te laten, wetend dat het kasteel Balvourneen uren ver af lag en er
waarschijnlijk niet spoedig gelegenheid zou zijn de bagage te laten
halen. Besluiteloos bepeinsde zij wat haar te doen stond, terwijl al de
koetsiers een voor een naar den koffer kwamen kijken en eindelijk in een
kring om haar heen kwamen staan. Zij babbelden onophoudelijk samen,
telkens naar haar wijzend en onwillekeurig moest zij lachen om het
wonderlijke taaltje en de zeer bewegelijke gezichten der sprekers, die
blijkbaar nog nooit in hun leven een koffer van zulke afmetingen hadden
aanschouwd!
Eindelijk tikte er een, die er goedhartig en vriendelijk uitzag, haar op
den schouder en zei in gebroken Engelsch dat hij bereid was "den koffer
en haar zelf"--heel vleiend was deze zinvoeging zeker niet!--op zijn
_jaunting-car_ te nemen en te brengen waar zij wezen moesten.
Zij knikte hem dankbaar toe en hij en nog drie behulpzame Ieren namen
den koffer op om dien op het wagentje te zetten. Heel handig ging het
niet, wel was er een groot vertoon van ijver bij; maar juist toen de
vrij zware koffer bijna stond waar hij staan moest, lieten zij dien nog
te vroeg los; hij kantelde en een gedeelte van den bodem zakte naar
beneden!
Nu was het een lawaai van heftig vragen en antwoorden en een gewirwar
van gebaren en een opgewondenheid van belang! Aanhoudend spraken allen
te gelijk, herhaaldelijk deden allen hun best Hedwig in wonderlijk
Engelsch nu dezen, dan dien raad te geven en het geheele tooneel was zoo
dwaas en te gelijk zoo schilderachtig dat Hedwig onmogelijk boos kon
zijn, vroolijk toekeek,--al meende zij telkens den bodem verder te zien
zakken!--en geduldig wachtte op verdere hulp. Kinderen: Jongens en
meisjes met grappige gezichtjes vol ondeugendheid en pret, gingen er nu
ook bij staan en ten slotte kwamen een zes of achttal bereidwillige
handen met een touw aandragen. Er werd meer geroepen en geplaagd en
gelachen dan gewerkt en het duurde een heel poosje eer de bodem weer
veilig tegen het bovenste gedeelte van den koffer was aangedrukt en het
touw er behoorlijk om bevestigd was. Hedwig hielp ook zelf ijverig mee
de knoopen stevig maken en men moedigde haar aan en gaf haar knikjes op
een grappige, familiare wijze, die zij aantrekkelijk en ook wat
zonderling vond. Zij was vermoeid van de lange reis, toch niet zóó
vermoeid dat zij er hare opgewektheid door verloor en toen de koffer
eindelijk werkelijk op de _car_ stond, dankte zij de haar omringende
Ieren hartelijk en zocht ijverig in haar beurs naar een kleine
vergoeding voor ieder, die meegeholpen had. Uitbundige dankbetuigingen
volgden en onder een luid geroep van Iersche woorden, die klonken als
"slaun lath" (_slan leat_ = goeden dag) en "Dheeash mera guth," (_Dia's
mearagat_ = God zegene u rijkelijk), werd zij in of liever op het
wagentje getild en reed zij weg.
De goedhartige koetsier toonde zich eerst zeer spraakzaam, maar toen zij
herhaaldelijk "_I don't understand_" had gezegd, gaf hij het op en begon
ter afwisseling een deuntje te fluiten.
Hedwig trachtte haar houding zoo gemakkelijk mogelijk te maken, wat geen
kleinigheid was voor iemand, die nog nooit met een Iersche
_jaunting-car_ had gereisd! Zij vond het vreemd zoo ter zijde van het
voertuig te zitten en dikwijls onverwacht een hort of een stoot te
krijgen, zoodat zij zich moest vasthouden om niet te vallen, maar
langzamerhand begon zij eraan te wennen en kon zij van ganscher harte de
mooie natuur en de verkwikkende stilte om zich heen genieten.
De overigens tamelijk donkere lucht vertoonde hier en daar blauwe
plekken, zoo krachtig van kleur, als zij zich niet herinnerde ze ooit
elders gezien te hebben, daarbij was de atmosfeer zoo zuiver dat het
ademhalen op zichzelf een genot scheen even groot haast als het kijken
naar het steeds afwisselend natuurschoon. Malsch groen,--het echte groen
van _Green Erin_--waren het gras en de hooge varens, die nog, evenals de
bloeiende struiken, vol glinsterende waterdroppels hingen van den milden
regen van dien middag en telkens weer ontdekte zij nieuwe boomsoorten.
Want in groote verscheidenheid groeiden langs den steeds stijgenden weg
pijnboomen en beuken, esschen, eiken, hulst met echt gezonde, gladde,
donkere bladeren en de fraaie arbutus of aardbeiboom, met zijn
schilderachtig rood getinte takken en glanzend groene bladeren,
waartegen de zachtroode of witte bloemtrossen en later de vuurroode
vruchtjes, zoo mooi afsteken.
Langs de kale rotsen, grootsch in haar woeste dorheid, groeide
lichtgroen en donker en bruinachtig mos en als een blijde verrassing
vertoonde zich soms een overvloed van rijk bloeiende brem, die in groote
trossen gouden bloesems het zonlicht scheen te hebben gevangen.
Tooverachtig mooi zag Hedwig, toen zij al hooger kwamen, de beroemde
meren van Killarney liggen, nu zacht zilvergrijs getint, in
schilderachtige tegenstelling met de statige purperkleurige bergen erom
heen, die wachtten op de rustige schaduwen van den avond. Dan weer,
vanaf een hoogte, die haar deed duizelen, keek zij heel in de diepte
neer op valleien, waarin rotsblokken als rondgestrooid lagen, terwijl
langs de rotsen op enkele plaatsen het witte, schuimende water bruisend
naar beneden stortte.
Nu weer dalend, dan stijgend vervolgden zij hun weg en herhaaldelijk
verbrak de koetsier door lustig gefluit de haast heilige stilte, die
alom heerschte. Er lag iets teers, iets weemoedigs in de wijze, waarop
de dag heengleed om straks plaats te maken voor den avond, die over al
de lieflijke kleurschakeeringen een geheimzinnigen, doorschijnend witten
nevel ging werpen. Hedwig huiverde, toen de lucht donkerder werd en met
nieuwen regen dreigde en zij hulde zich in haar wollen doek en trok haar
mantelkraag wat op, rillend meer nog van vermoeidheid dan van koude. Het
was haast of de slaapzucht der directrice van Hill House over haar
gekomen was en eindelijk sloot zij de oogen, zij kòn die niet langer
open houden, hoe mooi het ook was om haar heen!
Langzamerhand, bijna zonder het te weten, boog zij het hoofd dieper en
dieper voorover en verviel in een soort sluimering, tot zij opeens door
het stilstaan der _jaunting-car_ en het geluid van stemmen opgeschrikt
werd en, de oogen wijd openend, een zeer fraai rijtuig voor zich zag,
waarin een deftige heer zat, die haar met groote oplettendheid
beschouwde en ... Mr. Balvourneen bleek te wezen.
Dat zij juist op dit oogenblik haast in slaap was geraakt! Zij vond het
akelig en dwaas te gelijk en zij beet zich op de lippen en ging terstond
heel rechtop zitten, nu bizonder klaar wakker.
De koetsier keek haar lachend aan en gaf haar een vriendschappelijk
knipoogje, doch Mr. Balvourneen vertrok geen spier van zijn gezicht, nam
statig den hoed af, vroeg of hij het genoegen had Fräulein Eiche te zien
en verzekerde dat hij tot zijn spijt dien dag niet tot Killarney had
kunnen komen en zich eerst te laat de afspraak had herinnerd om haar van
het station te komen afhalen.
Een paar minuten later zat Hedwig tegenover hem in het rijtuig, was haar
koffer op den bok gezet en reed de bezitter van de _jaunting-car_, zeer
tevreden over de belooning hem door Mr. Balvourneen gegeven, naar
Killarney terug.
Het werd nu hoe langer hoe donkerder en meer dan ooit verlangde Hedwig
naar het eind van haar reis. Mr. Balvourneen vroeg een paar malen
beleefd: "_I hope you are not tired?_" en scheen eenigszins verbaasd te
wezen, toen Hedwig zeide dat zij wèl vermoeid was. Het begon te regenen,
eerst zacht, toen harder en eindelijk heel hard en toen zij Glengariff
naderden en een zijweg in moesten slaan, werd het noodig bevonden dat
zij uit het rijtuig stapten, omdat de weg uiterst modderig en daardoor
gevaarlijk was geworden. Het kasteel lag hoog en zij moesten een heel
eind stijgen. Hedwig vond het lang geen gemakkelijk werkje, toch kon zij
niet nalaten even te lachen om den eigenaardigen tocht, terwijl zij,
achter haar zwijgzamen geleider aan, bij het gebrekkige licht der
rijtuiglantarens, langzaam voortsukkelde. Maar zij kòn haast niet meer,
zoo slaperig was zij en ze was heel blij, toen de weg breeder en vlakker
werd en zij weer in het rijtuig konden stappen.
Eindelijk, eindelijk hoorde zij het kiezel kraken onder de hoeven der
paarden, het rijtuig nam een draai, toen nog een en ... stond stil voor
een groot, fraai gebouw, het kasteel Balvourneen.
Hedwig knipte met de oogen, zoo verblindend was na de grijszwarte
duisternis buiten, de glans van het licht in de smaakvol gemeubelde
vestibule, waar Mr. Balvourneen haar thans bracht. Hij schoof een stoel
naar haar toe en verzocht haar te gaan zitten, maar in spanning over de
eerste ontmoeting met Mrs. Balvourneen, bleef zij--trots haar
slaperigheid!---staan bij een hooge palm en wachtte de dingen, die komen
zouden.
Het duurde niet lang of een knecht verscheen. Door gangen met dikke,
zachte loopers bedekt, ging hij haar voor naar de eetkamer, waar Mrs.
Balvourneen, een kleine, bleeke vrouw met een spits gezicht en een
zeurderige stem, haar te gemoet kwam. "_I hope you are not tired?_" zei
ze, met koele beleefdheid de vraag van haar man herhalend en het
antwoord niet afwachtend. "Wij zullen maar dadelijk aan tafel gaan, het
is zóó laat geworden!"
Hedwig deed haar goed af en nam plaats op den stoel, die haar aangewezen
werd. Zoo graag zou zij eerst even naar boven gegaan zijn om zich wat te
verfrisschen, maar men liet haar geen keuze. Zij was nu zóó afgemat dat
ze groote moeite had de vragen--gelukkig waren het niet vele!--die haar
gedaan werden, te beantwoorden en zich zelfs een paar malen met een
speld in den arm moest prikken om goed wakker te blijven! Eindelijk
mocht zij tot haar groote vreugde van tafel opstaan en nu werd haar door
een zeer vriendelijk meisje, zooals later bleek de _nurse_ der kinderen,
haar kamer gewezen, waar zij haar koffer vond staan en zich eens naar
hartelust kon wasschen aan de fraaie waschtafel met marmeren blad,
waarbij een kan warm water voor haar was gereed gezet.
Wèl zag alles er hier heel anders uit dan op Hill House!
HOOFDSTUK IX.
Vier Iersche Kinderen en een Hond.
Zij werd den volgenden ochtend wakker met een gewaarwording alsof zij
nog nooit zóó lekker geslapen had! Even nog bleef zij met half gesloten
oogen liggen, droomerig beseffend hoe prettig het was, niet, als op Hill
House, veel te vroeg door het wreede gelui van een bel te worden gewekt
en juist dacht zij erover op te gaan staan, toen de deur zacht geopend
werd. Een net dienstmeisje trad binnen, opende vlug de gordijnen, deelde
haar mede dat het half acht was en verdween weer.
"Hoe heerlijk, de zon schijnt!" riep Hedwig en zij sprong het bed uit en
liep naar het raam toe om naar het uitzicht te kijken.
"Wat prachtig!"
Het was een kreet van louter verrukking. Had zij ooit eerder zoo iets
gezien?
Het was warm, een echte zomerdag, en zij duwde het raam open, dronk de
zoele lucht in en keek opgetogen om zich heen.
Tegen den muur bij haar venster bloeiden de zwellende knoppen van een
donkerroode klimroos. Beneden, in het park van het kasteel, verspreidden
de rose en witte bloemtrossen van een rij acacias, tusschen wuivend
groen, hunne fijne geuren in het rond, wedijverend met de witte
meidorens, die van bovenaf gezien, een gedeelte van den tuin als in
bruidstooi hulden. Diep in het dal zag zij het schilderachtige
Glengariff liggen omgeven door woeste, bijna zwarte rotsen en steile
bergen, die hunne scherpgekante toppen in plechtigen ernst omhoog
hieven, terwijl aan hun voet en op de hellingen dichte bosschen en
malschgroene grasvelden groeiden, in vroolijke tegenstelling met de
somberheid daar boven. In lieflijke kalmte, onder de bekoring der
krachtige zonnestralen, lag de baai; over het glinsterend groene water
hing een wonderschoon licht, dat ook over de talrijke eilandjes zijn
glans wierp. En door al de zoete geuren heen van rozen, meidorens en
acacia in haar nabijheid en van den overvloed van bloeiende struiken
verderaf, meende Hedwig ook iets te proeven van de reine zeelucht, die
haar zoo lief was.
"Hè, wat een genot!" Zij kon er haast niet toe komen zich aan te gaan
kleeden, maar zij begreep dat ze voortmaken moest en keerde zich met een
zucht van het raam af. Zij moest haar koffer ook nog geheel uitpakken en
zij trok dus eerst maar even de aardige muiltjes aan en de wit-serge
_peignoir_, die Mrs. Rowley haar geschonken had, haar plagend omdat zij
er trotsch op was dat het wit haar zoo goed stond. "Neen meisje, niet
ijdel wezen," zei ze, toen zij neiging voelde om even in den spiegel te
kijken van de groote hangkast, waarin zij den vorigen avond hare
japonnen had geborgen. Zij knielde bij den koffer neer, doch bijna op
hetzelfde oogenblik sprong zij weer op. Wat was dat toch voor gefluister
bij haar deur? Zij bleef heel stil staan om goed te kunnen luisteren,
toen glimlachte ze, zij had duidelijk kinderstemmen gehoord. Nu drong
ook het korte, half ingehouden geblaf van een hond tot haar door. Daar
klonk het luid: "Kijk nu, ik heb je wel gezegd dat je hem steviger vast
moest houden!" De deur vloog met een ruk open en een prachtige St.
Bernhards-hond stoof naar binnen, sprong tegen haar op, besnuffelde haar
aan alle kanten en legde toen vertrouwelijk zijne beide ruige voorpooten
op hare schouders.
Zonder de minste verlegenheid te toonen, in tegendeel schaterend van het
lachen en in de handen klappend van pret, bleven de vier kinderen in de
deuropening staan. De twee oudste meisjes van dertien en veertien jaar,
bogen de hoofden nieuwsgierig voorover om beter in de kamer te kunnen
zien, terwijl het achtjarige, blonde zusje en het aardige broekmannetje
van vijf, uit alle macht Bruce, den hond, toeriepen dat hij
"_Mam'selle_" een kus moest geven!
Hedwig lachte mee en legde haar hoofd even tegen den kop van Bruce aan,
die vond dat de vriendschap nu gesloten was en naar de kinderen
terugliep. "_Oh mam'selle! The new man'selle!_" riepen de meisjes met
eigenaardig welluidende stemmen, die Hedwig prettig in de ooren klonken.
Toen vroegen zij met schalksche gezichtjes of zij binnen mochten komen.
Hedwig knikte maar. Wat kon zij anders doen? "Vijf minuten," zei ze en
terstond stond het geheele troepje, Bruce incluis, in haar kamer.
"Ziezoo, nu zal _ik_ u eens vertellen wie wij eigenlijk allemaal zijn,"
zei het tweede meisje, dat een echt bij-de-handje was en er ook zoo
uitzag met haar kort, bruin haar, grijsgroene oogen en het brutale
wipneusje in het smalle, scherpomlijnde gezicht. "Dit is May," en zij
schoof haar ouder zusje naar voren. "Een snoes, vindt u niet?" En May,
een mooi meisje met dik, blauwzwart haar en heel donkerblauwe oogen,
bloosde even en keek lachend tot Hedwig op. "Dan kom ik," ging het
praatstertje voort, "niets mooi, zooals u ziet, maar wezenlijk nogal
aardig! Ik heet eigenlijk Kathleen, maar ik word altijd Bunny genoemd,
niet omdat ik op een konijntje lijk...."
"Jawel, jawel, daarom juist wel," riep May er tusschen door, doch Bunny
legde haar de hand op den mond en vervolgde: "Dàt heelemaal niet, maar
omdat Bunny korter en makkelijker is dan Kathleen. Dit is Nesta," en zij
duwde het achtjarige meisje naar voren, een teergebouwd kind met
donkerbruine oogen en lang, blond haar. "Nesta is een _klein_ beetje een
driftkopje, maar anders niet kwaad...."
En Nesta rukte zich los, stampte op den grond en riep half schreiend:
"Ik ben heelemaal geen driftkopje, heelemaal niet! En jij moogt geen
leugens vertellen...."
Maar Hedwig had haar bij de hand genomen en keek haar ernstig en
doordringend in de oogen. Toen ging het blonde hoofdje langzaam naar
beneden en de trillende lippen zwegen.
"En dit is de eenige heer," zei Bunny, met gemaakte deftigheid op haar
broertje wijzend. "Zijn naam is Gerald, voorloopig noemt iedereen hem
echter Boy. Toch heeft hij zich al vast een mannenstem aangeschaft en
daarom wordt hij ook wel eens de _thunderboy_ genoemd, maar dat gebeurt
toch niet dikwijls."
"Neen, dat geloof ik dadelijk," zei Hedwig lachend en zij keek naar het
stevige figuurtje van den kleinen jongen, die de donkerblauwe oogen van
May had en krullend, goudbruin haar, dat hij telkens ongeduldig
wegstreek om Hedwig beter te kunnen zien. Hij en de St. Bernhardshond,
die trouw naast hem bleef staan, onophoudelijk met zijne verstandige
oogen van den een naar den ander kijkend en met zijn staart kwispelend,
vormden een alleraardigst schilderijtje.
Hedwig liet de hand van Nesta los, die nog steeds zacht snikte en bij
Boy neerknielend, vroeg ze, zóó zacht dat Nesta het niet hooren kon:
"Schreit Boy wel eens?"
Zij schrikte bijna van de grappige, grove stem, waarmee hij antwoordde:
"Boy is geen meisje." Trots Bunny's mededeeling kwam die diepe toon uit
dat kleine lichaampje, haar toch nog onverwacht.
"Maar nu, een, twee, drie, de kamer uit," gebood zij eindelijk en de
kinderen lachten en gingen heen, met hun aardigen, Ierschen tongval maar
al "_Oui mam'selle_" en "_Chère mam'selle_," roepend; blijkbaar was
hunne laatste gouvernante een Française geweest.
Hedwig haastte zich nu met kleeden en juist was zij klaar, toen de gong
voor het ontbijt luidde. Zij vond Bruce, die met zijn slim
hondenverstand terstond begrepen had dat zij den langen weg naar de
ontbijtkamer niet dadelijk alleen zou kunnen vinden, nog voor de deur
liggen en hij ging haar thans voor naar beneden, aldoor even den kop
omdraaiend om te zien of zij hem wel volgde. Eindelijk stond hij stil
voor de deur der kamer, waar zij wezen moest, zag eerst haar aan en toen
naar de deur en liet een kort, gebiedend geblaf hooren.
[Illustration: Bruce.]
Hedwig opende de deur, Bruce volgde langzaam en bleef met den staart
tusschen de pooten weifelend staan, toen de stem van Mrs. Balvourneen
klagend zeide:
"Och, nu komt die hond toch weer binnen! Ik wil hem hier niet hebben 's
ochtends aan het ontbijt, dat heb ik al zoo dikwijls gezegd. Ik kan niet
tegen die drukte...."
"Ach Bruce, lieve, beste Bruce! Mag hij niet even een stukje geroosterd
brood hebben, moeder?" vroeg Boy smeekend en toen zijn moeder lijdelijk
toestemde, na eerst even lijdelijk Hedwig goeden morgen te hebben
gewenscht, riep Boy, terwijl hij een smakelijk stukje geroosterd brood
in de hoogte hield en zijn stem zoo mogelijk nog grover maakte dan
gewoonlijk:
"Zeg dan _please_, Bruce."
Bruce opende den bek zeer wijd, smakte dien toen snel weer dicht en liet
met een tikkend geluid zijn tanden op elkaar klappen, wat bij hem "als
't je blieft" beteekende.
"Daar!" zei Boy, hem de begeerde lekkernij gevend.
"Nu moet hij ook dadelijk weg!" hernam Mrs. Balvourneen en de geduldige
Bruce verdween, zooals zijn plicht was.
Eerst nu kwam Mr. Balvourneen binnen, gevolgd door de schare dienstboden
en knechten, die iederen ochtend bij de korte godsdienstoefening
tegenwoordig waren.
Mr. Balvourneen deed een gebed en las enkele verzen van den negentienden
psalm voor. Er was iets kouds en plichtmatigs in de wijze, waarop hij
zijn werk deed, toch vonden de woorden, die hij las, warmen weerklank
in Hedwig's hart. En, terwijl zij door de wijd openstaande verandadeuren
een blik kon werpen op de blauwe lucht en op de steeds wisselende tinten
van purper en teerrood en zachtgrijs op de bergen en rotsen en zich
koesterde in de zon, die grillige figuren tooverde op het goudlederen
behangsel der kamer, luisterde zij met stille vreugde naar wat haar
juist hier zoo toepasselijk scheen:
"_De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner
handen werk._"
Na het lezen, toen het dienstpersoneel verdwenen was, verzocht Mrs.
Balvourneen weer dringend om stilte en de kinderen fluisterden en
giegelden onder elkaar, maar van een geregeld gesprek was geen sprake.
Mr. en Mrs. Balvourneen bemoeiden zich nauwelijks met Hedwig, schoven
haar alleen de verschillende schotels toe en hoopten een paar
malen--nogal uit de hoogte--dat zij "zou doen alsof ze thuis was."
Hedwig vond het dan ook niet jammer toen het tijd was om met de meisjes
naar de leerkamer te gaan en Bridget, de _nurse_, kwam om Boy mee naar
de kinderkamer te nemen. Boy stribbelde tegen, steeds met krachtige stem
bewerend dat hij "niet wilde", tot zijn vader hem vierkant opnam en de
kamer uitzette, een tooneel, waaraan allen gewend schenen te wezen, want
niemand toonde er ook maar de geringste verbazing over. Boy zelf zong
spoedig in de gang zijn hoogste lied en liep met klinkende stappen de
trap op naar de kinderkamer, die zich naast de leerkamer bevond.
Weer kon Hedwig niet laten vergelijkingen te maken met Hill House, toen
zij de leerkamer voor zich zag. Als Miss May en Taffy en Mary Wren nú
toch eens naast haar hadden kunnen staan! Wat zouden zij de handen in
elkaar hebben geslagen over den rijkdom van boeken op de planken langs
de muren, over de groote eikenhouten tafel, de flinke stoelen met hooge
ruggen, de nette inktkokers, pennehouders, vloeiboeken en alle mogelijke
andere leerbenoodigdheden meer en--zeker het meest haast nog wel over de
heerlijke weelde van licht en zon, die door de breede ramen naar binnen
stroomde en over de met bloemen gevulde nissen, die zoo'n vroolijk
aanzien aan de kamer gaven!
"Hier zit _ik_ altijd," zei Bunny, haar plaats aan de tafel innemend.
"En vandaag moeten wij Duitsch leeren, heeft moeder gezegd. Wij kennen
er nog niets van, maar wij zijn heel vlug."
"Zoo!" Hedwig glimlachte. "Dat geloof ik nog maar zoo dadelijk niet."
"'t Is toch zoo," verklaarde Bunny beslist, maar nu liet Boy's diepe
stem zich uit de andere kamer hooren:
"Maddy moet ook even bij mij komen kijken!"
"_Maddy_? O, dat beteekent _Mam'selle_, dat heeft Boy weer heelemaal
zelf bedacht," zei de kleine Nesta met bewondering in haar stem. "Zoo is
hij altijd. Hij bedenkt altijd naampjes voor iedereen."
"Dus hier zal ik Maddy heeten," dacht Hedwig lachend. Zij vond het
aardig aan haar moeder en Clärchen te kunnen schrijven dat men _hier_
ook al weer een aparten naam voor haar had gevonden!
"Kom nu Maddy, gauw!" riep Boy weer.
"Voor dezen éénen ochtend dan," zei Hedwig naar hem toegaande. "Maar
morgen en overmorgen en al de andere dagen nooit weer. De zusjes en ik
moeten aan het werk en Boy moet gaan spelen."
"Ja, dat heb ik ook al gezegd," zei Bridget.
"Maar Boy wil van ochtend bij Maddy blijven," verklaarde Boy, de
wenkbrauwen fronsend. "Dat moet!"
"Neen, dat kan niet," zei Hedwig beslist. "Boy blijft van ochtend hier
in deze kamer."
"En van middag?"
"Van middag gaan wij allen samen wandelen."
"Boy wil nù wandelen."
"Neen, dat gebeurt van middag."
"Och neen, dat moet nu, nù," drong Boy aan en hij ging vlak voor haar
staan en deed zijn best heel streng te kijken.
"Neen, volstrekt niet," zei Hedwig, Bridget een wenk gevend, terwijl ze
naar de leerkamer terug ging. Zij draaide den sleutel om, om zeker te
zijn niet gestoord te worden.
May en Bunny zaten reeds met Duitsche leesboekjes voor zich; de
achtjarige Nesta was in een hoekje bij een der ramen gaan zitten, omdat
zij toch afzonderlijk werken moest, zooals zij zeide. Voorloopig stelde
zij zich tevreden met een fraai geïllustreerd sprookjesboek!
Hedwig beduidde haar dat zij een oogenblikje bij de oudere zusjes moest
komen zitten; zij had tot alle drie iets te zeggen, voordat het werk
begon. En juist sprak zij erover hoe ze van plan was alles in te richten
en dat zij een lijst wou maken en alles opschrijven, toen er uit de
kinderkamer een vervaarlijk gegil klonk, dat haar opeens ontsteld
zwijgen deed.
"O, het is niets, doet u maar net of u het niet hoort," zei May, goedig
haar hand op die van Hedwig leggend. "Dat zijn kunsten van Boy."
"Ja, echte kunsten," zei Nesta, met haar hoofd knikkend tot de blonde
haarlokken ervan schudden. "Hij kent er een heeleboel en dit is een
nieuwe oorlogskreet."
"I-a-hoep!" klonk het weer van Boy en Nesta vloog naar de tusschendeur,
bonsde er tegen en riep luid terug:
"I.. a.. hoep!"
Hedwig stond bedaard op en bracht haar naar haar plaats terug. "Niet
weer doen, Nesta, de lessen beginnen nu."
"Maar het is anders wèl genoegelijk zoo'n klein beetje pret tusschenin;
vindt u ook niet?" zei Bunny en zij keek Hedwig aan en kneep hare oogen
zoo grappig dicht dat Hedwig moeite had ernstig te blijven. Boy liet nog
eenmaal zijn krijgskreet hooren, maar toen er geen antwoord kwam en hij
te vergeefs aan den deurknop gerammeld had, hield hij zich stil.