Het was toch immers ten duidelijkste gebleken, dat de hoofdoorzaak,

waardoor de brand zoo'n omvang verkregen had, gezocht moest worden in de

met riet gedekte houten huizen. Daarom werd nu door de Overheid de al te

zeer verwaarloosde bepaling van het jaar 1558, waarbij het verboden was

nieuwe huizen met riet te dekken of oude daken met riet te herstellen,

opnieuw uitgevaardigd en--wat meer zegt--er werd streng de hand

aangehouden. Zoodoende werden vele der nieuwgebouwde of herstelde

woningen geheel of gedeeltelijk van steen opgetrokken, terwijl zij alle

van een hard dak voorzien werden. De kosten van dit laatste werden voor

1/3 deel door het stadsbestuur gedragen.

Doch men deed meer. De steeg van de Hoogstraat naar de Waterpoort, de

tegenwoordige Hoofdsteeg, was zeer nauw. Van de gunstige gelegenheid

maakte men nu gebruik ze te verwijden tot een straat, welke voor dien

tijd als breed kon gelden. De drukke weg van en naar het Hoofd werd

zoodoende zeer verbeterd. De nieuw opgetrokken woningen werden hier dus

meer achterwaarts geplaatst. Het stadsbestuur had daartoe van Filips het

recht verkregen om de strook grond, benoodigd om de straat te

verbreeden, te onteigenen.

De opbouw van de stad ging echter niet zóó vlug, als men wel gehoopt en

verwacht had. Vooral het volgend jaar was een tijd van kommer en gebrek,

toen heerschte hier zeer groote armoede: de levensmiddelen waren

schaarsch en dientengevolge duur, de verdiensten gering.

Weer was het de landsheer, die zijn onderdanen ter hulp kwam. Hij schonk

Rotterdam het privilegie om ieder jaar een ledermarkt te mogen houden.

Dit voorrecht, dat in gewone omstandigheden vaak met goud werd betaald,

bracht dagen lang een bonte mengeling van kooplustige vreemdelingen in

de stad, gaf leven en vertier, werk en brood.

Ware het niet, dat zoo spoedig na 1563 de tachtigjarige oorlog een

aanvang genomen had, wellicht dat Rotterdam zich spoediger had hersteld

van den toegebrachten slag, dan nu het geval was.

10. Rotterdam onder het Spaansche Juk.

Wat al nare en bange dagen

Sleet zij, toen de Spaensche Vorst

't Wraekzwaerdt zette op Hollands borst!

Wat verdroeg ze al harde slagen

Onder Alvaes tiranny!

Toen Bossu haar kwam bespringen,

En met scherpgewette klingen,

Woedde op hare Burgerij.

Wij kennen allen de monumentale fontein op de Nieuwemarkt. Bezien we

deze nader, dan lezen wij de volgende opschriften: Ter Herinnering aan

de feestviering van 1 April 1872-1 April 1572. Het morgenrood der

vrijheid--Onthuld 22 October 1874--

Den Briel ontrukt aan Spanje

Behouden door Oranje.

Het statige, uit zandsteen gehouwen vrouwenbeeld, dat het geheel kroont,

stelt de Nederlandsche Maagd voor. Zij rust met de hand op een speer,

waarop de vrijheidshoed prijkt. De hoeken zijn versierd met vier staande

leeuwtjes, die als schildhouders dienst doen. Daaronder zien we vier

mannenfiguren, voorstellende: een Batavier, een Poorter, een krijgsman

en een zegelbewaarder[13]. De hardsteenen kom, die het water opvangt

van twee zwanen en twee dolfijnen, voltooit het geheel. Ge wist het

al wel en anders vertellen de opschriften het u zeer duidelijk,

dat dit monument daar is geplaatst als een herinnering aan een der

roemruchtigste gebeurtenissen uit onze heldenhistorie: de inneming van

den Briel door de Watergeuzen.

[13] Een zegelbewaarder was een der hoogste ambtenaren, aan wien de

bewaring van het Staatszegel was toevertrouwd en die de stukken van den

Staat uitgaande, moest zegelen.

Waarom heeft men dit gedenkteeken nu juist in Rotterdam opgericht? Heeft

onze stad dan wat met de inneming van den Briel te maken gehad?

Zeer zeker, en niet weinig ook. De Rotterdamsche burgerij, die in 1872,

bij het driehonderdjarig herdenken van dit overbekende wapenfeit zoo

duchtig heeft feest gevierd, had daarvoor in 1572 al zeer weinig reden.

Gloorde voor de Brielenaren de dageraad, voor de Rotterdammers werd

het donkere nacht; zal de daad der Watergeuzen menig dankgebed in

de St. Catharinakerk hebben doen opgaan, de St. Laurens zal de stille

getuige geweest zijn van menige smeekbede om verlossing; zal de

grijze steenklomp aan den Maasmond met vreugde en trots de wapperende

Oranjekleur aan land en zee hebben vertoond, onze oude toren zal met

smart en tegenzin de Spaansche kleuren hebben gedragen. En wij willen

hopen voor de jubelende Rotterdammers uit 1872, dat er ook onder hen

zijn geweest, die zich een oogenblik aan de feestvierende menigte hebben

onttrokken en met eenigen weemoed de voorvaderen hebben herdacht, die in

1572 door de handen der moord- en plunderzieke Spanjaarden zijn

gevallen.

Den 1sten April 1572 was den Briel door de Watergeuzen ingenomen.

Zoodra Bossu, stadhouder van Holland, van de Rotterdamsche burgemeesters

deze tijding in den Haag ontving, spoedde hij zich naar Maaslandsluis

(Maassluis). Hier trok hij zijn troepen te zamen, stak den Maasmond

over[14] en landde in de Bornesse, tusschen Voorne en Putten. Onder

bewaking van een geringe krijgsmacht liet hij de transportschepen daar

achter en rukte zelf op den Briel aan. Krachtig tastte hij de stad aan

en het scheen, dat de Spanjaarden overwinnaars zouden blijven in den

strijd. Daar veranderden echter de oorlogskansen: de Geuzen hadden een

bondgenoot gekregen in het bruisende water, dat den polder, waarin

gestreden werd, binnenstroomde. Rochus Meeuwiszoon, een Brielsch

timmerman, had al zwemmende, onder een regen van musketschoten, de

Nieuwlandsche sluis weten te bereiken en open te hakken, zoodat het

terrein van den strijd geheel onder water kwam te staan. Toen bovendien

de slecht bewaakte transportschepen door de Watergeuzen in brand waren

gestoken of tot zinken gebracht, oordeelde Bossu het maar het

verstandigst het beleg op te breken en de stad voorloopig in handen der

Watergeuzen te laten.

[14] Rozenburg bestond nog niet.

Hoezee! Behouden was den Briel,

Door Rochus Meeuwisz. trouwe.

Hij was er een met hart en ziel

Voor Willem van Nassouwe.

Wie ooit op Neêrlands vrijheid roem'

Zorg' dat hij Rochus Meeuwisz. noem.

Waar moest hij nu echter heen? De weg over den Maasmond was voor hem

zoo goed als afgesloten. Al had hij schepen kunnen bemachtigen, dan

toch zou de overtocht te gevaarlijk geweest zijn, daar de »Piraten« met

hun vlugge zeilers de geheele Maas bestreken. Van den nood een deugd

makende, besloot hij daarom oostwaarts op Dordrecht aan te trekken. Voor

deze stad gekomen, vonden de Spanjaarden echter de poorten gesloten,

en hoe mooi Bossu ook praatte, ze bleven dicht; men verkoos het ruwe

krijgsvolk niet binnen zijn muren te ontvangen. Het eenige, wat

de verbolgen Bossu wist te verkrijgen, was, dat Dordrecht hem de

transportschepen leverde, waarmede de troepen verder vervoerd zouden

kunnen worden. Het lag in de bedoeling van den stadhouder met deze

schepen weer naar Maassluis te stevenen. Dicht bij Rotterdam gekomen,

vernam hij echter, dat de Watergeuzen Delfshaven hadden bezet, zoodat

hij wel genoodzaakt was van plan te veranderen. Voor Kralingen liet hij

dan ook landen en ontscheepte zijn troepen aan den Honingerdijk.

Het was in den avond van den 8sten April, dus pas een week na de

inname van den Briel, toen Bossu zich met zijn mannen voor de Oostpoort

vertoonde en verlangde binnengelaten te worden, om--zoo hij zeide--met

zijn manschappen weer door de Delftsche Poort de stad te verlaten. Aan

Bossu zelf werd toegang verleend. Burgemeesteren en Vroedschap ontvingen

hem op het Raadhuis, waar hij zijn verzoek om doortocht herhaalde.

Bevreesd voor Alva's toorn, indien men niet aan het verzoek van den

stadhouder voldeed, was het stadsbestuur aan de andere zijde toch ook

weer niet erg geneigd de poorten voor de Spanjaarden te openen, daar het

vreesde, dat deze, als ze eenmaal in de stad waren, ze niet zoo spoedig

zouden verlaten, als wel door Bossu beloofd werd. Het is dan ook lang

niet onmogelijk, dat de bestuurders onzer stad zich van de zaak wilden

afmaken, door zich op de vijandig gezinde menigte te beroepen, die aan

de Oostpoort was saamgestroomd en met geweld wilde beletten, dat de

poort geopend werd. Hoe het zij, de troepen werden niet toegelaten en

moesten den nacht in de open lucht doorbrengen. Het eenige, wat het

stadsbestuur deed, was den soldaten voedsel en bier verstrekken.

[Illustratie: De troep van Bossu dringen Rotterdam binnen, 9 April 1572.

(Reproductie van één der Schoolplaten voor de

Vaderlandsche Geschiedenis.--De Jongh en Wagenvoort.)]

Den volgenden dag, nadat Bossu nog eens sterk op opening der poort

heeft aangedrongen en nadat de Pastoor der St. Laurenskerk, Duifhuis,

de menigte voor de poort kalmeerend heeft toegesproken, besluit men

eindelijk de Spanjaarden door te laten. Met rotten van 25 man zullen ze

worden toegelaten, mits de lonten gedoofd en de musketten naar beneden

gericht zijn. Pas is de brug neergelaten en de poort geopend, of het

krijgsvolk dringt in grooter getal naar binnen dan als voorwaarde is

gesteld. De smid Zwart Jan, die met anderen de wacht houdt, maakt Bossu

hierop opmerkzaam. De trotsche edelman, in woede ontstoken over deze

terechtwijzing van een geminachten poorter, bijt hem toe: »Het voegt

u niet, 's konings krijgslieden te tellen«. Gelijktijdig heft hij

zijn zwaard en slaat daarmede in de richting van Zwart Jan. Deze

weet den slag echter te ontwijken en valt nu op den Graaf aan, die

ten tweedenmale naar den smid slaat en hem nu zoodanig treft, dat deze

machteloos ter aarde zinkt. Een musketkogel treft hem ter zelfder tijd

in de borst en Rotterdam telt een plichtvol burger minder.

Daar zwom hij in zijn heldenbloed,

Vertrapt door 't woedend rot,

En gaf, gelijk een held het doet,

Zijn vrome ziel aan God.

Deze korte strijd is het sein voor een algemeenen aanval op de

burgerwacht. De bakker Jan Dominicuszoon heeft met anderen weldra het

lot van zijn wapenbroeder gedeeld.

En woedende om den wederstand,

Met bloedig moordtuig in de hand,

Stoof heel het bent de stadspoort binnen.

[Illustratie: In Duizend Vreezen.]

Joelende en tierende gaat het naar de Grootemarkt, waar de Spaansche

vlag wordt geplant. Wie tegenstand biedt, wordt gedood. De Delftsche

poort, verdedigd onder den oud-burgemeester Jan Jacobsz. Roos, die

eveneens met velen zijner getrouwen het leven laat, is ook weldra in

het bezit der Spanjaarden, die nu heer en meester zijn in de stad.

Schrikkelijk houden ze thans huis. Mannen, vrouwen en kinderen, het moet

alles nu boeten voor de aanvankelijke weigering om de Spanjaarden binnen

te laten. Velen verbergen zich voor de moord- en plunderzieke bende.

Een huis op den hoek van het Hang biedt een schuilplaats aan enkele

familieleden en vrienden. Om het den schijn te geven, of de woning reeds

doorzocht is en er dus geen buit meer te behalen valt, heeft de bewoner

de deurpost met bloed besmeerd. De list gelukt en een ander huis wordt

binnengeloopen en geplunderd, maar niet voor men den weerloozen bewoner

uit het hoekhuis aan zijn been in de deuropening heeft opgehangen en dit

met een kogel heeft doorboord. Gelukkig werd de man nog intijds gered;

hoewel hij zijn geheele leven kreupel bleef, genas hij van zijn wonden.

[Illustratie: IN DUIZEND VREEZEN

De zinnebeeldige voorstelling op den steen is niet met zekerheid bekend.

Het is waarschijnlijk, dat we in het Lam de Republiek te zien hebben,

die van alle zijden door gevaren--de roofdieren--wordt bedreigd. In de

twee mannen zouden dan het Staatsche en Spaansche leger verpersoonlijkt

zijn.]

Op de plaats, waar dit huis stond, bouwde men in 1594 een nieuw pand.

Als herinnering aan de angstige oogenblikken, die de in den kelder

verscholen vluchtelingen doorgebracht hadden, metselde men in den gevel

een steen, met het opschrift: »In Duizend Vreezen«.

Het oude huisje met het aantrekkelijk oud-Hollandsche trapgeveltje,

waarvan nog een model in het Museum van Oudheden te zien is, werd later

afgebroken en in nieuwerwetschen stijl herbouwd, maar toch draagt het

nog steeds den naam, »In Duizend Vreezen«.

Niet alleen, dat de Spanjaarden hun woede koelden tegen de levenden, ook

het levenlooze moest het ontgelden. Erasmus, toen nog van steen, werd

beschoten, verminkt, en in het Steiger geworpen.

Hoewel Bossu zelf den 22sten April Rotterdam reeds weer verliet, bleven

de Spaansche troepen hier tot 22 Juli, toen ze door Alva naar het Zuiden

werden ontboden. Een zucht van verlichting zal onze stad geslaakt

hebben, toen de poort gesloten werd achter de muitzieke bende, die voor

haar vertrek nog, hoewel gelukkig vergeefs, getracht had, de stad in

vlammen te doen opgaan. Is het te verwonderen, dat het volgend jaar,

toen door den Prins hulp werd gevraagd om Haarlem te ontzetten,

vele stadgenooten, onder wie ook de latere beroemde Oldenbarnevelt,

optrokken; dat ze in 1574 zonder morren hun stad voor een deel onder

water zagen zetten, toen dit door de in den Maasdijk gemaakte gaten

binnenstroomde? De herinnering aan de ondervonden behandeling van

de dienaren was niet van dien aard, om de trouw aan den meester te

versterken. Rotterdam koos de zijde van den opstand. Men richtte zelfs

het oude Agnietenklooster aan de Botersloot--ter plaatse waar nu de

Nieuwemarkt gevonden wordt--in, als tijdelijke woonplaats voor den Prins

van Oranje.

Is het te begrijpen, dat men juist dezen historischen grond, bij de

Prinsenkerk en Prinsenstraat, de eer waardig keurde, de monumentale

fontein te dragen?

Als ge door de Oostpoort gaat, bezie dan af en toe eens den steen, daar

ingemetseld als herinnering aan het verblijf der Spanjaarden, lees het

opschrift en verwijl in uw geest een korte pooze bij mannen als Zwart

Jan en Jan Dominicuszoon.

11. Rotterdam vergroot naar de Maas.

»Daar hij[15] slib en slijk weleer

Uit zijn kill' plagt op te lossen,

Ziet hij nu de speelkarossen

Daeglijks rijden ginds en weer«.

[15] De Rotte.

Na het vertrek van Bossu met zijn soldaten heeft Rotterdam de

Spanjaarden gelukkig niet meer binnen zijn muren gezien. Na het ontzet

van Leiden in 1574 werd het oorlogstooneel, dat steeds in de Noordelijke

Nederlanden geweest was, zuidelijker verplaatst.

In twee opzichten is dit voor de Noordelijke steden--ook voor

Rotterdam--van groot belang geweest.

Nu toch konden handel, scheepvaart en industrie, die voor een goed

deel verloopen waren, zich weer herstellen van de toegebrachte slagen.

Dank zij de inspanning en volharding onzer voorouders merken we dan

ook ± 1600 in haast alle steden--en niet het minst in onze stad--een

wederopbloei van deze middelen van bestaan. Weldra heerschte er in de

koopsteden een betrekkelijke welvaart, zooals men die vóór den oorlog

niet had gekend.

Middellijk had hiertoe de oorlog zelf mede geholpen.

Het verblijf van de Spanjaarden in de Zuidelijke Nederlanden toch, deed

een groot aantal kooplieden en handwerkslieden die gewesten ontvluchten

en zich in de groote steden in Noord-Nederland vestigen. Na de Spaansche

Furie in 1576 en vooral na den val van Antwerpen in 1585, kwamen velen

uit deze en andere Belgische steden naar ons land. Middelburg, destijds

een flinke koopstad, zag op deze wijze in drie jaar tijd zijn bevolking

met 2700 nijvere burgers vermeerderen. De toeloop in Rotterdam was

niet zóó groot, maar toch kwamen er hier ook heel wat, zoo bv. in 1584

vijftig weversgezinnen. Het stadsbestuur zag zulke gasten gaarne komen.

Zij verstonden--en in den regel goed--een ambacht, brachten op deze

wijze nieuwe industrieën in de stad en daardoor leven en vertier, werk

en brood.

Het gevolg van dezen toevloed van nieuwe bewoners was al heel spoedig

een te kort aan woningen, zoodat men alle nog beschikbare ruimten ging

bebouwen.

In dien tijd zijn toen een groot aantal huisjes verrezen tusschen

Goudschesingel, Goudsche Wagenstraat, Kipsloot en Pannekoekstraat.

Bijkans dit geheele stuk was nog onbebouwd en in gebruik als boomgaard,

weiland en lijnbanen. Langs de talrijke slootjes, die dit terrein

doorsneden, bouwde men in smalle, donkere straatjes, huizen, die

natuurlijk erg vochtig en ongezond moesten zijn.

Hier en daar bracht men, op erg ondiepe bouwterreinen, de huizen met den

achterkant zelfs tot aan het water. Voorbeelden van deze bouworde kunnen

we nog heden ten dage zien aan het Hang en de Weste-Wagenstraat.

Niet alleen dat er gebrek aan huizen ontstond, men kreeg evenzoo een

te kort aan werkplaatsen, pakhuizen en havenruimte. Daarom ging men er

toe over de stad uit te breiden en wel naar den waterkant, dus naar de

Maaszijde. De Blaak en de Nieuwe Haven waren de stadsgrachten; daar

voor strekte zich een groot terrein uit, rivierslib, door de Maas zelf

gedurende eeuwen daar neergelegd. Dit gors of slik werd opgehoogd, omdat

het veel te laag en moerassig was, om, zooals het daar lag, in gebruik

te worden genomen. Den grond voor deze ophooging verkreeg men, doordat

men tegelijk havens ging graven. Zoo ontstonden: Haringvliet, Buizengat,

Leuvehaven, waarvoor men de Leuve alleen had uit te diepen en te

verbreeden, Glashaven, Bierhaven, Wijnhaven en Scheepmakershaven[16].

[16] Zie het kaartje op pag. 31.

De namen dezer havens duiden al aan, waarvoor ze voornamelijk dienden,

òf waar de Rotterdammers hun bestaan in vonden. De wijnhandel en de

bierbrouwerij waren van zoo groote beteekenis, dat er twee havens

naar werden genoemd. Twee andere herinneren ons aan de visscherij; de

Scheepmakershaven aan de scheepsindustrie. De Glashaven verkreeg haar

naam, omdat het eerste gebouw aan deze haven een glashuis of

glasblazerij was.

Om de stad, die nu tot aan de Maas gebracht was, te versterken, werden

er verschillende bolwerken gemaakt. Deze zijn thans al lang verdwenen,

maar het tegenwoordige Bolwerk duidt nog aan, waar één er van gelegen

heeft. Achter de Scheepmakershaven bouwde men langs de Maas een muur.

Hier zou dus het landen voor vijandelijke schepen al heel gemakkelijk

gemaakt zijn. Dit was echter niet de bedoeling en daarom werden er langs

de geheele Maaszijde, op een afstand van eenige Meters, palen in de Maas

geslagen, die dus als verdedigingsmiddel bedoeld waren.

De werven, die aan de Scheepmakershaven ontstonden, lieten tusschen

deze en de Maas nog een breede strook grond open. Hier werden door het

Stadsbestuur drie rijen lindeboomen geplant (later vervangen door twee

rijen olmen), die aan deze wandelplaats, want dit werd het, den naam

Boompjes gegeven hebben. Daar kon men in de 17de eeuw, op zomersche

dagen, wanneer de brandende zon den geheelen dag had gelaaid en gestoofd

en de sloppen en stegen tot ovens had gestookt, de Rotterdammers, zoowel

rijken als armen, verkwikking en verpoozing zien zoeken in het frissche

rivierwindje en den heerlijken aanblik, die de zacht deinende Maas met

haar langzaam naar den mond der Oude- of Leuvehaven voortglijdende

schepen aanbood.

Om den toegang tot deze havens te beschermen, werden er vier poorten

gebouwd. Die aan de oostzijde van de Oudehaven werd de mooiste. Ze is

later bekend geworden als de Oude Hoofdpoort en gebleven tot 1856, toen

dit kunstwerk, daar men het voor het verkeer hinderlijk achtte, onder

sloopershanden is gevallen. Modellen in het Museum van Oudheden

vertellen ons thans nog, hoe de Rotterdamsche poorten er hebben

uitgezien.

[Illustratie: De Boompjes, met het Oost-Indisch huis op den voorgrond.]

[Illustratie: De Oude Hoofdpoort van de Maaszijde gezien.

Het scheepje, dat als windwijzer dienst doet, wordt in het Museum van

Oudheden bewaard. Het gat in het zeil is door een in 1830 naar België

vertrekkenden schutter daarin geschoten.]

Des nachts werd de toegang tot de haven tusschen de twee poorten

afgesloten door een zwaren balk, met stevige ijzeren punten bezet.

Aan de westzijde der Leuvehaven werd de stad eveneens uitgelegd. De

Coolsingel werd als Schiedamschesingel tot in de Maas verlengd. Aan

dezen nieuwen Singel werden twee bolwerken gebouwd. Eén ervan lag ter

plaatse, waar de Singel de bocht maakt naar het Vasteland. Ook moest de

Schiedamsche Poort, die op het begin van den Schiedamschedijk stond,

verplaatst worden. Ze werd op het Vasteland gebouwd en kreeg om

haar kleur den naam van Roodepoort. Tusschen den Coolsingel en den

Schiedamschesingel kwam ten slotte de Binnenwegsche Poort, die toegang

tot den Binnenweg gaf.

Dit alles was voor dien tijd een reuzenwerk, dat jaren tijds en schatten

gelds kostte. Dat men het noodig oordeelde en durfde ondernemen, is

wel het beste bewijs voor de welvaart, die hier heerschte; den sterken

vooruitgang, dien men verwachtte; den grooten ondernemingsgeest en den

ver vooruitzienden blik, dien onze Vroedschap bezat; want ge begrijpt

wel, dat die havens zich niet als door een tooverslag vulden, dat de

kaden niet direct geheel en al bebouwd werden. Dit ging geleidelijk.

Woonhuizen hebben zelfs in dit stadsdeel lang op zich laten wachten.

Maar een glasblazerij, pottebakkerijen, bierbrouwerijen, touwbanen,

scheepswerven, met daartusschen pakhuizen voor de koopmansgoederen--ze

verrezen tamelijk spoedig.

Een schrijver uit dien tijd, die al die veranderingen heeft zien

worden, noemde het dan ook bijkans een wonder, dat geschied was.

En de nog onbebouwde gedeelten zouden zich vullen in de eeuw, die men

was ingetreden, die voor geheel ons land, voornamelijk voor de groote

steden en zeker niet het minst voor Rotterdam in zooveel opzichten is

geworden de »Gouden Eeuw«.

12. Een wandeling door Rotterdam. (± 1600)

I.

Laten wij thans in gedachten eens een wandeling door Rotterdam maken.

Stellen we ons daarbij voor, dat wij de stad van de zijde van Delft

naderen.

In de verte zien we reeds den grijzen kolossus, den toren van de St.

Laurenskerk, zich statig verheffen boven de stadsmuren, die zich flauw

tegen den horizon afteekenen. We loopen langs de Westzijde der Schie

tot bij de Waelheul, waar een cirkelvormig terrein, door een muur en

boomgewas aan het gezicht onttrokken, onze aandacht vraagt. Het is het

Galgenveld. Daarbinnen is de driehoekige galg opgericht. Ze bestaat uit

drie arduinsteenen pilaren, van boven door ijzeren bouten verbonden en

met leeuwen versierd. Het steenen poortje in zijn groenwitte stadskleur

geeft toegang tot deze plaats der gerechtigheid. Gehangen te worden

tusschen hemel en aarde is een veel voorkomende straf. De executie

zelf wordt, daar ze als afschrikwekkend voorbeeld bedoeld is, in het

publiek, op het schavot achter het stadhuis voltrokken. Daarna wordt het

ontzielde lichaam naar het Galgenveld vervoerd om aan de vertering te

worden prijsgegeven en tot voedsel te dienen voor de vogelen des hemels.

Schrikkelijk nietwaar! En toch is deze straf, hoewel zeer onteerend, nog

niet de onmenschelijkste. Nog in 1567 heeft een valsche munter zich

hooren veroordeelen om levend gekookt te worden! We gruwen reeds als we

het »Sensentie«- of Strafboek doorbladeren en lezen van straffen als

levend begraven, verdrinken, de tong doorboren met een gloeiende priem

enz.

Zorg dan ook maar niet tegen de »keuren« te zondigen, als wij straks de

stad binnentreden. De »Schout en zijn rakkers« zouden u spoedig voor de

»Schepenen« leiden en deze weten u de bekentenis wel te ontlokken; gaat

het niet goedschiks, dan zal een scherpe »examinatie« op de pijnbank u

de tong wel los maken. Wees vooral nooit weerspannig tegen het gerecht,

want dan haalt ge u zeker een strenge straf op den hals. In 1542

werd Digna Mercelisdochter, die van de Overheid kwaad gesproken had,

veroordeeld om acht uren te pronk te staan. Bovendien werd haar een

stuk van de kwaadsprekende tong afgesneden. Twee jaar later zag Jacob

Hasepoot wegens bedreiging van een stedelijk ambtenaar zich tot een

dergelijke straf veroordeeld. Hem werd een puntig ijzer door de tong

gestoken, terwijl hij in geen twee jaar de stad mocht verlaten of een

herberg bezoeken. Geeselen en brandmerken zijn ook veel voorkomende

straffen. Daar men nog geen gevangenisstraf kent, loopt men al tamelijk

spoedig een geeseling op. Ze kan zijn: »simpel, strengelijck« of »tot

bloedens toe«.

* * * * *

Veel ziet ge hier aan de Schiekade niet. Waar ginds aan de Oostzijde die

enkele woningen verrijzen, stond vóór 1426 het machtige slot Weena.

»Nu leydt dit Hoff

Geheel tot stoff,

En d'ouwe steenen

Van Weena weenen«.

Langs Rotte, Maas en Schie. I. schetsen uit de geschiedenis van Rotterdam · 第 4 / 6 段