENDE KOOPWAAR GEVOELT BIJ VERWISSELING VAN EIGENAAR.
Shelby en zijne vrouw hadden zich naar hun slaapvertrek begeven. Hij
zat nog in een grooten leuningstoel eenige brieven door te zien,
welke de namiddagpost had medegebracht, terwijl zij voor haren
spiegel stond en de kunstige vlecht losmaakte, waarin Eliza haar het
haar had gestrengeld; want op de bleeke wangen en holle oogen harer
kamenier lettende, had zij deze van die taak ontslagen en naar bed
gezonden. Hare bezigheid bracht haar, natuurlijk genoeg, haar gesprek
met Eliza in de gedachten, en zich naar haren echtgenoot keerende,
zeide zij losweg:
"Apropos, wie was toch die ongemanierde kerel, dien gij vandaag bij
ons aan tafel hebt gebracht?"
"Hij heet Haley," antwoordde Shelby, zich onrustig op zijnen stoel
verschuivende en de oogen strak op een brief gevestigd houdende.
"Haley! Wie is dat, en wat kan hij hier te doen hebben?"
"Och, hij is iemand met wien ik eenige zaken heb gedaan, toen ik
laatst naar Natchez was."
"En dat maakte hem zoo vrijpostig om hier te komen eten en te doen
alsof hij thuis was?"
"Wel, ik had hem gevraagd--ik had eene rekening met hem te sluiten,"
zeide Shelby.
"Is hij een slavenhandelaar?" zeide Mevrouw Shelby, nu op zekere
verlegenheid in het voorkomen van haren man lettende.
"Maar, lieve, wat heeft dat in uw hoofd gebracht?" antwoordde Shelby
opziende.
"Niets, behalve dat Eliza na het diner zeer ontsteld en schreiende hier
kwam, en zeide dat gij met een handelaar aan het spreken waart, en dat
zij hem een bod had hooren doen naar heur kind--dat onnoozele gansje!"
"Zoo, zeide zij dat?" zeide Shelby, den brief weder opnemende, waarop
hij een poos al zijne aandacht scheen te vestigen, niet bemerkende
dat hij dien het onderste boven hield.
"Het moet nu maar uitkomen," zeide hij bij zich zelven; "nu zoo goed
als ooit."
"Ik zeide Eliza," hervatte Mevrouw Shelby, "dat zij een zottinnetje
was en dat gij nooit iets met zulke menschen te doen hadt. Ik wist
natuurlijk wel, dat gij nooit een van onze lieden zoudt willen
verkoopen, vooral niet aan zulk een kerel."
"Ja, Emily, dat heb ik altijd gedacht en gezegd," antwoordde haar
echtgenoot; "maar de waarheid is, dat mijne zaken zoo gesteld zijn,
dat ik het niet laten kan. Ik zal eenigen van mijne lieden moeten
verkoopen."
"Aan dat schepsel? Onmogelijk! Dat kunt gij niet ernstig meenen."
"Het spijt mij het te moeten zeggen. Ik heb toegestemd om Tom te
verkoopen."
"Wat, onzen Tom? Dien goeden, trouwen man--die van kind af uw trouwe
dienaar is geweest? O Shelby--en gij hebt hem nog zijne vrijheid
beloofd--gij en ik hebben hem er honderdmalen van gesproken. Wel, nu
kan ik alles gelooven; nu kan ik zelfs gelooven dat gij den kleinen
Harry zoudt verkoopen, arme Eliza's eenig kind!" zeide Mevrouw Shelby
op een toon tusschen smart en verontwaardiging.
"Welnu,--daar gij alles weten moet--het is zoo. Ik heb toegestemd om
Tom en Harry beiden te verkoopen; en ik weet niet waarom ik aangezien
moet worden alsof ik een monster was, omdat ik doe wat iedereen alle
dagen doet."
"Maar waarom die te kiezen uit al de anderen?" zeide Mevrouw
Shelby. "Waarom die te verkoopen van allen op het goed, als gij dan
verkoopen moet?"
"Omdat zij van allen den hoogsten prijs zullen opbrengen--dat is
het waarom. Ik zou nog wel anders kunnen kiezen, als gij wilt. De
kerel heeft mij een hoog bod voor Eliza gedaan, als dat u beter
zou bevallen."
"Die ellendeling!" riep Mevrouw Shelby met heftigheid uit.
"Welnu, daar luisterde ik geen oogenblik naar. Om uw gevoel te sparen
wilde ik niet. Dank mij tenminste daarvoor."
"Vergeef mij, lieve!" zeide Mevrouw Shelby zich bedenkende. "Ik
ben haastig geweest. Ik werd verrast en was geheel niet hierop
voorbereid. Maar gij wilt mij toch wel voor die arme schepsels laten
spreken. Tom is edelachtig en trouw, even ontwijfelbaar als hij
zwart is. Ik geloof waarlijk dat hij zijn leven voor u laten zou,
als het van hem gevergd werd."
"Dat weet ik--dat zeg ik ook. Maar wat baat dat alles? Ik kan mij
anders niet helpen."
"Waarom offert gij niet iets anders op? Ik ben gewillig om mijn
deel van ontbering te dragen. O Shelby, ik heb getracht--zoo getrouw
getracht als eene Christelijke vrouw behoort te doen--om mijn plicht
aan die arme, eenvoudige, afhankelijke schepsels te vervullen. Ik heb
mij hunner aangetrokken, hen onderwezen; over hen gewaakt, en jarenlang
al hunne kleine zorgen en genoegens gekend; en hoe kan ik ooit mijn
hoofd weder onder hen ophouden, als wij om eene nietige winst zulk een
trouw en vertrouwelijk dienaar als dien goeden Tom verkoopen, en hem in
een oogenblik losrukken van alles wat wij hem hebben leeren liefhebben
en waardeeren? Ik heb hem de plichten tusschen de leden eener familie,
tusschen ouders en kinderen, tusschen man en vrouw leeren kennen;
en hoe kan ik het nu aanzien, zoo openlijk te toonen dat wij ons om
geen band, geen plicht, geene betrekking bekommeren als het om geld
te doen is? Ik heb met Eliza over haar kind gesproken--over haren
plicht jegens hem als eene Christelijke moeder, om over hem te waken,
voor hem te bidden en hem Christelijk op te voeden, en wat kan ik
nu zeggen als gij hem wegrukt en hem verkoopt met lichaam en ziel
aan een slecht, goddeloos man, alleen om wat geld te besparen? Ik
heb haar gezegd dat ééne ziel meer waard is dan al het geld op de
wereld, en hoe zal zij mij gelooven, als zij ons ziet omkeeren en
haar kind verkoopen?--verkoopen misschien tot zeker verderf voor
lichaam en ziel!"
"Het spijt mij dat gij het zoo voelt, Emily--waarlijk het spijt
mij!" zeide Shelby hierop, "en ik eerbiedig uw gevoel ook, hoewel
ik niet zeggen kan dat ik er ten volle in deel; maar ik zeg u nu
plechtig: het baat niet, ik kan mij anders niet helpen. Ik had u dit
niet willen zeggen, Emily, maar met ronde woorden: ik heb geen andere
keus dan tusschen deze twee te verkoopen en alles te verkoopen. Zij
moeten gaan of alles moet. Haley is in het bezit van eene hypoteek
gekomen die, als ik ze niet terstond afdoe, alles zal wegnemen. Ik
heb saamgeschraapt en geleend, bijna gebedeld--en de prijs van deze
twee was nog noodig voor het tekort. Ik moest hen afstaan. Haley had
zin in het kind, hij wilde de zaak zoo schikken en anders niet. Ik
was in zijne macht, ik moest het doen. Als het u zoo verdriet dat
zij verkocht worden, zou het dan beter zijn allen te verkoopen?"
Mevrouw Shelby stond eene poos als versteend. Eindelijk zich omkeerende
naar hare toilettafel, verborg zij haar gezicht in hare handen en
slaakte een kermenden zucht.
"Dat is Gods vloek op de slavernij!--een bitter, diep vervloekt
ding!--een vloek voor den meester en een vloek voor den slaaf! Het
was dwaas van mij te denken, dat ik iets goeds kon maken uit zulk een
doodelijk kwaad. Het is eene zonde een slaaf te hebben onder wetten
gelijk de onze. Ik heb altijd gevoeld dat het zoo was. Ik voelde het
reeds als een kind, en nog meer toen ik in de kerk was gekomen; maar
ik dacht dat ik het zou kunnen verbloemen en vergulden--ik dacht dat
ik door goedheid, zorg en onderwijs dan toestand van mijne slaven en
slavinnen beter zou kunnen maken dan de vrijheid! O hoe dwaas!"
"Maar vrouw, gij wordt geheel een abolitionist."
"Abolitionist! Als zij alles van de slavernij wisten wat ik weet,
dan zouden zij kunnen spreken! Zij behoeven er ons niets van te
zeggen. Gij weet wel dat ik nooit de slavernij voor rechtvaardig en
goed heb gehouden--nooit genegen was om slaven in eigendom te hebben."
"Daarin verschilt gij dan van vele wijze en godvruchtige lieden,"
zeide Shelby. "Gij herinnert u de preek van Mijnheer B*** nog wel,
verleden Zondag?"
"Ik wil zulke preeken niet hooren. Ik hoop dien mijnheer B*** nooit
weder in onze kerk te hooren. Predikers kunnen misschien het kwaad niet
stuiten--kunnen het evenmin genezen als wij--maar het verdedigen!--dat
streed altijd tegen mijn gezond verstand. En ik denk dat gij ook niet
veel waarde aan die preek hebt gehecht."
"Wel, ik moet zeggen," antwoordde Shelby, "dat die dominees de zaak
somtijds verder drijven, dan wij arme zondaren eigenlijk zouden
durven doen. Wij mannen van de wereld moeten voor sommige dingen de
oogen dichtknijpen, en gewennen ons aan veel wat eigenlijk niet naar
behooren is; maar het bevalt ons toch niet als vrouwen en dominees
zoo volmondig spreken, en in zaken van zedenleer of bescheidenheid
nog verder gaan dan wij. Maar nu, lieve, vertrouw ik dat gij de
noodzakelijkheid inziet, en begrijpt dat ik het beste gedaan heb wat
de omstandigheden veroorloofden."
"O ja, ja," antwoordde Mevrouw Shelby haastig en futselde verstrooid
met haar gouden horloge. "Ik heb geene juweelen van eenige waarde,"
vervolgde zij peinzend, "maar zou dit horloge niet iets kunnen
doen? Het was duur toen het gekocht werd. Als ik tenminste Eliza's
kind kon redden, zou ik alles willen opofferen wat ik heb."
"Het spijt mij, het spijt mij zeer, Emily," zeide Shelby, dat gij u
dit zoo aantrekt; maar het kan niet baten. Om de waarheid te zeggen,
Emily, het is gedaan, de koopbrief is reeds geteekend en in Haley's
handen, en gij moet dankbaar zijn dat het niet erger is. De man had
het in zijn macht om ons geheel te ruïneeren, en nu is hij voorgoed
heen. Als gij den man zoo goed hadt gekend als ik, zoudt ge denken
dat wij er nog gelukkig van zijn afgekomen."
"Is hij dan zoo hardvochtig?"
"Wel, hij is eigenlijk niet barbaarsch, maar een man zonder
gevoel--een man, die om niets dan handel en voordeel denkt, zoo koud
en onbarmhartig als de dood en het graf. Hij zou zijne eigene moeder
verkoopen voor eene goede winst, en dat zonder de oude vrouw eigenlijk
kwaad te willen doen."
"En die ellendeling is nu eigenaar van onzen goeden, trouwen Tom en
van Eliza's kind!"
"Wel, lieve ik moet zeggen dat het mij zelf hard valt en ik er
niet gaarne aan denk. Haley wil haast maken en morgen bezit van hen
nemen. Ik zal vroeg mijn paard laten voorbrengen en uitrijden. Ik
kan Tom niet meer zien; het is niet anders. En gij moest liefst een
toertje gaan doen en Eliza medenemen. Laat het gedaan worden terwijl
zij buiten 't gezicht is."
"Neen, neen," antwoordde Mevrouw Shelby. "Ik wil in geenerlei opzicht
medeplichtige of helpster bij deze wreedheid zijn. Ik zal den armen
Tom, God helpe hem, gaan bezoeken in zijn droefheid. Zij zullen
in allen gevalle zien dat hunne meesteres met hen en voor hen kan
gevoelen. En Eliza--daaraan durf ik niet denken. De Heer vergeve
ons! Wat hebben wij gedaan, dat deze wreede noodzakelijkheid ons
overkomen moet?"
Dit gesprek werd door iemand beluisterd, zonder dat de sprekers iets
daarvan konden vermoeden.
De kamer had eene groote kast, die met eene andere deur in de gang
uitkwam. Toen Mevrouw Shelby Eliza wegzond, had deze in haren
koortsachtigen angst om die kast gedacht. Daar verborgen en met
haar oor dicht voor eene reet in de deur, had zij geen woord van het
gesprokene gemist.
Toen de stemmen zwegen, stond zij op en sloop stil heen. Bleek,
huiverend, met strakke trekken en dichtgeknepen lippen, scheen zij een
geheel ander wezen te zijn dan de zachtaardige, vreesachtige vrouw,
die zij tot nog toe geweest was. Zij ging voorzichtig de gang langs,
bleef een oogenblik staan voor de deur harer meesteres, hief in een
stil gebed hare handen ten hemel op, en sloop toen even zacht naar hare
eigene kamer. Deze was een stil, net vertrekje op dezelfde verdieping,
waar haar meesteres sliep.
Het had een zonnig venster met een fraai uitzicht, waarvoor zij
dikwijls zingende zat te naaien; er stond een kastje met boeken en
eenige kleine snuisterijen daartusschen gerangschikt, geschenken op
Kerstdagen; daar had zij hare eenvoudige kleederen in de kast en de
latafel; daar, kortom, was ze tehuis, en daar was zij over het geheel
gelukkig geweest. Maar daar op het bed lag haar sluimerend kind,
met de lange krullen achteloos over de gesloten oogjes, het roode
mondje half geopend, de mollige handjes op het dek, en een glimlach
als een zonnestraal over het geheele gezichtje.
"Arme jongen! Arm kind!" zeide Eliza. "Zij hebben u verkocht; maar
uwe moeder zal u nog redden."
Geen traan viel op de peluw. In zulk eene benauwdheid heeft het hart
geene tranen; het laat alleen bloed droppelen en bloedt in stilte
ledig. Zij nam een stukje papier en schreef daarop haastig met potlood:
"O, Mevrouw, lieve meesteres! houd mij niet voor ondankbaar--denk toch
niet hard over mij. Ik heb alles gehoord wat gij en de meester van
avond gezegd hebt. Ik ga beproeven of ik mijn kind kan redden--gij
zult mij daarom niet veroordeelen. God zegene en beloone u voor al
uwe goedheid."
Haastig dit briefje gevouwen en geadresseerd hebbende, ging zij
naar de latafel en maakte een pakje kleederen voor haar kind, dat
zij met een zakdoek stevig om haar middel vastbond; en zoo teeder
is het geheugen eener moeder, dat zij zelfs in den angst van dat uur
niet vergat een paar geliefkoosde stukjes speelgoed in te pakken, en
een bont geschilderd papegaaitje te bewaren om hem te vermaken, als
zij hem zou moeten wekken. Het was eenigszins moeielijk den kleinen
slaper wakker te krijgen; maar ten laatste zat hij toch overeind en
speelde met zijn vogeltje, terwijl zijne moeder haar hoed opzette en
haar doek omsloeg.
"Waar gaat gij naar toe, moeder?" zeide hij, toen zij met zijn rokje
en mutsje naar het bed kwam.
Zijne moeder kwam nog nader en zag hem zoo ernstig in de oogen, dat
de kleine terstond begreep dat het om iets buitengewoons te doen was.
"Stil!" zeide zij. "Harry moet niet hard spreken of zij zullen ons
hooren. Er zal een boos man komen, om den kleinen Harry van zijne
moeder af te nemen en ver weg te brengen; maar moeder wil hem dat
niet laten doen. Zij zal haar kindje aankleeden en met hem wegloopen,
zoodat de leelijke man hem niet krijgen kan."
Met deze woorden had zij haar knaapje zijn eenvoudig kleedje reeds
aangetrokken. Zij nam hem op den arm, fluisterde hem nog eens toe dat
hij heel stil moest wezen, opende de deur van hare kamer, die op de
veranda uitkwam, en sloop zonder eenig gedruisch te maken naar buiten.
Het was een heldere, vriezende nacht met sterrenlicht, en de moeder
wikkelde haar doek om het kind, dat zich stom van onbestemden angst
om haren hals vastklemde.
De oude Bruno, een groote Newfoundlandsche hond, die aan het eind der
veranda sliep, stond brommend op, toen zij naderde. Zij sprak zacht
zijn naam uit, en het dier dat een oude lieveling en speelmakker van
haar was, begon te kwispelstaarten en volgde haar, hoewel hij met
zijnen eenvoudigen hondekop zeer ernstig scheen te overleggen wat
zulk eene ongewone nachtwandeling moest beduiden. Eenige onbepaalde
denkbeelden van het onvoorzichtige of onvoegzame daarvan schenen hem
tamelijk te verbijsteren; want dikwijls bleef hij stilstaan en keek,
terwijl Eliza voortsloop, twijfelend eerst naar haar en dan naar het
huis, totdat hij, alsof hij zich door nadenken had gerustgesteld, haar
weder natrippelde. Eenige minuten brachten beiden aan de woning van Oom
Tom, waar Eliza bleef stilstaan en zachtjes tegen het venster tikte.
De bijeenkomst bij Oom Tom had, vooral door het liederen zingen tot
zeer laat geduurd, en daar Oom Tom naderhand nog eenige solo's had
gezongen, was het gevolg dat hij en zijne vrouw, hoewel het nu tusschen
twaalf en één uur was, wel te bed maar nog niet in slaap waren.
"Lieve deugd! Wat is dat?" zeide Tante Chloe, overeind komende en
haastig het gordijn opschuivende. "Al mijn tijd, als het Lizzy niet
is! Kleed u aan, oude man, spoedig! En daar is de oude Bruno ook
en krabt aan de deur. Wat op de wereld--! Ik zal de deur maar gaan
opendoen."
Toen zij deed wat zij zeide, bescheen het licht der kaars, die Tom
haastig had aangestoken, het bleeke, angstige gelaat en de verwilderde
oogen der vluchteling.
"Heere zegen ons! Ik schrik als ik u aanzie, Lizzy! Zijt gij ziek,
of wat is u overkomen?"
"Ik loop weg Oom Tom en Tante Chloe en ik neem mijn kind mede. Meester
heeft het verkocht."
"Het verkocht?" herhaalden beiden, van ontzetting de handen opstekende.
"Ja, het verkocht," antwoordde Eliza, op vasten toon. "Ik sloop
van avond in de kast naast de deur van Mevrouw en toen hoorde ik
meester haar vertellen, dat hij mijn Harry en u, Oom Tom, beiden aan
een handelaar had verkocht, en dat hij van morgen te paard uitreed,
en dat die man vandaag bezit van u zou nemen."
Tom was onder deze gezegden met opgeheven handen en wijd starende oogen
blijven staan. Langzamerhand, toen hij begreep wat zij beteekenden,
zakte hij op zijn stoel neer, en zonk zijn hoofd op zijne knieën.
"Onze lieve Heer zij ons genadig!" zeide Tante Chloe. "Maar o, het
klinkt alsof het niet waar was. Wat heeft hij gedaan, dat meester
hem verkoopen zou?"
"Hij heeft niets gedaan--daar is het niet om. Meester wilde niet
verkoopen, en Mevrouw--zij is altijd goed. Ik hoorde haar voor ons
spreken en bidden; maar hij zeide haar dat het niet baten kon--dat
hij bij dien man in schuld was, en dat die man macht over hem had,
en dat hij, als hij hem niet geheel afbetaalde, eindelijk de geheele
plaats en al de lieden zou moeten verkoopen. Ja, ik hoorde hem zeggen
dat hij geene andere keus had dan tusschen deze twee te verkoopen of
allen--zoo hard drong hem die man. Meester zeide dat het hem speet;
maar Mevrouw--o, gij hadt haar moeten hooren! Als zij geene Christin
en geen engel is, dan is er nooit een geweest. Ik ben slecht dat ik
haar zoo verlaat; maar ik kan toch niet anders. Zij heeft zelve gezegd,
dat ééne ziel meer waard is dan de wereld; en dit kind heeft eene ziel,
en als ik hem laat wegbrengen, wie weet wat er dan van worden zal? Het
moet goed wezen; maar als het niet goed is, moge de Heer mij vergeven,
want ik kan het niet laten."
"Wel oude man," zeide Tante Chloe, "waarom gaat gij ook niet? Wilt
ge wachten tot ge de rivier wordt afgebracht, waar zij de negers
vermoorden met zwaar werken en honger lijden? Ik zou altijd veel
liever willen sterven dan daarheen gaan. Gij hebt nog tijd. Ga met
Lizzy mee. Gij hebt een vrijpas om overal heen te gaan. Kom, maak u
klaar, en ik zal uw goed bijeenpakken."
Tom beurde zijn hoofd op, zag treurig maar bedaard in 't rond,
en zeide:
"Neen, neen, ik ga niet. Laat Eliza gaan. Voor haar is het goed. Ik wil
de man niet wezen, om neen daartegen te zeggen. Het is niet natuurlijk
voor haar dat zij blijven zou. Maar gij hoort wat zij zegt. Als ik
verkocht moet worden of alles hier op de plaats, laat ik dan verkocht
worden. Ik denk dat ik het dragen kan zoo goed als iemand anders,"
vervolgde hij, terwijl iets tusschen een zucht en een snik zijne
breede borst stuipachtig deed zwoegen. "Meester heeft mij altijd
gereed gevonden--en dat zal hij altijd. Ik heb nooit vertrouwen
geschonden of mijn vrijpas tegen mijn woord gebruikt, en dat zal
ik nimmer. Het is beter dat ik alleen ga, dan dat de geheele plaats
opgebroken en alles verkocht wordt. Meester is niet te laken, Chloe,
en hij zal wel voor u zorgen, en voor de arme...."
Hij zag naar het bed met de slapende kroeskoppen, en nu bezweek
hij. Over den rug van zijn stoel leunende, bedekte hij zijn gezicht
met zijne groote grove handen. Snikken, zwaar, schor en luid, deden
den stoel beven, en groote tranen vielen tusschen zijne vingers op
den grond--zulke tranen, Mijnheer, als gij hebt laten vallen op de
doodkist, waarin uw eerstgeboren zoon lag; zulke tranen, Mevrouw,
als gij geschreid hebt bij het benauwde krijten van uw stervend
kind. Want, Mijnheer, hij was een man, en gij zijt ook een man: en
Mevrouw, schoon in zijde en met juweelen gekleed, gij zijt maar eene
vrouw, en in het diepste leed des levens voelt gij maar dezelfde smart!
"En nu", zeide Eliza, bij de deur staande, "ik heb mijn man pas van
middag gezien en wist toen weinig wat er komen zou. Zij hebben hem
tot het uiterste gedreven, en hij zeide mij vandaag dat hij zou
wegloopen. Beproef toch, als gij kunt, om hem eene boodschap te
bezorgen. Zeg hem hoe ik heenging en waarom ik heenging; en zeg hem
dat ik zal beproeven om Canada te vinden. Gij moet mijn liefderijken
groet aan hem doen en hem zeggen als ik hem nooit wederzie"--zij
keerde zich om, bleef een oogenblik met den rug naar hem toe staan,
en vervolgde toen met eene heesche stem: "zeg hem dat hij zoo goed
moet zijn als hij kan, en zijn best doen om mij in het koninkrijk
der hemelen weder te zien."
"Roep Bruno hier binnen," zeide zij nog, "en doe de deur dicht. Hij
moet niet met mij meeloopen, het goede beest."
Nog eenige laatste woorden en tranen, nog eenige eenvoudige zegenbeden,
en haar verbaasd en beangstigd kind in hare armen sluitende, sloop
zij stil heen.
ZESDE HOOFDSTUK.
DE ONTDEKKING.
Mr. Shelby en zijne vrouw konden, na het langgerekte gesprek van den
vorigen avond, niet spoedig tot rust komen, en het gevolg daarvan was,
dat zij den volgenden morgen wat langer dan gewoonlijk bleven slapen.