Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
https://www.pgdp.net
+----------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. De voetnoten |
| zijn hernummerd en naar het eind van de bijbehorende alinea |
| verplaatst. |
| |
| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
| _cursief_. Vette tekst is weergegeven als +vet+. |
| Onderstreepte tekst is weergegeven als =onderstreept=. |
| |
| In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. |
| Deze zijn respectievelijk aangegeven als »aanhalingstekens«. |
| |
| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties. |
| |
| De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit |
| e-boek op https://www.gutenberg.org |
| |
+----------------------------------------------------------------+
UITGAVEN VAN J. B. WOLTERS TE GRONINGEN.
P. R. BOS--C. L. VAN BALEN, Volledige Aardrijkskundige Leergang voor de
Volksschool:
Nederland, 1e stukje, geïllustreerd +f 0,30+
Europa en de Wereld, 2e stukje, geïllustreerd +0,30+
De Wereld, Oost- en West-Indië en Nederland, 3e stukje, geïll. +0,30+
Atlas van Nederland +0,25+
Invulatlas van Nederland +0,10+
Eerste Atlas voor de Volksschool in 16 kaarten, _+10+e druk_,
ingenaaid +f 0,30+, gecartonneerd +0,55+
Atlas der geheele aarde +0,35+
Invulatlas der geheele aarde +0,15+
Atlas voor de Volksschool in 40 kaarten en 52 platen, _+24+e
druk_, ingenaaid +f 1,00+, gecartonneerd +f 1,40+, gebonden +1,75+
Toelichting +0,30+
Globes (hoofdelijk leermiddel) per dozijn in doos +0,90+
==>> ~_Bovenstaande boekjes en atlassen kunnen in de volgende leerjaren
gebruikt worden:_~
Nederland } in het vierde leerjaar of in de laatste helft
Atlas van Nederland } van het derde en in het vierde leerjaar.
~_Desverkiezende als uitvoeriger atlas hiernevens:_~ de Eerste atlas
voor de Volksschool.
Europa en de Wereld }
Atlas der geheele aarde } in het vijfde leerjaar.
Invulatlas der geheele aarde }
~_Desverkiezende als uitvoeriger atlas hiernevens:_~ de Atlas voor de
Volksschool; _en als hoofdelijk leermiddel voor de allereerste
grondbegrippen der wiskundige aardrijkskunde_ de Globes.
De Wereld, Oost- en West-Indië en Nederland }
Invulatlas van Nederland } in het zesde
De atlassen en invulatlas der voorafgaande leerjaren } leerjaar.
* * * * *
Scholen met beperkt leerplan kunnen met de boekjes en atlassen van het
vierde en vijfde leerjaar, welke een afgerond geheel geven, volstaan.
* * * * *
In een korte toelichting wordt de gang der methode en de wijze, waarop
de schrijver enkele zaken aan de kinderen duidelijk maakt, uiteengezet.
UITGAVEN VAN J. B. WOLTERS TE GRONINGEN.
LANGS ROTTE, MAAS EN SCHIE.
SCHETSEN UIT DE GESCHIEDENIS VAN ROTTERDAM,
DOOR
J. M. DROOGENDIJK en J. S. VERBURG.
EERSTE DEELTJE.--GEILLUSTREERD.
f 0,50.
TE GRONINGEN BIJ J. B. WOLTERS' U. M., 1911.
STOOMDRUKKERIJ VAN J. B. WOLTERS.
VOORBERICHT.
Bij het verschijnen van dit werkje is het ons een aangename plicht
onzen hartelijken dank te betuigen aan Mej. Dr. H. C. H. Moquette,
Adjunct-Archivaris en den Heer G. v. Rijn, Gemeente-Bibliothecaris, voor
de zeer gewaardeerde medewerking, die wij van hen mochten ondervinden.
Voor de kaartjes zijn wij veel verplicht aan Dr. C. te Lintum, Leeraar
aan de H. B. S. alhier. Ook hem onzen hartelijken dank.
Van de illustratie's danken wij er eenige aan particulieren; enkele zijn
afkomstig uit het Museum van Oudheden, maar verreweg de meeste uit de
rijke verzameling van het Gemeente-Archief.
Een woord van dank past hier zeker aan de ambtenaren dezer instellingen,
benevens aan die van de Gemeente-Bibliotheek voor de groote
welwillendheid, waarmede zij ons steeds weer behulpzaam waren.
Niet onvermeld mogen wij ook laten de bereidwilligheid, waarmede
verschillende ambtenaren, verbonden aan onderscheidene Takken van Dienst
in deze gemeente, ons steeds een afdoend antwoord gaven op onze vragen
om inlichtingen. Ook waar wij een enkele maal bij particulieren
aanklopten, vonden wij steeds een gewillig gehoor.
Hoewel het noemen van onze bronnen hier onnoodig geacht kan worden,
willen wij een uitzondering maken voor het op de scholen nog te weinig
gebruikte werk »Rotterdam in den loop der eeuwen« door Dr. C. te Lintum
e. a. en de Rotterdamsche Jaarboekjes, die ons van zeer veel dienst zijn
geweest.
Ons boekje is bestemd voor de hoogste klassen der Rotterdamsche scholen.
We zijn nl. van meening, dat de historie onzer stad, voor zoo ver ze
voor kinderen belangwekkend en begrijpelijk is, in deze leerjaren in
verband met de Vaderlandsche geschiedenis onderwezen dient te worden.
Ook op Herhalingscholen kan, naar het ons schijnt, dit werkje dienstig
zijn, om bij de oudere leerlingen de belangstelling in de geschiedenis
hunner woonplaats te wekken en levendig te houden, terwijl de uitgever
van meening is, dat het boekje in een prachtbandje ook kan dienen als
prijs voor de leerlingen, die de school verlaten.
ROTTERDAM, 1911. DE SCHRIJVERS.
1. De Wilde Venen.
I.
Wanneer twintig eeuwen geleden een verdwaalde Germaan in zijn kano, van
den Ouden Rijn af, den grilligen loop der Rotte had gevolgd, zou hij,
indien het eentonige landschap van riet en biezen aan den mond van
dit riviertje had plaats gemaakt voor een wijd vergezicht over een
onafzienbaren waterplas, geen Rotterdam hebben ontdekt. Van onze stad
met haar 400.000 inwoners bestond nog niets. Geen dorp, geen gehucht,
geen enkele hut zelfs zou het oog van den eenzamen reiziger hebben
getroffen. Dit zou ook niet mogelijk geweest zijn, want van den bodem,
waarop Rotterdam is verrezen, was òf nog niets, òf zeer weinig aanwezig.
Daar spoelden nog lustig de golven van de breede binnenzee of lagune,
door de Romeinen Helinium genoemd.
De enkele deelen, die zich aan den mond der Rotte misschien boven de
wateren verhieven, kunnen een paar zandbanken geweest zijn.
We treffen nl. in onze stad enkele plaatsen aan, waar de ondergrond uit
zand bestaat. Hier moeten zich dus vroeger zandbanken bevonden hebben,
die, dit weet men zeker, al zeer vroeg te zien waren. De bedoelde deelen
zijn Feyenoord en de Zandstraat met het Roodezand. Deze laatste twee
straten hebben zelfs haar naam naar een dezer zandplaten ontvangen, die,
van verre gezien, een rosachtig voorkomen had. Nu zou het mogelijk zijn,
dat deze banken ± 2000 jaar geleden reeds boven het water uitstaken,
maar zekerheid daaromtrent bestaat niet. Waar wij Rotterdammers, wat
de geschiedenis onzer stad aangaat, echter toch al zooveel ten achter
staan bij de bewoners van Wijk-bij-Duurstede, Nijmegen, Tiel, Utrecht,
Vlaardingen, Voorburg, e. m. a., alle plaatsen, waarvan de geschiedenis
zich tot ver in de grijze oudheid verliest, laten wij, om de historie
onzer stad wat meer glorie bij te zetten, dan maar als vaststaand
aannemen, dat deze deelen van den Rotterdamschen bodem zich ten tijde
der Romeinen reeds boven de wateren van het Helinium vertoonden.
In deze binnenzee mondden behalve de Rotte nog andere wateren uit, die
we nu kennen als Waal, Lek, Hollandschen IJsel en Schie. Deze Schie
met de Vliet staan op het kaartje aangegeven als »Gracht van Corbulo«.
Dit water werd door dezen Romeinschen landvoogd gegraven om een
verbinding te verkrijgen van den Ouden Rijn met het Zuiden. De Rotte,
het ondiepe, kronkelende watertje, met zijn uitgestrekte moerassen
aan weerszijden--veengronden, die half onder, half boven het water
uitstaken--kon hiervoor maar moeilijk dienen. Geen wonder, dat deze
»Wilde Venen« door geen menschenvoet werden betreden, dat daar geen
andere bewoners werden aangetroffen, dan lepelaars, reigers en
roerdompen.
De hooge en droge gronden ten Westen der moerassen waren wel bewoond.
Al waren ze ook schaarsch, toch vond men in dit deel van Holland
reeds eenige plaatsen. We lezen op het kaartje: Flenum en Pretorium
Agrippinae. Het laatste is Voorburg, Flenum waarschijnlijk Vlaardingen
geworden.
[Illustratie: Vermoedelijke toestand van het land bezuiden den Ouden
Rijn ten tijde der Romeinen.]
Van deze plaatsen moeten wij ons geen te grootsche voorstelling maken.
Feitelijk waren het niets meer dan Romeinsche nederzettingen, waar
omheen sommige bewoners dezer landen hun woningen hadden gebouwd. Onder
de hoede van zoo'n steenen gebouw gevoelden ze zich veiliger, dan alleen
in een hutje op een eenzame plaats. Bovendien hadden de bezettingen van
die sterkten verschillende levensmiddelen noodig, die ze verkregen van
de bewoners dezer streken. Zoodoende ontstond er tusschen de Romeinen en
Germanen handel: weer een reden te meer voor de laatsten om hun hutten
zoo dicht mogelijk bij de legersterkten te bouwen.
II.
Bezien wij nu het kaartje, dat den toestand van Maasland aangeeft
omtrent het jaar 1000. Al aanstonds valt ons op, dat er meer plaatsen
liggen.
We lezen o. a.: Hargan, Schie en Bergan, namen, die ge bij de
aardrijkskunde van Zuid-Holland niet geleerd hebt. De plaatsen liggen er
echter nog; het zijn Kethel, Overschie en Hillegersberg. Verder zien wij
naar het Westen nog Flardinga of Vlaardingen, maar dit dagteekende reeds
uit den tijd der Romeinen, ofschoon het toen waarschijnlijk iets
zuidelijker lag.
En hoe staat het met Rotterdam? Nog niets van te ontdekken. Aan de Rotte
ligt nog geen enkele plaats.
Nu dringen zich twee vragen aan ons op. Ten eerste: Als bovengenoemde
dorpen in het jaar 1000 wel, maar ten tijde der Romeinen nog niet
bestonden, wanneer zijn zij dan ontstaan? Op deze vraag moeten wij het
juiste antwoord schuldig blijven; de geschiedenis vermeldt het jaartal
van het ontstaan niet. We vermoeden echter, dat zij dagteekenen uit de
10de of 11de eeuw.
[Illustratie: Vermoedelijke toestand van het land bezuiden den Ouden
Rijn omstreeks het jaar 1000.]
De tweede vraag, die wij als vanzelf stellen is deze: Waren de Wilde
Venen niet meer zoo moerassig? Hierop kunt ge zelf wel een antwoord
geven. Bekijk het kaartje maar, dan zult ge zien, dat de moerassen nog
steeds zijn aangegeven. Vreemd, niet waar, dat men zich midden in deze
lage streken een woonplaats koos; dat er zich zelfs zoovelen daar
neerzetten, dat er plaatsen ontstonden? Maar nog vreemder zult ge het
vinden, als wij u zeggen, dat daar juist dorpen verrezen, _omdat_ het
er moerassig was. Indien de bodem er droog en vast geweest was, zouden
waarschijnlijk Hargan, Schie en Bergan niet zijn ontstaan.
Om dit duidelijk te maken, moeten wij ons een gedeelte der Vaderlandsche
Geschiedenis voor den geest roepen.
Zooals bekend is, werd ons land tusschen 800 en 1000 zwaar geteisterd
door de invallen der ruwe Noormannen. Vele plaatsen, waaronder ook
Vlaardingen, werden door deze zonen van het koude Noorden gebrandschat.
Witla, dat in den omtrek van Vlaardingen gelegen heeft, (waarschijnlijk
op het eiland Voorne) is door deze barbaren zelfs zoo volkomen verwoest,
dat men niet eens met zekerheid kan aanwijzen, waar deze plaats gevonden
werd. Geen wonder, dat men in de kerken bad: »God, verlos ons van de
Noormannen«; want men moet niet meenen, dat een plaats, eenmaal door de
woestelingen bezocht, voortaan veilig voor hen zou zijn. Neen, wanneer
de zwaar bezochte bewoners na groote inspanning de zware slagen, hun
toegebracht, eenigszins te boven waren gekomen; wanneer er weer eenige
welvaart begon te heerschen dàar, waar door de Noormannen armoede en
verschrikking was gebracht; wanneer de zoon den leeftijd had bereikt,
dat de moeder hem kon duidelijk maken, waarheen zijn vader als slaaf
was weggevoerd, dan konden op datzelfde oogenblik de geesels dezer
lage landen op hun draakvormige schepen voor de verschrikte bewoners
verschijnen, wederom dood en vernieling brengende, waar nog weinige
jaren geleden hun hand reeds zoo zwaar had gerust.
Was het wonder, dat vele bewoners der duinstreken vluchtten, dat zij
have en goed achterlieten om ten minste het veege lijf te redden? Maar,
waarheen? Natuurlijk daar, waar men kans had veilig te zijn; waar de
Noormannen niet dan met gevaar voor eigen leven konden komen. De eenige
streek in deze buurt, die zulk een toevluchtsoord voor onze voorouders
bood, was de plek, waarover wij hierboven spraken: de moerassige
streken langs de Rotte. Daarheen zijn dan ook tusschen 800 en 1000
waarschijnlijk zoo velen gevlucht, dat de genoemde plaatsen ontstonden.
2. De hooge zeedijk. Jong Rotterdam.
I.
Schielands zeedijk, die 't vermetel,
't Onbezonnen zeegeweldt,
Trots weerstaet en wetten stelt
Strekt haer tot een vasten zetel.
Als we de kaart van Zuid-Holland bezien, vinden we ten Noorden van het
Scheur, de Nieuwe Maas en den Hollandschen IJsel een dijk, die het
achterliggende land beschermt. Deze zware dijk loopt midden door
Maassluis, Vlaardingen, Schiedam en Rotterdam. Hij is daar aan
weerszijden bebouwd en draagt in al deze plaatsen den naam van
Hoogstraat. Zeker een duidelijk sprekende naam.
Wanneer is deze lange dijk ontstaan?
Vóór we deze vraag beantwoorden, moeten wij eerst de Vaderlandsche
Geschiedenis weer eens raadplegen en wel het tijdvak, gedurende hetwelk
de Romeinen in deze landen hebben vertoefd.
Als wij u eens vroegen al de lichtzijden van het verblijf van dezen
volksstam op te noemen, zouden wij ongetwijfeld ook hooren: »de Romeinen
legden dijken langs de rivieren«. Tot op zekere hoogte is dit waar. We
moeten echter oppassen, dat we ons geen onjuiste voorstelling van deze
»dijken« maken. Meen vooreerst niet, dat de Romeinen _overal_ dijken
opwierpen om het water te beteugelen en stel u evenmin voor, dat deze
zoo zwaar en hoog waren, als wij ze tegenwoordig kennen. Feitelijk waren
het niets anders dan wegen, die moesten dienen om gemakkelijk van de
eene legerplaats naar de andere te kunnen trekken. Om deze wegen goed
begaanbaar te maken en te houden, was het wenschelijk, dat ze beveiligd
waren tegen het water. Daarom werden ze hoog gemaakt en waren het dus
dijk-wegen. Uit het voorgaande hebt ge wel reeds kunnen opmaken, dat de
Romeinen ze niet uit liefde voor hun bondgenooten opwierpen, het was
zuiver eigenbelang, dat hen tot het leggen van deze »dijken« drong.
Nu zijn er geschiedschrijvers, die veronderstellen, dat er ten Noorden
van het tegenwoordige Rotterdam ook zoo'n opgehoogde heirweg werd
aangetroffen. Deze liep dan van Nijmegen door de Alblasserwaard over den
IJsel en de Rotte naar Praetorium Agrippinae. Waar de weg over de Rotte
ging, zou een toltoren gestaan hebben, die naar de grijze duifsteen,
waarvan hij was opgetrokken, het Duifhuis genoemd werd. De plaats,
waar deze toren gestaan heeft, is bij het tegenwoordige Crooswijk te
zoeken[1].
[1] Zie het kaartje op pag. 7.
[Illustratie: Het Duifhuis aan de Rotte.]
Of dit alles wel precies zoo is, weten we niet; het is echter niet
onmogelijk. We hebben daarom op het kaartje dezen dijk dan ook maar
geteekend. Ook de toren is aangegeven. Bestaan heeft hij zeer zeker. Of
hij echter al in den Romeinschen tijd gebouwd is, zouden wij niet met
zekerheid durven beweren.
Deze Romeinsche dijk is dan de eerste waterkeering geweest, die de
streken ten Noorden van het Helinium gekend hebben. Of ze voldoende
geweest zal zijn, om het land tegen overstroomingen te beschermen? We
gelooven het niet. Mocht ze als weg al bruikbaar zijn, als dijk zal ze
niet veel nut hebben afgeworpen.
Wanneer de vroegere bewoners zelf en opzettelijk dijken langs den Maas-
of Merwestroom hebben opgeworpen, is niet met zekerheid te zeggen. Wel
weet men, dat er ten Noorden van den tegenwoordigen hoogen zeedijk
en ten Zuiden van den Romeinschen dijk omstreeks 1200 een dijk werd
aangetroffen, die bekend is als de Oude Dijk. Deze had van den Hoek van
Holland tot Vlaardingen de richting, die de tegenwoordige dijk volgt,
maar van daar af strekte hij zich veel noordelijker uit. Eerst liep hij
naar Ouwerschie en vandaar met een groote bocht onder den naam van Oude
Dijk en Kleiweg naar Crooswijk en Kralingen om dan als 's-Gravenweg naar
Moordrecht en Ter Gouw te loopen. Vergelijken we de richting van dezen
ouden en den nieuwen zeedijk, dan blijkt ons, dat er zich tusschen beide
een groot grondgebied uitstrekt. Voor een deel was dit reeds aanwezig,
toen men den Ouden Dijk legde. Met opzet echter had men de breede
gorzen er vóór niet bedijkt. De dijk was nl., evenmin als de Romeinsche
heirweg, bijzonder hoog en sterk; bevond er zich dus een breed gors
voor, dat alleen bij hoog water onderliep, dan was het gevaar voor
doorbraak en overstrooming heel wat geringer, dan wanneer men de
waterkeering tot vlak aan het diepe water bracht.
Door het leggen van bovengenoemden dijk was dus nog niets van den bodem
van Rotterdam voor de wateren beveiligd.
Maasland echter kon nu niet meer overstroomd worden, hoewel we ons niet
moeten voorstellen, dat de bewoners er erg droog gewoond zullen hebben.
Hadden ze van het buitenwater thans geen last, van het binnenwater
zooveel te meer. Dit moest men zien te loozen op de Rotte en de Schie en
daar men nog geen windwatermolens of stoomgemalen kende, moest men zich
behelpen met handmolens, paardenmolens, ja zelfs met hoosvaten.
Door wien deze Oude Dijk aangelegd is, weet men weer niet zeker, maar
hoogstwaarschijnlijk is dit werk ondernomen door de edelen; dit wil dan
zeggen, onder hun toezicht, want zooals te begrijpen is, zullen de
hoorigen en lijfeigenen het werk verricht hebben.
Ging een edelman er toe over een streek droog te leggen, dan werd hij
vooraf door den graaf bekleed met zekere macht over dat stuk grond: hij
kreeg het ambacht of ambt van rechter. Zijn titel werd heer of
ambachtsheer.
Thans zijn er hier en daar in ons land nog ambachtsheeren en -vrouwen.
Deze bezitten wel niet meer de rechtspraak in hun heerlijkheid, maar
toch hebben zij nog bijzondere rechten: b.v. het jacht- en vischrecht
en soms het collatierecht--dat is het recht tot het beroepen van een
predikant. Aan dit laatste herinnert nog in verschillende dorpskerken de
zoogenaamde »ambachtsheerbank«, die alleen door den ambachtsheer en zijn
familie gebruikt wordt.
II.
De dijk, die Maasland tegen het buitenwater moest beschermen, was niet
zeer zwaar en hoog, hij werd bovendien niet voldoende onderhouden. De
plicht voor dit onderhoud rustte op de bezitters van de gronden, welke
aan den dijk grensden. Niet meer dan natuurlijk, zult ge zeggen. En toch
ook weer niet zoo van zelf sprekend! Want hadden alleen de bezitters
van de gronden vlak aan den dijk gelegen maar belang bij een goede
waterkeering, of moest al het land ten Noorden van de Maas er door
beschermd worden? Zou het daarom niet billijker geweest zijn, dat alle
belanghebbenden ook hadden medegewerkt, om den dijk stevig en sterk te
maken en te houden? En niet alleen, dat dit billijker geweest ware, maar
men had ook tevens meer zekerheid gehad, dat de dijk goed onderhouden
werd. Nu kwam het voor, dat sommigen van hen, die aangewezen waren om
den dijk in goeden staat te houden finantieel niet sterk genoeg stonden,
om dit naar behooren te doen. Al vond men dus eigenaars, die hun deel
sterk en hecht maakten, anderen waren daartoe niet altijd bij machte,
zoodat de dijk steeds zwakke punten behield. Vooral werd dit het geval,
toen de ambachtsheeren stukken grond gingen verkoopen aan boeren
(eigengeërfden). Dit geschiedde na de Kruistochten, die een einde
maakten aan de lijfeigenschap en hoorigheid, waarin een groot deel der
bevolking verkeerd had. Deze boeren bezaten in den regel maar juist
voldoende om hun grond te koopen, zoodat zij aan hun verplichtingen ten
opzichte van den dijk bijna nooit konden voldoen.
Aan dezen onhoudbaren toestand werd een einde gemaakt tijdens de
regeering van den bekenden Graaf Floris V (1266-1296). Deze liet aan
zijn baljuw, dit was de persoon, dien hij aangesteld had over een deel
van zijn graafschap en die daar in zijn naam regeerde, berichten, dat
er tusschen de Delftsche Schie en Gouwe aan niemand land mocht verkocht
worden, van wien men niet zeker was, dat hij den dijk behoorlijk zou
kunnen helpen onderhouden. Verder bepaalde hij, dat er ieder jaar een
dijkschouw zou plaats vinden en dat hij, wiens deel niet in orde werd
bevonden, beboet zou worden.
Toen ook deze bepalingen nog niet doeltreffend bleken, verordineerde de
Graaf, dat de ingezetenen der acht ambachten tusschen Schie en Gouwe op
gezamenlijke kosten hun dijkwerken in stand zouden houden.
Deze ambachten waren--de namen zullen U wel bekend klinken--Zevenhuizen,
Bleiswijk, Rotteban, Ouwerschie, Schiebroek, Bokelsdijk, Cralingen en
Berkel met Rodenrijs.
Nadat gebleken was, dat ook zelfs deze bepaling niet de uitwerking had,
die de Graaf er zich van had voorgesteld, riep hij ten slotte al de
betrokken edelen bijeen. Deze erkenden met den Graaf het groote nut van
een zwaren dijk. Ze kwamen overeen, dat ieder hunner een deel voor zijn
rekening zou nemen. Tevens zou een stuk van den aangeslibden grond
worden ingedijkt, zoodat dus op sommige plaatsen de nieuwe dijk
zuidelijker zou loopen, dan de oude.
[Illustratie: De drie Schie's.]
Zooals gewoonlijk verlangden de edelen voor hun hulp een belooning.
Deze verkregen ze ook. Ze ontvingen de nieuw ingedijkte gronden van den
Graaf in leen. Zoo werd het gebied der edelen uitgebreid en tevens het
land afdoend tegen overstroomingen beveiligd, want de dijk, die tusschen
1281 en 1299 gelegd werd, mocht nu inderdaad een zeedijk heeten.
[Illustratie: Het Hof van Weena.]
Voor ons Rotterdammers, zijn er onder de edelen, die zich bij genoemd
werk verdienstelijk gemaakt hebben, een tweetal van beteekenis.
Het zijn: de Heer van Bokel, die als de legger van den Westzeedijk,
het Vasteland, den Schiedamschedijk, de Korte Hoogstraat en een gedeelte
van de Hoogstraat kan worden beschouwd, en de Heer van Cralingen, aan
wien we het oostelijk deel van de Hoogstraat met den Oostzeedijk te
danken hebben.
[Illustratie: Het slot Honingen.]
De eerste woonde op het Hof van Weena, dat in den omtrek van het
tegenwoordige Weenaplein gevonden werd. Dit plein, benevens de
Weenastraat, de Hofdijk en het Hofplein ontleenen alle hun naam aan dit
adellijk slot, waarvan de fundamenten in het jaar 1905 werden gevonden.
Deze bleken van onderen 3 M., van boven 2 M. breed te zijn, terwijl ze
op eikenhouten balken steunden.[2]
[2] Een en ander is nog in het Museum van Oudheden te zien.
De Heer van Cralingen bewoonde eveneens een kasteel en wel het slot
Honingen. Het tegenwoordige Park Honingen, benevens de Slot- en Hoflaan
zullen u wel voldoende aanduiden, waar dit kasteel ongeveer gevonden
werd. Deze beide kasteelen zijn in 1426 tijdens de Hoeksche en
Kabeljauwsche twisten door de Hoekschen verwoest. Volgens vroegere
geschiedschrijvers bevond er zich hier nog een derde kasteel: het slot
Bulgersteijn op het Roodezand, de zandplaat, die reeds ten tijde van de
Romeinen boven de golven uitstak. Latere onderzoekingen hebben aan het
bestaan van dit slot doen twijfelen. Zeker weet men, dat er een gebouw
gestaan heeft, dat den naam Bulgersteijn heeft gedragen. Het kan echter
heel goed zijn, dat dit nooit een slot, maar slechts een stevig
boerenhuis geweest is. Toen de dijk gelegd werd, was er al niet veel
meer dan een ruïne van over.
Keeren we thans weer tot onzen dijk terug.
Het deel van de tegenwoordige Hoogstraat, dat zich tusschen de monden
van de Rotte bevond, noemde men Middeldam. Het was als het ware een
lange dam door de Rottemonden en tevens het middelste deel van het
rechte stuk, hetwelk later den naam Hoogstraat verkreeg.
Van deze drie mondingen der Rotte was de westelijkste, de Slikvaart, het
latere Verlaat, waaraan de Verlaatstraat nog herinnert; de Nieuwe Rotte
was de thans Gedempte Binnenrotte; de oostelijkste is later de--nu
eveneens gedempte--Botersloot geworden.
Had men dezen »middeldam« zonder meer door de Rottemonden gelegd, dan
zou de Rotte haar water niet in de Maas hebben kunnen loozen. Daarom
maakte men onder den dijk aan het einde der Nieuwe Rotte een
duikersluis. Later kregen ook de andere monden sluizen.
Aan den Middeldam verrezen al spoedig huizen. In 1299 stonden er reeds
zooveel, dat de twee gehuchten, die ze vormden, door graaf Jan I tot een
gemeente werden verklaard. Tevens kreeg Rotte(r)dam, zooals de plaats
werd genoemd het paalrecht, d. w. z. het mocht, om zich beter te kunnen
verdedigen, palen aan de Maaszijde slaan. Vóór den Middeldam strekte
zich een gors uit, dat door een smalle kreek van Rotterdam was
gescheiden. Hierin voeren de schepen, die de jonge plaats al heel
spoedig aandeden. Daarom bouwde men aan dit water een aanlegsteiger.
Later werd de geheele kreek naar dezen steiger het Steiger genoemd,
welken naam het water nog draagt. Dit Steiger kon door een boom van de
Maas worden afgesloten, zoodat het voor de schepen een veilige ligplaats
bood: het was dus de eerste haven van Rotterdam.
3. Van dorp tot stad.
Zooals we zagen, kunnen we 1299 als het geboortejaar van Rotterdam
aanmerken. Bestond het toen nog slechts uit enkele huisjes, verrezen aan
den dijk langs de Maas, al spoedig had het zich in Noordelijke richting
uitgebreid, doordat de Rotte-delta bij het stadsgebied werd getrokken.
Bij de oude stad, of Middeldam, had zich een Nieuwe Stad, of in de taal
dier dagen, een »Nieuwe Poort« gevoegd.
Dat het in dit nieuwe stadsdeel nog moerassig was, is licht te
begrijpen. Voor men er dan ook huizen kon neerzetten, diende men den
grond voldoende op te hoogen. Dit gebeurde het eerst tusschen de Oude en
Nieuwe Rotte. De kade, die gelegd en langzamerhand met huizen bebouwd
werd, is de eerste straat in dit stadsdeel geworden (1339). Men noemde
ze »de straat in de Nieuwpoort«, later zelf »de Nieuwpoort« of »de
Nupoort«, wat door verbastering ten slotte »den Oppert« geworden is.
Men heeft wel eens het vermoeden uitgesproken, dat deze kade
oorspronkelijk ten behoeve der Heeren van Weena is aangelegd, om zich
gemakkelijk van hun Slot naar de stad te kunnen begeven, wat niet
onmogelijk is. Dit Rotterdam uit het jaar 1339 moeten wij ons nog
voorstellen als een armelijk dorpje, bestaande uit houten huisjes met
rieten daken, die verspreid lagen langs Visschersdijk, Middeldam en
Oppert. Het telde toen 46 hofsteden, d. w. z. huizen met tuinen en
akkerland. Ieder bewoner beoefende nl. naast zijn ambacht of bedrijf
wat land- en tuinbouw en waarschijnlijk ook wat veeteelt, die hem de
voornaamste levensmiddelen moesten verschaffen.
Welke waren nu die andere bedrijven?
Ziehier eenige namen van bewoners. Ze zijn sprekend genoeg, om er den
naam van het beroep uit op te maken.
Dat er reeds aan visscherij gedaan werd, vertelt ons Henric de Visser.
Doede Smids en Hannkeijn de Mandenmaker herinneren aan het smids- en
mandenmakersbedrijf. Hugo de Linemaker was waarschijnlijk een wever,
terwijl Aelwijn de Snider schaar en naald hanteerde. Arend de Blokemaker
zal onze eerste scheepstimmerman geweest zijn en Adaem die Marseman de
eerste Rotterdamsche koopman. Dat het wonen aan de Rottemonden niet
altijd gezond was, leert ons de rheumatische Claes die Pijnlike, die
bij onzen eersten esculaap, Claes die Condighe, genezing ging zoeken.
Veel handel en scheepvaart kan er nog niet geweest zijn, daarvoor
was Rotterdam nog te jong en lag het ook niet gunstig genoeg. Van
overzeeschen handel was natuurlijk nog geen sprake, de binnenlandsche
was pas in opkomst. Nu lag Rotterdam wel aan de Maas, maar daaraan had
het niet veel, zoolang het geen verbinding had met het »achterland«.
Zoo'n verbinding bestond wel door de Rotte, maar deze beteekende als
vaarwater niet veel, daar er langs, of bij dit water slechts weinig
menschen woonden. Te Ouwerschie, Delft en Leiden kon men langs dezen weg
niet, of moeilijk komen; deze plaatsen waren door de Schie te bereiken.
Op deze Schie nu hadden de Rotterdammers het oog geslagen.
* * * * *
Aan den mond van dit water, dat in de Maas uitliep, was al heel vroeg,
tusschen 1000 en 1100, een plaats ontstaan, die evenals het water den
naam van Schie droeg. Hoe meer de gorzen zich vóór den Ouden Dijk
verbreedden en verhoogden, hoe smaller de Maas en hoe langer de Schie
dus werd. Met en zonder hulp der menschen koos ze zich een kronkelenden
loop tusschen de gorzen. Aan den mond dezer »Nieuwe Schie« werd ± 1000
een kasteel gebouwd, het huis te Riviere, dat later den naam van Huis
van Mathenesse kreeg. Hierbij kwamen al spoedig eenige woningen en een
kapel te staan en naast »Schie« was een »Niewerschie« ontstaan. De namen
dezer beide plaatsen zijn in den loop der tijden veranderd tot:
Ouwerschie of Overschie en Schiedam[3].
[3] Zie het kaartje op pag. 18.
Wilden de Rotterdammers nu de Schie opvaren, dan waren ze genoodzaakt
eerst door de Maas naar Schiedam te stevenen om door de sluis, die na
het leggen van den Hoogen Zeedijk aldaar was gemaakt, de Schie te
bereiken. Deze route was een omweg en bovendien kostbaar, daar de
Schiedammers van ieder schip tol eischten en, wat misschien nog het
ergste was, de Rotterdammers waren, wat hun scheepvaart aanging, voor
een zeer groot deel van hun concurrenten afhankelijk. Dit mocht zoo niet
blijven. Men wilde een eigen vaart hebben, die Rotterdam rechtstreeks
met de Schie verbond. Dit kon heel goed. Men behoefde daarvoor slechts
een watertje, dat reeds van Rotterdam naar Overschie liep, te verbreeden
en uit te diepen. Zonder toestemming van den Graaf mochten zulke werken
echter in dien tijd niet geschieden. Voor een goede som geld gaf Willem
IV in 1340 »den goeden luden« van Rotterdam vergunning tot het graven
van een »opene vaert tot in de Schije«. Acht jaar later was deze
Rotterdamsche Schie, zeer tegen den zin van Schiedam, voltooid.
Voor dien tijd was er een flink stuk werk verricht. Behalve toch, dat
het reeds bestaande water moest worden verbreed en uitgediept, had men
twee dijken, den Ouden Dijk bij Overschie en den Beukelsdijk ten Noorden
van Rotterdam (waar nu de Heulbrug ligt) doorgegraven en hierin een
sluis en een heul moeten maken. Bovendien moest de Delftsche Vaart,
waarvan waarschijnlijk niets bestond, en het rechte deel van de Schie
tusschen de Schiekaden worden gegraven om in verbinding met de Maas te
kunnen komen.
Behalve de Schiedammers zagen ook de Delvenaars met leede oogen
Rotterdam, tengevolge het graven dezer Schie, zich vrij snel
ontwikkelen.
Af en toe vonden onze schippers de doorvaart aan den ingang te
Overschie versperd door hoopen puin, welke daar 's nachts waren
neergeworpen. Al had men het niet gezien, men verdacht--en met reden--de
Delvenaars van dezen streek.
Deze wisten het in 1375 zoover te brengen, dat Hertog Aelbrecht, die
toen voor zijn krankzinnigen broeder Willem IV regeerde, den
Rotterdammers gelastte, de heul te Overschie dicht te gooien. Men maakte
daar nu een overtoom, waarlangs de schepen uit de Rotterdamsche- in de
Oude Schie werden getrokken.
Wat zullen die Delvenaars gelachen hebben, toen ze hun concurrenten
zulk een hak gezet hadden! Maar dezen zaten ook niet stil. Hadden de
Delvenaars een vollen buidel, de Rotterdammers konden ook in den zak
tasten, als het noodig was. Vijf jaar later kregen zij weer toestemming
de heul te openen, omdat den hertog gebleken was, dat de open heul niet
verderfelijk, maar daarentegen »zeer nuttig was voor den lande en voor
den graaf zelf«.
* * * * *
Toen de Delvenaars aldus hun pogingen om Rotterdam in zijn groei te
belemmeren, zagen mislukken, trachtten ze voor zich zelf te krijgen, wat
ze hun naburen zoo misgunden; dus--ook een open vaart naar de Maas. In
1389 kregen, of beter gezegd kochten, ze dit recht van den Hertog. Ze
groeven toen van Overschie een rechte vaart, die ten Westen van het dorp
Schoonderloo in de Maas uitmondde. Waar de Hooge Zeedijk doorgegraven
werd, moest een »kapitale« sluis gemaakt worden, die we nog kennen
onder den naam van Aelbrechtssluis. In het gors, dat zich tusschen den
Dijk en de Maas uitstrekte, mochten de Delvenaars een haven graven: de
nog bestaande Voorhaven.
[Illustratie: Het Slot Spangen.]
Nu de vrije open vaart er was en Delft daardoor een zeehaven was
geworden, trachtte men er ook zooveel mogelijk voordeel van te trekken,
waarom de Delftsche Overheid aan de inwoners verbood van de
Rotterdamsche of Schiedamsche Schie gebruik te maken.
De Rotterdammers waren de poets, hun indertijd door de Delvenaars
gebakken, nog niet vergeten en ze wachtten slechts op een goede
gelegenheid om hun naburen met gelijke munt te betalen. Die gelegenheid
deed zich weldra voor.
Niet ver van de Delfshavensche Schie, tusschen Overschie en Schoonderloo
stond het kasteel Spangen. Een der voorwaarden, waaronder de Delvenaars
hun vaarwater mochten graven, luidde, dat er altijd een uitpad in den
vorm van een brug over de Schie, voor de kasteelbewoners zou zijn. Toen
dit brugrecht later verkocht werd, wilden de Rotterdammers het koopen,
met het snoode voornemen daar ter plaatse een lage steenen brug te
bouwen, zoodat alle scheepvaart onmogelijk zou worden.
Dat zou nu met recht geweest zijn, iemand in zijn vaarwater zitten!
De toeleg mislukte echter; Delft had de lucht gekregen van het
vriendelijke plan van zijn nabuur en wist het recht voor zich zelf te
koopen.
Aan den mond van deze nieuwe Schie is het plaatsje Delfshaven ontstaan,
dat tot 1795 met Delft vereenigd is gebleven. Daarna was het tot 1803
een zelfstandige gemeente, waarna het tot 1811 weer een deel van Delft
werd. Na de inlijving bij Frankrijk werd het bij een der eerste
besluiten van Napoleon, tot een zelfstandige gemeente verklaard. De
ambachten Beukelsdijk en Schoonderloo werden er toen mede vereenigd.
In 1817 verkreeg Delfshaven het bekende wapen: drie korenaren en een
haring, de symbolen van de jeneverindustrie en visscherij, de twee
voornaamste bestaansmiddelen van de Havenaren. In 1825 werd het in de
rij der steden opgenomen om ten slotte in het jaar 1886 met Rotterdam
vereenigd te worden.
* * * * *
In hetzelfde jaar, dat de Rotterdammers hun Schie mochten graven,
kregen ze van Willem IV nog een ander voorrecht en wel dat van eigen
rechtspraak, d. w. z.: Rotterdamsche poorters zouden voor Rotterdamsche
schepenen (rechters) terechtstaan. Hiermee werd Rotterdam tot een stad
verklaard en was het al weer een stap in aanzien en beteekenis vooruit
gegaan.
Alle goede dingen bestaan in drieën. Dat wisten onze voorouders ook
reeds en daarom hadden ze nog gaarne één wensch vervuld gezien.
Rotterdam was nu wel een stad, maar nog geen versterkte stad, geen
vesting. Nog 18 jaren moesten de »goede luden van Rotterdam« wachten,
voor ze hun woonplaats als het ware mochten maken tot één, groot sterk
kasteel.
In het jaar 1358 kwam Aelbrecht in onze stad en bij dit bezoek gaf hij
verlof, het open vlek in een vesting te veranderen. Tevens werd het
stadsgebied, dat waarschijnlijk in 1340 reeds aan de Oostzijde vergroot
was met een deel van het Ambacht Rubroek, thans aanzienlijk aan de
Westzijde uitgebreid, daar de Ambachtsheer van Beukelsdijk en Cool,
Willem van der Wateringhe, het Roodezand aan de stad afstond.
[Illustratie: Uitbreiding van Rotterdam van het ontstaan tot het jaar
1600.]
Het groote werk om de stad te bemantelen werd met kracht aangevat.
Langs het ambacht Cool werd de Coolvest gegraven tot aan de Schie en
van daar de Goudsche Vest met een bocht naar de Maas. In den muur,
die om de geheele stad heen liep, werden vier poorten aangebracht: de
Schiedamsche, de Delftsche, de Goudsche en de Kralingsche. De eerste
stond ter plaatse van het tegenwoordige Museum Boijmans, de tweede op
nagenoeg dezelfde plek als de nog bestaande, de derde op den Goudschen
Weg bij de Lange Warande en de laatste op de Hoogstraat bij de
Valkensteeg. Bovendien droeg de muur nog verschillende torens. De stad
had, evenals alle Oud-Hollandsche steden, de gedaante van een vierhoek.
Deze vorm is thans nog terug te vinden in het traject Coolvest, Galerij,
Jan van Loonslaan en Lange Warande.
4. De Jonker Fransenoorlog.
I.
't Lust mij in het breed te melden
Hoe zij vaek werd aengetast
Of door Jonker Frans verrast.
Rotterdam lag dus nu versterkt aan de Maas. In de rumoerige tijden,
die volgden, was dit van zeer groot belang. Heeft men hier toch reeds
de nadeelige gevolgen van den burgeroorlog ondervonden, het is maar
moeilijk te zeggen, hoe het met onze stad gegaan zou zijn, indien ze
gedurende dit tijdperk niet van muren en grachten voorzien geweest was.
Driemaal heeft Rotterdam van zeer nabij kennis gemaakt met deze bloedige
twisten.
Allereerst in 1358, toen Willem V krankzinnig werd en zijn broer
Aelbrecht hem als ruwaard verving. Delft weigerde hem als zoodanig te
erkennen, waarom de Hertog een heirvaart tegen de weerspannige stad
uitschreef. Rotterdam nam, evenals andere omliggende steden, deel aan
het beleg, dat 10 weken duurde. Toen de stad zich overgegeven had,
werden de bewoners tot strenge straffen veroordeeld: 1000 burgers
moesten blootshoofds en barrevoets vergiffenis vragen. Met hangende
haren en in haar beste kleeding, moesten 500 vrouwen voor haar
echtgenooten het behoud hunner betrekkingen komen afsmeeken. Bovendien
werden velen voor goed verbannen en de verdedigingswerken der stad
geslecht. En alsof dit alles nog niet genoeg was, werd de stad een boete
van 60 000 Brugsche schilden[4] opgelegd.
[4] Een Brugsch schild had een waarde van f 3,28 125.
* * * * *
In 1426 zagen de Rotterdammers van nog meer nabij den strijd. Toen
woedde hij onder de muren hunner stad. In dat jaar toch werden door de
Hoekschen de kasteelen Honingen, Weena en Spangen verwoest. Ook het slot
te Hillegersberg, waarvan men nog heden ten dage de ruïne kan zien,
moest het ontgelden. De stad zelf liep bij deze gelegenheid vrij, maar
wat zou haar lot geweest zijn, indien zij niet versterkt geweest was!
[Illustratie: Het Slot te Hillegersberg.]
II.
We schrijven 1488. Meer dan 60 jaren reeds zijn er verloopen, sedert de
Kennemer vrijbuiters onder Jan van Nagel de Rotterdammers met angst en
beven naar de brandende kasteelen in den omtrek hebben doen staren. De
strijd tusschen de rood- en grauwmutsen loopt ten einde. De Hoekschen
hebben steeds meer en meer in aanhang en macht verloren en zich
teruggetrokken in hun laatste wijkplaats: Sluis. Nog eenmaal zullen
ze een poging wagen om hun oude macht en aanzien te herwinnen. Jonker
Frans van Brederode zal hun aanvoerder zijn. Wel is hij jong, zoodat
aanvankelijk niet allen hem als hun gebieder willen erkennen, maar hij
is een afstammeling van een der oudste en edelste geslachten; de naam
Brederode heeft een goeden klank en de tweeëntwintigjarige jongeling
wordt als hoofd gekozen. Als hij na eenige aarzeling beloofd heeft de
Hoeksche zaak met zijn zwaard en, moet het zijn, met zijn leven te
dienen, toont hij zich een waardig zoon van een roemrijke familie:
zonder dralen ontwerpt hij een plan van aanval.
Den 18den November zeilt hij, met een vloot van 48 schepen, bemand met
2000 Hoekschen, de Maas op. Tot Delfshaven kunnen zij het brengen,
dan belet de ijsmassa het verder voortvaren. Acht honderd en vijftig
man worden in alle stilte ontscheept; zij zullen trachten Rotterdam
te overrompelen, terwijl de anderen achterblijven om de vloot te
beschermen. Over het landijs en den hard bevroren grond trekt een deel
den Coolpolder door tot voor den Heer Jan Vettentoren[5]. Behoedzaam
kruipt men over het ijs in de gracht, dat de zorgelooze Rotterdammers
vergeten hebben stuk te hakken. En dit was toch wel noodig geweest,
daar de muren in een zeer bouwvalligen toestand verkeeren. Met groote
behendigheid worden de stormladders aan de muren gehaakt, als katten
klauteren de Hoekschen er tegen op en de eerste vijanden zijn weldra in
de stad. Vlug volgen de anderen. Nu allen naar de Schiedamsche Poort.
De wachters, in slaap verzonken, zijn overrompeld, voor ze aan tegenweer
kunnen denken; de poort wordt geopend en de rest der 850 manschappen,
die over den Schiedamschedijk tot voor de poort zijn genaderd en zich
in het langs den dijk groeiend riet verborgen hebben, komen binnen.
De andere stadspoorten en het Stadshuis worden bezet en als de morgen
aanbreekt, is de stad in handen der vijanden, zonder dat er één doode
gevallen is. Aan tegenweer is niet gedacht, men kende het aantal
Hoekschen niet, en bovendien, velen in de stad maakten gemeene zaak met
Jonker Frans.
[5] Deze stond aan den Coolsingel, op dezelfde plaats, waar thans de
korenmolen »de Hoop« gevonden wordt.
De Rotterdammers schikten er zich wonderwel in, zoo eensklaps van
Kabeljauwsch Hoeksch te zijn geworden. Niet weinig droeg daartoe bij de
verstandige handelwijze van Jonker Frans, die de Rotterdammers liever te
vriend, dan te vijand maakte. Alleen de hoofden der tegenpartij moesten
de stad verlaten.
Om zijn manschappen tevreden te stellen, kregen zij als buit de
Keulsche, Brabantsche, Engelsche, Fransche en Oostzeeschepen, die met
koren, wijn en andere goederen geladen, in de havens aangetroffen
werden.
* * * * *
Jonker Frans begreep zeer goed, dat hij in zijn veroverde veste niet
met rust gelaten zou worden. Om goed tegenweer te kunnen bieden, moest
vooral de rivierzijde beter versterkt worden. Mannen, zoowel als vrouwen
en kinderen werden hiertoe opgeroepen. Niettegenstaande den strengen
vorst, die den grond zoo hard als ijzer maakte, kwamen de
verdedigingswerken, dank zij de vele handen en den ijver, waarmee
gewerkt werd, binnen vijf weken gereed.
Wat de Hoeksche aanvoerder verwacht had, gebeurde. Maximiliaan van
Oostenrijk, die voor zijn minderjarigen zoon Filips den Schoonen, na den
dood van diens moeder Maria van Bourgondië, regeerde, riep de groote
steden op tot een heirvaart tegen Rotterdam. Persoonlijk kwam hij naar
deze landen om tot krachtige hulp op te wekken. Haarlem, Leiden,
Amsterdam, Naarden, Muiden, Weesp, den Haag, Dordrecht, Gouda, den
Briel, Vlaardingen, Schiedam en Delft gaven aan den oproep van hun
landsheer gehoor en Rotterdam werd aan alle zijden ingesloten. Aan de
Maaszijde werd de stad bedreigd door de Kabeljauwsche schepen, terwijl
het voetvolk te Schiedam, Overschie, Bleiswijk, Nieuwerkerk en Capelle
aan den IJsel werd gelegerd. De Hoekschen zaten dus als een muis in de
val; van alle kanten werden ze bedreigd.
[Illustratie: Maximiliaan van Oostenrijk.]
Vóór evenwel het net, waarin de vogel gevangen moest worden, toegehaald
was, hadden de Hoekschen al heel wat ellende en rampen veroorzaakt.
Beschouwden zij de Rotterdammers zoo half en half als hun bondgenooten,
wien men derhalve zoo min mogelijk overlast aandeed, de omliggende
plaatsen werden met de gewone wreedheid dier tijden op een gruwelijke
wijze gebrandschat. Uren ver werden de rooftochten uitgestrekt, men
waagde zich zelfs tot den Haag, Woerden, Schoonhoven en Geertruidenberg.
De plaatsen in de onmiddellijke nabijheid van Rotterdam hadden, zooals
te begrijpen is, het meest te lijden. Open vlekken en alleenstaande
boerenwoningen vielen den Hoekschen zonder slag of stoot in handen. Wie
zich verzette, werd gedood, of zag minstens zijn huis in vlammen opgaan.
Schiedam, hoewel goed versterkt en bewaakt, kreeg ook bezoek van de ruwe
gasten.
Den 4den December vertoonen zich voor de Ouwerschiesche Poort
honderdvijftig, met buit beladen Hoekschen. De Schiedammers doen een
uitval en de Hoekschen slaan op de vlucht met achterlating van den roof.
De Schiedammers zetten hen na en ..... loopen in de val. Even voorbij
het kasteel Starrenburg[6] aan den weg naar Ouwerschie gelegen, worden
ze in den rug aangevallen door een troep Hoekschen, die zich in den
boomgaard verscholen hebben. De vluchtelingen keeren ook om, zoodat de
Schiedammers tusschen twee vuren zitten en haastig een goed heenkomen
moeten zoeken. Velen hunner sneuvelen.
[6] Zie het kaartje op pag. 18.
Natuurlijk zinnen zij op wraak.
Als de Rotterdammers een poosje daarna met een groot aantal schepen
de Maas zijn afgevaren en met buit beladen naar hun stad terugkeeren,
zien ze zich tusschen Vlaardingen en Schiedam door de Schiedammers
aangevallen. Weer is de zege aan de zijde der Hoekschen. Na twee uur
strijdens worden de Kabeljauwschen met groote verliezen terug geslagen
en de roovers bereiken veilig en wel hun woonplaats.
Na deze twee nederlagen meent Schiedam van batterij te moeten
veranderen. Delfshaven, tusschen beide steden gelegen, zal door hen
worden bezet, en vandaar uit zullen de Hoekschen worden bestookt.
Deze geven echter hun vijanden de gelegenheid niet het zoover te laten
komen. Den 18den December trekken 300 Rotterdammers langs den dijk
naar Delfshaven, dat geheel verwoest wordt. Geen huis of schip wordt
gespaard, alles gaat in vlammen op. Het dorp Schoonderloo wordt eveneens
in brand gestoken. Met buit beladen keert de bende des middags drie uur
weer door de Schiedamsche Poort in de stad, zonder zich te bekommeren om
al de ongelukkigen, die van huis en haard beroofd, in de strenge koude
ronddolen.
Nu de Schiedammers zien, dat er met geweld niet veel tegen de Hoeksche
roofbenden uit te richten valt, wenden ze het weer over een anderen
boeg. Ze zullen het thans met list beproeven.
Tusschen de puinhoopen te Delfshaven graven ze diepe kuilen, die door
takken, latten, rijs en stroo, met puin bedekt, onzichtbaar gemaakt
worden. Vele gewapenden verbergen zich achter brokstukken muur, terwijl
men er voor zorgt, dat in Rotterdam de tijding verspreid wordt, dat er
een troep Schiedammers op weg naar Rotterdam is. Meer is er niet noodig
om de Hoekschen uit hun tent te lokken. Gerard Rooftas krijgt van Jonker
Frans verlof met vier schepen, bemand met 150 man, langs de Maas naar
Delfshaven te stevenen. Ze roeien de haven in en stappen aan land. Geen
spoor van vijanden is echter te zien. Ja toch, daar ginds vluchten
zes of zeven man langs de Haven. De Hoekschen hen na, maar zooals
ge begrijpt, niet ver, want eenige schreden nog en de aanvoerder met
een dertigtal zijner mannen liggen in de modderputten te spartelen
en te vloeken op de slimme Schiedammers. Deze komen natuurlijk uit hun
schuilhoeken en vallen de verschrikte vijanden aan, die hals over kop
naar hun schepen ijlen en met achterlating van een 60 tal dooden naar
Rotterdam terugkeeren, waar ze nu juist wel niet vriendelijk door Jonker
Frans ontvangen zullen zijn.
Rooftas en zijn makkers worden met groote moeite uit de modder
geheschen, stevig gebonden en in triomf medegevoerd.
* * * * *
Deze welgeslaagde list geeft den Schiedammers nieuwen moed.
Als ze hooren, dat de roovers weer in het Overmaasche bezig zijn,
trekken zij de Maas over en vinden daar de negen schepen, waarmee de
Rotterdammers gekomen zijn en die slechts door een gering aantal mannen
bewaakt worden. Vier zijn er spoedig genomen, de vijf andere worden op
de vlucht gedreven. Nu gaan de veroveraars aan wal, de Hoekschen, die
met grooten buit beladen, op den terugweg zijn, tegemoet. De landlieden,
wien alles ontnomen is, zijn geprest om den roof met paard en wagen naar
de schepen te brengen. Aan tegenweer denken de arme menschen niet; die
is immers toch nutteloos en zal hun ellende slechts vergrooten. Daar
komen echter de Schiedammers, die op hun vijanden indringen. Nu durven
de boeren ook en met vereende krachten worden de roovers op de vlucht
gedreven naar hun schepen ...., die er niet meer zijn. Medelijden kennen
de verbitterde boeren, nòch de Schiedammers en zonder genade wordt
ieder, die niet vluchten kan, neergeslagen.
Het spreekt van zelf, dat de Hoekschen op wraak zinnen. Schiedam zit hun
bij alles, wat ze ondernemen, dwars.
Jonker Frans heeft spoedig een plan beraamd. In Schiedam zijn behalve
schutters uit Haarlem, Leiden, Amsterdam en Delft, Duitsche en
Zwitsersche huursoldaten gelegerd. Dat ze tegen de Hoekschen durven
strijden, hebben ze bewezen. Maar niet altijd is er te vechten. Wat
ze dan in Schiedam uitvoeren, is niet veel goeds. Menige vechtpartij
tusschen de poorters en de ingekwartierden is daarvan reeds het gevolg
geweest.