van haar woorden en te recht, want Nesta liet zich niet weer zien,
voordat het tijd was om te zingen en Hedwig een paar akkoorden
aangeslagen had op de piano. Toen kwam zij met een strak gezicht binnen,
ging naast Boy staan en zong mee, maar van harte ging het niet en haar
"goeden nacht" klonk later zeer koel, heel anders dan gewoonlijk.
Een paar malen sloop Hedwig dien avond naar Nesta's kamertje om aan de
deur te luisteren of zij haar misschien ook riep, doch alles bleef stil;
Nesta was blijkbaar heel gewoon gaan slapen.
Er gingen twee, drie, vier dagen op deze wijze voorbij en Hedwig begon
te vreezen dat de straf den volgenden Zaterdag zou moeten worden
herhaald. Doch Donderdagsavonds, toen zij op haar kamer zat te schrijven
met Bruce, die haar trouwe vriend was geworden, tot gezelschap, stond
opeens een kleine gedaante in 't wit naast haar. "Het spijt me zoo
vreeselijk," klonk een zachte stem, twee donkere oogen werden smeekend
tot haar opgeheven en er kwam een wonderlijk gevoel van geluk in
Hedwig's hart, een onuitsprekelijke blijdschap omdat het kind werkelijk
zichzelf overwonnen had en naar haar toe gekomen was.
Zij zeide niet veel, een paar hartelijke woorden maar en Nesta slaakte
een zucht van innige verlichting en liet een kort, zenuwachtig lachje
hooren, toen ze den staart van Bruce tegen haar bloote beenen voelde
tikken. "Ja zeker, Bruce hoort er ook bij," zei Hedwig en ze hurkte bij
den hond neer en stond Nesta toe hem een biscuit te geven, iets dat
Bruce op dit ongewone uur een heel eigenaardig en verblijdend
verschijnsel vond.
Ook aan haar moeder zei Nesta uit eigen beweging dat het haar erg speet
dat zij den mooien mantel bedorven had, "omdat ik zoo driftig was,"
voegde zij er fluisterend bij, maar Mrs. Balvourneen lachte en gaf haar
_bonbons_. "Daar denken wij maar niet meer aan," zei ze, "ik heb mantels
genoeg, kind. Kijk maar gauw weer vroolijk!" En haar dochtertje voelde
wel dat zij er niet zoo tegenop had behoeven te zien om naar haar moeder
toe te gaan en--het ook wel had kunnen laten!
Toen het eind October was, begonnen de kinderen reeds te spreken over de
kerstvacantie en het heerlijke kerstfeest, waarvan zij zich zeer veel
voorstelden. "Alleen maar jammer dat Maddy dan weg is," zei Bunny, maar
May zeide: "Wèl jammer, maar heerlijk voor Maddy om thuis te zijn en wat
zal zij ons, als ze weer terug komt, veel nieuwe dingen te vertellen
hebben!" "Dat denk ik ook," zei Hedwig vroolijk en Boy verklaarde met
zijn mannenstem "best heelemaal mee te willen naar Duitschland," waarop
Nesta beslist beweerde: "Dan ik ook mee!" En dan moest Hedwig telkens
weer verhalen doen over het ijs en het verrukkelijke schaatsenrijden,
de vlug neervallende sneeuwvlokken en de bloemen op de ramen van een
echten winter, zooals geen dezer Zuid-Iersche kinderen er ooit een had
bijgewoond. Bridget luisterde dan al even aandachtig toe als het jongere
publiek en scheen soms wel wat te twijfelen aan de waarheid van Hedwig's
voorstellingen. Dat men poppen zou kunnen maken van sneeuw, kon zij
nauwelijks gelooven!
Hoe weinig dacht Hedwig in die gezellige uren, terwijl zij en de
kinderen elkaar hoe langer hoe beter begonnen te begrijpen en zich hoe
langer hoe meer aan elkaar hechtten, dat het met hare kerstvacantie zoo
geheel anders af zou loopen dan zij zich toen voorstelde!
Dat kwam zoo. Nesta hield zich, na de hevige driftbui in het rijtuig,
een poosje bizonder goed, wat voor Bridget en Hedwig een ware verademing
was en Hedwig hoopvol den tijd te gemoet deed zien, waarin het kind meer
zou gaan gelijken op May en Bunny en met dezelfde gulle goedhartigheid
als hare zusjes, haar eigen gewichtig persoontje meer op den achtergrond
zou weten te dringen. Het zou zoo heerlijk wezen, dacht Hedwig haast
moederlijk, als--ook door haar toedoen--de kleine Nesta opgroeide tot
een echt gelukkig menschenkind. "Ik houd veel van mijn werk, zóóveel,"
schreef zij naar huis, "en ik stel er mij ook veel van voor er u van te
vertellen. Meer dan ooit ben ik blij dat ik hier gekomen ben en ik hoop
vurig dat ik hier jaren en jaren zal mogen blijven! Nu, daar is, dunkt
me, wel kans op. De kinderen zijn nog jong en alles gaat zóó prettig
tegenwoordig!"
"Jaren en jaren blijven!" Reeds twee dagen nadat zij dit geschreven
had, wist Hedwig dat het niet zoo zijn zou.
Zij was op zekeren ochtend, verlokt door het mooie weer, vroeg opgestaan
en had met Bruce een wandeling gemaakt naar het mooi gelegene kerkje van
Glengariff. Terwijl zij naar haar kamer terug liep om hare schoenen uit
te trekken, bleef zij eensklaps midden op de trap verschrikt staan, want
een hevig gegil drong vanuit een der badkamers tot haar door. Wat kon er
nù aan de hand zijn? Zonder zich te bedenken snelde zij naar de badkamer
toe en daar vond zij Nesta, die door Bridget gebaad werd, gillen en
schreeuwen dat het een aard had. "Akelige, nare Biddy!" riep ze, haar de
spons uit de hand rukkend en de zeep, zoover zij maar kon, door de kamer
keilend. "Ik zal het aan moeder zeggen ... aan moeder zeggen...."
Zij hield zich even stil, toen zij Hedwig gewaar werd, doch toen de
geduldige Bridget zeep en spons bij elkaar gezocht had en haar weer
begon te wasschen, gilde zij het opnieuw uit en gaf haar in haar woede
een harden slag in het gezicht.
Onder den invloed van de tintelende pijn, liet Bridget hare handen
zakken en ging achteruit, maar Hedwig trad terstond op Nesta toe, greep
haar beide handen vast en vroeg streng:
"Met welke hand heb je Bridget geslagen, Nesta?"
Nesta werd donkerrood. Hedwig zag aan de uitdrukking van hare oogen dat
zij zich begon te schamen, maar dit niet weten wilde en koppig kwam het
antwoord eruit:
"Met de rechter."
"O." In de vaste overtuiging dat zij goed handelde, nam Hedwig de
bewuste hand beet en gaf er een flinken tik op, wat natuurlijk
tengevolge had dat Nesta nogmaals een keel opzette. "Dat zal wel gauw
bedaren," dacht Hedwig, "het kan niet anders dan heilzaam voor haar
zijn," maar zij had er niet op gerekend dat nog iemand anders dan
Bridget haar met Nesta bezig had gezien. Daar stond echter Mrs.
Balvourneen, die ongemerkt was binnengekomen, juist op het gewichtige
oogenblik dat Nesta den bestraffenden tik op haar arm kreeg!
"Mag ik weten wat dit beteekent?" vroeg zij op hoogen toon en zonder het
antwoord af te wachten, ging zij naar Nesta toe en sloeg den arm om haar
heen met de woorden:
"_My poor little darling!_"
De "arme, kleine lieveling" ging nu zoo erbarmelijk snikken dat het
haast niet aan te hooren was.
"Kleed Miss Nesta dadelijk aan Bridget, terwijl ik er bij ben," zei Mrs.
Balvourneen en tot haar dochtertje: "Ach mijn kindje, schrei toch niet
meer zoo, dat vindt moeder zoo naar. Wil zij vandaag eens een prettig
vacantiedagje hebben en den heelen ochtend bij haar moedertje wezen?"
"Ja, ja," snikte Nesta.
"Als u zoo goed wilt zijn even naar de leerkamer te gaan,
_mademoiselle_, dan kom ik straks bij u," vervolgde Mrs. Balvourneen en
Hedwig verdween; zij kon wel niet anders dan gehoorzamen.
In spanning wachtte zij het onderhoud af; zeker zou Mrs. Balvourneen
haar een scherpe berisping geven over de wijze waarop zij Nesta gestraft
had, maar ... zij zou zich weten te verdedigen; zij geloofde stellig dat
zij goed gehandeld had....
Doch veel erger dan een berisping was haar deel. Het onderhoud was
kort, want toen Mrs. Balvourneen de leerkamer in kwam, beweerde zij van
alles reeds precies op de hoogte te wezen. "Ik erken," zei ze "dat Nesta
soms wat lastig is, maar dat geeft niemand, u allerminst, het recht,
haar zóó wreed te straffen! Ik heb reeds meer dan eens opgemerkt dat u
zeer, zeer weinig takt met haar hebt. Ook de wijze, waarop u met de
andere kinderen omgaat, draagt mijne goedkeuring slechts ten deele weg
en in ieder geval is het gebeurde van zooeven gewichtig genoeg, om mij
te doen besluiten eene andere gouvernante te zoeken. Het zal mij dus
aangenaam wezen u tegen de kerstvacantie te zien vertrekken."
Dàt had Hedwig niet verwacht, dàt niet, zoo iets ergs....
Doodsbleek stond ze voor Mrs. Balvourneen.
"U kunt toch niet meenen ... moet ik dan voor goed vertrekken?"
"Ja zeker en ik wil nu liever verder niet over de zaak spreken, terwijl
u mij zeer beslist zult moeten beloven tegenover de kinderen geen woord
over uw vertrek te reppen. Mijn besluit is onherroepelijk; ik reken er
beslist op dat u tegen Kerstmis heengaat. Kan ik er vast op aan dat u
tegenover de kinderen zult zwijgen?"
"O ja," zei Hedwig dof.
Als in een droom deed zij dien dag haar werk en zoo stil en ernstig was
ze dat de kinderen ervan onder den indruk kwamen en toch maar niets
vroegen, vermoedend dat de driftbui van Nesta haar bedroefd gemaakt had.
Maar toen haar vroolijkheid haar ook de volgende dagen telkens in den
steek liet, vroegen May en Bunny een paar malen bezorgd of haar iets
scheelde.
Toen moest het hooge woord er uit. Ja, haar scheelde wèl iets, bekende
Hedwig openhartig, maar zij kon niet zeggen wat en zij moesten er haar
niet meer naar vragen. De meisjes gehoorzaamden en trachtten door
allerlei kleine oplettendheden, vooral door het zetten van vele geurige
ruikertjes op haar kamer, haar leed te verdrijven en zij was er dankbaar
voor, maar voelde er de smart te dieper om.
Toch begaven het krachtige geloof in Gods hulp en hare oude energie haar
niet. Zij schreef moedig het voornaamste naar huis en meldde ook dat zij
nu dit jaar haar plan om naar Duitschland te gaan, moest opgeven en
besloten was het opgespaarde geld te gebruiken om naar Londen te reizen,
daar tijdelijk haar intrek te nemen in een Governesses' home, (tehuis
voor gouvernantes) haar door Mrs. Balvourneen aanbevolen en dan naar een
nieuwe betrekking uit te zien. Mrs. Balvourneen was bereid haar een goed
getuigschrift mee te geven.
Intusschen wisten de kinderen van niets en bleven zij zich onstuimig
verheugen op de naderende Kerstvacantie. Eindelijk begon Hedwig de weken
en toen de dagen te tellen, die nog voor haar vertrek moesten verloopen.
Alleen Bridget had zij, onder diepe geheimhouding, mogen vertellen dat
zij ging vertrekken en Bridget had de handen gewrongen en was gaan
schreien, al maar uitroepend hoe vreeselijk, hoe verschrikkelijk dat
voor de kinderen zijn zou!
Den dag voor Hedwigs' vertrek, kregen de kinderen vrijaf. "Nu al? Begint
de vacantie nu al?" riepen zij verheugd. "Hoe prettig!" Maar toen Hedwig
bezig was op haar kamer haar koffer te pakken, kwamen opeens Boy en
Bruce bij haar binnen. Hedwig meende dat het geen kwaad kon, vooral
omdat zij wist dat de meisjes met hun vader uit waren, maar Boy vroeg
parmantig, terwijl hij in den grooten koffer keek: "Waarom moet dat
_allemaal_ mee naar Duitschland? Waarom mag het portretje van Tieka niet
zoolang hier blijven?"
Zijn moeder hoorde hem praten en riep hem bij zich en Hedwig hoorde hoe
hij dringend vroeg: "Maddy komt toch weer, moeder? Maddy komt toch
_natuurlijk_ weer?"
Het antwoord kon Hedwig niet verstaan, maar duidelijk hoorde zij Boy nog
vragen: "Als het nieuwe jaar er is, dan is Maddy toch weer bij ons?"
Toen was alles stil en met een oproerig hart verder pakkend, vroeg
Hedwig zich af, wat Boy's moeder toch wel geantwoord zou hebben!
's Avonds was hij nog laat wakker en riep hij om "Maddy." Bridget haalde
Hedwig.
Met een kleur, de groote oogen heel wijd open, zat Boy op in zijn bed.
"Maddy komt toch terug? Maddy komt toch _natuurlijk_ terug?" vroeg hij
weer en Hedwig, te bedroefd om iets te kunnen zeggen, knielde bij hem
neer. Ze trok zijn gezicht naar zich toe en drukte er een kus op, doch
opeens rukte Boy zich los. "Ik vind het niet prettig om op mijn oog een
kus te krijgen!" riep hij. Toen ging hij liggen, keerde zich om en viel
in slaap. Hedwig en Bridget glimlachten. "Nacht lieve, lieve Boy,"
fluisterde Hedwig.
Nog even liep ze naar de slapende meisjes toe en zei haar zwijgend
goeden dag; het was het eenige afscheid, dat zij van haar nemen mocht.
Zij zou den volgenden ochtend heel vroeg vertrekken en niemand meer
zien. Mr. en Mrs. Balvourneen wenschten haar het beste voor haar volgend
leven en Bridget bedankte haar in een stortvloed van vurige woorden voor
"al haar hartelijkheid en gezelligheid."
Zij sliep weinig dien nacht en was maar blij toen het haar tijd was om
op te staan en zich reisvaardig te maken. Het was nog schemerdonker,
toen zij wegreed, weg van de schilderachtige plek, die haar zoo lief
geworden was, dubbel eenzaam in het besef dat zij voortaan de hartelijke
toegenegenheid der vier Iersche kinderen zou moeten missen en toch
dankbaar voor den tijd, dien zij op het kasteel Balvourneen had mogen
doorbrengen.
Toen zij aan het station van Kenmare uit het rijtuig stapte, sprong er
iets tegen haar op en klonk er een luid geblaf en met den uitroep: "O
Bruce, lieve, lieve Bruce!" boog zij zich voorover en streelde den
grooten, trouwen St. Bernardshond, die haar tot aan het laatste
oogenblik toe zijn aanhankelijkheid wilde toonen en het rijtuig
nageloopen was.
HOOFDSTUK XI.
Londen en Mist.
Heel mooi trof zij het niet voor haar zeereis, want tegen den avond stak
er een hevige wind op en werd de lucht donker en toen zij op het dek van
de boot stond, zwiepte de regen haar in het gezicht en had zij moeite
staande te blijven.
Toch kon zij er ook thans niet toe besluiten naar beneden te gaan; er
waren zeer vele reizigers en als zij boven bleef, had zij ten minste
frissche lucht. Zij wikkelde zich in haar langen mantel, veroverde een
vouwstoel en zocht een beschut plaatsje uit om te gaan zitten. In 't
eerst ging alles tamelijk goed, maar toen de storm steeds aanwakkerde en
de boot geweldig ging schommelen, begon zij zich minder plezierig te
voelen en eindelijk werd het zóó erg dat zij zich genoodzaakt zag, zoo
goed en zoo kwaad als het ging, naar beneden te strompelen en te zien of
zij door rechtuit te gaan liggen, de booze zeeziekte weer verdrijven
kon.
Doch toen zij eindelijk met groote moeite beneden gekomen was, was het
daar zoo overvol, dat er voor haar van "rechtuit liggen" niets kon in
komen. Aanlokkelijk was het buitendien ook geenszins in de propvolle
ruimte met de drukkende atmosfeer en met de slaperige, bleeke gezichten
van lustelooze dames, die met de doffe onverschilligheid van echte
zeezieken, even naar haar keken en dan weer kreunend de oogen sloten.
Maar hoewel zij nauwelijks op hare beenen kon blijven staan en het
onplezierige gevoel er lang niet beter op werd, kon zij toch niet laten
even te glimlachen om het tragische tooneel. Hier kon zij echter niet
blijven! Zij had bovendien ook geen keuze, want er was geen enkel plekje
meer open. Ze zou dus maar trachten zoo gauw mogelijk haar vouwstoeltje
op het dek weer op te zoeken.
De boot danste nu zoodanig dat zij zich met beide handen stevig aan de
trapleuning vast moest houden en telkens even moest blijven staan om
niet omver geworpen te worden. De felle regen flitste haar weer in het
gezicht, toen zij boven kwam. Met een steeds groeiende gewaarwording dat
zij zich nog nooit in haar leven zoo aller-ellendigst had gevoeld,
bereikte zij met horten en stooten de plek, waar zij zooeven gezeten
had. Maar hoe zij ook zocht, haar stoel was nergens te vinden; men had
dien zeker terstond weggenomen, toen zij naar beneden gegaan was en daar
stond zij nu, _te_ ziek om verder te kunnen handelen, tegen de deur
aangeleund, waarvoor straks de kostbare stoel nog gestaan had.
Steeds heviger gierde en loeide de wind, onbarmhartig sloeg de regen
tegen haar aan, één oogenblik voelde zij het verlangen bij zich opkomen
dat iemand haar toch op mocht nemen en in zee werpen,--en in haar pijn
en benauwdheid kermde zij het uit....
Zoo bleek en ziek zag zij eruit dat een paar matrozen, die haar voorbij
kwamen, medelijden met haar kregen en haar een stapel dik opgerold touw
aanwezen om op te gaan zitten. "Zóó, nu zal het wel beter worden," zei
de eene, en "o, dank u wel," zuchtte Hedwig, terwijl zij met een
oogenblikkelijk gevoel van verlichting, op het touw neerviel. Maar lang
liet de verraderlijke zeeziekte haar geen rust. Daarbij werd telkens als
zij opstond, het pikkerige touw door den aanhoudenden regen hoe langer
hoe natter en toen eindelijk het ergste geleden was en zij met
onuitsprekelijke blijdschap de kust zag naderen, werd die blijdschap wel
wat getemperd door de ontdekking dat haar lange mantel vol leelijke
vlekken zat.
"Ja, dàt konden die vriendelijke matrozen niet weten," bedacht zij
dadelijk. Als zij goed en wel in Londen was, zou zij den mantel eens
flink onder handen nemen; ze wou er nu niet over gaan treuren, het was
veel te heerlijk dat zij thans van die akelige zeeziekte af was. Wel
voelde zij zich nu uitermate vermoeid; zij kon hare oogen haast niet
meer open houden en toen zij goed en wel in den trein naar Londen zat,
bleef zij heel stil in haar hoekje zitten, tot niets meer in staat dan
om zich lijdelijk te laten meevoeren naar de groote wereldstad.
De groote wereldstad vertoonde zich, toen zij haar vroeg in den ochtend
naderde, niet juist op haar aantrekkelijkst, want er hing een vuilgrijze
mist, die het in de huizen en straten akelig donker maakte en den indruk
gaf als zouden deze duistere Decemberdagen, de een na den ander, zonder
één enkelen lichtstraal, in eentonige somberheid, moeten voorbijgaan.
Londen zag er nu wel geheel anders uit dan zij het gezien had op dien
stillen Septemberochtend, toen zij op weg was naar Edinburg. Wat scheen
dat nu lang reeds geleden! Toen hing er een ragfijne, teere nevel, die
tooverachtig en geheimzinnig over de groote gebouwen en boomtoppen
gleed, nu lag over alles een groezelig, zwartachtig waas en verbaasde
zij er zich haast over dat zij Londen ooit mooi had kunnen vinden.
Londen en Glengariff--wat trof haar het verschil, terwijl zij zich in
een oude, uitgezakte vigilante naar het _home_ liet rijden! Zij troostte
zich met de hoop dat zij misschien niet zoo heel lang in Londen zou
behoeven te blijven en, als zij maar eerst zeker was van een mooie
nieuwe betrekking--wie weet, of zij dan toch niet nog enkele dagen naar
Duitschland zou kunnen gaan! Al was het maar voor een week, voor vier
dagen zelfs, zij zou ... ja, zij zou er de reis dolgraag voor over
hebben, al moest zij dan nog eens weer heel zeeziek wezen! En in de
versleten, slordige vigilante, rijdend door de modderige straten van het
mistige Londen, op sommige plaatsen nog spookachtig verlicht door mat
lantarenschijnsel, dat streed met het grauwe licht van den winterdag,
begon zij opeens vroolijk te neuriën:
"_Wenn ich komm', wenn ich komm', wenn ich wieder komm'...._"
"_Ach, wird das schön sein!_" riep zij opgewonden. Toen raakte zij weer
in gepeins verdiept, sloot de oogen en gaapte dat het een aard had.
"Hoe kom ik zóó moe! En wat duurt die rit toch lang!" riep zij
ongeduldig.
Maar eindelijk was zij waar ze wezen moest. Zij was een gedeelte van een
park voorbij gereden, waar het er bijster kil en verlaten uitzag en
bevond zich nu in een lange straat met smalle, hooge huizen, die alle
precies op elkaar geleken. Voor één hiervan, kenbaar aan een groot bord,
waarop in reusachtige letters iets stond aangekondigd, hield de
vigilante stil.
Hoewel de koetsier met veel geweld den klopper op de voordeur liet
vallen, duurde het geruimen tijd eer deze geopend werd en Hedwig was dus
in staat de aankondiging op het bord op haar gemak te lezen. Dit was wat
zij las:
_Select Governesses' Home and Agency,
For Gentlewomen Only.
Office Hours--Eleven till half past Four
Saturdays--Eleven till Two._
"_For Gentlewomen only_!" Dan mocht zij er zeker op rekenen in deftig
gezelschap te komen! Zij hoopte dat zij in haar gevlekten mantel maar
niet al te veel _gentlewomen_ zou tegenkomen straks in de gang.
Vooralsnog scheen daar ook al heel weinig kans op; het huis was als
uitgestorven en eerst na een herhaald, donderend geklop van den
verontwaardigden koetsier, werd de deur langzaam geopend door een vrij
slordig dienstmeisje. Zij groette Hedwig nauwelijks, toen deze haar
goeden dag zeide en verdween terstond weer, nadat de koffer in huis was
gezet.
Vermoeid als zij was, moest Hedwig nu langen tijd op de vloermat in de
smalle gang staan wachten, tot het iemand believen zou haar te woord te
staan. Het bleef eerst doodstil om haar heen, alleen hoorde zij even bij
een trap, die blijkbaar naar de keuken leidde, een gestommel van
dienstmeisjes. Te oordeelen naar de woorden, die zij opving, konden zij
het niet te best samen vinden. Eindelijk klonken er ook voetstappen in
haar nabijheid.
Een reeds bejaarde dame met vriendelijke oogen, die het bleeke,
vermagerde gezicht nog aantrekkelijk maakten, stond voor haar, zeide
haar goeden dag en vroeg haar welken prijs zij voor haar kamer wenschte
te betalen. Welken prijs? Dat kon Hedwig niet zoo precies zeggen.
"Liefst niet te duur," zei ze aarzelend, "want ik hoop wel gauw een
goede betrekking te vinden, maar toch...."
"Maar toch wenscht ge nu wat zuinig te wezen," zei de directrice van het
_home_ met een glimlach. "Dan kan ik u juist aan een kleine kamer
helpen, die gisteren open gekomen is. De grootere kamers zijn alle voor
twee of vier personen...."
"Als het kan, zou ik wel graag alleen slapen," zei Hedwig.
"Zeker, die kleine vertrekken zijn voor één persoon bestemd. Ik zal u
even den weg wijzen."
Zij ging Hedwig voor, een hooge trap op met erg uitgeloopen treden, die
slechts ten deele door een rafeligen, grijzen looper waren bedekt. Zij
bevonden zich nu op een groot portaal, waarop ettelijke, met nummers
voorziene deuren uitkwamen en dat door een raam uitzicht gaf op een
naargeestig, door hooge muren omringd, binnenplaatsje. Het zeil, dat er
lag, was zoo kaal dat er van het oorspronkelijke patroon niets meer was
te ontdekken en de draden er doorheen kwamen; toch had alles meer een
armoedig dan een slordig aanzien, vond Hedwig, die erg haar best deed
het kasteel Balvourneen met zijn smaakvolle weelde en bloemenpracht,
zonneschijn en vroolijke kinderen, voor het oogenblik althans, uit hare
gedachte te bannen.
Zij volgde de directrice naar een hoogst eenvoudig gemeubileerd
vertrekje, dat ook weer licht kreeg--veel was het inderdaad niet!--door
een raam met uitzicht op het genoemde binnenplaatsje. Niemand zou het
ooit een "aardig" of "lief" kamertje hebben kunnen noemen, maar met een
dankbaar hart merkte Hedwig op dat het bed er frisch en behagelijk
uitzag en toen de directrice verdwenen was, haastte zij zich, zich te
ontkleeden en onder de dekens te kruipen. Zij zou vandaag maar niet aan
het ontbijt komen, had zij gezegd en met een zucht van welbehagen legde
zij haar hoofd op het kussen, blij dat ze niet voor zoowat half één weer
zou behoeven op te staan om klaar te zijn voor het _lunch_.
Wat was het een genot de beenen eens flink uit te strekken en aan niets
te denken dan aan: rust ... rust! "Hè, hoe heerlijk dat ik niet meer op
de boot ben," fluisterde zij, het dek over zich heentrekkend; toen viel
zij in slaap.
Zij werd een uurtje later wakker door het eentonig geluid van geregeld
neervallende waterdruppels, die almaar, als op de maat, hun tik ... tik
... tik ... lieten hooren. Wat kon dat toch wezen? Regen was het niet,
daarvoor kwam het geluid met te lange tusschenpoozen, maar waar kwam het
dan toch vandaan? Het onophoudelijk getik begon haar nu zóó te hinderen
dat zij er boos om werd op zichzelf en wrevelig uitriep: "Wat kan mij
die leelijke muziek nu toch schelen? Kom, ik ga weer slapen!" Ze keerde
zich om en wikkelde zich nog eens warmpjes in de wollen dekens, maar ...
het slapen vlotte niet meer. Telkens opnieuw, als zij bijna sliep, deed
het hatelijke tik ... tik ... haar weer klaar wakker worden en eindelijk
ging zij knorrig opzitten in bed en keek om zich heen.
Ja, nu zag zij het, daar kwam het vandaan! Dicht bij het voeteneind van
haar ledikant was onder het behang een pijp verborgen, waardoor
voortdurend druppels naar beneden kwamen. Waarom die pijp daar juist was
aangebracht, was haar niet duidelijk, maar zij veronderstelde dat het
met de waterleiding in verband stond en zij begreep dat zij zich zoo
goed als het ging, aan dat druppelgeluid zou moeten gewennen, tenzij ze
liever met nog twee of drie meisjes op één kamer sliep. Andere kamertjes
voor één persoon waren er op het oogenblik niet over, had de directrice
haar meegedeeld.