"Misschien wordt het wat minder vreeselijk, als ik u mededeel dat wij

van onze patienten geen betaling eischen, omdat onze inrichting

voornamelijk wordt gesteund door giften van menschen, die veel en graag

geven--èn als ik u zeg dat er aan uwe moeder al bericht is gezonden."

"Al bericht gezonden?" stamelde Hedwig verbijsterd, terwijl zij weer

liggen ging.

"Ja zeker, Dr. Hearty is een poos geleden al bij uw bed geweest. Men had

haar vanuit het _home_ ook uw adres in Duitschland gestuurd en toen zij

u zoo rustig slapend vond, heeft zij voorloopig in uw plaats aan uw

moeder geschreven."

Hedwig haalde verruimd adem. "Miss Hearty is een engel!" zei ze met

warmte.

"Dr. Hearty is iemand, die altijd om anderen denkt," zei de pleegzuster

glimlachend. "Dat weten wij hier zóó goed! Zij heeft meer zieken hier in

het huis en ze komt van avond ook nog even bij u kijken."

"Ik zal wel oppassen dat ik dan niet weer slaap," zei Hedwig, die,

niettegenstaande haar hoofdpijn, opeens zeer spraakzaam geworden was.

Zij had nu een hooge kleur en hare oogen schitterden. "Ik heb Dr. Hearty

een heeleboel te vragen."

"Dan zou ik nu toch eerst nog wat gaan rusten," zei de pleegzuster. "Ik

kom straks nog wel eens bij u."

"Dat is gezellig en ... ik zou zoo graag uw naam weten."

"Ik ben zuster Kate. Onthoud het maar goed, want ik ga geregeld voor u

zorgen."

"Pas dan maar op," zei Hedwig plagend. "Ik ben bepaald een heel lastige

patiënt."

"Daar geloof ik niets van, maar nu moet mijn patiënt niet meer zoo druk

praten," zei zuster Kate beslist. "Anders is Dr. Hearty ontevreden, als

zij straks komt."

"Ik zal niets meer zeggen, maar ik blijf wakker, want ik wil Miss Hearty

beslist spreken."

Tot eenig antwoord legde zuster Kate haar wat terecht, dekte haar nog

eens toe en verdween.

Met hare oogen zoo wijd mogelijk open bleef Hedwig nu "echt goed wakker"

liggen. Haar hoofd klopte en de pijn was heviger nog dan zooeven; zij

drukte hare handen stijf tegen de slapen, dat gaf wat verlichting. Ze

wou nu eens goed bedenken wat zij alles aan Dr. Hearty te vragen had,

het was echter alsof zij niet geregeld denken kon en zij vond het nu

opeens ook niets rustig meer om zich heen. Wat hoorde zij de zusters

duidelijk door de gangen loopen en samen fluisteren! Daar lachte er een!

Wat kon er nu toch te lachen zijn? Zij moest het weten, _waarom_ lachte

die zuster? Nu bedaarde het gepraat weer. Daar werd luid gescheld. Wat

klonk dat hard! Alweer een bel! Ze zou haar deur maar dicht doen, dan

hoorde zij alles niet zoo lastig duidelijk.

Toen zij echter op wou staan om de deur te sluiten, kwam de

duizeligheid weer over haar en zij moest wel blijven liggen, ten prooi

nu ook aan een martelend gevoel van eenzaamheid, dat haar drukte meer

haast nog dan de erge hoofdpijn. Als zij nu toch eens heel, heel ziek

werd en ze werd niet weer beter en als haar moeder en Clärchen dan

bericht kregen dat zij heengegaan was--wat zouden die dan bedroefd

wezen! En zij was nog zoo jong, ze wou zóó graag blijven leven en flink

werken ... och, waarom was alles nu ook zoo gegaan, waarom....

Doch opeens een duw aan het kussen gevend dat het dreunde in haar arm

hoofd, zei ze hardop:

"Hedwig Eiche, je moest je schamen!"

"Zoo, liggen wij zoowaar in ons eentje te babbelen in bed?" klonk

terstond daarop de stem van Miss Hearty, die juist om het schut heen

kwam kijken. "Ben je soms bezig verzen te reciteeren, meisje? Dat zou ik

toch maar voor later bewaren!"

De prettige toon en het vertrouwelijke "meisje" stemden Hedwig dadelijk

opgewekter. "Hoe heerlijk dat u komt!" zei ze.

"Waarom?"

"Omdat ik zoo erg alleen was!"

"Zóó...." En Dr. Hearty keek zuster Kate aan, die met haar binnen

gekomen was.

"Neen, zuster Kate is heel vriendelijk voor me," zei Hedwig snel, "maar

och, ik weet niet hoe ik het zeggen moet, ik voel me zóó eenzaam! Ik

geloof dat het komt omdat ik hier nu zoo lui lig niets te doen! Ik wou

zoo erg graag heel gauw weer beter wezen en weer aan het werk en aan het

verdienen gaan. Als ik nu maar eerst een goede betrekking had, als ik

daar maar zeker van kon wezen, dan zou alles zooveel gemakkelijker

zijn."

"Wil je me beloven niet over werken te spreken en er zelfs niet aan te

_denken_, voordat je geheel en al beter bent?"

"Ik wil het wel probeeren."

"Goed, dan begin je nu dadelijk met kalm te gaan slapen en iederen dag

precies te doen wat zuster Kate je beveelt."

"Ja, maar dàt mag ik toch nog wel even vragen, dokter. Lang zal ik toch

zeker niet ziek zijn, wel?"

"Dat hangt er heelemaal van af of je zelf medewerkt tot je herstel."

"O. Dan wou ik u alleen nog zeggen hoe blij ik ben dat u me hierheen

hebt laten gaan en ... dat ik mij niet ongerust behoef te maken over al

de onkosten...."

Zij had het laatste zoo fluisterend gezegd dat Dr. Hearty zich tot haar

over moest buigen om haar goed te verstaan.

"Je behoeft je over niets ook maar in het minst ongerust te maken," zei

ze beslist. "En morgen mag er wel eens een woordje aan je moeder

geschreven worden."

"Door mij?"

"Ja."

"Dank u wel, dank u wel." En Hedwig ging gehoorzaam weer slapen met het

vaste voornemen, alle gedachten aan werken en nieuwe betrekkingen

voorloopig met kracht te onderdrukken en ter dege te doen wat zij zelf

maar kon ter bevordering van haar herstel.

En zij deed haar best, iederen dag en ieder uur op nieuw, hoewel het

niet gemakkelijk was, omdat het herstel heel langzaam kwam en het soms

scheen--niettegenstaande al het rusten en al de versterkende

middelen--alsof eigenlijk nooit de tijd terug zou komen, waarin zij

krachtig en gezond zou wezen als vroeger. En al schertste zij dikwijls

vroolijk met zuster Kate en al maakte zij gewoonlijk den indruk van een

echt moedige, opgeruimde patiënte, toch kon zij zeer bezwaard van hart

wezen en Dr. Hearty, die meestal slechts tijd had voor een haastig

bezoekje, zag toch duidelijk hoe de zaken stonden en buiten de kamer

schudde zij het hoofd en zei tot zuster Kate:

"Zij doet haar best, flink doet zij haar best, maar wij zijn er nog

niet...."

Door alles heen had Hedwig den moed telkens een paar opgewekte woorden

aan haar moeder te zenden, dikwijls herhalend dat zij toch vooral niet

bezorgd omtrent haar zijn moest en dat alles zeker spoedig beter zou

gaan. Zij schreef ook over een landgenootje, een klein Duitsch meisje,

dat in een kamer lag tegenover de hare en een operatie had ondergaan.

Het kind had veel pijn en zou lang moeten liggen, had zuster Kate haar

verteld, maar zij hield zich kloek, slechts een enkel maal hoorde Hedwig

haar pijnlijk kreunen. De moeder had verlof gekregen nacht en dag in het

ziekenhuis te wezen; soms kon Hedwig haar het kleine meisje heel zacht

in slaap hooren zingen.

Zoo gingen de dagen voorbij en veel te langzaam kwam, naar Hedwig's

meening, de beterschap. Na een bijna slapeloozen nacht, voelde zij zich

op zekeren ochtend nauwelijks in staat te strijden tegen de

moedeloosheid, die haar bitter vragen deed, hoe lang deze toestand nu

eigenlijk nog wel zou moeten duren--maar ze gaf toch niet toe, ze wou

niet tobben, ze woù vol hoop en moed blijven en ze wilde ook doen wat

Dr. Hearty haar "duren plicht" noemde: heel bedaard rusten, echt

_uit_rusten!

Zij bleef stil in dezelfde houding liggen en hare stemming begon iets

kalmer te worden, toen zij opeens opgeschrikt werd door het geluid van

een scherpen kreet van pijn vanuit de kamer aan den overkant der gang.

De kreet werd gevolgd door hevig gesnik en een smeekend geroep van

"moeder! moeder!" Daarop klonk teeder de stem der moeder: "Ja, mijn

kind," toen was het even heel stil. Doch spoedig vroeg het kleine meisje

weer: "Zing wat voor me, moedertje, zing wat!" En zacht, maar duidelijk

verstaanbaar voor Hedwig, zong de welluidende vrouwenstem:

So nimm denn meine Hände

Und führe mich

Bis an mein selig Ende

Und ewiglich!

Ich mag allein nicht gehen,

Nicht einen Schritt,

Wo Du wirst gehn und stehen,

Da nimm mich mit!

In Dein Erbarmen hülle

Mein schwaches Herz,

Und mach' es gänzlich stille

In Freud' und Schmerz;

Kann ich auch nicht verstehen

Wie Du mich führst,

Will fröhlich weiter gehen,

Weil Du regierst.

Wenn ich auch gar nichts fühle

Von Deiner Macht,

Du führst mich doch zum Ziele

Auch durch die Nacht.

Lasz ruhn zu Deinen Füszen

Dein schwaches Kind,

Ich will die Augen schlieszen

Und folgen blind.[14]

Toen de stem zweeg, bleef alles stil. De kleine lijderes was zeker

onder het zingen in slaap gevallen.

Hedwig verroerde zich niet. Met haar geheele hart had zij geluisterd.

Zij vond het een genot in haar eigen taal te hooren zingen en zij kende

de woorden en de melodie en had het lied zelf wel gezongen, toen zij een

kind was,--was het daarom alleen dat het haar zoo ontroerde?

Zij wist dat zij tot in hare ziel getroffen was door het echt vrome,

kinderlijke geloof, dat uit de eenvoudige woorden sprak, zij wist dat

ook haar eigen vertrouwen in Gods zorgende liefde er door versterkt werd

en opgewekt herhaalde zij zacht bij zichzelf:

"Kann ich auch nicht verstehen

Wie Du mich führst,

Will fröhlich weiter gehen,

Weil Du regierst."

...

Zij sliep dien nacht rustig en werd voor 't eerst in vele, vele dagen

verkwikt wakker. Zuster Kate keek verheugd over den opgewekten toon,

waarmee zij haar goeden morgen zeide en Hedwig was blij, toen zij hoorde

dat ook het patientje aan den overkant een goeden nacht had gehad. Zij

was ook blij dat het Zondag was. Dan werden om twee uur de deuren der

ziekenkamers wijd open gezet, opdat de patiënten het orgelspel en het

gezang der zusters zouden kunnen hooren, die in het zusterhuis hare

middag-godsdienstoefening hielden. Tot nu toe was Hedwig te afgemat

geweest om er werkelijk van onder den indruk te komen, maar vandaag was

dit anders en stemde de plechtigheid haar blijmoedig ernstig, haast

alsof zij er zelf aan deelgenomen had. "Ik ben toch in zoo'n echte

Zondagsstemming," zei ze later tot zuster Kate, "ik ga nu eens een heel

vroolijken brief aan mijn moeder schrijven."

Maar de "heel vroolijke brief" matte haar nog wel af en 's avonds viel

het haar weer moeielijker opgewekt te zijn. Ze lag met de oogen dicht en

beproefde zooveel mogelijk aan "prettige dingen" te denken, het was

echter of de "prettige dingen" heden niet komen wilden! Ze zuchtte

ongeduldig,--toen voelde zij een koele hand op haar voorhoofd. Verbaasd

keek zij op en: "O dokter, hoe heerlijk!" riep zij uit.

"Zoo, dat klinkt al heel hartelijk," zei Miss Hearty lachend. "Hoe gaat

het?"

"_Veel_ beter nu ik u zie!"

Dr. Hearty ging naast het bed zitten, bevoelde Hedwig's pols en zei:

"Wij gaan bepaald vooruit."

"Gelukkig!" riep Hedwig op een toon van verlichting. "Ik wist het ook

eigenlijk wel. En wanneer mag ik nu eens op zitten en eens uitgaan

en--weer beginnen te werken? Ik word wezenlijk bepaald slecht van het

niets doen!"

"Ik zou het maar wat kalm aanleggen."

"Kalm aanleggen? Maar dokter, weet u wel dat het hoog, hoog tijd is dat

ik weer flink aan het verdienen ga?"

"Is dat nu werkelijk zóó noodig?"

"Ja _zeker_," en Hedwig knikte driftig, verontwaardigd dat Miss Hearty

het belang der zaak zoo weinig scheen te begrijpen.

"Vertel mij eens bedaard waarom dat zoo noodig is."

En Hedwig vertelde alles. Door de warme sympathie, waarmee naar haar

geluisterd werd, aangemoedigd, vertelde zij zonder den minsten ophef,

hoe en waarom zij op haar vijftiende jaar van huis gegaan was en van

dien tijd af voor zichzelf en gedeeltelijk ook voor haar moeder en

zusje had gezorgd. Hoe heerlijk zij het gevonden had dit te mogen doen

en hoe gelukkig zij zich doorgaans had gevoeld in haar werk, zelfs op

het beruchte Hill House,--welk een genot zij vond in den omgang met

kinderen en toen opeens met een opgewondenheid, die haar zelf verbaasde

dat zij nu snakte, _snakte_ letterlijk naar nieuw werk, maar nauwelijks

wist hoe daaraan te komen en dat zij toch moedig was, heusch heel moedig

en ook nog wel geduldig wezen wou.

Toen werd het haar te machtig en kon zij niets meer zeggen. En zonder

een woord te spreken, trok Miss Hearty haar naar zich toe en met een

gewaarwording van veiligheid legde Hedwig het hoofd aan haar borst en

schreide rustig uit.

Lang duurde het echter niet, of zij hief het hoofd weer op en lachend

door hare tranen heen, zei ze:

"Ik schaam me verschrikkelijk eigenlijk."

"Zoo? En ik kwam je een voorstel doen eigenlijk."

"Een voorstel? O, wat is het? Waarom hebt u me dat niet eerder gezegd?"

"Je liet mij niet aan 't woord komen," zei Dr. Hearty plagend. "Kijk

eens, ik neem omstreeks Paschen mijn vacantie en hoop dan een poosje

naar Devonshire te gaan. Nu zou ik me graag in dien tijd wat oefenen in

het Duitsch en daarom wou ik jou mee hebben. Wij kunnen dan ook eens

bedaard overleggen wat je verder doen zult. Maar nu weet ik natuurlijk

niet of je er lust in hebt."

"_Weet_ u dat niet?" was al wat Hedwig zeide. Toen met een gebroken

stem: "_Oh, how good you are, how good!_"

"En nu kalmpjes afwachten wanneer je met je nieuwe leerling beginnen

moogt," zei Dr. Hearty, toen zij afscheid nam en Hedwig zei kalm: "Ja,

natuurlijk," maar toen Miss Hearty weg was, riep zij opgewonden om

zuster Kate.

Zuster Kate kwam lachend binnen. "Ja, ja, ik heb alles al gehoord," zei

ze. "En 't is een waar genot met Dr. Hearty op reis te zijn, dat weet ik

bij ondervinding. Zij neemt bijna ieder jaar iemand met zich mee, als ze

vacantie heeft; is dat niet aardig? Broers of zusters heeft zij niet

meer, maar haar leven is toch alles behalve eenzaam natuurlijk, omdat

zij altijd om anderen denkt."

"Zij is zeker een heel knappe dokter en erg geliefd en gezien, niet

waar?" vroeg Hedwig, met bewondering in haar stem.

"Zeer geliefd en gezien en een weldaad voor velen," zei zuster Kate

warm.

Wat schreef Hedwig nu een paar blijde regeltjes naar Duitschland en hoe

bespoedigde de groote vreugde het herstel! Toen er zonnige dagen kwamen,

mocht zij eens opzitten, later eens even met zuster Kate wandelen, toen

geregeld iederen dag uitgaan en eindelijk kon de dag voor de reis naar

Devonshire worden bepaald.

't Was kil, druilerig weer en er viel een hardnekkige motregen, toch

vond Dr. Hearty het onnoodig de reis uit te stellen. Zij kwam Hedwig in

een vigilante halen, liet haar zich goed instoppen, zeide meer dan eens

dat zij hàar nu in alles gehoorzamen moest, toonde zich blij als een

kind dat zij vacantie had en reed in de prettigste stemming met de

gelukkige Hedwig naar Paddington-station.

"Hè, wat ziet Londen er weer vuil en donker en somber en modderig uit!"

riep Hedwig onder het rijden. "Heerlijk dat wij er uitgaan!"

"Ja, ten minste ... als wij het in Devonshire beter krijgen," zei Dr.

Hearty op bedenkelijken toon.

"Maar dat zal toch wel! Zuster Kate zei dat de lucht daar zoo zuiver was

en dat het er zóó mooi was! Zij heeft er familie wonen, in de buurt van

Teignmouth, juist waar wij naar toe gaan. Het moet er verrukkelijk

wezen!"

"Ik _hoop_ het," zei Miss Hearty weer, "maar als wij er zulk slecht weer

treffen...."

"Dan vind ik het _toch_ heerlijk, omdat ik bij u ben!" zei Hedwig

vroolijk.

"Pas op maar, mijn gezelschap kon je wel eens niet meevallen op den

duur!"

"_Was sich liebt, neckt sich_," zei Hedwig lachend. "Wilt u dat nu eens

voor mij in 't Engelsch vertalen?"

"Daar heb ik op dit oogenblik volstrekt geen tijd voor, want hier zijn

wij aan Paddington-station. Zorg jij nu voor de bagage en de kleine

pakjes--denk er om, er is een _luncheon-basket_ bij,--dan ga ik plaats

nemen en zien dat wij een goeden coupé krijgen."

Een _luncheon-basket_? Hoe aardig dat die er bij was! Hedwig was er zeer

benieuwd naar en toen zij de kostbare mand werkelijk veroverd had, stond

zij erop haar zelf te dragen en liet de andere bagage aan den kruier

over.

Miss Hearty stond reeds bij een coupé op haar te wachten, omringd door

vrienden, die echter de een na den ander afdropen, toen zij beslist te

kennen gaf met haar patientje alleen te willen reizen. Hedwig moest

languit op de bank gaan liggen en het zich zoo gemakkelijk mogelijk

maken. "Je laat je maar door mij bedienen, alsof het van zelf spreekt,"

zei Dr. Hearty om haar te plagen, terwijl zij haar een kussen onder het

hoofd legde.

Zij moesten eenige uren in den trein doorbrengen, maar de tijd viel geen

van beiden lang. Zij rustten en lazen en babbelden wat en Hedwig klapte

in de handen, toen Dr. Hearty eindelijk het oogenblik gekomen achtte om

de _luncheon-basket_ te openen.

"Misschien is het ook nog wel wat te vroeg om nu reeds te gaan eten,"

zei ze met een strak gezicht, terwijl zij de mand gesloten hield. "Je

hebt zeker nog geen honger?"

"Als een paard!" liet Hedwig zich ontvallen.

"Maar meisje, wat een uitdrukking! Ik hoop niet dat ik iets heel

ondoordachts gedaan heb door met jou op reis te gaan."

"'t Is nu te laat," zei Hedwig overmoedig, "er is niets meer aan te

veranderen. En mag ik nu als 't je blieft wat te eten hebben? Anders val

ik nog flauw en dan krijgt u nog maar meer last met me!"

"Daar, daar!" En Miss Hearty opende de mand en zette haar een stuk koude

kip voor, een schoteltje geconfijte peren en een bekertje wijn. "Begin

daar maar vast mee."

"Graag."

Welk een grappige, prettige maaltijd was het en hoe keek Hedwig op bij

alles wat die gewichtige mand bevatte! Het was of er nooit een eind zou

komen aan de verrassingen en toen er nog als dessert een paar trossen

druiven verschenen, riep zij uit: "Waar hebben die nu toch gezeten?"

"Dat is mijn geheim," zei Dr. Hearty. "Ja, ja, het is geen kleinigheid

praktisch met zoo'n voorwerp om te kunnen gaan. Maar nu moeten wij

uitkijken, want nu zijn we in Devonshire."

"Gunst!" Hedwig was onmiddellijk één en al aandacht en ging dicht bij

het raampje zitten. Zij kregen thans herhaaldelijk een kijkje op de

blauwe zee en rijen met frisch groen begroeide huizen. Een paar malen

zei Hedwig: "Ziet u wel dat het hier heel anders is dan in Londen?" En

Dr. Hearty knikte en zeide: "Ja, _hier_ wel, maar wij zijn er nog niet!"

Toen zij er waren, toen zij te Teignmouth den trein verlieten, de zoele,

geurige lucht inademden en zich in een open rijtuig naar de kamers

lieten rijden, die Dr. Hearty gehuurd had, was het Hedwig toen niet als

droomde zij? En hadden zij werkelijk eerst dien ochtend Londen met alle

guurheid en donkerheid en mist en motregens en modder verlaten om

overgeplaatst te worden naar dit wonderland, waar de zon vroolijk

scheen, waar de zee zoo liefelijk blauw was en met haar wit schuim zoo

teekenachtig afstak bij de terra-cotta-tinten der rotsen, waar langs de

muren der villa's reeds--het was in April--klimrozen bloeiden en de

heggen vol witten en rooden hagedoorn stonden?

"O, ik had niet gedacht dat het zóó mooi zijn zou," zei Hedwig. "Kijk

toch eens!"

Zij reden de breede laan van een bosch door en tusschen het klimop op

den grond, vertoonden zich primula's zoo ver het oog maar reiken kon,

groote, zacht-gele primula's in dichte bossen, alle bestemd, naar het

scheen, om vroolijkheid en lichte, heldere gedachten in het leven te

roepen.

[Illustration: De kerk te Cockington (Devonshire).]

Later steeg de weg en zagen zij de zee weer in al haar glorie van blauw

en wit en zacht-violet. Op de rotsen van lichtrood zandsteen, die er om

heen lagen, schitterde goudgele brem en groeiden en bloeiden weelderig

de wilde aarbeiplantjes, terwijl telkens weer langs den weg groote

ruikers primula's zich vroolijk lieten zien naast breede streepen

boschviooltjes of vergeet-mij-nieten, een enkel maal in de buurt van

ooievaarsbek en speenkruid. Lange slingers puntig klimop met

lichtgroene, zich ontplooiende blaadjes hingen over oude muren heen, die

in hunne spleten voedsel gaven aan tuiltjes oogentroost en fijne

steenvarentjes. Soms vertoonden zich aan beide kanten van den weg,

letterlijk een laan vormend, hooge, krachtige bremstruiken, boomen

haast, alle schitterend met een overvloed van gouden bloemtrossen en

altijd weer, tusschen dennen en bremstruiken door en langs de lichtroode

rotsen, zag men de blauwe zee, kalm en liefelijk en droomerig als in een

sprookje.

Hedwig's oogen dronken gretig al die schoonheid in. "Wat een land! Wat

een land!" riep zij opgetogen. "En alles groeit hier maar te gelijk.

Rozen en primula's en brem en speenkruid en meidoorn; wat moet dat hier

voor een gezonde lucht zijn! Ik voel nu al dat het me goed doet!"

"Dat is gauw," zei Dr. Hearty heel bedaard. "Als de kamers, die ik

gehuurd heb, je nu straks maar niet tegen vallen."

"Niets kan mij meer tegen vallen," zei Hedwig met vuur. "Al moest ik

hier ook in een kelder slapen...."

"Daar zou ik toch minder vóór zijn," zei Dr. Hearty beslist. "Maar hier

zijn we waar we wezen moeten."

Zij stapten uit bij een niet groot, eenvoudig huis, dat rondom in een

tuin lag, waar de gele en roodbruine muurbloemen geurden en terstond

verscheen een tengere, blonde vrouw en heette haar hartelijk welkom.

Nieuwsgierig volgde Hedwig haar en Dr. Hearty de trap op naar een kamer,

die als zitkamer was ingericht en door een zeer breed openslaand raam

een ruim uitzicht gaf op zee en rotsen. "Ik hoop dat gij u hier thuis

zult voelen," zei de vrouw vriendelijk. "Het avondeten zal spoedig

gereed zijn. De slaapkamers zijn hier naast, het portaal over, zooals ik

u geschreven heb."

"Dank u, Mrs. Dimbleby. Dan gaan wij nu eerst wat rusten," zei Miss

Hearty. "Wij willen heel graag straks wat te eten hebben en uw geurige

thee drinken, waarvan ik zooveel goeds heb gehoord. Ik zal mijn vriendin

de slaapkamers wel laten zien."

"Mijn vriendin!" Hedwig vond het bepaald een eer zich zoo te hooren

noemen en zoozeer onder den indruk was zij van het heerlijke gevoel van

na lang ziek te zijn geweest weer gezond te worden en van den

verkwikkenden overgang van de vrij eentonige stilte in het ziekenhuis

tot de verfrisschende rust in de natuur, dat zij in een vlaag van

opgewondenheid Dr. Hearty om het middel greep, met haar in de rondte

danste en haar toen een klinkenden kus gaf.

"Maar heb ik nu ooit van mijn leven!" riep Miss Hearty uit. "Hemeltje,

wat ben ik begonnen door op reis te gaan met iemand, die zoo weinig

begrijpt hoe zij met ouderen en wijzeren om moet gaan...."

"Wat is alles hier alleraardigst en met smaak ingericht en hoe heerlijk

overal die bloemen!" viel Hedwig oneerbiedig in en ze keek met

welgevallen naar het tafeltje voor het raam met de lage, gemakkelijke

stoelen er naast, de rustbank in den hoek, het behangsel met de losse

appelbloesemtakken en de lichtgroen geschilderde lambrizeering, den mooi

bewerkten schoorsteenrand en het meest nog naar de sierlijke,

olijfgroene en roode pulletjes, kannetjes, vaasjes en kommen, alle

gevuld met primula's, viooltjes, muurbloemen, ranken klimop en

meidoorntakken en, waar maar een plaatsje was, in de kamer neergezet.

"Ja, wij zullen het hier wel uit kunnen houden," zei Miss Hearty, "maar

ga nu mee. Wij slapen vlak in elkaars nabijheid, zooals je ziet."

Aan denzelfden kant van het huis als de zitkamer lagen de slaapkamers;

men had er hetzelfde mooie uitzicht en het was er frisch en rustig. "Ook

al weer alles even keurig," zei Hedwig. "Ik vind het hier eenvoudig

volmaakt."

"En nu moet jij je dan ook eens volmaakt stil houden," zei de dokter,

"en minstens een half uur te bed gaan liggen. Ik kom je wel roepen voor

het avondeten."

En meteen sloot zij de deur tusschen de beide slaapkamers achter zich en

liet Hedwig alleen.

Gehoorzaam deed deze wat haar bevolen was en toen zij eenmaal lag,

voelde ze dat zij wel vermoeid was. Aan slapen had zij echter geen

behoefte en zij liet hare oogen dus met welbehagen glijden over de met

wit neteldoek bedekte toilettafel, over de lichtgroene waschtafel en

spiegellijst, de lichtgroene latafel en hangkast, alle zoo vroolijk

afstekend bij de wilde rozen op het behangsel en kom en kan der

waschtafel. Toen gaf zij ook hare oogen rust en luisterde alleen nog

maar--deed niets dan luisteren naar het kabbelen der zee, dat zacht tot

haar kwam en haar als vredige muziek in de ooren klonk.

Een half uur later werd er aan haar deur getikt. "_Come in!_" riep ze,

denkend dat het Dr. Hearty was, die haar kwam roepen, doch de deur ging

langzaam open en niet Miss Hearty, maar een meisje van een jaar of

dertien met lang, blond haar, kwam bedeesd nader. Zij hield het hoofd

wat voorover gebogen en de blauwe oogen keken zoo schuchter en te gelijk

zoo nieuwsgierig dat Hedwig er plezier in had en lachend zei:

"Kom maar gerust wat dichter bij en bekijk mij eens goed, want dat wil

je toch zeker graag, niet waar? Wie ben je eigenlijk? _Ik_ ben een

Duitsch meisje en jij...."

Een Heldin · 第 14 / 16 段