Aan den overkant der Maas ligt het nederig dorpje Charlois in het

ambacht van dien naam. Het is aldus genoemd naar den heer van Charollois

(Karel den Stouten), die de »concessie« tot bedijking heeft verleend.

Het aan St. Clemens gewijde bouwvallige houten kerkje is thans van steen

opgetrokken en het kerkgebruik eischt een hernieuwde inwijding. Daarom

trekt men in plechtigen optocht over de reeds dooiende ijsvlakte. Luid

klinken de lofzangen der vrome geestelijken en koorbroeders, omstuwd

door een ontelbare menigte, die mee optrekt. De wind giert en het ijs

is reeds allerwege met water overdekt. Haast is men op de plaats van

bestemming gekomen. Maar hoor, wat is dat! Welk een machtig geluid, dat

de angstkreten der processie overstemt! De broze ijsvlakte waggelt onder

de voeten van de bijna 5000 menschen, die zich juist boven een draaikolk

bevinden, waardoor de ijskorst niet zoo hecht en sterk is, als op andere

plaatsen. Schrik en ontzetting teekenen zich op ieders gelaat. Daar

scheurt met een donderend geluid het ijs van een, in wilde vaart worden

menschen en ijsschollen door het van zijn boeien ontslagen water

medegevoerd. Ruim 4000 menschen vinden hun graf in »de Monnikkenput«; in

weinige oogenblikken is geheel Rotterdam en omstreken in diepen rouw

gedompeld.

Eén groot graf heeft men voor de talrijke slachtoffers van de ramp

gegraven. Nabij den Sluisjesdijk, aan den weg naar Pernis, vonden ze hun

laatste rustplaats.

7. Erasmus.

1467-1536.

De achtbre wijsheit zelf knielt neer

Voor Uw grooten Desideer.

Ieder onzer kent wel den grijzen monnik op de Grootemarkt, die, zonder

zich te storen aan het geroezemoes der groentevrouwen vòòr hem, of het

ratelen van den trein àchter hem, aandachtig in zijn boek staat te

lezen. Gedurende al de jaren, die over hem zijn heengegaan--en dat zijn

er heel wat--heeft hij geen oog opgeslagen.

* * * * *

Desiderius Erasmus Rogerii, of Erasmus Roterodamus, zooals hij zich

schreef, werd ± 1467 in het huisje in de Wijde Kerkstraat, dat later

naar hem het Erasmushuisje genoemd is, geboren. Dit gebouwtje bestaat

reeds sinds lang niet meer, maar toch kunnen we ons nog een denkbeeld

vormen van het uiterlijk. Men heeft nl. de gelukkige gedachte gehad den

vroegeren gevel in zijn oorspronkelijken vorm tegen het daar nu staande

huis aan te bouwen. Om de illusie nog volkomener te maken, heeft men ook

een luifel en den klopper, waarvan vroeger haast alle huizen voorzien

waren, aangebracht.

* * * * *

Den 27sten September 1549 was er in onze stad een aanzienlijk gezelschap

bijeen. Philips van Spanje, de latere Philips II, en zijn tante Maria

van Hongarije, de Landvoogdes, die met een aanzienlijk gevolg de

Nederlanden doorreisden, vereerden ook Rotterdam met een bezoek.

De tweeëntwintigjarige Prins, die deze reis op verlangen van zijn

vader deed, om kennis te maken met zijn toekomstige onderdanen, werd

feestelijk ingehaald. De geheele versierde stad jubelde den hoogen gast

het welkom tegen. De huizen waren behangen met lakens van verschillende

kleuren, voornamelijk rood en wit. Op alle waren de letters P. P.

aangebracht, wat de dubbele beteekenis had van: »Aan Prins don Philips«

en »Padre de la Patria«, dit is »Aan Prins Philips, den Vader des

Vaderlands«. De burgemeesters, toen twee in getal, beijverden zich den

Prins volgens rang en stand te ontvangen. Ze leidden hem door de kwistig

getooide straten, tusschen twee rijen poorters, die, naar Zuidelijk

gebruik, met brandende fakkels in de hand stonden. Toen de stoet op

de plaats kwam, waar nu de Grootemarkt is, maar destijds nog voor het

grootste deel water was, werd er halt gehouden. Hier wachtte Erasmus, de

geleerde en beroemde Rotterdammer, den Prins op en overhandigde hem een

welkomstgroet, geschreven in de taal der geleerden, het Latijn, en

vertaald aldus luidende:

»Desiderius Erasmus aan Filips van Bourgondië, Prins van Spanje.

Rotterdammer zijnde, heb ik wel willen toonen, dat ik mijne medeburgers

niet verlaat. Op hun verzoek heet ik U, doorluchtige Prins, welkom

binnen onze wallen, en ik beveel dit volk aan in Uwe genegenheid en

bescherming. Allen huldigen U, o Keizerszoon, als Heer en kennen geen

grooter geluk«.

Philips betoonde zijn tevredenheid, door onder de saamgestroomde menigte

handenvol geld te strooien, wat denkelijk eveneens de goedkeuring onzer

voorvaderen wegdroeg en voor de koninklijke bezoekers een amusement te

meer was.

De Prins kon Erasmus zelf niet danken voor zijn welkomstgroet, evenmin

als deze den keizerszoon den volgenden morgen in zijn nederige woning

kon rondleiden, toen Philips na de godsdienstoefening in de St.

Laurenskerk te hebben bijgewoond, een gang deed naar het geboortehuis

van Erasmus en dit woninkje bezichtigde. De groote geleerde toch was

reeds in 1536 te Bazel gestorven en met veel statie in de hoofdkerk

begraven. Nog wijst een gedenkteeken, door zijn vereerders opgericht,

de rustplaats aan van den grooten denker. En hoe kon Erasmus dan den

vorigen dag Philips verwelkomen, zult gij vragen? Het zal u duidelijk

zijn, als we zeggen, dat de feestredenaar van ..... hout was.

* * * * *

Zooals we zagen, werd Erasmus ± 1467 te Rotterdam geboren. Zeer kort

daarna verliet hij deze stad, waar hij nooit meer is teruggekeerd.

[Illustratie: ERASMVS ROTERODAMVS.]

Gouda werd zijn woonplaats, waar hij zijn eerste opvoeding en

onderwijs genoot. Daarna woonde hij te Utrecht en kwam in 1478 te

Deventer op de Fraterschool. Reeds als kind blonk hij zoo zeer uit door

schranderheid, ijver en leerlust, dat hij zich op twaalfjarigen leeftijd

door een beroemd persoon hoorde toevoegen: »Ga zoo voort, eenmaal wordt

gij een groot man«. En hij heeft zijn leermeesters niet teleurgesteld;

integendeel, hij heeft hun stoutste verwachtingen overtroffen. Als groot

geleerde heeft hij zich een naam gemaakt, die nu nog in alle beschaafde

landen met eere wordt genoemd. De boeken, die hij heeft geschreven, zijn

in vele talen overgezet en worden thans nog gelezen en bewonderd. »De

lof der zotheid« is zijn bekendste werk.

Als monnik heeft hij een tijdlang in een klooster te Stein bij Gouda

doorgebracht, waarna hij in verschillende landen, o. a. Zuid-Nederland,

Frankrijk, Engeland, Italië en Zwitserland reisde en studeerde, zich

steeds grooter naam als geleerde verwervende. Koningen en Keizers

overlaadden hem met gunsten en eerbewijzen, en bij zijn bezoeken aan

verschillende plaatsen werd hij gevierd, als was hij van koninklijken

bloede. Als een bewijs, dat men den grooten geleerde nog steeds eert,

kan het bericht in Engelsche bladen dienen, dat de toren van de

Anglikaansche Kerk te Aldington voltooid is en daarmede een werk, dat

ondernomen werd ter eere van Erasmus, die korten tijd rector van die

gemeente is geweest. Het geld voor dezen toren, die men vier eeuwen

geleden begon te bouwen en in 1911 eindelijk voltooid is, werd

bijeengebracht door vereerders van Erasmus over de heele wereld.

Al had hij na zijn prille jeugd Rotterdam nooit meer betreden,

hij noemde zich toch steeds Erasmus Roterodamus; hij maakte zijn

geboortestad, die aldus in zijn roem deelde, tot ver over de

landsgrenzen bekend, en het is dus in de Rotterdammers te prijzen, dat

ze 13 jaar na zijn dood den grijzen geleerde nog eens ten tooneele

voerden, om als een waardige zoon van zijn vaderstad den Prins te

verwelkomen.

Wat nu echter met het houten beeld gedaan? Opbergen tot er zich weer

een feestelijke gelegenheid voordeed? Onze voorouders wisten beter.

Ze plaatsten het op de brug, die over het Steiger gelegd werd en aldus

het West-Nieuwland met de Hoogstraat verbond. Op deze brug werd markt

gehouden, zoodat de man, die bij zijn leven steeds de stilte en de

eenzaamheid zocht, in Rotterdam althans deze nooit heeft gekend. Want al

meer dan 300 jaren is hij getuige geweest van het bedrijvige marktgewoel

vóór hem.

Niet lang duurde het, of regen en wind hadden het houten beeld verteerd.

Men was echter reeds te zeer gehecht aan en te trotsch op dezen

beroemden stadgenoot om hem voortaan niet meer in zijn midden te

wenschen. Daarom verrees er in 1557 een beeld van steen, dat beter tegen

den tand des tijds bestand was en het tot 1622 uithield. Toen werd door

den beroemden beeldhouwer Hendrik de Keyser--naar wien de Hendrik de

Keyserstraat is genoemd--een nieuw beeld van koper vervaardigd. Dit

metalen gietsel heeft de eeuwen getrotseerd en staat nog ongeschonden

op de Grootemarkt.

Wanneer de ernstige man eens spreken kon, wanneer hij zijn eigen

lotgevallen en die van zijn stad eens kon verhalen, ge zoudt wat hooren.

Hij zou u vertellen van al de veranderingen, die in zijn onmiddellijke

omgeving hebben plaats gegrepen; hoe langzamerhand mèt de stad, ook zijn

terrein, de Markt is gegroeid; hoe de eenvoudige houten brug, waarop hij

eerst een plaatsje kreeg, is geworden tot het breede terrein van heden.

Hij zou u wat weten te vertellen van al de Rotterdammers, die hij aan

zijn voeten heeft zien spelen, groot worden en heengaan. En wanneer

de geleerde eens van eigen lijden en strijden ging verhalen! Dan zou

hij u spreken over de woeste Spanjaarden, die hem in 1572 beschoten,

verminkten en ten slotte te water wierpen, hoe hij later weer is

opgehaald en opnieuw zijn oude plaats verkreeg. Hij zou het

tegenwoordige geslacht zeker ook danken, dat het hem met rust laat en

's zomers niet meer blank poetst, want hij schaamt zich zijn oud gewaad,

dat bij zijn ernstig uiterlijk past, niet. Met smart zou hij u spreken

van den Franschen tijd; hoe hij er getuige van is geweest, dat daar voor

hem de brooddronken Rotterdammers hand in hand met de Franschen om den

vrijheidsboom dansten; van de daarop gevolgde vernedering, die zijn

vaderstad ondervond; van den handel, die verliep; de industrie, die

kwijnde; de armoede, die heerschte; hoe hij zelf in angst en beven

verkeerde, toen Napoleon, bij zijn bezoek aan Rotterdam, hem, den man

des vredes, tot kanonnen had willen gieten; van zijn dankbaarheid, toen

vermogende stadgenooten dit gevaar door betaling van een aanzienlijke

som gelds wisten te bezweren. En zeker zou hij u met fierheid verhalen,

hoe hij, na de jaren van vernedering te hebben medegemaakt, zich op een

morgen, met de oranjekleur getooid, aan zijn medeburgers vertoonde, hoe

hij door zijn tweeregelig versje:

Durft niemand nog Oranje dragen,

Ik durf mijn grijzen kop wel wagen,

een der eersten was, die den Franschen dwingeland openlijk durfde

trotseeren.

8. Anneken Jans.

Nadat Maarten Luther in 1517 de 95 stellingen aan de slotkerk te

Wittenberg had aangeplakt en daarmee openlijk met de Roomsch-Katholieke

kerk en leer had gebroken, sloten zich velen, die slechts op een

voorganger hadden gewacht, bij den Hervormer aan.

Begon de Hervorming in Duitschland, als een niet te keeren stroom drong

ze voort over de grenzen. Weldra waren er ook in ons land velen, die,

hetzij openlijk, hetzij in het geheim, de nieuwe leer beleden.

De veranderingen, die Luther en zijn volgelingen wilden invoeren,

bepaalden zich tot den godsdienst. Andere Hervormers echter wilden niet

alleen de kerk, maar ook de maatschappij volgens hun inzicht inrichten;

ze droomden zich onder meer een samenleving in gemeenschap van goederen.

Onder Jan Mathijszoon van Haarlem en Jan van Leiden wisten deze

godsdienstige dweepers--Wederdoopers werden ze genoemd, omdat zij

zich voor de tweede maal lieten doopen--Munster in Duitschland in

hun macht te krijgen. In deze stad ging men nu leven volgens de door

hen verkondigde denkbeelden. Er werden daar echter, zoowel door de

voorgangers als de volgelingen, zulke buitensporigheden en wreedheden

bedreven, dat ze terecht als gevaarlijk voor de maatschappelijke orde

werden gebrandmerkt. Geen wonder dan ook, dat de aanhangers dezer leer

aan felle vervolgingen blootstonden. Te vuur en te zwaard werden ze

vervolgd; want, werden àlle afvalligen gevaarlijk geacht, de secte der

Wederdoopers in dubbele mate. Wel waren er onder hen stille en bedaarde

menschen, die al gelukkig geweest zouden zijn, indien ze ongemoeid

hun nieuwe leer hadden kunnen belijden en verkondigen, maar in de

vervolgingen, waaraan ze blootstonden, maakte dit geen onderscheid: ze

waren allen des doods schuldig. Velen van hen zijn op gruwelijke wijze

ter dood gebracht. Ook in Rotterdam hebben enkelen terecht gestaan. Van

één dezer strafoefeningen willen wij hier wat verhalen.

* * * * *

Het is 24 December 1538. Zoo juist zijn twee vrouwen, die de Delftsche

poort uittraden om met de schuit naar Delft te vertrekken, aangehouden.

Ze zijn dezen morgen met den vrachtwagen van het Kralingsche Veer

gekomen en hebben de onvoorzichtigheid begaan onderweg een lied te

zingen, dat geen twijfel liet, of ze behoorden tot de secte der

Wederdoopers. Een reiziger heeft enkele klanken opgevangen en spoedig is

zijn besluit genomen. De 50 Carolusguldens[9], die op het aanbrengen van

een ketter gesteld zijn, wil hij verdienen. Als de vrouwen, waarvan de

jongste met een knaapje op den arm, zich na eenig oponthoud in de stad,

te voet naar de Delftsche schuit begeven, snelt hij naar den Baljuw

Minnebeek, wien hij zijn ontdekking mededeelt. Enkele »rakkers« worden

den verklikker medegegeven en weldra zijn de beide weerlooze, doodelijk

verschrikte vrouwen aangehouden. Nog denzelfden avond worden ze ten

huize van den baljuw, voor dezen en de vier schepenen geleid. Daar

hooren wij de ondervraging, de namen en ook de bekentenis, dat zij tot

de gehate secte behooren. De oudste is Christina Michiel Barents uit

Leuven, oud 50 jaar, de jongste Anneken Jans uit den Briel, 28 jaar oud.

In plaats door ontkenning te trachten haar leven te redden, bekennen zij

onbeschroomd tot de Wederdoopers te behooren. Met geestdrift, die haar

rechters niet kunnen begrijpen, roept de jongste der vrouwen uit: »Gij

hoort het, wij bekennen ons geloof, omdat het geen misdaad is, maar een

eeuwige eere, dat men wordt waardig gekeurd om de martelkroon te dragen

ter eere Gods, tot verheerlijking van dien Heer, die in der Eeuwigheid

woont, Wiens oogen ons gadeslaan en Die ons roept tot een oordeel der

wereld en tot Zijnen en onze glorie, Amen«.

[9] 1 Carolusgulden = f 1,675.

Thans is haar vonnis geveld. Ze zullen beiden den waterdood sterven.

Een maand is voorbijgegaan. Het is de 23ste Januari 1539 en het uur

der voltrekking van het vonnis heeft geslagen. Beide vrouwen zullen

verdronken worden buiten het Hofpoortje, waar de Rotte en Schie te zamen

vloeien[10]. Naargeestig luidt de klok op dien somberen Januarimorgen.

Bleek en verzwakt, de hoofden ontbloot, in het grauwe gewaad der

boetelingen, de verkleumde handen wringende in doodelijken angst, treden

ze nader. Achter haar loopen de beul en zijn knechten, niets dragende

dan twee zakken en eenige koorden.

[10] Het tegenwoordige Hofplein, in 1829 gedempt.

De beul is gekleed in den bloedrooden mantel en heeft een witte twijg in

de hand: het symbool der gerechtigheid.

Daar achter treden eenige geestelijken, die de ter dood veroordeelden

straks woorden van moed en troost zullen toespreken, en baljuw en

schepenen, allen plechtig in het zwart gekleed.

Zoo treedt de droeve stoet den Oppert in, omstuwd door een groote

menigte, die getuige wil zijn van de terechtstelling. Hier en daar

hooren wij een afkeurend gemompel tegen de goddelooze ketters[11], maar

ook treffen ons oor uitingen van medelijden met de twee ongelukkigen,

die, ten doode gedoemd, zich met wankelende schreden naar haar kille

graf voortsleepen. Vooral de jongste wekt het medelijden op. Haar kind,

een knaapje van nog geen twee jaren, houdt ze krampachtig in de armen

gekneld. Met smeekenden blik keert ze zich tot de burgers en roept:

»Goede lieden, in den naam Gods en ons aller Verlosser, op Wiens genade

ik hoop, maak mij het sterven licht door dit arm, onschuldig kind tot u

te nemen en op te voeden, in eere en in de vreeze Gods! Dit geld, alles

wat ik nog bezit, zij het uwe, en Gods zegen zal er op rusten en uw werk

is welgevallig in Zijn oog! Mannen, vrouwen, moeders als ik, moet ik dan

sterven, sterven en mijn kind nalaten in handen van hen, die wellicht

den zoon van de wederdoopster zullen mishandelen en haten om mijnentwil.

Genade alleen voor hem; dit geld is toereikend voor zijn onderhoud! Is

er dan niemand onder u allen? niemand! niemand! O mijn God, dit is de

zwaarste beproeving!----de zwaarste!«

[11] Zoowel mannen als vrouwen werden ketters genoemd.

Iedereen is diep bewogen, maar geen arm strekt zich uit naar het

hulpeloos jongske. Zou er dan niemand zijn, die den moed heeft het kind

van een kettersche tot zich te nemen en daarmee zich aan het gevaar

bloot te stellen, zelf voor een afvallige te worden aangezien?

»Daar drong een man de drommen door,

Een schaamle bakkersknecht;

Hij gaf zijn hart alleen gehoor

En stapte voor 't geregt.

Dit bloedje heeft geen maag of vrind;

Ik ben niet rijk, maar geef mij 't kind,

Vijf spruiten schonk mijn Machteld mij,

Daar kan een zesde bij«!

Het gelaat van de ter dood veroordeelde moeder wordt door een laatsten

vreugdeblos overtogen. Nog eens kust ze hartstochtelijk het weenende

knaapje en geeft het daarna over aan den menschlievenden bakker,

zeggende: »O, dat loone u God, brave man! volg mij, tot daar, dáár«!

[Illustratie: Anneken Jans reikt haar kind over aan bakker De Lint.]

En voort gaat de droeve stoet weer, het Hofpoortje uit. De schuit, die

de vrouwen tot midden op het water zal brengen, ligt reeds gereed.

Christina Barents wordt er opgebracht; de beul werpt haar een wijden

zak over het hoofd en bindt dezen dicht. De beulsknechten doen hun

plicht.... een kreet weerklinkt, een doffe plomp en de ongelukkige heeft

haar straf ondergaan.

Thans is het de beurt van Anneken Jans. Nogmaals drukt de moeder haar

lieveling aan het hart. Ze is gereed haar vonnis te ondergaan. Maar wat

is dat? Vanwaar dat gekraak en angstgegil? Het brugje buiten de poort,

propvol met nieuwsgierigen, is bezweken en een aantal menschen spartelt

in den vloed.

»Men zegt, schoon wij 't met geen bewijzen kunnen staven,

Dat hij, die Anna Jans verklikte en bragt in lij,

Ook bij de aenschouwers was, en eer verdronk dan zij«.

Zouden Anneken Jans, de toeschouwers en de rechters, er geen teeken in

zien van Gods toorn, dat men daar twee vrouwen ter dood brengt, wier

grootste overtreding bestaat in het dienen van God op een andere wijze,

dan volgens de wetten geoorloofd is? De rechters zeker niet, want geen

genade wordt verleend. Nog eenmaal omhelst Anneken haar lieveling,

daarna geeft ze hem aan zijn pleegvader. »Neem dit kind, zijn naam is

Esaias, voedt het op in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen

geestes, Amen«! Het zijn haar laatste woorden,--weldra is zij haar

geloofsgenoote in den dood gevolgd.

* * * * *

Tegen den avond werden de beide vrouwen uit het water opgehaald en op

het kerkhof aan het Roodezand begraven. Voor ter dood gebrachten en

zelfmoordenaars was geen plaats in den gewijden grond rondom de St.

Laurenskerk.

De bakker, De Lint genaamd, die in zijn edelmoedigheid het hulpeloos

knaapje tot zich had genomen, zag zijn goede daad beloond. Zijn zaak nam

van jaar tot jaar in bloei toe en de man, die eertijds met moeite zijn

brood kon verdienen, liet bij zijn dood een aanzienlijke erfenis na[12].

[12] Volgens de overlevering woonde hij in de bakkerij, waar thans nog

»In den Gloeienden oven« uithangt.

En het kind! Het had een gelukkiger leven dan zijn moeder. Esaias

Arentsz. de Lint werd een welgesteld man en mocht zich in later jaren

zoo in het aanzien zijner medeburgers verheugen, dat hij Burgemeester

werd van de stad, waar zijn moeder was terechtgesteld. Moge hij zich in

deze waardigheid verdraagzamer hebben betoond, dan zij, die zijn moeder

hadden gerecht. Hij zal er haar gedachtenis het best door hebben kunnen

eeren.

9. De Brand in 1563.

Het was Zaterdag 10 Juli 1563, omstreeks twee uur in den middag, dat

er bij een kuiper in de Molensteeg brand uitbrak. De licht brandbare

stoffen in de werkplaats gaven de ramp reeds van den aanvang af een

ernstig aanzien. Hoe de meester en zijn gezellen, straks geholpen

door de buren, al hun krachten inspanden het vernielend element te

beteugelen, het mocht niet baten; zij stonden machteloos tegenover de

hoog oplaaiende vlammen, die zich boven het West-Nieuwland verhieven.

De toegesnelde mannen, die zich weldra met hun lederen emmers gewapend,

dubbel hadden gerijd van de watertrappen aan de Grootemarkt tot de

plaats des onheils, mochten zich weren zoo hard zij konden, mochten

vliegensvlug de gevulde en weer geledigde emmers en ketels van hand tot

hand doen gaan, de vlammen vonden een te willige prooi in de belendende

gebouwen, werden te zeer aangewakkerd door den sterken zuidwestenwind,

dan dat de strijd tusschen de twee elementen lang onbeslist kon blijven.

Na zeer korten tijd stond de geheele steeg in lichtelaaie, kronkelden

de lekkende vlammen om de houten huizen en de werkplaatsen, joeg een

verstikkende rook over het oostelijk deel der stad, vlogen de brandende

rietstengels hoog door de lucht, tot ze dwarrelend neervielen op

de daken van de in de nabijheid staande woningen. Wel poogde men,

door natte zeilen over de daken te leggen, den brand tot de steeg

te beperken, maar vruchteloos; na korten tijd was het geheele

West-Nieuwland, van Molensteeg tot Kolk één vlammenzee, die zich door

niets liet stuiten, die voortrolde over de brug, welke naar den Rijstuin

leidde, die de schepen in de Kolk aantastte en ze in rook deed opgaan,

die zich wierp op Rijstuin en Hoofdsteeg, nieuw voedsel vond in Houttuin

en Groenendaal, oversprong op Hoogstraat, Achterklooster en Goudsche

Wagenstraat, om eindelijk in haar razenden loop bij de Hoenderbrug en

Frankenstraat gestuit te worden.

Toen de avond daalde over het verwoeste stadsdeel, en de Julizon haar

laatste stralen over het geteisterde Oosterkwartier wierp, bescheen

ze één grooten puinhoop, waarover de mannen, vrouwen en kinderen

als verwezen rondliepen en naar de verkoolde overblijfselen hunner

dierbaren zochten; die in één dag zich ontnomen zagen, waarvoor zij een

menschenleven hadden moeten zwoegen; die zich enkele uren te voren nog

hadden verheugd in het gelukkige bezit van een bloeiend bedrijf en nu

niets meer het hunne konden noemen dan de rookende en smeulende massa

daar voor hen.

Van de 1731 huizen, die Rotterdam toen telde, waren er 250 totaal

verwoest, 700 zwaar beschadigd. De Waterpoort aan het eind der

Hoofdsteeg, de Oost- en Goudsche Poort waren in vlammen opgegaan.

Het Pesthuis, op het eind van de Goudsche Wagenstraat--waar nu het

Gereformeerd Burgerweeshuis wordt aangetroffen--was, evenals het

uitgestrekte Dominicanerklooster op het oosteinde der Hoogstraat, door

het vernielend element verteerd. Zestig, meerendeels geladen, schepen in

de Kolk, pottebakkerijen, lijnbanen, schuren en loodsen, waren een prooi

der vlammen geworden. Daar men nog geen verzekering tegen brandschade

kende, misten honderden alle middelen, zich nieuwe woonhuizen of

werkplaatsen te bouwen of nieuwe gereedschappen aan te schaffen, om hun

bedrijf weer te hervatten.

Is het te verwonderen, dat sommigen de stad verlieten, die hun lief was

geworden, maar hun geen brood meer gaf; dat de nood hoog, de armoede

groot was?

[Illustratie: Filips II.]

Gelukkig kwam er hulp en wel van den man, die later zooveel wee heeft

gebracht over deze landen; van wien steeds zooveel kwaads en zoo bitter

weinig goeds vernomen wordt. Wij Rotterdammers mogen zijn naam dan ook

niet noemen, zonder met een gevoel van dankbaarheid te gewagen van de

helpende hand, ons toegestoken in de benauwde tijden na den brand.

Filips, onze landsheer, vaardigde nl. eenige besluiten uit, waarbij

verordineerd werd, dat onze stad in geen 14 jaren eenige belasting aan

hem behoefde op te brengen. Verder verleende hij aan ieder, die schulden

bezat, het recht, de betaling hiervan vier jaren uit te stellen, terwijl

zij, die iets misdreven hadden, kwijtschelding van straf verkregen,

indien zij binnen vier jaar hun woning weer hadden opgebouwd, of

verarmden stadgenooten bij den herbouw hunner verwoeste haardsteden hulp

hadden verleend.

Onthieven de eerste twee bepalingen onze voorouders van groote zorgen,

de laatste twee waren voor velen een prikkel om den herbouw spoediger

aan te vangen en flinker door te zetten, dan anders zeker het geval zou

geweest zijn.

De Stedelijke Regeering deed eveneens al wat in haar vermogen was, om de

geleden schade te herstellen en zoo mogelijk een herhaling der ramp te

voorkomen.

Langs Rotte, Maas en Schie. I. schetsen uit de geschiedenis van Rotterdam · 第 3 / 6 段