Wat zou Tieka zeggen? Zou Tieka het hebben willen? Zou zij er zich niet

tegen verzetten? Ze moest nu opeens geheel aan Tieka denken en hoe de

vroolijke uitdrukking van haar gezichtje verdwijnen zou, als zij het

hoorde. En terwijl zij zich, zeer karakteristiek voor haar, geheel

verdiepte in Tieka's droefheid, werd haar eigen smart op den achtergrond

gedrongen en toen zij eindelijk schreien kon, was het meer nog om

Tieka's leed dan om haar eigen.

Toen Tieka 's middags terugkwam, zag zij terstond dat deze reeds alles

wist. Haar vader had haar zijn besluit meegedeeld aan het eind van de

wandeling en zij was blijven staan en had hem ongeloovig aangezien, stom

van verbazing. Maar zij had niets gezegd, dadelijk troost zoekend in een

zeker vaag bewustzijn dat hij zich vergissen moest, dat haar moeder

alleen precies op de hoogte kon wezen van alles wat hare lessen en hare

gouvernante betrof en zoodra zij thuis kwamen, was zij naar de barones

toegesneld. Het was immers niet waar dat Fräulein Eiche wegging?

"Ja natuurlijk is het waar," had de barones gezegd.

Toen was Tieka dadelijk naar boven geloopen en heel bleek, met iets

verschrikts in hare oogen, kwam zij bij Hedwig. En voor 't eerst een

gebod van haar moeder geheel vergetend, sloeg zij de armen om Hedwig's

hals, al maar roepend: "_Oh my dear, my dear_!"

Toen snikte zij even heel zacht met die eigenaardige, bij een kind zoo

treffende zelfbeheersching, die Hedwig reeds dikwijls bij haar had

opgemerkt en zij legde liefkoozend haar wang tegen die van Hedwig aan en

bleef een oogenblik zoo zitten; toen opeens sprong zij op en liep weer

naar beneden naar de barones.

"Moeder," riep ze, "o, ik smeek u, laat Fräulein Eiche toch niet

weggaan; ik vind het zoo vreeselijk!"

"Maar Tieka!"

Het kind had haar hand smeekend op den arm harer moeder gelegd; onder

den kouden, strengen blik, die haar trof, liet zij die hand weer weg

glijden.

"Ik vind het zoo vreeselijk, vreeselijk!" herhaalde zij fluisterend.

"Je moet me voortaan van die kinderachtige vertooningen verschoonen,

Tieka. Begrepen? Het is groote dwaasheid je zoo aan te stellen,

eenvoudig omdat je gouvernante weggaat; je zult er spoedig genoeg aan

gewend zijn."

Tieka's gezicht werd eerst doodsbleek, toen vuurrood, daarna weer heel

bleek. Zij waagde nog een laatste poging.

"Dus het gebeurt echt?"

"Zeer zeker gebeurt het," klonk het driftig. "En ga nu terstond heen. Je

vergeet tegen wie je spreekt."

Tieka ging, diep verslagen. Boven bij Hedwig hield zij zich niet meer

in, maar schreide uit, schreide alsof haar het hart zou breken. En hoe

Hedwig ook haar best deed, zij wilde zich niet laten troosten....

Voor Hedwig zelf kwam thans de gewichtige vraag hoe zij een nieuwe

betrekking zoeken en vinden moest. Aarzelend vroeg zij, na enkele weken,

de barones om raad en deze liet haar kranten brengen, streepte hier en

daar een advertentie aan en schreef een kort getuigschrift, ten volle

overtuigd dat zij daarmede reeds zeer veel voor hare jeugdige

gouvernante gedaan had.

Bij de jonge gouvernante zelf was de oude moed spoedig herleefd. "Niet

tobben, ik _wil_ niet tobben," zei ze herhaaldelijk, als de gedachte aan

het afscheid van Tieka haar te machtig dreigde te worden en dapper

schreef zij brief op brief, gaf en vroeg inlichtingen en veroverde

eindelijk een betrekking als onderwijzeres op een kostschool te Chester,

een inrichting voor weezen en halfweezen, die geen thuis meer hadden of

er nooit een hadden gekend.

Zij zou voornamelijk les moeten geven in Duitsch, rekenen en handwerken,

schreef men haar, daarvoor in ruil onderwijs krijgen in Fransch en

teekenen en bovendien een salaris ontvangen van 12 pond (f144) per jaar.

Veel was het niet, vrij wat minder nog dan ze thans verdiende, maar de

betrekkingen waren niet opgeschept, aan naar huis teruggaan wilde zij

geen oogenblik denken en toen zij, na eenige aarzeling, de vrijheid nam

de barones weer om raad te vragen, sprak deze zoo beslist de meening uit

dat zij "dit vooral aannemen moest, nu zij het krijgen kon," dat zij

niet langer wachtte met het nemen van een besluit en nog dienzelfden dag

aan de directrice der kostschool schreef zij dat zij na de Kerstvacantie

komen zou.

Van een reisje naar Duitschland met de kerstdagen kon, om de groote

onkosten, thans niets komen. Zij liet zich dus in de vacantie nog maar

eens ter dege door Tieka verwennen, slaagde erin de laatste dagen van

het jaar ook voor haar leerlingetje prettig en opgewekt te doen zijn

en--hield zich kloek, toen even na Nieuwjaar, de dag van het afscheid

werkelijk gekomen was.

Het was een snerpend koude ochtend, het vroor hard en de zon trachtte

te vergeefs door den witgrijzen nevel heen te dringen, die als een

reusachtige wolk over heel Edinburg hing. "_Zum Abschied nehmen just das

rechte Wetter_," mompelde Hedwig, terwijl zij zich kleedde.

Zij moest tegen elf uur vertrekken en kon ongeveer half drie te Chester

wezen. Eigenlijk was zij maar blij, toen haar groote koffer--Anna

Schaub's geschenk--reeds naar 't station gebracht was en het voor haar

ook tijd werd om te gaan. De baron en de barones gaven haar de hand bij

het afscheid en zeiden een paar welwillende woorden; Tieka, die te

vergeefs verzocht had mee naar het station te mogen gaan, stond bij hen

en kon niets zeggen. Zij keek Hedwig strak aan met hare groote oogen en

knikte zwijgend, toen deze zeide: "Dag lieve Tieka, zul je mij niet

vergeten?"

Dat was alles. Toen was het voor goed uit. De deur viel achter haar

dicht en zij stond op straat.

Ze had voor het rijtuig bedankt en gezegd graag naar het station toe te

willen loopen, want zij had behoefte aan de frissche wandeling en zij

liep snel door, telkens even op hare lippen bijtend bij de gedachte dat

het nu voorbij was, voor goed voorbij het gelukkige leven met Tieka.

Maar ze hief het hoofd op en liep nog vlugger voort. "_Nooit_ flauw

zijn, God helpt!" fluisterde ze.

Bij het geliefde standbeeld van Scott bleef zij een oogenblik staan. Zij

deed haar best het gezicht duidelijk te onderscheiden door den nevel

heen en even wuifde ze met haar hand....

Ze werd kalmer gestemd, toen zij eenmaal op reis was en zij glimlachte

blij, toen de zon eindelijk door den mistsluier begon heen te dringen.

Toen de trein te Chester stilhield en het haar duidelijk werd dat er

niemand was om haar af te halen, besloot zij haar koffer maar aan 't

station achter te laten en naar de school toe te loopen. Zij zou den weg

wel vinden, meende ze, en zij was na het lange zitten in den trein

letterlijk verstijfd van koude en verlangde naar wat beweging.

Even ging zij de restauratie-zaal in om een kop warme koffie te drinken

en te vragen hoe zij loopen moest om Hill House--zoo heette de

school--te bereiken. "U kunt, in ieder geval, om theetijd wel bij ons

wezen," had Miss Wells, de directrice, geschreven; het was nu nog maar

even half drie en zij had dus nog een paar uren den tijd.

Een vriendelijk buffetmeisje hielp haar te recht en gaf haar zelfs een

kaartje van Chester ten geschenke. Toen zij vertelde dat zij op Hill

House moest wezen, kwam er een zeer eigenaardige uitdrukking op het

gezicht van het meisje, maar Hedwig merkte het niet op; zij was verdiept

in haar kaartje.

"Wilt u bepaald loopen?" zei het meisje nog. "U zoudt ook een heel eind

per tram kunnen gaan; het is een lange wandeling," doch Hedwig

antwoordde vroolijk dat zij daar niet tegen opzag en geen haast had.

Opgewekt, thans weer vol moed voor het nieuwe leven dat haar wachtte,

liep zij het station uit. Zij had lust in haar wandeling en was benieuwd

hoe zij de stad vinden zou en verruimd haalde zij adem, toen juist op

het oogenblik dat zij het station verliet, de mist geheel vaneen

scheurde en de zon in volle glorie doorbrak.

O, wat was het nù mooi! Over alles heen lag de rijp als een kantachtig

wit weefsel, waarin ontelbare sterretjes glinsterden. Het blauw in de

lucht werd hoe langer hoe meer zichtbaar en krachtiger van tint. Het

bleef sterk vriezen en het was doordringend koud, maar Hedwig gaf er

niet om en stapte flink aan, eerst de niet heel fraaie City-road langs,

toen, steeds de aanwijzingen van haar kaartje volgend, een breede straat

in, tot ze bij een poort stond, waarnaast zich een steenen trap bevond

met het opschrift: "_To the city walls_".

De steenen treden zagen er heel glibberig uit, toch kon zij de

verleiding geen weerstand bieden even naar boven te gaan. Men had haar

verteld van de beroemde, oude muren rondom de stad Chester, waarover men

wel een wandeling van een klein uur kon maken en zij moest toch eens

kijken....

Zij liep eerst een eindje door, toen ze boven was;--toen bleef ze

verrast staan, want wat zij voor zich zag, was als een sprookje.

In hare nabijheid, haast vlak bij scheen het haar toe, stond daar in

grootsche majesteit, de hooge, indrukwekkende kathedraal van Chester met

het stille plein met de mooie boomen erom heen, alles bedekt door een

sluier van ragfijne rijp. Geen enkel geluid drong tot haar door en het

was of al die teere witheid de stilte nog verhoogde en haar lieflijker

maakte.

[Illustration: Rows te Chester.]

Zij voelde zich wonderlijk ontroerd. Geheel alleen stond zij daar in een

vreemd land, ver van huis, in een stad, waarin nog niemand haar

kende,--zooeven had zij zich een oogenblik plotseling haast angstig

eenzaam gevoeld,--nu gleed die gewaarwording van haar weg en haalde zij

diep adem met een gevoel van innige vreugde. Onwillekeurig vouwde zij de

handen; haar hart dankte God voor wat Hij haar te genieten gaf.

Voorzichtig ging ze de trap weer af; het was over half vier, ze moest nu

maken dat zij verder kwam. Zij raadpleegde haar kaartje.

Het vriendelijke buffetmeisje had haar gezegd dat de school, zooals de

naam Hill House trouwens ook aanduidde, op een heuvel lag even buiten de

stad en zij zag op haar kaart dat zij nu eerst weer rechtuit moest gaan.

Maar toen zij even doorgeloopen had, keek zij verbaasd om zich heen. Wat

was dat? Liep ze nu opeens door een stad van een paar eeuwen geleden?

Alles zag er zoo geheel anders uit dan zooeven. Schilderachtige oude,

geelbruin en donker getinte geveltjes werden tooverachtig verlicht door

enkele verdwaalde zonnestralen, die de schemering, die in deze straat

heerschte, nog sterker deed uitkomen. Want aan beide kanten bevond zich

hier aan de huizen een soort van lange, overdekte balkons of galerijen,

die er zeer oud en verweerd uitzagen en, in elkaar loopend, de geheele

lengte der straat besloegen en het licht onderschepten. Sommige der oude

huizen waren met schuinloopende strepen of figuren beteekend, andere met

zeer fraai houtsnijwerk versierd en van spreuken voorzien.

Hedwig vond het aardig een trapje naar een der galerijen op te gaan, er

door heen te loopen en zoo een blik te slaan op de straat, die zoo

geheimzinnig in het halfduister lag. Zij liep slechts langzaam verder;

ook in de veelsoortige winkeltjes, die zij langs kwam, was veel dat haar

aandacht boeide en toen zij de galerij verlaten had en, links afslaande,

een kijkje kreeg op een groepje zwart-en-wit getinte huizen, sierlijk

met de vooruitspringende vensters rustend op ranke, spiraalvormige

pilaartjes, was zij één en al opgetogenheid.

"Wat een stad! Wat een mooie stad!" zei ze. "Het zal mij hier stellig

goed bevallen. Wat wou ik graag dat Tieka dit eens zien kon! Zij zou

zeker zeggen dat het echt sprookjesachtig was."

Nu was ze, in al haar verrukking, toch verkeerd geloopen, geloofde ze en

zij bleef even staan en haalde haar kaart weer te voorschijn; zij kon er

echter thans niet wijs uit worden. Juist stond ze voor een bakkerswinkel

en toen zij opkeek, las ze met zekere gretigheid de aankondiging:

"_Hot Pies Every Saturday

Finest Hand-made

Bread only Baked_."

Ze was flauw geworden en had trek gekregen; heel veel had zij vandaag

ook nog niet gebruikt. Hier zou zij maar eens even naar den weg vragen

en meteen iets eten, een kleinigheid maar, anders mocht ze haar eetlust

eens bederven voor de _tea_, waarmee men haar op Hill House wachtte. Ze

moest nu toch ook maken dat zij er kwam. Als zij eens één warm pasteitje

kocht.... Ze had er zóó'n trek in! Snel vroeg zij er naar.

"Vandaag niet juffrouw; die hebben wij alleen maar Zaterdags."

Och ja, dat was waar ook, dat stond duidelijk voor het raam. Ze nam het

nu maar voor lief met een vrij oudbakken krentenbroodje; straks op Hill

House zou zij haar schade wel inhalen.

Het bleek dat zij toevallig toch de goede richting had genomen.

"Mag ik vragen bij wien u wezen moet?" vroeg de winkelbediende, die

nogal nieuwsgierig van aard scheen te zijn.

"O jawel," zei Hedwig, "ik ga naar Hill House."

De man zette groote oogen op.

"En...." vroeg hij, veelbeteekenend met het hoofd knikkend, "gaat u daar

heen als onderwijzeres?"

Hedwig keek hem wat scherper aan en glimlachte even om zijn

onbescheidenheid.

"Ja zeker," zei ze kortaf en maakte zich gereed om heen te gaan.

"Dan zult u daar niet veel warme pasteitjes proeven, vrees ik," hoorde

zij hem nog zeggen, terwijl ze den winkel uitging. Zij luisterde echter

niet meer, zij vond hem vrij brutaal en liep haastig verder.

Weldra kwam zij nu even buiten de stad bij een brug over de mooie rivier

de Dee en spoedig daarop aan den tamelijk eenzamen weg, dien zij zocht.

Eindelijk zag zij Hill House op een hoogte liggen. Vroolijk zag het er

niet uit, dat moest zij bekennen, want een groot, kaal, grijs gebouw was

het met een menigte smalle ramen en een hooge voordeur, waarvan de verf

nagenoeg verdwenen was. In den gevel stond met groote, zwarte letters,

die thans nog zwarter schenen door de rijp eromheen: Hill House. Alles,

ook de tuin achter het huis, een groote lap gronds met niets erin dan

enkele lage hulststruiken en een verschrompeld kastanjeboompje, gaf den

indruk van armoede en verwaarloozing.

Hedwig bleef een oogenblik staan voordat zij den heuvel beklom. "Dat is

dus Hill House," zei ze met nadruk. "_Veel_ lijkt het, althans van

buiten, niet op het paleis van den baron von Zercläre, maar wie weet hoe

fraai het van binnen is!"

Binnen een paar minuten stond zij voor het huis. Snel keek ze naar

boven of er ook iemand was, die naar haar uitzag. Er vertoonde zich

echter niets voor de ramen en zij liet dus den zwaren klopper op de deur

vallen.

Wat klonk dat hol! Het was of de geheele bevroren heuvel ervan uit een

soort verdooving ontwaken moest--zij vond het haast griezelig! Het

duurde geruimen tijd, voordat de zware deur langzaam open ging en het

begon reeds te schemeren, toen zij eindelijk binnen gelaten werd en,

huiverig geworden van het staan, nòg kouder werd in de lange, donkere,

kille gang, die zij nu door moest loopen.

HOOFDSTUK VI.

Koude en Honger.

"Ik ben de nieuwe onderwijzeres," zei ze tot het meisje, dat de voordeur

geopend had en haar nu zwijgend den weg wees. Het was een armoedig

gekleed, uit de kracht gegroeid kind van een jaar of dertien met een

heel smal gezichtje, waarin de donkere oogen nog donkerder schenen door

de blauwe kringen, die eronder lagen. "Dat weet ik," antwoordde zij met

een heesche stem en Hedwig zei maar niets meer; het spreken kostte het

arme kind blijkbaar moeite.

Aan het eind der gang stonden zij stil bij een deur, die toegang gaf tot

de kamer van Miss Wells, de directrice. Het meisje klopte aan, een

scherpe, hooge stem riep: "_Come in!_" en Hedwig zag Miss Wells voor

zich.

Zij zat op een houten bankje--zooals Hedwig later ontdekte, was er in

het gansche groote Hill House geen enkele stoel te vinden!--aan een

tafel vol papieren, rekeningen te schrijven. Toen zij Hedwig gewaar

werd, stond zij niet op, maar bekeek haar met groote nauwkeurigheid.

"Fräulein Eiche zeker?" vroeg zij kortaf. Hedwig knikte. Wat was het

benauwd in de kamer; zij kon er haast geen adem halen! De overgang van

de snerpend koude lucht buiten tot de overwarme, onfrissche atmosfeer in

het lage vertrek, waar het gas reeds brandde, was al te groot.

Zij hield zich echter dapper, hoewel het moeite kostte, vooral toen zij

Miss Wells nader bekeek, want smakelijk zag die er allerminst uit! Op

het grijze haar, waarvan enkele lokken uit het slordige kapsel waren

losgeraakt en langs de geelbleeke, bolle wangen hingen, prijkte een

mutsje van vuilwitte kant, waarop een stoffige, roodfluweelen strik ter

verfraaiing was aangebracht. Een verkleurde groene japon hing slordig om

de kleine, zeer gezette gestalte en was letterlijk bezaaid met harde,

witte vetvlekken, terwijl Miss Wells over de schouders heen een

vaalzwart, wollen doekje had geslagen, dat van voren met een haarspeld

was vast gemaakt.

Ook de kamer had een zeer onbehagelijk voorkomen en bevatte geen andere

meubelen dan de tafel, de bank en een groote geelhouten kast. Voor de

ramen, waarvan het ontdooiende ijs in druppels afliep, was geen zweem

van een gordijn te ontdekken en op den ongeverfden vloer lag geen ander

"kleed" dan het vuilwitte schapevachtje, waarop Miss Wells hare voeten

liet rusten.

"Luid spreken, als 't je blieft, ik ben doof," zei ze, Hedwig met haar

hoofd op zijde, stuursch aanziende.

Hedwig knikte maar weer.

"Was de trein zoo laat vandaag?"

"Neen, ik ben op tijd aangekomen," riep Hedwig zoo luid ze kon.

"Zoo. En hoe komt het dan dat het nu zoo laat is?"

"Ik heb nog even een wandeling door de stad gemaakt," zei Hedwig

opgewekt.

"O zoo. Ja, dat konden wij niet weten natuurlijk. Ons theeuur is lang

voorbij en dus...." Zij haalde de schouders op.

"Ik ... er zal misschien nog wel wat thee en een boterhammetje voor mij

bewaard zijn?" waagde Hedwig te vragen. Zij had zóó'n trek; ze _moest_

wat eten!

Miss Wells deed alsof zij haar niet verstaan had.

"Wat zegt u?"

Met een kleur, toch zonder verlegenheid, herhaalde Hedwig luide haar

vraag.

De zuinige directrice schudde echter het hoofd. "Wel neen, er is geen

thee meer te krijgen; daarvoor is het nu te laat," zei ze. "Straks wordt

het avondeten gebruikt."

Hedwig hoopte vurig dat "straks" "heel gauw" beteekende!

"Waar is uw koffer?" vroeg Miss Wells verder. Zij was thans opgestaan en

waggelde in al haar dikte naar de schel toe.

"Dien heb ik aan het station gelaten. Mag hij even gehaald worden?"

Met de hand aan het schelkoord, keerde Miss Wells zich toornig om.

"Nog gehaald worden, van avond? Neen hoor, daar kan niets van komen; wij

houden hier geen hotel! Knechten of dienstmeisjes hebben wij ook niet,

want wij doen alles zelf. _Alles_; begrepen? U zult het dan voorloopig

maar zonder uw koffer moeten stellen en dien morgen gaan halen met

Peter en het wagentje. Er kan dan nog wel iemand met u meegaan." Toen,

ter verduidelijking, alsof ze bang was dat Hedwig in den genoemden

"Peter" een manspersoon zou vermoeden, "Peter is onze pony."

"O," was al wat Hedwig zeide. Ze vond het heel vervelend zoo lang op

haar koffer te moeten wachten, maar zij onderwierp zich zonder meer,

begrijpend dat er toch niets aan te veranderen was.

Miss Wells trok nu met een ruk aan de schel en een oudachtig, schamel,

doch net gekleed dametje verscheen, dat er, evenals het meisje, dat

Hedwig binnen gelaten had en dat in de wandeling Taff of Taffy werd

genoemd, heel vermoeid uitzag.

"Dit is onze huishoudster, Miss Ellis," verklaarde Miss Wells. "Zij zal

u den weg wijzen naar de schoolkamers. Miss Ellis, dit is Fräulein

Eiche, de nieuwe onderwijzeres."

"_How do you do_?" zei Miss Ellis en er kwam een vriendelijk lachje op

haar gezicht, toen zij Hedwig de hand reikte.

Hedwig had haast gezegd: "Goed, maar ik heb zoo'n honger," maar ze

durfde niet recht. En ... we krijgen toch straks avondeten, troostte zij

zich.

Zij volgde Miss Ellis een paar nauwe dwarsgangen door, waar het salpeter

van de muren viel en zich in de koude, grijze vloersteenen holten hadden

gevormd door de vele voetstappen, die erover waren gegaan. Er hing een

vunzige lucht en het was er kil en heel vochtig. Bijna even koud was het

in de groote, kale schoolkamers, waar het vuur op den haard veel te

weinig voedsel kreeg en zeer onvoldoende warmte gaf. De ruiten der

gordijnlooze ramen waren dan ook nog stijf bevroren.

Juist toen Miss Ellis en Hedwig binnen kwamen, werd het gas aangestoken

en het schelle licht der door geen ballons of kappen beschermde

gaspitten, viel onbarmhartig duidelijk op de rijen bleeke gezichten der

kinderen, die op banken aan de lange, houten tafels gezeten waren. Het

waren kleine en grootere meisjes van allerlei leeftijd, maar de

gezichten hadden door de sporen van lijden en ontbering, die erop waren

afgedrukt, iets treurig ouwelijks gekregen, dat zeer pijnlijk trof. Een

zonderling kontrast met de tengere kindergestalten vormde bij velen de

kleeding, blijkbaar afval van vroegere draagsters. Want de leerlingen

van Hill House gingen bijna allen gekleed in wat haar door gulle

bloedverwanten of vrienden was afgestaan en de arme weezen en

half-weezen, die alle moederlijke zorg misten, droegen veel te groote

schoenen, te wijde jurken, te korte of te lange rokken en ach, ook maar

al te vaak, veel te dunne stof voor den kouden winterdag.

Het treurige schouwspel, zoo geheel iets anders dan zij nog aan den

ochtend van dien dag, toen zij zoo moedig op reis ging, zich voorgesteld

had te zullen zien, ontroerde Hedwig tot in de ziel. Het was alsof haar

het hart werd toegeknepen en zij kon zich nauwelijks meer inhouden en

legde de hand voor de oogen, terwijl een korte snik haar ontsnapte.

Toen Miss Ellis haar arm aanraakte, vermande zij zich echter terstond.

En in haar hart vormde zich het besluit om zich goed te houden, flink te

zijn en te trachten iets te wezen, zooveel als zij maar kon te wezen

voor die arme, arme kinderen.... God zou haar helpen ook _hier_; dat

_wist_ zij immers!

De huishoudster stelde haar aan de onderwijzeressen voor, maar de

meesten toonden zich vrij onverschillig omtrent haar komst; zij schenen

met een zekere dofheid geslagen te zijn en zagen er vermoeid en slecht

uit. Er waren er ook met een haast terugstootend uiterlijk en Hedwig

hoorde later dat dezen, evenals verscheidene der arme weezen, eenvoudig

naar Hill House waren gezonden om een onderkomen te hebben. Of zij ook

goede en bekwame onderwijzeressen waren, daarop werd niet gelet; werk

was er immers op Hill House toch altijd voor ieder te vinden! Miss

Wells, die zelf weinig anders deed dan brieven en rekeningen

schrijven--vooral het laatste was haar een zeer geliefde bezigheid, die

zij nooit aan anderen overliet--had er zeer goed den slag van, al hare

onderhoorigen hard te laten arbeiden en zeer weinig rust te gunnen. Er

was in het groote, holle huis met zijne talrijke kamers en bewoonsters

veel te doen, al was het er alles behalve weelderig ingericht en Miss

Wells had waarheid gesproken, dienstmeisjes of knechten waren er in 't

geheel niet; alles moest door de overwerkte huishoudster, de

onderwijzeressen en de leerlingen worden verricht.

Twee onderwijzeressen waren er, die op Hedwig door de groote

tegenstelling in haar uiterlijk, een bizonderen indruk maakten. Beiden

bevonden zich in de tweede schoolkamer, die er al even doodsch en triest

uitzag als de eerste, met geen enkele versiering aan den muur dan een

groote landkaart en een stuk of vier andere kaarten, waarop met

reusachtige letters stond gedrukt dat er in de schooluren nooit

gebabbeld en gelachen mocht worden.

De eene onderwijzeres, Miss May geheeten, was met de jongste kinderen

bezig en had op 't eerste gezicht een tamelijk onbeduidend voorkomen.

Maar toen Hedwig haar aanzag, las zij in de blauwe oogen een uitdrukking

van stillen moed, die bizonder weldadig aandeed en te meer trof, omdat

het gezicht zelf er zeer afgemat uitzag.

Zij bleek meer belang te stellen in Hedwig's komst dan de anderen en

sprak haar even vriendelijk toe en Hedwig vond het een verkwikking naar

de welluidende stem te luisteren.

De andere onderwijzeres, Miss Rench, begroette haar slechts met een

koele hoofdbuiging; Hedwig voelde echter, meer nog dan zij het zag, dat

de kleine, doordringende oogen haar scherp onderzoekend opnamen. Er lag

iets vijandigs en sluws in dien snellen blik, dat haar een oogenblik

angstig maakte, haar haar zelfbeheersching benam en de oogen deed

neerslaan, maar even later glimlachte zij om haar vreemde

zenuwachtigheid. Het verbaasde haar echter niet, toen zij te weten kwam

dat Miss Rench in 't geheim "de spion" werd genoemd en dat er zeer, zeer

weinig op de school voorviel, dat haar aandacht ontsnapte en niet door

haar aan de directrice werd medegedeeld.

Een Heldin · 第 5 / 16 段