’k Treed het heiligdom niet in,
Maar verstout me, in wereldzin,
Soms hier rond te dwalen,
Wachtend bij ’t gewijd portaal,
Dat haar oog een hemelstraal
Op mij neer doe dalen.
’t Koor der klokken bengelt luid
Boven ’t stadgewemel uit,
Boven wind en stroomen.
Thans verstomt de klokkengalm:
’k Hoor den statige’ orgelpsalm:
Spoedig zal zij komen.
Eindelijk zie ’k mijn liefste, met
Schuchtren maar verhaasten tred
Naar het godshuis snellen.
De oogen afgewend van mij
Komt zij – is er – gaat voorbij.
Moog haar God verzellen!
Kniel daar, heilige! ongestoord.
Elke smeekbeê word’ verhoord,
Die ge omhoog zult zenden!
Ik blijf buiten; mijn gemoed
Zou de reinheid en den gloed
Van uw beden schenden.
Maar vergun me, een korten stond,
Bij dien mij verboden grond
Nog mij te bezinnen,
Als een uitgebannen geest,
Die door ’s hemels poort, bedeesd
De englen ziet daarbinnen!
„Hebt ge nog meer van dien aard, jonge heer?” vroeg Warrington. „Wij
moeten maken, dat ze u een paar guinjes per bladzijde geven; en als de
verzen bevallen, zult ge ook voet krijgen in Bacon’s tijdschriften en
kunt ge er een aardig duitje uit halen.”
Pen keek zijne portefeuille na en vond nog eene ballade, die hij
meende, dat een goed figuur in het Lente-jaarboek zou maken, en na die
kostbare stukken aan Warrington overhandigd te hebben, begaven beiden
zich uit den Temple naar Paternoster Row, het vermaarde hoofd kwartier
van de Muzen en hare meesters. Bacon’s winkel was een oud en lang
gebouw, met eenige boeken, door deze firma uitgegeven, in het
winkelraam onder het borstbeeld van den beroemden Bacon, Lord Verulam,
en mijnheer Bacon’s naam op een koperen plaatje aan de afzonderlijke
deur zijner woning. Vlak tegenover Bacon lag het huis van Bungay, dat
pas geverfd en rijk versierd was in den stijl der zeventiende eeuw,
zoodat men zich had kunnen voorstellen, dat de deftige Evelyn den
drempel betrad, of dat de nieuwsgierige mijnheer Pepys de boeken in de
toonkast bekeek. Warrington ging Bacon’s winkel binnen, maar Pen bleef
buiten wachten. Hij had afgesproken, dat zijn ambassadeur geheel voor
hem zou handelen, en hij wandelde nu in zenuwachtige spanning de straat
op en neer, in afwachting van den uitslag der onderhandeling. Menige
arme duivel had vóór hem die steenen betreden, met dezelfde bezorgdheid
en benauwdheid op zijne hielen, daar zijn brood en zijn roem van het
vonnis afhingen, dat zijne vermogende patronen in Paternoster Row over
hem zouden uitspreken. Pen bekeek al het moois in de winkels en de
merkwaardige verscheidenheid van letterkundige voortbrengselen in hunne
kasten. In dezen winkel lagen boeken met gothische letters, of met de
duidelijke doch magere letters der Aldussen en Elzeviers; in dien er
naast zag men het Stuivers Gruwelen-Magazijn, de Halve stuivers
Jaarboeken der misdaad en de Geschiedenis der beruchtste moordenaars
uit alle landen, het Magazijn van allerlei, de Snaaksche bram en andere
voortbrengselen van de stuiversdrukpers; aan een ander venster zag men
portretten van heeren met een ongunstig uitzicht, waaronder het
facsimile der geachte handteekeningen van de weleerwaarde heeren Grimes
Wapshot en Elias Howle prijkte, terwijl exemplaren van de werken, die
zij geschreven, en de preeken, welke zij gehouden hadden, aan iedereen,
die niet tot de Britsche Staatskerk behoorde, tot wegwijzer strekten,
waar hij zielevoedsel vinden kon. Een venstertje dicht in de nabijheid
was behangen met zinnebeelden, medailles, rozenkransen, armzalige
heiligenprentjes met goud en kleuren, en godgeleerde twistschriften,
waaruit de geloovigen van de Roomsche belijdenis de beste wijze konden
leeren om het met de Protestanten klaar te spelen, en wel voor een
stuiver het stuk, of negen stuivers het dozijn ter verspreiding;
terwijl men in den winkel daarnaast exemplaren van Verlaat den schoot
van Rome zag liggen, eene predikatie, die bij de inwijding van het
Herdersbosch Collegie gehouden was door John Thomas lord-bisschop van
Ealing. Men kon zich bijna geene richting voorstellen, die in deze
vreedzame oude Paternoster Row, onder den galm der klokken van de
St.-Paulskerk, niet aangeprezen en verkondigd werd.
Pen keek de kasten en winkels in, zooals iemand, die een onderhoud met
den tandmeester moet hebben, de boeken op de tafel in diens voorzaal
bekijkt. Alles stond hem later nog duidelijk voor den geest. Het was
hem, alsof Warrington nooit meer te voorschijn zou komen, en werkelijk
had deze ook geruimen tijd noodig, om de zaak van zijn vriend te
bepleiten.
Pen’s aangeboren verwaandheid zou nog vervaarlijker gestegen zijn,
indien hij het verslag had kunnen hooren, dat Warrington van hem gaf.
Toevallig kwam Bacon zelf in de kamer van Hack, terwijl Warrington daar
stond te praten, en daar deze Bacon’s zwakke zijde kende, werkte hij
zeer behendig ten behoeve van zijn vriend. In de allereerste plaats
zette hij zijn hoed op om tegen Bacon te spreken en richtte, van de
tafel af, waarop hij zich neergezet had, het woord tot hem. Bacon was
er mee gestreeld als een gentleman hem grof behandelde, en paste dit
van zijn kant weer op zijne kinderen toe, gelijk jongens elkander een
klap overgeven. „Hoe! Kent gij mijnheer Pendennis niet, Bacon?” zeide
Warrington. „Gij komt niet veel in de groote wereld, anders zoudt gij
hem wel kennen. Het is een man van groote bezittingen in het westen van
Engeland, van eene der oudste familiën in dit rijk, vermaagschapt aan,
de helft van den adel – het is een neef van Lord Pontypool; – te
Oxbridge behoorde hij tot de knapste studenten en elke week dineert hij
op Gaunt House.”
„Och kom! is het wezenlijk waar, mijnheer? Wel, men zou zeggen! Wel
Heere bewaar me!” zeide mijnheer Bacon.
„Ik heb daar juist verzen van hem aan mijnheer Hack laten zien en hij
is gisterenavond laat opgebleven, om ze op mijn verzoek te schrijven.
Nu wil Hack hem een exemplaar van dat boek geven – hoe heet dat ding
ook?”
„Zoo! Zoo? Ja, hoe heet dat ding ook? Wel, wel!”
„Het Lente-jaarboek, zoo heet het, – als betaling voor die verzen. Gij
begrijpt toch wel, dat een man als mijnheer Arthur Pendennis geen diner
op Gaunt House laat loopen om niets? Gij weet zoo goed als iemand, dat
de voorname lui betaald willen worden.”
„Ja, dat weet ik, mijnheer Warrington,” antwoordde de uitgever.
„En ik zeg u, dat hij een genie is, – dat hij opgang zal maken,
mijnheer. Het is nog een nieuwe naam, mijnheer.”
„Dat is van zooveel van die voorname jonge heeren gezegd, mijnheer
Warrington merkte de uitgever met een zucht aan. „Daar hadt ge
burggraaf Dodo; ik gaf hem eene flinke som voor zijne gedichten en
verkocht er slechts tachtig exemplaren van. De Agincourt van jonkheer
Popjoy is geheel en al eene mislukte speculatie geweest.”
„Nu, dan zal ik mijn beschermeling aan den overkant bij Bunga brengen,”
zeide Warrington en sprong van de tafel. Maar deze bedreiging was te
veel voor Bacon, die dadelijk zijne bereidwilligheid te kennen gaf om
in elk billijk voorstel van Warrington te treden en eindelijk aan zijn
deskundige vroeg wat het voorstel was. Toen hij hoorde, dat de
onderhandeling vooralsnog slechts over een paar balladen liep, die
Warrington voor het Lentejaarboek aanbood, riep Bacon uit: „Wel Heere
bewaar me! geef hem dadelijk een briefje op mijn bankier!” en met dit
papiertje ging Warrington nu de straat op en overhandigde het met een
glimlach aan Pen. Deze was even uitgelaten blij, alsof iemand hem een
fortuin vermaakt had. Dadelijk bood hij Warrington een diner te
Richmond aan. Wat zou hij nu voor Laura en zijne moeder koopen? want,
zeide hij, iets moest hij toch doen.
„Het boek zelf, met den naam van den jongen heer onder de verzen,
midden onder de groote lui, zal haar meer genoegen doen dan iets
anders” zeide Warrington.
„Goddank! Goddank!” riep Arthur uit: „Nu behoef ik mijne oude moeder
niet meer tot last te zijn. Nu kan ik Laura afbetalen. Nu kan ik in
mijn eigen onderhoud voorzien. Nu kan ik zelf door de wereld komen!”
„Nu kan ik de dochter van den groot-vizier trouwen; nu kan ik een huis
in Belgrave Square koopen; nu kan ik een mooi luchtkasteel bouwen!”
vervolgde Warrington, die behagen schepte in de opgewondenheid van den
ander. „Gij kunt nu een stuk brood verdienen, Pen, en ik moet bekennen,
dat het brood, hetwelk men zelf verdient, goed smaakt.”
Dien middag hadden zij bij hun diner in de club eene fijne flesch op
Pen’s kosten. Sedert lang had hij zich zulk eene weelde niet
veroorloofd; maar Warrington wilde hem niet voor het hoofd stooten, en
dus dronken zij gezamenlijk op het welslagen van het Lente-jaarboek.
Evenals een ongeluk, komt ook een geluk zelden alleen, en zoo deed zich
spoedig eene nieuwe kans voor mijnheer Pen op, om tot een bestaan te
geraken. Op zekeren dag wierp Warrington hem een brief over de tafel
toe, dien de drukkersjongen gebracht had. „Van kapitein Shandon,
meneer,” had de kleine afgezant gezegd, waarna hij op zijne gewone
plaats, de bank in den gang, ging zitten en daar in slaap viel. Hij
kwam er later nog dikwijls en bracht menige boodschap aan Pen.
„F. G., Dinsdagmorgen,
„Waarde Heer,
„Bungay komt straks, om over de Pall Mall Gazette te spreken. Gij zoudt
de man zijn, dien wij hebben moeten, om ons aan artikelen over de
wezenlijke groote wereld te helpen, – ge begrijpt mij: levendig, scherp
en verduiveld aristocratisch. Lady Hipshaw zal er in schrijven, maar ge
weet, dat zij niet veel beteekent; en wij hebben twee lords, maar hoe
minder die uitvoeren, hoe beter. Wij moeten u hebben. Gij behoeft maar
te zeggen wat uwe voorwaarden zijn. Wij zullen zeker opgang maken met
de Gazette.
„Moet B. bij u komen om er over te spreken, of kunt gij mij hier eens
komen opzoeken?
„Altijd de uwe,