C. S.”

„Nu gaan zij elkander nog meer in de wielen rijden,” zeide Warrington,

toen Pen den brief gelezen had. „Bungay en Bacon haten elkander als de

pest; ieder hunner heeft de zuster van den ander getrouwd, en vroeger

waren zij de innigste boezemvrienden en compagnons. Hack zegt, dat het

mevrouw Bungay is, die al het kwaad tusschen hen beiden gesticht heeft,

terwijl Shandon, die veel voor Bungay werkt, zegt, dat het de schuld

van mevrouw Bacon is; ik, voor mij, weet niet wie gelijk heeft: het is

oud lood om oud ijzer. Maar sedert zij hunne vennootschap ontbonden

hebben, voeren die twee uitgevers een verwoeden oorlog met elkander.

Nauwelijks zendt de een een reisverhaal, een bundel verzen, een

magazijn of een vierendeeljaars-, maandelijksch-, wekelijksch- of

jaarlijksch-tijdschrift in het licht, of zijn mededinger komt met iets

dergelijks in het veld. Ik heb den armen Shandon met de grootste pret

hooren vertellen, hoe hij Bungay bewogen had een groot diner te

Blackwall aan al zijne schrijvers te geven, door hem te vertellen, dat

Bacon zijn corps op eene partij te Greenwich genoodigd had. Toen Bungay

uw beroemden vriend Wagg had aangenomen tot redacteur van den

Londenaar, haastte zich Bacon dadelijk om mijnheer Grindle over te

halen zijn naam aan het Westminster Magazijn te leenen. Toen Bacon den

comischen Ierschen roman Barney Brallaghan uitgaf, reisde Bungay

dadelijk naar Dublin en kwam met zijne dolle Hibernische vertelling

Looney Mac Twolter voor den dag. Toen doctor Hicks zijne Omzwervingen

door Mesopotamië in het licht zond bij Bacon, ondernam Bungay professor

Sandiman’s Onderzoekingen in de Sahara. Bungay geeft nu zijne Pall Mall

Gazette uit, als een tegenwicht tegen Bacon’s Whitehall Review. Wij

zullen eens iets naders van de Gazette gaan hooren. Wellicht is daarbij

een plaatsje voor u te krijgen. Pen, mijn beste jongen. Wij moeten

Shandon gaan opzoeken; hij is altijd thuis.”

„Waar woont hij?” vroeg Pen.

„In de Fleet-gevangenis,” antwoordde Warrington. „En hij is er ook zeer

goed thuis; hij is daar koning.”

Pen had deze phase van het Londensche leven nog nooit gezien en trad

met groote belangstelling de grijnzende poort van het sombere gebouw

binnen. Zij gingen de voorzaal door, waar de beambten en bewaarders

gezeten waren, en kwamen door een klein poortje in de gevangenis. Pen

werd getroffen en in spanning gehouden door het gedruis en de

menschenmenigte, het leven, het geschreeuw, de woeligheid en de

armoede, die er heerschten. De menschen liepen onophoudelijk en

rusteloos heen en weer, gelijk de dieren in de hokken eener menagerie.

Mannen speelden op de plaats stuivertje-wisselen. Anderen wandelden en

stampten op en neer; de een was in gesprek met zijn advocaat in een

kalen zwarten rok; de ander wandelde droevig voort met zijne vrouw aan

zijne zijde en een kind op zijn arm. Sommigen waren in havelooze

kamerjaponnen gehuld en hadden een voorkomen van verloopen fatsoen.

Iedereen scheen bezig te zijn en het druk te hebben en op het punt te

staan van te verhuizen. Het was Pen alsof hem de keel toegesnoerd werd,

en alsof men hem er nimmer weer uit zou laten, nu de deur achter hem

gesloten was.

Zij gingen een plein over en eene steenen trap op, en door gangen vol

menschen, vol gedruis, vol vallichten, waar allerwege zwarte deuren

toegeslagen werden en galmden. Pen had een gevoel, zooals men in een

koortsigen droom in den vroegen morgen kan hebben. Eindelijk zeide de

kleine jongen, die Shandon’s brief had gebracht, en die hen onder het

eten van appelen door de Fleet Street was gevolgd en hun den weg door

de gevangenis had gewezen: „Dit is de deur van den kapitein,” waarop

Shandon’s stem hen verzocht binnen te komen.

Ofschoon de kamer kaaltjes was, zag ze er niet onpleizierig uit. De zon

scheen door het venster, waarbij eene dame zat te werken, die eenmaal

schoon en opgeruimd was geweest, maar wier verwelkt gelaat nog altijd

vriendelijk en vol uitdrukking was. Dit trouwe schepseltje aanbad haar

man, in weerwil van al zijne gebreken en door eigen schuld veroorzaakte

tegenspoeden en ongelukken, en hield hem voor den besten en knapsten

der mannen, gelijk hij ook inderdaad een der goedhartigste was. Niets

scheen ooit in staat, zijn opgeruimd humeur te verstoren: noch

schulden, noch schuldeischers, noch ellende, noch de flesch, evenmin

als het rampspoedige lot zijner vrouw of de vernietigde vooruitzichten

zijner kinderen. Hij hield, op zijne manier, dol veel van zijne vrouw

en de kleintjes; hij had altijd de zoetste woordjes en glimlachjes voor

hen ten beste en bracht hen met de grootste liefde ten verderve. Hij

kon zich zelven noch iemand anders een genoegen ontzeggen, dat met geld

te koopen was; hij zou zijne laatste guinje met Piet en Klaas gedeeld

hebben en men kon zeker zijn, dat hij een zwerm van dergelijke

aanhangers bezat. Hij endosseerde de wissels van iedereen en betaalde

nooit zijne eigene schulden. Hij was bereid voor elke partij te

schrijven en zich zelven of een ander met gelijke onverschilligheid aan

te tasten. Hij was een der geestigste, beminnelijkste en

onverbeterlijkste der Ieren. Als men Charles Shandon eenmaal gezien

had, moest men van hem houden, en zelfs degenen, die hij in ellende

stortte, konden bezwaarlijk boos op hem zijn.

Toen Pen en Warrington binnentraden, zat de kapitein (die eenmaal bij

een Iersch militieregiment gediend en daarvan nog den titel behouden

had) in eene gescheurde kamerjapon op het bed, met een lessenaartje op

zijne knieën, waarop hij iets schreef, zoo snel als zijne vlugge pen

vliegen kon. De eene natbeschreven strook papier na de andere viel van

den lessenaar op den grond. Boven zijn bed hing eene schilderij, met de

portretten zijner kinderen, van welke het jongste, een meisje, door de

kamer kroop.

Tegenover den kapitein zat mijnheer Bungay, een gezet man met een dom

uitzicht, met wien het kleine meisje een gesprek trachtte aan te

knoopen.

„Pa is heel knap, zegt ma,” zoo sprak het kind.

„Ja! heel knap,” zeide Bungay.

„En u is heel rijk, meneer Bundy,” kreet het kind, dat nog

ternauwernood duidelijk kon spreken.

„Marie!” riep mama van haar werk.

„O, laat haar maar praten,” zeide Bungay met een zwaren lach; „laat

haar zeggen dat ik rijk ben – hi, hi! – ja, ik ben vrij goed af, mijn

schatje.”

„Als u rijk is, waarom haalt ge dan pa hier niet uit?” vroeg het kind.

Op deze woorden begon mama hare oogen af te wisschen met het werk,

waaraan zij bezig was. (De arme dame had gordijnen voor de vensters

gehangen, de schilderij der kinderen hier gebracht en boven het bed

geplaatst, en nog enkele pogingen gedaan om het vertrek wat op te

knappen). Mama begon dus te schreien; mijnheer Bungay werd rood en keek

knorrig uit zijne kleine, roode oogen; Shandon’s pen ijlde voort, en op

dit oogenblik klopten Pen en Warrington aan.

Kapitein Shandon zag van zijn arbeid op en zeide: „Hoe vaart ge,

mijnheer Warrington? Binnen ééne minuut ben ik tot uw dienst. Gaat

zitten, heeren, als gij ten minste plaats kunt vinden,” en voort ging

de pen weer.

Warrington trok een ouden koffer vooruit – de eenige bruikbare

zitplaats – en zette zich, na eene buiging tegen mevrouw Shandon en een

knikje tegen Bungay, daarop neer; het kind kwam bij Pen staan en keek

hem aandachtig aan; en na een paar minuten hield het krassen op;

Shandon wierp zijn lessenaartje op zijde en bukte om de papieren op te

rapen.

„Ik geloof dat dit wel voldoen zal,” sprak hij. „Het is het prospectus

voor de Pall Mall Gazette.”

„En hier is het geld er voor,” zeide Bungay, terwijl hij een bankje van

vijf pond neerlegde. „Ik ben een man van mijn woord, al zeg ik het

zelf. Als ik gezegd heb, dat ik betalen zal, dan doe ik het ook.”

„Nu, dat is meer dan sommigen zeggen kunnen,” zeide Shandon en stak het

bankje gretig op.

Geschiedenis van Arthur Pendennis · 第 68 / 155 题