dacht na. Van uit haar bed kon zij juist over het binnenplaatsje heen
een blik slaan in de benedenkamer van een huis aan den overkant. Zij zag
een oudachtig heer in een leuningstoel bij het raam zitten. Hij hield
het hoofd wat voorover gebogen en gaf door zijne houding een indruk van
verveling, die geheel in overeenstemming scheen met zijne omgeving en
het sombere weer buiten. Wat zag het er daar ook naargeestig en doodsch
uit, vond Hedwig. Zij moest eens even zuchten; toen riep zij op een
toon, dien zij te vergeefs trachtte spottend te maken:
"O, wonderschoon Glengariff! Ach Balvourneen! Balvourneen! O Bruce, mijn
lieve, beste, trouwe hond! O lieve, lieve May en Bunny...!"
Maar ze ging daar toch niet snikken?
Dat wou ze niet, heelemaal niet, daar mocht _niets_ van in komen en met
één sprong was zij het bed uit. Zij vond dat het hoog tijd voor haar
werd om eens flink aan den gang te gaan en zich niet meer over te geven
aan nuttelooze overpeinzingen.
Zij belde en verzocht het verbaasde dienstmeisje, dat er zich niet op
gehuurd achtte om "tusschentijds" de bewoonsters van het huis te
bedienen, haar wat warm water te brengen. Zij vroeg het zoo vriendelijk
dat het meisje het haar werkelijk bracht en met zeer grooten ijver toog
zij nu aan het werk om den gevlekten mantel te reinigen. Haar hoofd
klopte en zij voelde zich nog "raar" van de doorgestane zeeziekte, doch
daar zou ze nu maar geen acht op slaan; ze wou vooral niet te veel
letten op pijntjes en andere kleine lasten; ze wou vol moed en energie
haar weg gaan.
En zeer noodig bleek die energie, want prettig was het leven in dit
Tehuis voor Gouvernantes allerminst en het kostte Hedwig vooral in het
begin, moeite te gewennen aan het eenzame van haar toestand, aan het
schamele, echt armoedige van de geheele omgeving en aan de zeer sobere
maaltijden, die stellig beter waren dan die op het beruchte Hill House,
maar er haar toch, juist door de karigheid van het voedsel, wel aan
herinnerden. Daarbij kwam dat het menu iedere week voor iederen maaltijd
precies hetzelfde was en men er dus bij voorbeeld vast op kon rekenen,
Maandags aan het ontbijt geregeld een plak worst te vinden, Dinsdag's
een reepje gebakken spek, Woensdags een hompje kaas en ... Zondags een
ei, maar dat was dan ook een groote traktatie!
Er was iets saais in deze steeds eentonig terugkeerende volgorde en saai
was het ook dat er nooit één enkele levende bloem of plant op de
eettafel te zien was, die iederen dag weer met een paar bakken met
leelijke ijzeren planten prijkte, aan iederen kant der tafel één, om de
regelmaat te bewaren! Iets saais lag er ook over de stemming van vele
der tijdelijke bewoonsters, die voor 't meerendeel gebukt gingen onder
de noodzakelijkheid om betrekkingen te zoeken, welke zoo heel moeielijk
te vinden waren en onder den angst, niet genoeg geld te hebben voor een
vrij langdurig verblijf in het _home_.
De directrice was vriendelijk en goed en gaf een hartelijk woordje waar
zij kon, maar zij had het veel te druk om zich werkelijk met hare
tijdelijke huisgenooten bezig te houden en zag er dikwijls zoo afgemat
uit dat Hedwig medelijden met haar kreeg. Er waren er meer met wie zij
medelijden had, arme, afgetobde schepsels, die veel te weinig geleerd
hadden om haar werk naar behooren te kunnen doen en dan ook geringe kans
hadden als gouvernante te worden gekozen door een der dames, die bij de
directrice om inlichtingen kwamen. Hedwig werd benijd om haar vlot
Duitsch en Fransch en haar muziek en de goede getuigschriften die zij
kon toonen, maar ook zij moest geduld hebben. Want hoewel het nu spoedig
Kerstmis zou zijn en het dus tegen Nieuwjaar liep, kwamen er maar weinig
aanvragen in om gouvernantes en het speet Hedwig telkens dat zij zich
niet kon aanbieden als "een vlug, knap, eerlijk dienstmeisje", want
_die_ werden genoeg gevraagd!
Toen er zich werkelijk een paar betrekkingen voordeden, gingen anderen
haar nog weer voor. Er waren twee slordige, drukke Françaisetjes in het
_home_, die aan tafel de flauwste grappen verkochten en er een eer in
stelden, nauwelijks een paar woorden Engelsch te kennen. Zij giggelden
den lieven, langden dag om niets, hadden zich aangewend om over
allerlei, dat zij elkaar vertelden, in gemaakt gebroken Engelsch uit te
roepen: "Iet ies kjoerioes" (_It is curious_) en lieten er zich
verbazend veel op voorstaan dat zij uit Parijs kwamen. Dat zij slecht
onderricht hadden gehad en zeer onontwikkeld waren, daarover
bekommerden zij zich niet en toen haar op zekeren dag meegedeeld werd
dat twee dames den wensch te kennen hadden gegeven naar een "echt
Parijsche" gouvernante, waren zij terstond bereid zich aan te bieden.
Zij moesten zich toen in het middaguur bij de bewuste dames gaan
vertoonen en gingen lachend op weg, slordig en wel, met hier en daar een
vastgestoken speld om scheurtjes en torntjes te bedekken--toch, het moet
erkend worden, niet zonder gratie,--en toen zij terug kwamen, beiden in
het bezit van een goede betrekking, riepen zij ieder op haar beurt
zegevierend uit:
"_Mais, je suis Parisienne, moi!_"
Intusschen zocht Hedwig ijverig verder en leerde zij Londen vrij goed
kennen. Mr. Balvourneen, die haar heengaan overigens vrij koel had
opgenomen, had haar nog een van de laatste dagen den raad gegeven,
vooral alle mogelijke couranten door te zien bij het zoeken naar een
nieuwe betrekking. Iederen ochtend na het ontbijt, begaf zij zich dan
ook naar een boekwinkeltje op den hoek der straat, waar zij voor één
_penny_ de advertentiekolommen der verschillende bladen, die daar werden
verkocht, door mocht kijken. Menig adres teekende zij op en menig
briefje schreef ze, dat onbeantwoord bleef en ook menig vruchteloos
bezoek maakte ze, want, de stoute schoenen aantrekkend, begaf zij zich
dikwijls terstond, nadat zij het adres was machtig geworden, naar een of
ander huis, waar een gouvernante werd verlangd. Zij moest daartoe soms
langer dan een uur met den trein--boven of onder den grond--reizen, of
lange ritten doen per omnibus of tram en vaak ook door modder en mist,
lange einden loopen. De vrouw in het boekwinkeltje was heel vriendelijk
voor haar, gaf haar een kaart van Londen ter leen en buitendien voor
iederen tocht nauwkeurige aanwijzingen en het was niet alleen voor
Hedwig zelf een teleurstelling, als zij telkens weer op de
belangstellende vraag: "Nù geslaagd misschien?" het hoofd moest
schudden.
De vrouw van het winkeltje voelde moederlijk medelijden, maar meer nog
bewondering voor het dappere, jonge, Duitsche meisje, dat iederen dag
weer met nieuwen moed zocht en zocht en er, helaas, zoo bleek en
vermoeid kon uitzien. Want Hedwig was, door de afmattende tochten, door
het druilerige, slappe weer, door het eenzame en weinig gezonde van dit
leven en vooral door het telkens op nieuw zoeken en niet vinden, soms
zóó "op" dat zij er zelf met eenige ergernis verbaasd over was en zich
voornam vooral niet toe te geven aan de al sterker wordende, bij haar
zeer ongewone neiging, om eens een paar dagen thuis en te bed te blijven
en heelemaal uit te rusten.
"Uit te rusten? Waarvan?" zei ze dan, als in antwoord op hare gedachten.
"Ik _mag_ niet moe zijn en ik ben het ook niet, ik verbeeld het me
maar."
Den middag vóór Kerstmis nam ze vrijaf en ging voor haar plezier
wandelen. Wat leek het al lang, lang geleden dat zij dat gedaan had en
o, wat zag het er in de Londensche straten toch heel anders uit dan om
Glengariff heen met al den gloed van velerlei bloemen en met de schoone
baai met het glinsterend groene water! Het weer was tamelijk goed
vandaag, het regende ten minste niet, maar het bleef somber donker in de
straten en als een blijde verrassing trof Hedwig achter een winkelraam
een hooge kerstboom, die prijkte in een glans van mooi, zacht licht en
frissche kleuren. Terwijl zij er naar keek, was het of er meer licht
scheen ook in haar ziel. Zij had nog zóó weinig gedacht aan het
Kerstfeest, veel te weinig, vond zij nu--haar hart was bekommerd geweest
en vol zorg voor de toekomst; ze wou dat nu alles van zich af laten
glijden en alleen denken aan den trouwen God en aan de rijke beteekenis
van het Kerstfeest. En toen zij in het _home_ en op haar kamer terug
kwam, nam zij haar Bijbel en las bij het schamele licht van haar kaars
de beschrijving van de geboorte van Gods Zoon, het "kindeke, liggende in
de kribbe;" toen vouwde zij de handen en bad innig om steun, bad vurig
ook om den zegen dat dit Kerstevangelie tot in haar ziel mocht
doordringen en zij het nooit half vergeten zou, zooals zij heden bijna
op weg was geweest te doen.
Er kwam vreugde in haar hart en den volgenden dag, Kerstmis, nam zij een
paar van de arme, afgetobde schepseltjes uit het _home_ mede naar den
dienst in Westminster Abbey, de machtige kathedraal, waar alle _kleine_
gedachten wegvallen en alleen plaats is voor stil gelooven en geheele
overgave aan God in het gebed. Met aandacht luisterde zij naar de
eenvoudige Kerstpreek en toen uit het koor, als de krachtige
mannenstemmen zwegen, het geluid van een glasheldere jongensstem zich
hooren liet en ver, ver omhoog steeg en haar buurvrouw de hand op haar
arm leggend, met bevende lippen fluisterde dat het haast "hemelsch mooi"
was, knikte zij haar toe met een glimlach van geluk.
De directrice van het _home_ onthaalde haar huisgenooten dien dag op een
werkelijk smakelijk kerstmaal; op de tafel stond, in plaats van de
planten van ijzer, een kom met hulsttakken vol roode bessen en 's
middags kwamen allen te zamen in haar kamer en werd er bij het orgel
gezongen. Tot ieders verrassing werden later thee en _cake_
binnengebracht--een ongekende lekkernij in het _home_--en de directrice
had zelfs voor allen een klein geschenk, dat zij ieder met een paar
hartelijke woorden ter hand stelde.
"Ik heb wezenlijk toch zoo'n gelukkigen Kerstdag gehad," schreef Hedwig
's avonds nog aan haar moeder, "en nu ga ik, echt verkwikt door dezen
prettigen vacantiedag, weer dubbel ijverig aan het zoeken. Ik ben
benieuwd waar het nieuwe jaar mij brengen zal."
Vooralsnog scheen dit raadsel niet te zullen worden opgelost, want hoe
zij ook haar best deed, hoe zij ook iederen dag weer _meer_ schreef en
meer bezocht--het liep alles op niets uit. Zij zou er wanhopig onder
geworden zijn, als zij niet met alle energie, die in haar was en met het
oude, krachtige geloof in den steun van Gods liefde, alle moedeloosheid
in zich had onderdrukt, evenals zij het vreemde gevoel van afmatting
trachtte te onderdrukken, dat haar meer en meer plagen ging. Zij spoorde
en tramde en las en schreef maar door, altijd maar door--_eens_ zou ze
toch zeker slagen!
Na een nacht van knagende kiespijn, waarin het druppelgeluid in den hoek
van haar kamer haar haast dol had gemaakt, stond zij op zekeren dag
duizelig en loom op. "Wat doe ik toch mal!" zei ze een paar malen, toen
het juist was of alles met haar in de rondte danste en het haar maar
niet gelukken wou de zeep uit het bakje te krijgen. "Geen gekheid,
Hedwig, straks in de lucht zul je wel weer opknappen!"
Zij voelde zich werkelijk beter, toen zij ontbeten had en in de
buitenlucht kwam, al was het dezen ochtend zóó mistig dat zij er een
oogenblik van schrikte, toen zij de voordeur opende. Wel hadden zij bij
gaslicht moeten ontbijten, maar dat was in deze donkere dagen geen
zeldzaamheid en dat het in en om Londen in Januari, zoowel als in
December misten kon, wist zij nu reeds lang. Maar zóó erg!
Ze knipte met de oogen, toen zij voorzichtig--want zóó dicht voor haar
hing de nevel dat zij telkens bang was tegen iemand aan te stooten,---de
straat doorgeloopen was. Lag het ook soms aan haar, wàs de mist
eigenlijk wel zóó zwaar of waren hare oogen vermoeid na den bijna
slapeloozen nacht en kon zij daardoor zoo slecht zien vandaag?
Ze vond het prettig, toen zij het boekwinkeltje had bereikt en even
rusten kon; toch was er een zekere gejaagdheid in haar om voort te
maken, zoo gauw mogelijk voort te maken dat zij toch verder kwam en
eindelijk eens werk machtig werd en haastig sloeg zij de eene krant na
de andere op en noteerde advertenties en adressen.
De vrouw van het winkeltje keek haar een paar malen bezorgd aan en toen
Hedwig de kranten neerlegde, vroeg zij deelnemend of het niet beter voor
haar zou wezen, vandaag eens rust te nemen en zich niet te ver te wagen
in dien dichten, ongezonden mist, die haar ziek zou maken.
"Ziek? Ik? Wel neen, ik word zoo gauw niet ziek," zei Hedwig lachend.
"Neen, neen, ik neem geen vrijaf van morgen, dat zou mij volstrekt niet
passen. Het beste geneesmiddel voor mijne kwalen is werken, flink
werken."
Het trok zenuwachtig om haar mond, terwijl zij sprak en met een kort
afscheid verliet zij het winkeltje, boos op zichzelf omdat de
hartelijkheid van het vrouwtje haar week maakte. Maar die stemming kwam
natuurlijk ook door het akelige weer, verontschuldigde zij zich, toen
zij weer buiten was gekomen.
Het was werkelijk of er nòg meer nevel hing dan zooeven en zij den mist
zou hebben kunnen snijden, zoo tastbaar was hij. Daarbij gaf de
geheimzinnige, spookachtige stilte, die overal heerschte, den indruk
alsof alles in den mist was weggezonken, in den "bruinrooden, rollenden
nevel, die de weerlooze stad verzwolg, haar levend smoorde, die torens,
bruggen, straten, pleinen in het niet deed verzinken, alsof een spons
geheel Londen had uitgewischt."[13]
Toch ging zij door. Langzaam maar zeker liep ze den bekenden en nu toch
zoo moeielijk te vinden weg naar het eerste station van den
ondergrondschen spoorweg, waarmee zij een eind reizen wilde om in een
der voorsteden van Londen te komen. Zij vond de wandeling zoo ver
vandaag, het was of zij niet voortkomen kon, of de mist met zware,
klamme hand haar op de borst drukte en belette adem te halen, zoodat zij
herhaaldelijk stil moest staan. Een paar malen bonsde zij tegen iemand
aan, die dan met een haastig: "_Beg pardon! Such nasty weather!_" haar
voorbij ging.
Zij begon zich nu weer heel onpleizierig te voelen. De knagende kiespijn
keerde terug en daarbij was zij telkens weer zóó duizelig dat zij groote
moeite had verder te komen. Zij moest het nu toch erkennen: de vrouw in
het boekwinkeltje had gelijk gehad, zij zou verstandiger gedaan hebben
met vandaag rustig thuis te blijven.
Daar viel haar iets in. Nu zij toch eenmaal zoo ver geloopen was, kon
zij wel even aangaan bij de knappe, vrouwelijke dokter, van wie men haar
in het _home_ verteld had en die hier in de buurt woonde. Die had om
dezen tijd haar spreekuur, dat wist zij en die zou haar zeker wel iets
kunnen geven om die lastige duizeligheid te overwinnen; zij zou zeker
ook zeggen dat het niet erg was, als 's avonds, als zij te bed lag, haar
hart zoo schrikkelijk kloppen kon en er zwarte vlokjes voor hare oogen
kwamen.
Het zou wel niets zijn, het zou stellig niets zijn, redeneerde zij bij
zichzelf.
Plotseling uitte zij een kreet van schrik--daar stond ze vlak voor den
kop van een paard. Met een ruk werd zij door een krachtigen arm
weggetrokken. Paard en wagen verdwenen in den mist en een politieagent,
een stoere reus, stond naast haar.
"Ik wist niet ... ik dacht...." stamelde zij.
Hij haalde de schouders op; zij was zooveel kleiner dan hij, hij kon
haar niet verstaan. Hij boog zich nu tot haar over om beter te kunnen
luisteren. "Gelukkig dat ik u nog juist bijtijds helpen kon," zei hij
vriendelijk. "Het is lastig loopen met dien mist, niet waar? Kan ik nog
iets voor u doen?"
Maar Hedwig schudde het hoofd; zij kon niet dadelijk spreken, de
duizeligheid overviel haar weer. Eindelijk vroeg ze, na diep te hebben
adem gehaald, hoe zij loopen moest naar het huis van Miss Hearty, de
dokteres.
Hij keek haar onderzoekend aan. Zij zag er zoo bleek en teer uit op dit
oogenblik dat hij, krachtige reus als hij was, medelijden met haar
kreeg. "Het is hier dicht bij; ik zal er u even heen brengen," zei hij
welwillend.
Zij glimlachte flauwtjes; ze was hem dankbaar voor zijn aanbod. Ze kòn
niet meer, ze was angstig ook dat zij zich in dien mist zou vergissen in
den weg en zij verlangde nu sterk om de dokteres te spreken. Langzaam
sleepte zij zich voort, tot de politie-agent, ziende hoeveel moeite zij
had met loopen, haar dringend aanried zijn arm te nemen.
Zij deed het gaarne en, zich opeens veel veiliger voelend door den steun
van dien sterken arm, vroolijkte zij weer op en dacht eraan, hoe aardig
en grappig het wezen zou om over dit avontuurtje naar huis te schrijven.
Zij was echter heel blij, toen zij het huis van Miss Hearty hadden
bereikt.
De aangename warmte in de wachtkamer deed haar goed na de doordringende
kilheid buiten; toch huiverde zij nog en bleef zij zich ziek voelen. Ze
trof het dat er heden niet veel menschen waren en het vrij spoedig haar
beurt werd om binnen te komen, maar toen zij in de consultatiekamer
tegenover de dokteres stond, een kleine, tengere, op 't eerste gezicht
onaanzienlijke vrouw, doch wier scherpe oogen alles schenen te zien,
werd zij weer zoo hevig door kiespijn aangetast dat zij onmogelijk
terstond kon antwoorden op de vragen, die haar werden gedaan.
"Wacht maar, wij hebben allen tijd," klonk het vriendelijk, "en ga hier
nu eens zitten. Zoo'n erge kiespijn? Ja, dat is al heel akelig en dan
met dit weer! Dan is het ook haast net of men zichzelf niet is, he?
Blijf nu even heel stil zitten, dan zullen wij die wang eens onder
handen nemen en probeeren of wij die hatelijke pijn niet weg kunnen
maken."
Zij drukte Hedwig met zacht geweld achterover in een lagen stoel en liet
haar met de gezonde wang tegen de gevulde leuning rusten. Toen wreef ze
met hare vingertoppen geurige zalf over de zieke plek heen en weer, heen
en weer en langzamerhand voelde Hedwig tot hare onuitsprekelijke
verlichting, de kiespijn verdwijnen. Dankbaar sloeg zij de oogen op.
"Nù kan ik heel goed spreken," zei ze glimlachend.
Toen begon zij alles te vertellen: van de zonderlinge duizeligheid, die
haar den laatsten tijd kwelde, van de plotselinge, groote vermoeidheid,
het onstuimig kloppen van haar hart en eindelijk, met verheffing van
stem en met een kleur van opgewondenheid, van haar zoeken naar werk,
naar een betrekking, waar ze niet buiten kòn....
De groote belangstelling in de ernstige oogen, die haar voortdurend
bleven aankijken, noopte haar haar geheele hart uit te storten en toen
zij eindelijk zweeg, was het met de plotselinge hoop dat Miss Hearty,
die zóóveel menschen kennen moest, haar misschien aan een mooie
betrekking zou kunnen helpen!
Maar de dokter sprak in 't geheel niet over een betrekking. Zij deed
Hedwig een paar vragen, onderzocht haar nauwkeurig en zei toen zeer
beslist:
"Ik zou u aanraden eens een tijdlang volkomen rust te nemen."
"Wat?" Hedwig's zelfbeheersching begaf haar. "O neen, dat kan niet, dàt
kan ik niet!" riep zij uit met wanhoop in haar stem. "Alles, maar dàt
niet!"
"Waarom niet?" klonk het zeer rustig.
"Ik ben arm. Ik _moet_ zelf mijn brood verdienen en als het kan, nog wat
oversparen voor mijn moeder ook. Ik heb nog een weinig geld, het is niet
veel meer en als dat op is...."
"Het zal stellig genoeg zijn om uw verblijf te bekostigen in het
ziekenhuis, dat ik op het oog heb."
"Ja, ja, maar daarnà, daarnà? O, ik _moet_ geld verdienen en voor mij
zelf zorgen! Och, als ik door u geholpen kon worden aan werk, dan zou ik
u zóó dankbaar zijn...."
Ze had met veel vuur gesproken, nu kon zij niet meer. Zij kon zich ook
niet inhouden en opeens, tot hare eigene bittere ergernis, snikte zij
het uit.
De dokter nam hare beide handen in de hare. "Als wij nu eerst eens
maakten dat we heelemaal weer gezond werden," zei ze zacht.
Hedwig keek haar aan; zij zag er zielsbedroefd uit.
"Hoe?" vroeg ze fluisterend.
"Dat heb ik u gezegd, door te rusten."
"Maar dat kàn niet," herhaalde Hedwig. Toen, opeens doordrongen van het
besef dat zij al te veel beslag legde op den kostbaren tijd van Miss
Hearty, bedwong zij met kracht hare aandoening en maakte zich gereed
heen te gaan. "Uwe andere patiënten wachten," zei ze eenvoudig.
De dokter knikte even. "Ja zeker, maar wij hebben geen haast." Zij nam
haar receptenboekje, schreef een paar woorden op, schelde het
dienstmeisje en gaf haar het stukje papier. En zich weer tot Hedwig
wendend, vroeg ze:
"Heb ik uw vertrouwen?"
"O ja, ja."
"Doe dan wat ik u zeg."
Hedwig knikte. Ze hield zich nu weer flink en wachtte met opgeheven
hoofd wat Miss Hearty verder zeggen zou.
"Er komt straks een _hansom_ voor, die zal u naar een ziekenhuis
brengen, waar het heel goed is. Aan de directrice van uw _home_ zal ik
vandaag nog schrijven; men zal u uwe kleeren sturen....."
"En ... mijn moeder?"
"Haar moogt ge schrijven, zoodra gij wat uitgerust zijt. Houd maar
goeden moed; alles zal zeker te recht komen."
Hedwig knikte weer; ze kon niet goed spreken. Ook voelde zij zich nu
zoo afgemat dat zij nauwelijks in staat was hare gedachten te regelen.
Zij wist alleen maar dat de opbeurende stem van de dokteres haar
weldadig aangedaan had en dat zij thans niets liever wilde dan haar raad
volgen. Als in een droom liet zij zich in de _hansom_ helpen; men gaf
den koetsier het briefje en aanwijzingen, even merkte zij op dat de mist
iets minder ondoordringbaar was dan straks, toen sloot zij de oogen en
reed heen, bij zichzelf prevelend: "Ik geef toch den moed niet op. God
helpt, God helpt!"
HOOFDSTUK XII.
Aan de blauwe Zee.
Zij zat nog doodstil en met gesloten oogen, toen de _hansom_ staan bleef
voor een groot grijs gebouw, dat door een plein en hek omgeven was en
hoewel zij niet sliep, verkeerde zij toch in een soort verdooving, die
alles wat zij doormaakte, slechts half werkelijkheid voor haar deed
zijn. Als uit de verte hoorde zij het geluid van stemmen, daarop werd
zij uit het rijtuig getild, even opende zij de oogen en keek in een
lief, ernstig gezicht, toen vielen de zware oogleden weer toe. En steeds
als in een droom liet zij zich lijdelijk verder brengen, zonder het ook
maar in 't minst vreemd te vinden dat zij, Hedwig Eiche, zich nu in een
ziekenhuis bevond en door een pleegzuster gesteund, door breede, hooge
gangen liep, waarop ontelbare deuren van ziekenkamers uitkwamen. Later
voelde zij hoe men haar ontkleedde en te bed legde en hoe zij eindelijk
geheel toe mocht geven aan den overweldigenden drang tot slapen, niets
dan slapen ... toen wist zij niets meer.
Toen zij een paar uren later klaar wakker werd, zag zij dat zij in een
kleine, nette kamer lag en dat alles om haar heen er bizonder proper
uitzag. Een ware verademing vond zij het 't eentonige druppel-getik in
de waterpijp niet meer te moeten aanhooren, dat haar in het _home_ zoo
gekweld had en met een flauw glimlachje deed zij de oogen weer dicht en
viel op nieuw in slaap.
Het was avond, toen zij weer ontwaakte. Men had het licht in haar kamer
nog niet aangestoken, maar door de openstaande deur gleed langs het
tochtschut heen, een breede straal van het ganglicht naar binnen. Zij
vond het prettig in deze rustige schemering te blijven liggen en hare
oogen door het vertrek te laten dwalen over de lichtgrijs-en-blauw
geschilderde muren met den zachtgetinten rand, waarin zij duidelijk de
witte lelies kon onderscheiden en over de vogels in gouddraad op het
kamerschut,--maar lang hield zij het kijken niet vol. Zij had nu zware
hoofdpijn en niets scheen haar op dit oogenblik begeerlijker dan haar
geheele leven verder te mogen slapen ... al maar slapen!
Maar men liet haar geen rust. Opeens flikkerde er hel licht in de kamer;
zij schrikte ervan. "Doet het pijn aan de oogen?" zei een zachte stem.
"Wacht eens." Er werd een schermpje voor het licht gehangen, maar Hedwig
was er niet mee tevreden. Waarom stoorde men haar toch? Zij wou veel
liever niet wakker wezen! En zij zuchtte lang en diep.
"Ik geloof dat ik niet heel welkom ben," zei dezelfde stem van zooeven
en het frissche gezicht van een jonge pleegzuster boog zich over haar
heen.
Nu kwam er een glimlach op Hedwig's gezicht en haar stemming
veranderde. "Juist wel," zei ze met iets van haar oude opgewektheid.
"Zoo? Dat klinkt bemoedigend. Drink dit dan nu eens vlug op," en de
zuster hield haar een glas melk met ei voor.
Hedwig gehoorzaamde, maar toen zij haar hoofd weer op het kussen legde,
kreunde zij van de pijn; toch vloog zij plotseling weer overeind. "Ik
moet nog aan mijn moeder schrijven," riep zij gejaagd, "het had al lang
moeten gebeuren en ik heb maar geslapen den geheelen dag door! En ... en
hoe kan ik hier nu toch eigenlijk blijven? Dat _gaat_ immers niet, want
wat moet dat allemaal wel kosten! O, het is vreeselijk!"