Een drietal van deze gehuurde helpers is ten slotte zoo op de

Schiedammers gebeten, dat ze besluiten de stad in handen van den vijand

te spelen. Bij een uitval tegen de Hoekschen ondernomen, laten ze zich

gevangen nemen en deelen, voor Jonker Frans gebracht, dezen hun plan

mede. Of dit ook in goede aarde valt!

Er wordt afgesproken, dat de verraders zullen trachten zooveel mogelijk

soldaten tot hun plannen over te halen. Om den Jonker op de hoogte te

houden zal er op een nader aangeduide plaats in het verbrande Delfshaven

telkens een brief neergelegd worden.

Nu moeten ze echter weer in Schiedam terug zien te komen. Hierop verzint

men het volgende.

Ze rijden met een troep Hoekschen over Overschie naar Schiedam. Daar

vertoont zich in de verte een troep krijgsvolk uit Delft. Nu begint

de komedie. Onder veel geschreeuw en getier worden de drie verraders

aangevallen, overmeesterd en gebonden. Daar verschijnen de ijlings

toegeschoten Delvenaars ten tooneele. Ze trekken hun zwaarden en

komen de aangevallenen te hulp. De Hoekschen vluchten hals over kop,

natuurlijk met achterlating van hun gevangenen. Fluks zijn de koorden

doorgesneden en is het dankbare drietal in vrijheid. Straks zijn ze weer

in Schiedam terug, waar zij een romantisch verhaal van hun wedervaren

opdisschen en hun verraderswerk verder voortzetten. Geregeld worden de

berichten in de afgebrande woning te Delfshaven neergelegd en velen van

het in Schiedam gelegerde, vreemde krijgsvolk worden tot hun plannen

overgehaald. Hoewel de burgers, zoowel als de schutters, zorgvuldig

buiten het komplot gehouden worden, lekt er toch iets van uit en daarom

besluit men, niet langer te dralen en op den avond van St.

Valentijnsdag (13 Februari) den aanslag te wagen.

Op den 12den vertoont zich in den vroegen morgen voor de Delftsche

poort van onze stad een zonderling ruiter. Hij maakt een geweld van

belang en stelt zich aan als een krankzinnige. Als zoodanig beschouwen

de poortwachters den zonderlingen gast dan ook. Als ze hem binnen laten,

slaat hij als een dolleman om zich heen, schatert het nu eens uit van

lachen en begint dan weer luidkeels te zingen. Zijn gekke kuren wisselt

hij af door te roepen: »Ik moet den Jonker spreken, ik moet Jonker Frans

spreken«.

Als deze van den vreemden ruiter hoort, laat hij hem voor zich komen

en nu ontpopt de krankzinnige zich als een bode van de ontevredenen

te Schiedam. Hij overhandigt den Jonker een verzegelden brief, waarin

medegedeeld wordt, dat alles voor den aanslag op den volgenden avond in

gereedheid is.

We schrijven 13 Februari.

De bondgenooten te Schiedam hebben in de duisternis één hunner buiten

de Rotterdamsche Poort gezonden, om uit te zien, of de Hoeken al in

aantocht zijn. Door een afgesproken teeken, een schreeuw, zal hij zijn

makkers waarschuwen.

Daar slaat het acht uur! Nog een uur en de Rotterdammers zullen er zijn.

Maar, wat is dat? Hooren de wachters aan de poort daar niet reeds het

bepaalde sein? Zeker zijn de Hoeken vroeger gekomen, dan is afgesproken.

Vooruit dan maar! De poort laat men door middel van buskruit

openspringen, om de vrienden binnen te laten. Maar geen der Hoeken is

in velden of wegen te ontdekken. Zij liggen nog rustig te Delfshaven te

wachten. Geen wonder, dat nu de aanslag mislukt. De verraders moeten

zich door een snelle vlucht zien te redden. Schiedam, aan een groot

bloedbad ontsnapt, is na het voorgevallene nog meer op zijn hoede en

twee hernieuwde pogingen van Jonker Frans om de stad te verrassen,

mislukken.

* * * * *

De insluiting van Rotterdam wordt voortdurend nauwer, zoodat het steeds

bezwaarlijker gaat, levensmiddelen in de stad te brengen. Geen wonder,

dat gebrek zijn intrede doet, en dat de poorters gaan mopperen. Zoolang

Jonker Frans succes had op zijn rooftochten, was men op zijn hand en

deed zelfs dapper mee; maar gebrek lijden, van honger omkomen, handel

en scheepvaart totaal zien verloopen, dat heeft men voor den Hoekschen

Hoofdman niet over. Ging er enkele maanden geleden een gejuich op, als

de Jonker zich aan de menigte vertoonde, thans gaat er een dof gemor

door de vermagerde schare. Er wordt geroepen: »Wij sterven van honger.

Geef de stad over«!

't Heugt mij, hoe ze in haer wallen

Door ondraegbren hongersnoodt

Gansch van moedt en magt ontbloot

Als in flaeuwte lag gevallen.

Den 25sten Juli vertoont zich voor de Goudsche poort een bode met

een witte vlag. Met luider stemme roept hij: »Poorters van Rotterdam.

Verdrag! Overgaaf! Vergiffenis. In naam van Koning Maximiliaan opent de

poort«!

[Illustratie: De Rotterdammers smeeken Jonker Frans de stad over te

geven.]

De bode treedt binnen en richt, door de hongerige poorters gevolgd,

zijn schreden naar de woning van den Jonker op de Hoogstraat. Hier neemt

Jonker Frans kennis van de voorwaarden, hem aangeboden: hij mag de stad

met al zijn soldaten in volle wapenrusting verlaten, doch met

achterlating van krijgsvoorraden en oorlogsvaartuigen. De gevangenen

zullen op vrije voeten gesteld worden en wie met Brederode de stad wil

verlaten, heeft daartoe vrijheid.

Het kost den fieren Jonker grooten zelfstrijd, voor hij een besluit

kan nemen. Den trotschen nek te buigen, hij, een Brederode; heeft hij

daarvoor alles opgeofferd? Maar toch, de voorwaarden zijn eervol; kunnen

haast niet eervoller zijn. En dan--mag hij nog langer den ongelijken

strijd volhouden; nog meer bloed vergieten voor een verloren zaak;

nog meer ellende en kommer brengen over de burgers van Rotterdam? Hij

besluit de stad over te geven.

En Breêroo, de oorzaak van haar tranen,

Neemt met zijn ongeschonden vanen,

De ellenden van den oorlog mee.

Hij vertrekt naar zijn oude wijkplaats Sluis.

Een maand later vinden wij hem weer in de gevangenis te Dordrecht. Hij

heeft zijn laatste gevecht geleverd. Zijn rechterknie is door een kogel

verbrijzeld. Met bleek gelaat en pijnlijk verwrongen trekken ligt hij in

den kerker. Het bed van stroo, hem gespreid, zal straks zijn sterfbed

zijn. En met hem sterft de Hoeksche partij. Van haar aanvoerder beroofd,

is haar kracht gebroken.

[Illustratie: Zegel in zwart was, gehecht aan het stuk, waarbij

Maximiliaan de stad Rotterdam vergiffenis schonk. Het origineel wordt

bewaard op het Gemeente-Archief. Maximiliaan houdt, zooals duidelijk is

waar te nemen, zijn zoon Filips bij de hand. Een verkorte inhoud van het

op perkament geschreven stuk volgt hier.

December 1489. Maximiliaan, Roomsch Koning en Philips, zijn zoon,

aartshertogen van Oostenrijk enz. verklaren aan de regeering van

Rotterdam, op haar verzoek, de stad vergiffenis te hebben geschonken

voor hetgeen ze misdreven heeft, bij het innemen der stad door Frans van

Brederode, bepalende, dat zij echter de helft der kosten zal dragen van

de in de stad aan te leggen sterkten en van de bezetting daarbij

noodig.]

Na een kamp van 150 jaren heeft de taaie volharding der poorters

gezegevierd over de woeste kracht der edelen.

Hoe ging het nu met Rotterdam?

Zwaar was de stad gestraft geworden voor haar zorgeloosheid. Groot waren

de verwoestingen, aangericht tijdens het verblijf der Hoekschen; vele

menschenlevens vielen te betreuren. Heel wat poorters, en juist de meest

gegoeden, hadden de stad verlaten, vele anderen waren door de duurte der

levensmiddelen en door den stilstand van alle handel, scheepvaart en

nijverheid tot den bedelstaf gebracht.

En of de stad hierdoor nog niet genoeg getroffen was, werd haar door

Maximiliaan nog een schatting van 26000 Rijnsche guldens[7] opgelegd.

Dat was de prijs, waarvoor de plundering werd voorkomen.

[7] Een Rijnsche gulden had een waarde van f 2.625.

Het ging in onze verarmde stad niet gemakkelijk een zoo groote som

bijeen te brengen. Om de door de stadsregeering opgelegde belasting te

kunnen voldoen, moesten velen hun kostbaarheden verkoopen; de schatten

der kerk, ja zelfs 1700 bedden, werden verkocht en toen was nog slechts

de helft der som bijeen. Gelukkig gaf Maximiliaan voor de andere helft

uitstel en schold in 1496 zelfs het nog onbetaalde gedeelte kwijt.

Daar gebleken was, dat de verdediging aan de Noordzijde het zwakst

gevoerd was, werd bevel gegeven de stad aan deze zijde te verkleinen.

Duizend schreden in de lengte en 300 in de breedte zag Rotterdam van

zijn grondgebied afgaan. Natuurlijk moest hiervoor de stadsgracht

worden verlegd, wat weer veel geld kostte.

»'t Kabeljaeuws beleg had alles schots verkurven,

De Rotterdamsche Schie was t'eenemael bedurven,

En moest hergraven zijn«.

De Delftsche Poort en andere verdedigingswerken, die veel hadden

geleden, eischten herstelling. Geen wonder, dat er vele jaren verliepen,

voor de stad zich van de toegebrachte slagen had hersteld.

Thans is de naam van Jonker Frans aan een drukke winkelstraat verbonden.

Nog steeds herinnert de dappere jongeling ons daardoor aan zijn

heldendaden, maar tevens ook aan al de ellende, die hij over onze stad

gebracht heeft.

5. De St. Laurenskerk.

Jongens, jongens, als die eens vertellen kon, wat er al gebeurd is in

den tijd, dat zij daar staat, wat zouden we dan een massa te hooren

krijgen. De Groote Kerk toch is het alleroudste gebouw in Rotterdam; al

vijf eeuwen staat ze daar op dezelfde plaats en hoe lang zal ze den tand

des tijds nog wel kunnen doorstaan? Ze ziet er nog niet naar uit, dat ze

al vijfhonderd jaar allerlei stormen getrotseerd heeft en toch is dat

zoo.

In het begin der 15de eeuw was Rotterdam nog maar een klein plaatsje

met niet meer dan 1200 huizen--op 1 Januari 1911 waren er 45751

gebouwen, die 94870 woningen bevatten. Onder de regeering van Graaf

Albrecht heerschten er rust en welvaart in deze gewesten. Ook Rotterdam

profiteerde van die rust en ging goed vooruit. De poorters wenschten

een bedehuis te bezitten, hetwelk wedijveren kon met dat der omliggende

plaatsen, ja, als het kon, de kerken uit den omtrek overtreffen. Dat

was geen kleinigheid voor zoo'n kleine plaats, maar de geheele burgerij

was vol moed het grootsche plan uit te voeren. Hoe aan het geld voor

den bouw te komen? Vele burgers schonken vrijwillige bijdragen; wie

als poorter zich binnen de muren der stad vestigde, moest 3000 steenen

leveren voor den kerkbouw. Heel wat opgelegde boeten kwamen het

bouwfonds ten goede; allerlei belastingen werden ten bate van den

kerkbouw aangewend. Ofschoon het geld voor den bouw der geheele kerk

nog lang niet bij elkaar was, begon men toch met moed en hield zich

overtuigd het tot een goed einde te zullen brengen.

In 1409 werd de eerste spade in den grond gestoken; in 1412 werd de

eerste steen gelegd; in 1426 kon een deel der kerk in gebruik genomen

worden.

[Illustratie: S. Laurentius Martyr.]

Volgens Katholieke gewoonte werd zij aan een Heilige gewijd en wel aan

den Heiligen Laurentius. Bij zijn leven was Laurentius een der zeven

diakenen of armverzorgers der kerk van Rome, onder Paus Sixtus II.

Toen deze Paus op bevel van Keizer Valerianus gevangen genomen werd,

begeleidde Laurentius hem naar de strafplaats. Daar werd hem door den

Prefect van Rome bevolen alle rijkdommen der Kerk, welke hij onder zich

had, uit te leveren. Laurentius vroeg drie dagen uitstel om aan het

bevel gevolg te kunnen geven; hij verkreeg dit, verkocht in dien tijd

alle kostbaarheden en verdeelde de opbrengst onder de armen. Toen de

Prefect na drie dagen bij hem kwam om de schatten in bezit te nemen,

toonde Laurentius hem een aantal armen en gebrekkigen en zei: »Ziedaar

de schatten der kerk«. Volgens de overlevering was de Prefect over deze

handelwijze zoo vertoornd, dat Laurentius gegeeseld en op een rooster

levend verbrand werd. Onder de regeering van Keizer Constantijn den

Grooten werd op de plaats, waar Laurentius begraven werd, een der zeven

patriarchale zuilenkerken van Rome gebouwd.

De naamdag van den Rotterdamschen beschermheilige, 10 Augustus, wordt

nog ieder jaar herdacht; vroeger met groote plechtigheid. Na het einde

der Hoogmis trok een processie, waaraan aanvankelijk slechts

geestelijken, maar later ook de schutters en ambachtsgilden deelnamen,

door de versierde straten.

Evenals met zooveel oude kerken het geval geweest is, is ook onze

Sint-Laurenskerk niet achter elkaar afgebouwd. Nu eens ontbrak het

aan geld om verder te bouwen, dan weer maakten de Hoekschen met hun

kaperschepen het den Rotterdammers zoo lastig, dat zij wel aan wat

anders te denken hadden, dan aan den opbouw van het bedehuis. Eerst

tegen het einde der 15de eeuw kon men zeggen, dat het gebouw voltooid

was. Bijna een eeuw lang was men met groote tusschenpoozen bezig geweest

het trotsche gebouw, dat wij nog dagelijks kunnen aanschouwen, te doen

verrijzen. De Kerk was voltooid, maar de toren nog niet. In 1449 was

men met den bouw hiervan begonnen. Aanvankelijk was hij door een smal

watertje van de kerk gescheiden. Het hoogheemraadschap van Schieland had

nl. bezwaar gemaakt »de Sluysvliet« te dempen, daar er niet voor een

goede afwatering kon gezorgd worden. Doch in 1460 geloofde men, dat

het dempen van het watertje geen overwegend bezwaar zou opleveren. Het

schip der kerk werd nu zoover verlengd, dat kerk en toren één geheel

uitmaakten. Op het einde der 15de eeuw was men met den torenbouw nog

niet verder gevorderd, dan tot het dak der kerk. Eerst in 1548 werd de

toren belangrijk verhoogd; een eeuw later, in 1645 nog eens, zoodat hij

toen zijn tegenwoordige hoogte bereikte. Oorspronkelijk bestemd voor den

dienst der Roomsch-Katholieken, ging de kerk, na de Hervorming in deze

gewesten, in 1572 aan de Hervormden over. Sedert dien is zij in het

bezit der laatsten gebleven.

[Illustratie: Aert van Nes.]

Het mooiste gedeelte van de Kerk is het koor; het was oorspronkelijk dan

ook bestemd de aandacht der talrijke bezoekers te trekken. Immers, daar

stond eens het hoogaltaar, waar de plechtigste missen werden gehouden.

Het fraaie koperen hek, dat het koor sinds 1715 afsluit, is door den

kopergieter F. van Douwe vervaardigd en kostte niet minder dan de voor

dien tijd kapitale som van 32000 gulden.

In het koor liggen verschillende beroemde personen begraven; o. m. Aert

van Nes, de rechterhand van admiraal De Ruyter, die meer dan 50 jaren

lang--van 1637 tot 1692--het land zijn diensten heeft bewezen. Was hij

op het veld van eer gesneuveld, wellicht had men voor hem ook een

sierlijk monument opgericht, evenals voor Witte Cornelisz. de With,

wiens graftombe ten zuiden van het koor te vinden is.

Tot blijvende gedachtenis aan dezen zeeheld, die van 1579 tot 1658 bijna

onafgebroken de zee bevaren heeft en in 1658 in de Sont sneuvelde, werd

in 1660 deze schoone graftombe opgericht. Het geharnaste beeld van den

held ligt uitgestrekt op een sierlijke lijkbus, waarvoor twee kinderen

een keurige afbeelding ontrold houden van den zeeslag, waarin hij het

leven liet. Aan de voeten staat de geopende, gepluimde helm. Tusschen

twee gevlamde marmeren kolommen vinden we den aardbol, daarachter den

steen, die in gouden letters den roem en de bedrijven ter zee van den

»Kregel Mennoniet«[8] in het Latijn vermeldt. Links van den steen staat

de zeegod Neptunus, met den drietand in de hand en een dolfijn aan zijn

voeten; rechts zien we den krijgsgod Mars, met den haan als zinnebeeld

der waakzaamheid. De twee kinderen boven houden het wapenschild van

W. C. de With vast. Evenals zoovele geslachtswapens is ook dit in den

Franschen tijd weggehakt. Het bestond uit drie geknotte vogels door een

kroon gedekt. Op de kolommen rust een kroonlijst; daarop bevinden zich

de wapenschilden van ons land, dat van Rotterdam en dat der Admiraliteit

van Holland en West-Friesland, waarvan De With in 1637 vice-admiraal

geworden was. Tusschen deze wapens bevinden zich twee beelden, de

Zeevaart en de Faam voorstellende. Vlaggen, wimpels, scheeps- en

krijgstuig voltooien het geheel, dat door den beeldhouwer Ricx

vervaardigd werd en door een ijzeren hek omgeven is.

[8] Welke geest W. C. de With als knaap reeds bezielde, blijkt uit het

feit, dat hij zich op tienjarigen leeftijd zonder toestemming zijner

ouders, die Mennist waren, liet doopen, daar de jongens op school hem

dikwijls plaagden, dat hij als Doopsgezinde niet mocht vechten of

terugslaan.

[Illustratie: Graftombe van Witte Cornelisz. de With.]

In de Metselaarskapel, achter de tombe van De With, hangt een schilderij

met het onderschrift »gebouwd op het fondament der apostelen en

profeten«. Op het schilderstuk zien wij een burcht, waarvoor kinderen

de attributen van het metselaarsvak opheffen. Beneden vinden we

de zerk, die het stoffelijk omhulsel van Johan de Liefde dekt, die

als vice-admiraal in den zeeslag bij Kijkduin (1666) sneuvelde.

In de daarachter liggende Schoenmakerskapel is Johan van Brakel,

schout-bij-nacht van Holland en West-Friesland, die in 1690 tegen de

Franschen sneuvelde, begraven. De wit marmeren zerk draagt het volgende

opschrift:

Hier rust d' Heer Johan van Brakel

Schoudt bij Naght van Hollandt en West-Vrieslandt

geschooten in de bataelje tegen de France Koninghs vloot

den 10 Julius 1690.

[Illustratie: Johan van Brakel.]

Tegen den muur prijkt het borstbeeld van den zeeheld, eveneens van wit

marmer. De buste is door een lauwerkrans omgeven. Daaronder vinden we

een Latijnsch bijschrift en het volgend Hollandsch gedicht:

Door ketens, donders, loot en staal en bliksemstraalen

Te vliegen, en een roof op 's vijands grond te haalen,

Was Brakels werk, die zijn triomf rukte uit den brand

Zijn naam en krijgsdeugd eert zijn graf en Vaderland.

[Illustratie: Graftombe van Egbert Meeuwisz. Kortenaer.]

Als pendant van de graftombe van W. C. de With, vinden we links van

het koor het monument van Egbert Meeuwisz. Kortenaer, die in 1665 bij

Lowestoff tegen de Engelschen sneuvelde. Op de tombe ligt het beeld van

den dapperen held in wit marmer uitgehouwen. Zijn hoofd rust op een

gevlochten matras; den bevelhebbersstaf houdt hij in de handen geklemd.

De verminking aan het linkeroog en de rechterhand, waarvan het

grafschrift spreekt, is duidelijk te zien. Aan de voeten merken wij

weer den gepluimden helm en achter het beeld een zegetronk met een

sierlijken lijfrok behangen, die op den linkerarm een schild, vroeger

het familiewapen vertoonende, draagt. Vier ranke, wit marmeren pilaren

dragen het zwarte frontespice met het wapenschild der Generaliteit, een

kroon en twee kruiswijs liggende ankers. Op de kroonlijst vinden we weer

een Latijnsch opschrift. Op de tombe zelf lezen we het bekende gedicht

van Gerard Brandt:

De Heldt der Maes, verminckt aen oog en rechterhandt

En echter 't oog van 't roer, de vuyst van 't Vaderlandt

De groote Kortenaer, de schrick van 's vijants vlooten

D' ontsluyter van de Sondt, leyt in dit graf beslooten.

Tal van vlaggen en ander oorlogstuig voltooien weer het geheel, dat door

den beeldhouwer Verhulst vervaardigd, in het laatst van 1669 werd

opgericht.

Wel niet aan een of ander zeegevecht, maar toch aan een belangrijke

gebeurtenis uit onze geschiedenis herinnert het Julianaraam, dicht

bij de graftombe van Kortenaer. Dit is ter blijvende gedachtenis

aan de geboorte van prinses Juliana opgericht. Het geeft ons Koningin

Wilhelmina met de kleine Prinses te zien; Prins Hendrik staat naast haar

onder het baldakijn, waarover de »Oranjezon« haar stralen op de

jonggeborene schiet.

Rotterdams stedemaagd wordt gevolgd door de Zeevaart, de Binnenvaart,

den Koophandel en de Industrie en brengt Hare Majesteit hulde; een page

draagt het wapen der stad, terwijl Fortuna haar gaven voor den troon

nederlegt.

Op den achtergrond ziet men de Maas met de stad in het verschiet;

tusschen de wolken slingert zich een lint met de woorden: »Wilhelmus van

Nassauwe ben ick van Duytschen bloedt«.

Op de onderste helft vinden we de wapens van het Huis van Oranje, van

Prins Willem I tot Koningin Wilhelmina ter eener zijde, aan den anderen

kant de wapens der elf Provinciën. Tusschen deze verschillende wapens

staat de opdracht:

»Ter herdenking van de geboorte van H. K. H. Juliana, Louise, Emma,

Marie, Wilhelmina, Prinses van Oranje-Nassau, Hertogin van Mecklenburg,

enz. enz. den 30sten April 1909«.

Hoewel er in de Kerk nog heel wat geschiedkundige herinneringen door de

opschriften op de zerken kunnen gewekt worden, willen wij het hierbij

laten om nog een kort oogenblik te verwijlen bij den fraaien preekstoel,

door het doophek omringd en in 1707 vervaardigd. De balustrade der trap

is met mooi houtsnijwerk versierd. De glorie der kerk is en blijft

echter het orgel, een der grootste van ons land. Reeds lang voor dat

de Sint-Laurens voltooid was, bezat de kerk een orgel. In het laatst

der 18de eeuw bleek een nieuw instrument dringend noodig te zijn. De

Fransche tijd was evenwel niet geschikt om het groote werk te bevorderen

en eerst in 1828 was het orgel voltooid. In 1845 is het hersteld en

vergroot met een vierde klavier.

Enkele jaren geleden heeft het belangrijke herstellingen ondergaan.

De reusachtige pijpen in het front zijn 32 voet hoog, de grootste dier

pijpen (in het geheel zijn er ruim 5000) weegt 500 pond. De engel met de

bazuin is 5 Meter hoog. Een voetstuk met twaalf marmeren zuilen draagt

het orgel, dat 126000 gulden gekost heeft.

Hier volgt nog een vertaling der Latijnsche opschriften in de les

genoemd:

1. Op het grafmonument van Egbert Meeuwiszoon Kortenaer:

»Voor den onvergelijkelijken held Egbert Meeuwisz. Kortenaer

hebben de Edelmogende Heeren der Admiraliteit van de Maas dit

gedenkteeken van heldendeugd en roemrijken dood gesticht«.

2. Op het grafmonument van Witte Cornelisz. de With:

»Aan de verdiensten en onsterfelijkheid van den Ridder Witte

Corneliszoon de With«.

6. Een ramp op de Maas.

Het is in de laatste dagen van Februari van het jaar 1511. Reeds meer

dan drie maanden heerscht er zoo'n strenge vorst, dat alle scheepvaart

gestremd is en de rivieren met een dikken ijsvloer bedekt zijn. Ook

de Maas is door den wintervorst in boeien geklonken en waar anders de

vlugge zeilers het breede, haast onafzienbare, watervlak tusschen Blaak

en Overmaaschen oever stoffeeren, zien wij nu de Rotterdammers op de

gladde ijzers zwieren.

Zóó hecht en sterk is de ijsspiegel, dat hij zelfs tenten en

uitstallingen van allerlei grootte en zwaarte kan dragen. Sleden en

vrachtwagens met honderden ponden beladen, wagen zich zonder vrees op

het gestolde watervlak. Een ondernemende hoefsmid heeft voor de St.

Laurenspoort zijn werkplaats opgericht en zet de paarden scherp, zoowel

van den vrachtboer als van den gegoeden stedeling, die zich in zijn

slede over de baan laat voeren. Hier en daar zien wij zelfs kolfbanen

afgebakend, en verlustigen de poorters zich met dit geliefde, oude

volksspel.

Sinds het laatst van November reeds, kan men dagelijks van dit

schilderachtig en levenslustig tafereel genieten.

Thans echter schijnt er een eind aan te zullen komen. Een krachtige

Noordwestenwind is opgestoken, een sterke dooi ingevallen. De opgestuwde

wateren hebben de metalen ijskorst reeds hier en daar doen barsten.

De Vroedschap roept de poorters door klokgeklep voor het Stadshuis

en laat mededeelen, dat alle kramen en verdere opstallen van de Maas

verwijderd moeten worden. Het sterk opgestuwde water kan in zijn wilden

loop ieder oogenblik den ijsvloer verbreken en medevoeren.

Niet allen helaas nemen den welgemeenden raad van het stadsbestuur

ter harte. Een groote menigte geestelijken maakt zich zelfs op tot een

tocht over de rivier. Wat mag het wel zijn, dat deze vrome mannen het

waarschuwend woord van hun Overheid in den wind doet slaan? Is het de

zucht tot genot, die hen nog een laatsten keer van het ijsvermaak wil

doen genieten? Geenszins, vrome ijver drijft hen, niettegenstaande den

ingevallen dooi, dezen reeds lang van te voren beraamden tocht te

ondernemen.

Langs Rotte, Maas en Schie. I. schetsen uit de geschiedenis van Rotterdam · 第 2 / 6 段