Te midden van zijne uitspanningen en vermaken, die bescheiden genoeg
en, zoo al niet fijn, ten minste goedkoop waren, zag Pen een vreeselijk
zwaard boven zijn hoofd hangen, dat eerlang moest nederstorten en een
einde aan zijne pret en feestgelagen zou maken. Zijn geld was bijna op.
De contributie voor zijne club had er een derde van verslonden. Hij had
de voornaamste meubelstukken moeten betalen, waarmee hij zijn
slaapkamertje voorzien had. Kortom, hij was aan zijn laatste
bankbriefje van vijf pond gekomen, en wist geen middel te bedenken om
het aan een opvolger te helpen; want onze vriend was tot nog toe als
een jonge prins behandeld, of liever als een kind in de lange kleeren,
dat dadelijk van zijne moeder voedsel krijgt, zoodra het schreeuwt.
Warrington wist niet, over welke middelen zijn makker beschikken kon.
Daar Pen een eenig kind was, met eene moeder, die op eene buitenplaats
woonde, en een ouden dandy van een oom, die elken dag met een groot
heer dineerde, kon de ander niet weten, dat Pen geene aanzienlijke
inkomsten had. Hij bezat gouden kettingen en eene toiletdoos, waarvoor
een lord zich niet had behoeven te schamen. Zijne manier van leven was
aristocratisch; wel was hij niet verkwistend; want met de meeste
opgeruimdheid dineerde hij met eene kan porter en eene portie vleesch
uit eene restauratie, waarbij hij de grootste tevredenheid en een
goeden eetlust aan den dag legde, maar hij kon er niet toe komen om
het, zooals men zegt, uit te rekenen. Hij kon niet besluiten, om maar
een dubbeltje aan den knecht te geven; hij kon niet nalaten eene
vigilante te nemen als hij er lust toe had, of als het regende, en even
zeker als hij de vigilante nam, betaalde hij den koetsier te veel. Hij
had een afkeer van gewasschen handschoenen en dergelijke kleine
bezuinigingen. Hij had bezwaarlijk milder kunnen zijn, als hij tien
duizend pond ’s jaars te wachten had gehad; en zoodra een bedelaar met
eene aandoenlijke geschiedenis, of een paar aardige kinderen met
pruilende gezichtjes hem in den weg kwamen, kon hij de hand niet uit
zijn zak houden. Het was bij hem misschien eene grootschheid van
karakter, die zich niet verledigen kon om op geld te letten; eene
aangeboren edelmoedigheid en goedgeefschheid; en misschien eene kleine
ijdelheid, die zich door lof, al ware het maar de lof van koffieknechts
en koetsiers, gestreeld gevoelde. Ik geloof, dat de meest wijzen onder
ons niet weten wat onze eigen beweegredenen zijn, en dat sommige
handelingen, waarop wij ons het meest verheffen, ons zullen verbazen
als wij, gelijk eenmaal het geval zal zijn, tot de ware bron daarvan
opklimmen.
Warrington kende dus de geldelijke omstandigheden van Pen niet, die
deze ook niet had goedgevonden hem toe te vertrouwen. Dat Pen aan de
academie vroolijk geleefd had en zeer spilziek was geweest, wist de
ander; iedereen was daar spilziek en vroolijk; maar hoe groot de
verteringen van den zoon en hoe klein de inkomsten der moeder waren,
dit waren punten, die men nog niet ter kennis van mijnheer Warrington
gebracht had.
Eindelijk brak de bom los, toen Pen met een zuur gezicht naar het geld
keek, nadat hij zijn bankje gewisseld had, en dat naast Warrington’s
bierkan op het schenkblad uit de herberg lag.
„Dat is de laatste roze,” zeide Pen; „hare gelijken zijn reeds lang
verdwenen, en nu heeft ook zij hare bladeren afgeworpen.” En daarop
verhaalde hij Warrington alles wat wij weten van het fortuin zijner
moeder, zijne eigen dwaasheden en Laura’s edelmoedigheid, hetgeen,
Warrington onder het rooken van zijne pijp aandachtig aanhoorde.
„Schraalheid van kas zal u goeddoen,” zeide Pen’s vriend, terwijl bij,
toen het verhaal uit was, zijne pijp uitklopte; „ik weet voor een
mensch – let wel, een fatsoenlijk mensch, want voor andere heeft die
artsenij geene kracht, –– niets heilzamers dan een toestand van
geldgebrek. Het is een middel van afleiding en opwekking; het houdt den
geest bij voortduring wakker; gelijk een ruiter, die over eene heg zal
springen, of een man, die door zijn vijand met een wapen bedreigd
wordt, die voorwerpen onafgewend in het oog moet houden en zijn moed
verzamelt om over den hinderpaal heen te komen, of om den slag af te
wenden. Een beetje nooddwang brengt uw moed aan het licht, zoo gij dien
bezit, en schenkt u kracht om den strijd met de Fortuin te aanvaarden.
Gij zult eens zien hoeveel dingen ge missen kunt, als ge geen geld hebt
om ze te koopen. Ge zult geen behoefte hebben aan nieuwe handschoenen
en verlakte laarzen, eau de Cologne en vigilantes. Gij zijt als een
bedorven kind groot gebracht en door de vrouwen bedorven, waarde Pen.
Als een ongetrouwd man, die gezondheid en talenten bezit, zijn kost
niet kan verdienen in de wereld, verdient hij er niet te blijven. Laat
hij zijn laatsten halven stuiver besteden om den tol op de
Waterloo-brug te betalen en dan in de Theems springen. Laat hem een
schapebout stelen en men zal hem naar eene strafkolonie zenden. Hij is
niet geschikt om hier te leven. Dixi – ik heb gezegd. Nu nog een slokje
bier!”
„Zeker hebt gij het gezegd; maar hoe kan men den kost verdienen?” zeide
Pen. „Er is in Engeland overvloed van brood en vleesch, maar men moet
het met werk of geld betalen. Wie wil echter van mijn werk gediend
zijn? en welk werk kan ik verrichten?”
Op deze woorden barstte Warrington in lachen uit. „Indien wij eens,”
sprak hij, „eene advertentie in de Times plaatsten voor eene betrekking
als ondermeester op eene voorname kostschool, waar de jongelui voor de
academie en den handel worden opgeleid, bijv.: Een candidaat in de
letteren, van het St. Bonifacius-Collegie te Oxbridge, die bij zijn
examen voor het doctoraat gedropen is –”
„Loop naar –” zeide Pen.
„– biedt zich aan om onderwijs te geven in de oude talen, de wiskunde
en de eerste beginselen van het Fransch; hij kan haarsnijden, de
kleinste leerlingen wasschen en aankleeden, en met de dochters van den
hoofdonderwijzer quatre-mains op de piano spelen. Men adresseere zich
aan A. P., Lamb Court in den Temple.”
„Ga je gang maar!” gromde Pen.
„Men kan allerlei beroepen bij de hand nemen. Daar hebt ge uw vriend
Bloundell, bij voorbeeld; Bloundell is een oplichter van beroep; reist
op het vasteland, tracht kennis met jongelui van aanzien te maken en
licht hen dan op. Bob O’Toole, met wien ik heb schoolgegaan, is thans
postbode op Ballynafad en brengt de brieven van den goeden Jack
Finucane naar die stad. Ik ken iemand, mijnheer, een dokters zoon,
evenals – nu, word maar niet boos, ik wil niets beleedigends zeggen –
een dokters zoon, zeg ik, die hier de lessen in de hospitalen
bijwoonde, maar met zijn vader twist kreeg over geldzaken. Wat deed
hij, toen hij aan zijn laatste vijf pond gekomen was? hij liet zijne
snorren staan, reisde naar eene provinciestad, gaf zich daar uit voor
professor Spineto, eksteroogensnijder en nagelknipper van den keizer
aller Russen, en kwam, door eene gelukkige operatie op den redacteur
der provinciale courant, in eene drukke praktijk, zoodat hij er drie
jaren goed van leefde. Hij is toen weder met zijne familie verzoend en
nu in zijn vaders likpotten opgevolgd.”
„Laat de likpotten naar de maan loopen!” schreeuwde Pen. „Ik kan geen
postkar rijden, geen likdorens snijden, en mijn kost niet met valsch
spelen verdienen. Weet gij me niets anders aan de hand te doen?”
„Ja wel, gij kunt correspondent worden,” zeide Warrington. „Ieder heeft
zijne geheimen, weet ge. Voordat gij mij op de hoogte bracht hoe het
met uwe middelen stond, kon ik niet anders denken, dan dat gij iemand
van fortuin waart, want met uwe verwenschte voornaamheid van manieren
en voorkomen, moet ieder u daarvoor houden. Naar hetgeen gij mij van de
inkomsten uwer moeder vertelt, is het duidelijk, dat gij haar niets
meer moet afpersen. Gij kunt niet meer blijven teren op hetgeen die
vrouwen bezitten. Gij moet dat juweel van een meisje het hare
terugbetalen. Heet ze niet Laura? – nu, op uwe gezondheid, Laura! Word
liever opperman, dan nog een enkelen stuiver van huis te vragen!”
„Maar hoe kan ik er dan zelf een verdienen?” vroeg Pen.
„Waarvan denkt ge wel, dat ik leef?” hernam de ander. „Van mijn erfdeel
als jongere broeder, Pendennis? Ik heb mijne eigen geheimen, beste
jongen,” en bij die woorden werd Warrington’s gelaat somber, „Vijf jaar
geleden heb ik dat erfdeel opgemaakt, en het zou beter geweest zijn,
indien ik wat vroeger mij zelven ook van kant gemaakt had. Sinds dien
tijd heb ik op mijne eigen wieken gedreven. Ik heb niet veel geld
noodig. Als mijne beurs plat is, zet ik mij aan het werk om haar te
vullen, en dan lig ik weer als eene slang, of een Indiaan, te luieren,
totdat ik den brok verteerd heb. Kijk maar eens! ik begin weer honger
te krijgen,” besloot Warrington en liet aan Pen eene lange schrale
beurs zien, die aan het ééne einde slechts weinige goudstukken bevatte.
„Maar hoe vult gij die beurs dan weer?” vroeg Pen.
„Ik schrijf,” gaf Warrington ten antwoord; „maar dat vertel ik aan de
wereld niet,” voegde hij er met een blos bij. „Ik wil niet, dat men er
mij naar vraagt; of misschien ben ik een ezel en laat ik mij niet
gaarne nageven, dat ik om den broode schrijf. Maar ik werk voor de
rechtsgeleerde tijdschriften; kijk eens, deze artikelen zijn van mij.”
En bij die woorden sloeg hij eenige bladen om. „Ook schrijf ik nu en
dan in een dagblad, dat onder redactie van een mijner vrienden staat.”
Toen Warrington op zekeren dag met Pen naar de club ging, liet hij zich
eenige nommers van de Dageraad geven en wees met den vinger een paar
artikelen aan, die Pen met genoegen las. Het kostte hem later geen
moeite dien stijl, die krachtige denkbeelden en korte volzinnen, dat
gezonde verstand, dien hekelenden geest en die geleerdheid te
herkennen.
„Daartoe ben ik niet in staat,” zeide Pen met oprechte bewondering voor
de talenten van zijn vriend. „Ik weet maar weinig van staatkunde en
geschiedenis, Warrington; en mijne kennis van de letterkunde is zeer
oppervlakkig. Ik kan mij op vleugelen als de uwe niet verheffen.”
„Maar gij kunt het op uwe eigene, mijn jongen, hetgeen gemakkelijker en
misschien nog hooger gaat,” zeide de ander goedaardig. „Uit die kleine
schetsen en verzen, die ik van u gezien heb, spreekt eene natuurlijke
begaafdheid, die in deze dagen zeldzaam is. Gij behoeft niet te blozen,
verwaande jonge aap! Gij hebt er sedert tien jaar evenzoo over gedacht.
Gij bezit, geloof ik, het heilige vuur, een sprankje van den echten
dichtergloed, mijnheer; en daarbij vergeleken, hebben al onze
olielampen, hoe netjes ook afgeknipt, niets te beteekenen. Pen, gij
zijt een dichter, beste jongen!” en bij die woorden strekte Warrington
de groote hand uit en klopte Pen op den schouder.
Arthur was zoo opgetogen, dat de tranen hem in de oogen opwelden.
„Wat zijt gij vriendelijk voor mij, Warrington,” sprak hij.
„Ik houd van u, ouwe jongen,” zeide de ander. „Ik had het drommels
eenzaam op mijne kamer; ik had iemand tot gezelschap noodig en uw open
en eerlijk gelaat nam mij voor u in. De manier van uw lachen tegen
Lowton, dien armen goeden klaplooper, beviel mij. Kortom, ik kan niet
duidelijk zeggen waarom gij zulk een goeden indruk op mij hebt gemaakt
– maar waarheid is het, jongetje. Ik sta alleen op de wereld, en ik
moest iemand hebben, die mij gezelschap hield!” en uit Warrington’s
oogen straalde een blik vol welwillendheid en droefheid.
Pen werd te aangenaam door zijne eigen gedachten bezig gehouden, dan
dat hij de droefgeestigheid van den vriend, die hem zoo prees,
opmerkte. „Ik dank u, Warrington,” riep hij uit, „ik dank u voor
vriendschap, die gij mij betoont en – en voor hetgeen gij van mij zegt.
Ik heb mij inderdaad dikwijls verbeeld, dat ik een dichter was. Ik zal
het worden – ik geloof, dat ik het ben, als gij het zegt, al mocht ook
de wereld van een ander gevoelen zijn. Wat – wat beviel u het best, –
de Ariadne op Naros (ik was pas achttien jaar toen ik dat schreef) of
mijn prijsvers?”
Op die toespraak schaterde Warrington het van lachen uit. „Wel, jonge
ezel,” gilde hij bijna, „van al de ellendige rijmelarij, die ik ooit
heb ingekeken, is de Ariadne op Naxos bijna de afgrijselijkste en
walgelijkste; en het prijsvers is zoo hoogdravend en onbeduidend, dat
het mij waarachtig verwondert, dat gij er de medaille niet voor
gekregen hebt. Ik hoop toch niet, dat ge u voor een dichter van den
ernstigen stempel houdt, die Milton en Æschylus zal overschaduwen? Zit
ge van plan een Pindarus te worden, malle pimpelmees, en meent ge de
krachtige wieken te bezitten, die den Thebaanschen adelaar als
oppervorst in de azuren gewesten des hemels doen heerschen? Neen,
jongetje, ik geloof, dat gij een artikel voor een tijdschrift en een
aardig versje kunt schrijven; – dat is het, wat ik van u denk.”
„Voor den drommel,” riep Pen, opspringende en met den voet stampende;
„ik zal u toonen, dat ik meer kan dan gij denkt.”
Warrington begon alleen nog harder te lachen en deed bij wijze van
antwoord vier en twintig haastige trekken achter elkander uit zijne
pijp.
Het duurde niet lang, of Pen kreeg gelegenheid om zijne kunst te
toonen. Die voorname uitgever Bacon van Paternoster Row (vroeger Bacon
en Bungay) zond niet alleen het rechtsgeleerde tijdschrift, waarin
mijnheer Warrington schreef, en andere belangrijke en ernstige
periodieke geschriften in het licht, maar onthaalde de wereld ook elk
jaar op een sierlijk en verguld boekdeel, getiteld het Lente-jaarboek,
dat onder redactie van Lady Violet Lebas stond en niet alleen de
voornaamste, maar ook de hoogst geplaatste dichters van onzen tijd
onder zijne medewerkers telde. De gedichten van Lord Dodo en die van
jonkheer Percy Popjoy, wiens ridderballaden hem zooveel naam verschaft
hebben, verschenen het eerst in dezen bundel; de Oostersche Liederen
van Bedwin Sands en vele andere werken van onze adellijke jeugd werden
voor het eerst wereldkundig gemaakt in het Lente-jaarboek, dat sedert
het lot van andere lentebloemen gedeeld heeft en van het wereldrond
verdwenen is. Het boek was luisterrijk versierd met de portretten der
schoonste dames van dien tijd, of met andere voorstellingen van
roerende en aandoenlijke tafereelen; en daar die platen lang te voren
waren gekozen en het graveeren veel tijd kostte, waren het de
uitstekende dichters, die de verzen bij de platen moesten maken, in
plaats, dat de teekenaars hunne tafereelen ontwierpen naar de
gedichten.
Juist toen dit jaarboek weder uitgegeven moest worden, wilde het geval,
dat Warrington in Paternoster Row aanliep, om mijnheer Hack te spreken,
die voor Bacon de handschriften nalas en het opzicht over de uit te
geven werken hield; want daar mijnheer Bacon hoegenaamd geen begrip van
poëzie of letterkunde had, bediende hij zich zeer wijselijk van de hulp
van een deskundige. Toen Warrington dus naar kamer van Hack ging, om
over zijne eigen zaken te spreken, vond hij dien heer met een stapel
proefplaten en gedrukte vellen van het Lentejaarboek voor zich, en
Warrington nam er eenige op om ze te bekijken.
Percy Popjoy had een vers bij een der platen, het Kerkportaal,
geleverd. Een Spaansch dametje spoedde zich met een groot gebedenboek
naar de kerk en werd bespied door een jong heer in een mantel, die zich
in eene nis verborgen had. Het was een aardig tafereeltje, maar Percy
Popjoy was door zijn verheven genie in den steek gelaten, want hij had
er de verfoeilijkste verzen bij geschreven, waaraan zich ooit een jong
edelman bezondigd heeft.
Warrington barstte in lachen uit toen hij het vers las, en mijnheer
Hack lachte mee, doch als een boer, die kiespijn heeft. „Het kan niet
gaan,” zeide hij; „het publiek zal er den draak mee steken. Bij Bungay
zal men een zeer goed jaarboek uitgeven, en men heeft daar jufvrouw
Bunyan tegenover Lady Violet gesteld. Wij hebben wel is waar de meeste
getitelde medewerkers, maar de verzen zijn al te slecht. Lady Violet
erkent het zelve, maar zij is aan haar eigen gedicht bezig, en wat
moeten wij doen? Wij kunnen de plaat niet ongebruikt laten en het geld
verliezen; de ouwe heeft er zestig pond voor betaald.”
„Ik ken iemand, die er, geloof ik, wel een vers bij zou kunnen maken,”
zeide Warrington. „Laat mij het plaatje meenemen en zend dan
morgenochtend maar bij mij om het vers. Ik verwacht echter, dat gij
goed betalen zult.”
„Natuurlijk,” antwoordde Hack; waarop Warrington, na zijne eigen zaken
te hebben afgehandeld, met de plaat in de hand naar huis ging.
„Kom aan, jongen, nu is er eene kans voor u!” zeide hij tegen Pen.
„Maak me daar eens een vers bij.”
„Wat is dat? Het Kerkportaal – eene dame, die er binnengaat, en een
jonge heer, die haar uit een herbergvenster begluurt. Wat drommel moet
ik daarmee uitvoeren?”
„Probeer maar!” zeide Warrington. „Tracht nu voor ditmaal uw kost eens
te verdienen, waarnaar gij zoo verlangt.”
„Nu, ik zal het probeeren,” hernam Pen.
„En ik ga eten,” zeide Warrington en liet mijnheer Pen in diep gepeins
achter.
Toen Warrington dien avond zeer laat thuis kwam, was het vers gereed.
„Daar is het,” zeide Pen, „Ik heb het er eindelijk uitgeperst. Ik
geloof, dat het voldoende zal zijn.”
„Dat geloof ik ook, zeide Warrington nadat hij het gelezen had. Het
luidde als volgt: