Ook aan de Westzijde merken we, behalve eenige watermolens, slechts één

flink, groot gebouw op.

Wilt ge het binnentreden? Ge zoudt het niet doen, als ge wist, waarvoor

het dient. Het is het Leprooshuis. De lijders aan melaatschheid--een

Oostersche ziekte door de Kruisvaarders naar Europa overgebracht--worden

hier verpleegd. Naar den Heiligen Lazarus, die ook aan deze ziekte

geleden heeft, worden de gebouwen ook wel Lazarushuizen genoemd en daar

het Latijnsche woord voor melaatschheid lepra is, staan ze algemeen

bekend als Leprooshuizen.

Niet alleen Rotterdam heeft zoo'n ziekenhuis, in vele gemeenten treft

men ze aan, evenals hier, buiten de stad, om zooveel mogelijk besmetting

te voorkomen.

Het is een flink gebouw, het staat er reeds van vóór 1438 en is in 1580

geheel vernieuwd.

Ziet ge ginds uit de richting van de stad dien man aankomen? Het is een

der lepralijders. Daar ziet hij ons. Direct laat hij zijn lazarusklep

hooren, om ons te waarschuwen. Hier op de Schiekade, waar weinig

menschen loopen, had hij zijn vermoeide hand, die in de stad de klep

voortdurend in beweging moest houden, wat rust gegund. Houd maar op,

arme man, uw »swarte hoet, bekleet met eenen witten bant« vertellen ons

toch wel, dat gij door de vreeselijke ziekte zijt aangetast en een

aalmoes zullen wij u niet onthouden.

Daar komen uit de richting van het gebouw twee personen, waarvan de een

geen spoor van de vreeselijke ziekte vertoont. Zeker een chirurgijn,

meent ge? Neen, het is een »provenier« of »kostkooper«. Hij heeft zich,

door zijn geheele bezitting aan de inrichting te schenken, voor zijn

geheele verdere leven een tehuis verzekerd in een deel van het gebouw,

dat geheel gescheiden is van het eigenlijke Leprooshuis. Daar het aantal

lijders aan Lepra gelukkig voortdurend afneemt, is het gebouw te groot

geworden. Laten wij hopen, dat het nog eenmaal in zijn geheel tot

Proveniershuis ingericht kan worden[17].

[17] Dit is in de 17de eeuw ook werkelijk gebeurd.

En die andere man met dat wit geschilderde bordje op borst en rug? Hij

draagt een bus en een langen stok met een netje er aan in de hand. Tast

maar in den zak en offer voor de arme zieken den duit, dien de

»klapknecht« ons komt vragen.

Let nu eens op de Marktschuit, die uit de richting van Delft komt

aanvaren. Ziet ge, wat de schipper doet? Hij werpt een bosje stroo in

de Schie en het goed gedresseerde hondje van den klapknecht is reeds

te water gesprongen om het in den bek te nemen en aan zijn meester te

brengen, die er binnenin een kleine gave vindt.

* * * * *

Maar laat ons verder gaan, we hebben in de stad nog heel wat te

bekijken.

[Illustratie: De Delftsche- of St. Jorispoort.]

Hier staan we voor de Delftsche- of St. Jorispoort. Ze heet naar den St.

Joris-Doelen aan de Spuivaart (thans de Doele aan het Haagsche Veer),

waar de voetboogschutters te zamen komen om zich te oefenen. Straks

zullen wij het gebouw zien. Bekijken we thans de poort eens aandachtig.

Ziet ge daar aan de voorzijde en in de hoogte dien man te paard

afgebeeld? Het stelt St. Joris voor, den draak bevechtende. Stevig ziet

het gebouw er uit, hè? Dat mag ook wel, want in tijden van belegering

moet het een stootje kunnen verdragen. De neergelaten brug verleent ons

den toegang tot de stad. Nà zonsondergang is het niet zoo gemakkelijk in

de stad te komen. Als de »poortklok« geluid heeft, is het zaak, spoedig

binnen te zijn, want dan wordt de brug opgehaald, de zware met ijzer

beslagen deuren worden gesloten en niemand kan meer in of uit de stad.

Als ge een stadgenoot zijt, kunt ge, als ge poortgeld betaalt, nog

binnen komen, maar anders moet ge, niettegenstaande al uw bidden en

smeeken, den nacht buiten doorbrengen. Wilt ge dan beproeven om door

de Schiedamsche-, Goudsche of Oostpoort de stad te betreden? Het zou u

niet baten. Ook deze zijn gesloten en de poortwachters laten u evenmin

binnen. De gracht overvaren? En hoe woudt ge dan dien steilen muur

beklimmen, die de geheele stad omringt en aan het oog der wachters

ontsnappen, die in de torens op deze muren voor de veiligheid hunner

medeburgers zorgen?

Zelfs bij vorst zou het u niet gelukken binnen te komen. Zoodra

de stadsbode, op een horen blazende, door de stad gaat, begeven de

»Schuitenvoerders«, »Waagdragers« en »Turfdragers« zich naar de vesten

om het ijs stuk te hakken. Dat geeft dubbele veiligheid, zoowel tegen

ongewenscht bezoek als bij brand.

Op het oogenblik echter ligt de weg voor ons open en wij kunnen ons

gerust in de stad wagen. Het gerecht behoeven wij niet te vreezen: wij

zijn geen bannelingen, die bij ontdekking gevaar loopen de rechterhand

te verliezen.

Hier ziet gij het gebouw, waarover wij zoo even reeds spraken: den St.

Joris-Doelen. Veertig mannen komen hier te zamen om zich te oefenen in

het schieten met den voetboog. Ze vormen met de handboogschutters, die

St.-Sebastiaan tot schutspatroon hebben gekozen en die hun Doele vroeger

in de Lombardstraat hadden, de twee schuttersgilden.

Waarom ze »schutters« heeten? Ze moeten de stad in tijden van nood

beschutten, d. i. beschermen. Geen wonder dus, dat het Stadsbestuur

deze vereenigingen op hoogen prijs stelt. Vooral het St. Jorisgilde mag

zich in de gunst verheugen. De Zilveren St. Joris kan er van getuigen.

Het is een »giftbrief«, reeds ± 1422 door de Overheid aan het gilde

geschonken. Deze kostbare brief wordt in een zilveren doos bewaard,

vandaar den naam van Zilveren St. Joris. Heel wat voorrechten zijn de

vereeniging geschonken. Hoor maar eens. Het gilde zal genieten:

1º. van elk Hollandsch pond visch, dat verkocht wordt, 8 penningen;

2º. het vischrecht in de Schie en de Stadsvesten;

3º. 16 penningen peesgeld voor elken schutter, die buiten de Vest dienst

doet;

4º. een mengsel Rijnschen wijn per man op St. Maartenavond (11

November);

5º. vrijdom van accijns voor den wijn en het bier, die verbruikt worden

bij het schieten naar den papegaai tusschen 1 Mei en 24 Juni.

Tegenover deze voorrechten staan ook eenige verplichtingen voor het

gilde, waartoe het een eer gerekend wordt, te behooren:

ten 1e moeten de leden zich oefenen in het schieten, van den eersten

Zondag in April tot 1 November. Wie zonder geldige reden verzuimt,

beloopt een boete van 4 »schellingen«. Is deze boete den derden dag niet

aangezuiverd, dan moet de gestrafte voor iederen dag, dien hij te laat

betaalt, 1000 baksteenen leveren voor den kerkbouw;

ten 2e hebben alle leden zich te voorzien van een wapenrok of »caproen«;

ten 3e behooren ze op Sacramentsdag (d. i. de Donderdag volgende op den

Zondag na Paschen) bij de »processie« in den optocht te zijn.

Nu wij het toch over de gilden hebben, willen wij, al voortwandelende,

u nog wat over de ambachtsgilden vertellen.

Dit zijn vereenigingen van menschen, die hetzelfde vak of bedrijf

uitoefenen. Zoo hebben we hier in Rotterdam gilden van: bakkers,

brouwers, wevers, timmerlieden, metselaars, wapensmeden, harnasmakers,

schilders, kleer- en schoenmakers, chirurgijns, naaisters en nog meer

andere. Ge zoudt geen beroep kunnen opnoemen, waarvan geen gilde

bestaat. Alle hebben hun eigen »deken« en »hoofdlieden«, die hun vaste

»kamerdagen« in hun gildehuis houden.

De bazen of »meesters« zijn de leden van het gilde. Meen niet, dat

elkeen maar opgenomen wordt in de vereeniging. Iedere »leerling« moet

eerst zijn »proefstuk« leveren, dat door de overlieden gekeurd wordt.

Wàt streng wordt er gekeken. Is het niet in orde, hij moet nog maar

eens terugkomen. Voldoet het aan de eischen, dan krijgt hij zijn

getuigschrift als »gezel«. Wil de gezel meester worden, dan moet hij ook

daarvoor een proeve van bekwaamheid afleggen.

Iedere week houdt het bestuur een »kamerzitting«, waar zoowel de

meesters als de gezellen en de leerlingen met klachten kunnen komen, die

dan door deken en overlieden worden onderzocht.

De jaarlijksche bijdragen of »jaarzangen« aan de »gildekas« worden in de

stevige ijzeren »gildekist« bewaard. De »gildeknecht« bewoont het huis;

tot meerdere veiligheid hebben de meesten hunner zich een »gildehond«

aangeschaft.

De gilden staan onder streng toezicht van het bestuur der stad, die ze

heel wat verplichtingen heeft opgelegd. Zoo moeten b.v. de bakkers aan

elk brood een teeken aanbrengen en wel aan een brood van 1 penning één

stip, van 2 penningen twee stippen enz. Elke week moet in de kerk

afgelezen worden, wat het brood zal kosten. Er mag alleen overdag en

niet in woonhuizen gebakken worden. Wil iemand leeren bakken, dan moet

hij twee pond was voor het altaar der kerk geven[18]. Wil de gezel

meester worden, dan dient hij allereerst een getuigschrift over te

leggen, dat hij twee jaar in het bakkersbedrijf werkzaam geweest is.

Daarna wordt hij tot het proefstuk toegelaten, waarvoor hij negen gulden

moet betalen. Zijn proef bestaat in het bakken van een tarwe-, een

rogge- en een wittebrood in een oven, die met rijs heetgemaakt is.

[18] Deze laatste bepaling zal zeker wel niet langer dan tot 1572 van

kracht geweest zijn. Toen immers ging de kerk aan de Hervormden over.

* * * * *

Al pratende en wandelende zijn we door de St. Jacobstraat in den Oppert

gekomen.

Laten wij hier onze aandacht eens aan de huizen schenken. Let allereerst

eens op de gevels. Van sommige woningen loopen zij spits toe, andere

hebben een trapgevel. De ramen zijn klein, de in lood gevatte ruitjes

evenzoo. Geen wonder, dat er niet veel licht naar binnen valt. En dat

weinige licht wordt nog onderschept door de overal uitstekende luifels.

Waarvoor die dienen hebt ge waarschijnlijk reeds opgemerkt. De

gildebroeders verrichten er hun werkzaamheden onder. En de talrijke

pothuizen voor de woningen, die de toch al niet breede straat nog meer

vernauwen? Gluur maar eens naar binnen en ge zult een schoenmaker,

kleermaker of blikslager aan den arbeid zien. IJverig zijn ze bezig tot

zonsondergang toe. Dan is het werken gedaan; bij het zwakke kunstlicht

gaat het slecht en ze zouden bovendien nog maar een boete oploopen.

Ge moet nl. weten, dat de Overheid, om het brandgevaar te verminderen,

bepaald heeft, dat er alleen bij daglicht gewerkt mag worden. Zoodra dan

ook de schemering valt, wordt de arbeid gestaakt, men verpoost zich wat

en houdt een buurpraatje op de houten of steenen bank, die terzijde van

de stoep aan vele woningen aangebracht is, waarna het niet lang duurt,

of allen begeven zich ter ruste, om den volgenden morgen met het krieken

van den dag de taak weer te hervatten.

Daar komt een knaap ons al zoekende te gemoet. Hij vraagt iets aan een

voorbijganger. »O, moet ge in »het blaauwe Schaep« zijn,« zegt deze,

»dat is verderop, dicht bij »De Roode Hant«.« Ge staat verbaasd te

kijken van een »blauw schaap« en een »roode hand«. Wat zegt ge dan wel

van »de Vergulde Besem«, de »Drie Swerte Verkens«, »'t Blaaeuwe en Roo

Paert«, of »de Blaauwe Arent« en »Blaauwe Voet«? Wilt ge die rariteiten

zien? Nu, daar is gelegenheid te over voor. Ge hebt op de verdere

wandeling maar naar de gevels der huizen te kijken. Om de gebouwen uit

elkaar te houden, hebben de meeste een uithangteeken of een gevelsteen,

al of niet voorzien van een òp- of onderschrift. Het »blaauwe Schaep«,

waar de knaap moet wezen, is een lakenververij, waar grootendeels

blaauw laken gemaakt wordt. Lijkt de naam nu nog zoo dwaas? Van deze

lakenververijen treft men er nog al wat aan in den Oppert. In de

winkels, waar deze veel gedragen stof verkocht wordt, »hangt bijna

overal het laken uit« en wel bij voorkeur dat, waarin het meest handel

wordt gedreven. Zoo zijn er hier in de stad nog: »het Blaauwe Laken«,

»het Carmozijnrood Laken«, »het Goude Laken«, »het Zwarte, Groene, Witte

en Gele Laken«, »het Spaansche Laken« en »het Wit Engelsch Laken«. Of al

die kleuren gedragen worden? Ja zeker, maar zwart en blauw toch het

meest. Dat is de dracht der poorters. Voor een gulden of acht is er al

een heel goed lakenpak te verkrijgen. Daar moet een handwerksman een

vijftal weken voor werken, want die verdient een stuiver of 5 per dag.

Eén geluk, hij behoeft zich niet dikwijls in het nieuw te steken! Aan

mode stoort hij zich niet, en onze lakenwevers verstaan hun ambacht zoo

goed, dat de stof haast onverslijtbaar is.

Als iemand zich van echt Leidsch laken

Een mooijen bruigomsrok liet maken,

Zijn zoon had levenslang daaraan

Een Zondagskleed om uit te gaan.

De kleinzoon kon weêr, al zijn dagen,

Dienzelfden rok als weekpak dragen,

En de achterkleinzoon kreeg op 't lest

Een buis en broek nog uit de rest;

En dan--dat mogt eerst laken heeten,

Was hij er uitgegroeid, eer 't pak nog was versleten!

II.

Wat is het hier in den Oppert morsig. De regen der laatste dagen heeft

de straat in een waren modderpoel herschapen. Ons schoeisel ziet er dan

ook fraai uit! Al tien keer zeker hebben wij in zoo'n verraderlijk met

water gevulden kuil gestapt. Die poorter daar voor ons is er beter

achter. Hij heeft plankjes met rolletjes onder de schoenen. Dat loopt

wel niet zoo gemakkelijk, maar nu spaart hij ten minste zijn met mooie

figuren bestikte »snavel- of puntschoenen«. Zoo fraai uitgedost zijn

echter alleen de zeer aanzienlijke poorters. Misschien is hij wel een

der leden van de vroedschap! Ziet gij wel dien langen »tabberd«, met

wijde mouwen en bont omzoomd, over het zijden onderkleed en zijn

»toppermuts« met kleurigen zijden »lamfer«? De »joffer«, die daar juist

de deur uitkomt, behoort zeer zeker tot de deftige poorteressen. Haar

hoofddeksel of »tuit« is van duur Kamerijksch doek vervaardigd, de

sluier, die tot over de schouders valt en in een punt eindigt, is van

fijne kant vervaardigd. Het satijnen, laag uitgesneden »keurs« is met

gouddraad bestikt. Daarvan zien we echter niet veel, want het tot op den

grond hangende overkleed bedekt het bijna geheel en al. Aan één zijde

is het kleed echter opgenomen en nu zien we ook de »hulse« of rok en de

puntschoentjes met kleine hakjes. Het is de joffer zeker te vuil op

straat om te loopen, ze neemt ten minste plaats in een draagkoetsje.

Het drietal, dat ge ginds ziet aankomen, is heel wat eenvoudiger

gekleed. De man met wijde »hozen«, wollen buis en muts is

waarschijnlijk een schipper; de ander heeft een rok tot aan de knieën

reikend, die door een gordel om het middel wordt gesloten. Zijn mantel

of »kovel« heeft hij thuis gelaten, zoodat wij zeer goed kunnen zien,

dat kousen en broek uit één stuk zijn vervaardigd. De vrouw, die in hun

gezelschap is, schijnt ook tot den minderen poortersstand te behooren.

Voor tuit heeft zij een gewoon linnen doek om het hoofd, terwijl haar

kort jak en lange rok eveneens van eenvoudige stof en snit zijn.

De woning, die ze binnengaan, is nog met riet gedekt. Zoo zijn er

nog heel wat in de stad. De huizen, na den brand in 1563 gebouwd of

vernieuwd, hebben echter alle een pannen dak. Hebt ge ook wel opgemerkt,

dat de woningen lang niet overal tegen elkaar aan staan? Hier en daar

liggen nog groote, onbebouwde stukken, die als weiland of tuin in

gebruik zijn.

* * * * *

Nu staan we voor de Groote Kerk, het hoogste en grootste gebouw

uit de stad. Zooals ge ziet, wordt het terrein rondom de kerk voor

begraafplaats gebruikt. De rijken vinden hun laatste rustplaats in de

kerk, de gewone burgers rònd het bedehuis. Men zal echter weldra naar

een andere begraafplaats moeten omzien: er dreigt gebrek aan ruimte te

ontstaan.

[Illustratie: De Binnenrotte (18de eeuw).]

De kruisvormige gedaante der kerk vertelt ons, dat ze oorspronkelijk

voor den Roomsch-Katholieken eeredienst gebouwd is. Sinds 1572 is ze

door de Protestanten in gebruik genomen. Aan den buitenkant is dat niet

te zien, wel als wij de kerk binnentreden. De altaren, ook die van de

gilden, waarvan de voornaamste hun eigen kapel bezaten, zijn weggenomen,

evenals de mooie beelden en schilderijen, die het gebouw vroeger

sierden. Gelukkig, dat de beeldenstorm, die zooveel schoons heeft

vernield of beschadigd, hier niet gewoed heeft. Wel hebben er eenige

onregelmatigheden plaats gegrepen en heeft een zekere Snap het gewaagd

zich aan een Christusbeeld te vergrijpen--voor welke daad hij onthalsd

is--maar de eigenlijke storm is Rotterdam voorbijgegaan.

[Illustratie: Gezicht op de Oudehaven en de stad in de 17de eeuw.]

Verlaten wij het bedehuis, dat ons, ontdaan van zijn tooi, wel wat

leeg en somber lijkt en begeven wij ons door de Wijde Kerkstraat langs

het geboortehuis van Erasmus naar de Hoogstraat. Nu, die draagt haar

naam niet ten onrechte. Hoog ligt ze. Zie maar eens, hoe hellend de

Kerkstraat loopt. Geen wonder ook. We staan thans op een deel van den

langen zeedijk, die vroeger de Maas moest keeren. Het is het oudste en

hoogste deel van Rotterdam. Gaan we nu het »Merctveld« over. Dit is

eigenlijk een steenen brug over het Steiger gebouwd. Erasmus staat vlak

aan het water, met zijn gelaat naar de Markt gekeerd. Loopen we het

West-Nieuwland over langs de Kolk, dan zien wij op het einde, dicht

aan de Blaak een der bekendste stadstorens. Menigeen heeft reeds in

dezen »Blauwen toren« angstige uren doorgebracht, voor hij zich door de

»schepenen« zijn vonnis hoorde aanzeggen. Rechts ervoor, over de Blaak,

ligt de lange Gapersbrug. We zullen ze niet overgaan. Aan den overkant

is nog niet veel meer te zien dan enkele scheepstimmerwerven. Slaan

we liever linksom over de Draaibrug. Wat een mooi gezicht hebben wij

hier. Vòòr ons de Oudehaven, met aan het eind de fraaie Hoofdpoort; het

gebouw met het sierlijke torentje op den hoek van het Haringvliet is

de pas voltooide Koopmansbeurs; achter ons zien we de Kolk, waarin de

Zeeuwsche schepen een ligplaats gevonden hebben. Daar komt juist de

Dordtsche Marktschuit de Oudehaven binnenglijden. Dat gaat vlot genoeg,

want de zware boom, met dikke ijzeren punten bezet, ligt tegen den wal.

's Nachts echter sluit deze de haven af en een knappe schipper, die

dan de stad binnen komt. Het schijnt, dat de schuit vlak op onze brug

komt aanvaren. Dat zal stukken geven. Laten wij vlug maken, dat we er

afkomen. Heb maar geen nood. Let eens op, hoe de handige schipper hem

dat levert. Hij weet zijn schuit precies de richting te geven, die zij

hebben moet, zoodat de mast tegen het middelste deel van de brug stuit.

Dit stuk biedt wel eenigen weerstand, doordat het verzwaard is door een

bak met steenen, die er onder aanhangt, maar toch draait het onder den

uitgeoefenden druk mee en het schip vaart met staanden mast door de nu

ontstane opening. Wijd is deze niet en menige rappe gast springt er dan

ook maar overheen, als de brug, nadat er een schip is doorgevaren,

nog niet goed gesloten is. Want de schipper draait ze wel open, maar

het sluiten laat hij in den regel aan de voetgangers over. Daar het

draaibare deel lang niet de volle breedte van de brug inneemt, is

het duidelijk, dat ze niet voor voertuigen gebruikt kan worden. Ook

kruiwagens en andere smalle vervoermiddelen mogen echter niet over de

brug: ze is alleen voor voetgangers bestemd.

[Illustratie:

van de draybrugge. dezen toren comt de stadt toe.

den druckertoren. blaeuwen toren.

draeybrugge.

Grondkaart of plattegrond van de erven bij den Blauwen Toren, door Simon

Dammasz. van Dueren, landmeter.

(No. 2 uit het Kaartenboek der Gemeente Rotterdam, 1578.)]

We staan voor de Hoofdsteeg. Deze is heel wat breeder dan een 50 jaar

geleden. Toen was het werkelijk een steeg, thans kan ze met de flinkste

straten wedijveren. Laten wij nu linksaf slaan en den Rijstuin doorgaan.

Veel huizen treffen wij hier nog niet aan. De rijswerkers oefenen er hun

bedrijf uit en hebben binnen een afgesloten ruimte hun opslagplaats

van rijshout. Willen de gildebroeders hun waar aan den man brengen,

dan behoeven zij niet ver te loopen. De Mandenmakersbrug[19] is hun

marktplaats. Ze is wel niet groot, maar in ieder geval breeder dan de

meeste straten met de grachten midden in. Dat de markt juist hier is, is

geen toeval. Een »keur« uit ± 1420 bepaalt nl., dat er alleen mandenwerk

verkocht mag worden op den marktdag in het Oost-Nieuwland en anders

ieder voor zijn eigen deur.

[19] Deze brug kreeg later den naam van Hoenderbrug, omdat de

Hoendermarkt er op gehouden werd. Ze verbond de Hoofdsteeg met de Korte

Hoofdsteeg. Door de demping van het Middensteiger en Boerensteiger is

zij verdwenen.

Nu staan we weer op de Hoogstraat en hebben het Stadhuis met zijn

aardig torentje voor ons. De verguld koperen windwijzer in den vorm

van een haringbuis of »bun« zegt ons, dat de haringvisscherij voor de

Rotterdammers van groot belang is. De ruimte onder den toren wordt als

gevangenis gebruikt. Als men van iemand zegt: »Hij zit in de bun«, wees

dan verzekerd, dat hij goed opgeborgen is. Wanneer ge het Stadhuis

door den hoofdingang wilt binnentreden, dient ge het bordes van

twintig trappen te beklimmen. De twee opzittende leeuwen aan weerszijden

houden, zooals ge reeds opgemerkt zult hebben, het stadswapen. Behalve

als Raadhuis en Gevangenis dient het gebouw ook tot Vleeschhal en Waag.

Nog veel vroeger was het zelfs Gasthuis. De zieken en zwakken hebben

echter plaats moeten maken voor de Vroedschap.

[Illustratie: Het Stadhuis aan de voorzijde in de 17de eeuw.]

Gaan we door de Waagstraat (thans Stadhuissteeg) naar de achterzijde van

het gebouw.

We staan op de Huibrug, zoo genoemd omdat volgens een keur uit ± 1420

hier de huidenmarkt gehouden moest worden. De eertijds houten brug is

nu al veel verbreed en heeft thans meer van een plein. Soms kan het

hier stampvol staan; dan verdringen de poorters zich langs Kipsloot

en Botersloot. Hier wordt nl. het schavot opgeslagen, wanneer er een

terechtstelling plaats zal vinden. Op het balcon aan het Stadhuis nemen

dan de rechters plaats. Ook dient dit tot afkondiging van belangrijke

mededeelingen. Boven het balcon ziet ge twee staande leeuwen, die het

stadswapen dragen. We lezen het onderschrift: »Ik, oprechtheid sterk U,

Bedieningen en wijze raad geven sterkte. O, Rotterdam! Uw recht groent

als een laurier«. En daar geheel in de hoogte, op den top van den gevel

staat de Gerechtigheid. In de eene hand draagt ze de weegschaal, in de

andere het zwaard. Ze is geblinddoekt, want zonder onderscheid des

persoons dient ze recht te spreken.

Langs de Botersloot gaande, staan we weldra voor het Prinsenhof. Dit

gebouw is oorspronkelijk een nonnenklooster geweest. De zusters van St.

Agnes, naar haar kleeding ook Grauwe Zusters genoemd, hadden er kort na

1400 reeds haar woning, die na dien tijd zeer vergroot is.

[Illustratie: Het Prinsenhof.

Het Admiraliteitsjacht ligt voor den hoofdingang.]

Na de Hervorming was het echter met den bloei der kloosters gedaan. Ook

het St. Agnietenklooster verminderde zeer in bewoonsters. In 1575 werd

dan ook reeds een groot deel van het gebouw tot andere doeleinden in

gebruik genomen. Sommige vertrekken werden ingericht tot logement voor

den Prins van Oranje, als deze in de stad vertoefde, andere tot woning

van den pensionaris der stad. Oldenbarnevelt, die van 1576 tot 1586 deze

betrekking heeft bekleed, had hier zijn woonplaats. Sinds 1593 zijn de

overgebleven nonnen in het Gasthuis ondergebracht en hebben de Heeren

van de Admiraliteit van de Maze hun kantoor in het Prinsenhof. Zij zijn

de bestuurders van het deel der vloot, dat in Rotterdam thuis behoort.

Behalve dit klooster heeft Rotterdam nog andere binnen zijn muren

gekend.

In 1441 werd het Cellebroedersklooster aan de Delftsche Vaart, dicht bij

de Kerk gevestigd. De Cellebroeders waren zeer godvruchtig en leidden

een sober bestaan.

[Illustratie: Johan van Oldenbarnevelt.]

Ze wijdden zich aan het verplegen van zieken en het afleggen en

begraven van dooden, die zij zingende ten grave droegen, waarom zij

ook wel »Lollaerts« werden genoemd. Vooral bij het heerschen van een

besmettelijke ziekte, zooals pokken en pest, waren de Cellebroeders[20]

goud waard. Waar soms het geheele gezin door de vreeselijke ziekte was

aangetast, waar niemand de besmette woning durfde betreden, daar gingen

de Cellebroerkens binnen, en al konden zij geen genezing brengen, ze

gaven tenminste troost en verlichting van lijden en zorgden voor een

Christelijke begrafenis van de gestorvenen. In hun stemmig zwarte

kleeding liepen zij barrevoets rond; daarom werden ze ook wel Zwarte

monniken of Barrevoeters geheeten.

[20] Celle = Graf.

Nog van een ander mannenklooster willen wij u wat mededeelen.

Langs Rotte, Maas en Schie. I. schetsen uit de geschiedenis van Rotterdam · 第 5 / 6 段