Even later liep zij met een opgewekt gezicht door de straten van

Edinburg. Zij schrikte echter, toen ze voor den bewusten winkel stond;

de uitstalling achter de ramen zag er zoo voornaam en zoo duur uit!

Niet erg op haar gemak ging ze naar binnen en liet zich door een

onberispelijk gekleeden bediende den weg wijzen naar een salonnetje,

waar gemaakte dameskleeding kon worden gepast. "_Miss_ Fichte...." zei

de man, een jong meisje roepend, dat stalen stond te sorteeren en Hedwig

keek verrast op. _Fichte_, dat moest een Duitsche naam zijn!

Het meisje kwam beleefd naar haar toe. Zij zag er nog heel jong uit en

had een aardig, rond gezicht en vriendelijke, lichtblauwe oogen. "_You

wish to see...._" vroeg ze.

Hedwig hoorde terstond dat zij geen Engelsche was. "Ik ben een Duitsche,

u ook?" vroeg zij snel.

"Ja, ja," riep het meisje uit en onmiddellijk waren zij druk aan het

Duitsch praten. _Miss_ Fichte vertelde waar zij vandaan was en dat zij

over een paar dagen weer naar Duitschland terug zou gaan in een nieuwe

betrekking en Hedwig benijdde haar een beetje; maar zij zeide toch

dadelijk dat zij het ook heel goed getroffen had.

Toen werden er allerlei zwarte japonnetjes gepast, die Hedwig wel vrij

goed zaten, maar haar precies stonden alsof zij zich--zooals Miss Fichte

lachend beweerde--"als grootmoeder had verkleed." Ook vond Hedwig de

prijzen schrikbarend hoog!

Het aardige Duitsche juffertje zocht echter ijverig verder en vond

eindelijk iets, dat beter aan het doel beantwoordde. Het was een

eenvoudig kleedje van een zachte, wollige stof, hier en daar met een

weinig git gegarneerd. Hedwig legde even haar vinger op het git.

"Zou dit wel stemmig genoeg zijn?" vroeg ze weifelend.

"Maar natuurlijk," klonk het vroolijk terug. "En deze japon kunt u nogal

heel wat goedkooper krijgen, omdat zij van den vorigen winter is."

"Hoe heerlijk!" en uitgelaten blij sloeg Hedwig hare armen om haar

landgenoote heen.

Miss Fichte lachte opgewekt. "Dat doet mij goed," zei ze, "weer eens met

echt Duitsche manieren in aanraking te komen."

"Had ik nu ook nog maar een hoed!" zei Hedwig, opeens weer ernstig.

"Er is hier ook een hoeden-afdeeling. Als u dat wilt, kan ik wel even

een paar hoeden voor u halen."

"Dolgraag."

"Gewoon rond model zeker? Met een breeden rand?"

"Neen, neen, geen rond model," viel Hedwig haastig in. "'t Moet een

soort kapotje zijn."

"Och neen, dat meent u toch niet?"

"Ik meen het heusch. Kijk maar eens of er niet iets geschikts voor mij

bij is."

Het meisje ging hoofdschuddend heen. Een kapotje voor zoo'n jong

deerntje; het was al te dwaas! Zij kwam echter na eenigen tijd terug met

allerlei soorten hoeden en hoedjes en na veel gebabbel en veel overleg,

slaagde Hedwig er werkelijk in iets te kiezen, dat er "heusch nogal erg

kapotachtig" uitzag.

"Wat spijt het me dat wij niet alle twee in Edinburg blijven!" riep zij

uit, toen zij het adres had opgegeven, waarheen alles moest gezonden

worden. "Ik zou het zóó prettig vinden, als ik hier een Duitsche

vriendin had!"

"Mij spijt het ook. Wij zouden zeker veel aan elkaar kunnen hebben."

"Stellig. Nu, goede reis naar Duitschland terug. _Deutschland über

alles!_"

Zij wuifde met haar handschoen en: "_Auf Wiedersehn!_" klonk het

hartelijk.

Vlug liep Hedwig langs _Princes-street_ weer naar huis, onderweg even

staan blijvend bij het standbeeld van Scott. Zij keek op naar het nobele

gezicht met den fijn humoristischen trek om den mond en dacht: "Die

heeft nog vrij wat meer doorgemaakt dan ik. Ik begin ook eigenlijk pas!"

En met opgeheven hoofd liep zij verder.

De barones en Tieka waren nog niet terug, toen zij thuis kwam. Zij kon

dus juist nog even iets nakijken voor de geschiedenisles, die zij straks

aan Tieka zou moeten geven. Van avond zou zij dan een briefje aan haar

moeder schrijven; ze was weer vol moed.

Verwonderd keek zij op, toen zij op haar kamer een brief van huis vond

liggen. "Al zóó gauw weer, moeder heeft net geschreven," mompelde ze.

"Clärchen zal toch niet erger zijn!"

Neen, Clärchen begon gelukkig goed aan te sterken, schreef haar moeder.

Maar zij had Hedwig iets heel treurigs te vertellen, waarover deze zelf

zeker ook erg bedroefd zou wezen. Anna Schaub was dood! Zij hadden dien

ochtend bericht gekregen....

Hedwig liet den brief uit haar hand glijden. "Ach Anna! Anna!"

Ze voelde zich opeens zoo verlaten, zóó alleen! "Waarom moest zij

heengaan, die goede, trouwe Anna, moeders eenigste vriendin haast! Zij

kon haar immers volstrekt niet missen! O, waarom krijgen wij toch ook

zoovéél leed te dragen, waarom _wij_ juist? En alles komt ook te gelijk

nu...."

Zij nam den brief weer op en las met brandende oogen verder. Anna was

plotseling gestorven, men had haar dood gevonden in haar slaapkamer,

blijkbaar was zij zachtjes ingeslapen.

Die laatste regels stemden Hedwig wat kalmer. Het was of zij het

vriendelijke gezicht van Anna Schaub duidelijk voor zich zag met een

uitdrukking van heiligen vrede erop, "_den vrede, die alle verstand te

boven gaat_."[2]

"God zal ons troosten, ook in dit leed," schreef haar moeder. "O, mijn

lief oudste dochtertje, wat zou ik je nù graag even bij me hebben!

Schrijf mij maar heel gauw weer...."

Toen Tieka thuiskwam, vertelde Hedwig haar waarom zij zoo bedroefd was

en den geheelen dag door deed het kind haar best, allerlei kleine

vriendelijkheden voor haar te bedenken. 's Avonds vond Hedwig op haar

kussen een groot stuk chocolade.

Zooveel zij maar kon, vergat zij zichzelf, toen zij haar briefje naar

huis schreef; ze dacht er alleen aan, hoe het haar moeder en Clärchen

thans te moede moest zijn. Zij wilde ook geen wanhopig bedroefden brief

schrijven en begon met te vertellen van Tieka's deelneming en de

chocolade; het schrijven ging verder gemakkelijker dan zij zich

voorgesteld had. In een paar regels besprak zij de toilet- en

geldkwestie en trachtte die zoo luchtig mogelijk te behandelen, hoewel

hare vingers beefden, toen zij de woorden neerschreef.

Ze kreeg spoedig antwoord van haar moeder terug. Clärchen ging werkelijk

vooruit en zij zelf verdiende flink met naaien--Hedwig moest zich toch

vooral niet ongerust maken.

En ons vijftienjarig gouvernantetje werkte dapper voort, al werd het

verlangen naar huis, vooral toen Kerstmis naderde, soms pijnlijk groot.

's Nachts kon zij plotseling wakker worden met een gewaarwording van

snakkend verlangen om even, even de gezichten van haar moeder en

Clärchen te zien, ook maar één oogenblik haar stemgeluid te hooren;--dan

sprong zij het bed uit, dompelde haar hoofd in het koude water en

berispte zichzelf om haar "lafheid."

Om Kersttijd was het huis vol gasten, iedere kamer was bezet. In de

gangen en op de portalen zag men hulstversieringen en groote bakken met

melkwitte kerstrozen. Tieka werd herhaaldelijk beneden geroepen. Soms

moest Hedwig meekomen en trouw verscheen zij dan in haar stemmig, zwart

japonnetje, waarover de barones, evenals over den nieuwen hoed, haar

hooge goedkeuring had betuigd. Zij had Hedwig ook eens toegevoegd dat

zij "meer tevreden" was over haar gedrag; Hedwig was "rustiger" dan

vroeger. En Hedwig had toen weemoedig geglimlacht, het viel haar in die

dagen van droefheid over den dood van Anna Schaub niet moeielijk

"rustig" te wezen!

Haar Kerstfeest was heel stil. Zij ging 's ochtends naar de Duitsche

kerk en kwam verkwikt en gesterkt terug; het oude, blijde Kerstevangelie

had krachtiger dan ooit tot haar hart gesproken.

Toen zij op haar kamer kwam, vond zij daar vele kleine verrassingen van

Tieka. De pakjes lagen in een kring op de tafel met hulsttakjes

eromheen. Tieka zelf stond er met een vroolijk gezicht bij en klapte in

de handen om Hedwig's verbazing over een pennenhouder, dien zij voor

haar had gewerkt door er in verschillende kleuren zijde omheen te winden

en daarin de woorden "_my dear_" te weven.

Van de barones kreeg Hedwig een paar handschoenen en tot haar groote

blijdschap was er ook een pakje van thuis: zes keurige zakdoekjes, door

haar moeder genaaid en door Clärchen met een ietwat wonderlijke _H_

versierd.

Zij was dankbaar voor de goede gaven en 's avonds, toen men Tieka

beneden had gehouden om een poosje met de gasten feest te vieren--toen

deed zij terdege haar best het "heel gewoon" te vinden, dat zij alleen

op haar kamer zat, terwijl in een ander gedeelte van het huis in

schitterend verlichte zalen, zooveel meisjes, ook van haar leeftijd,

zongen en vroolijk waren en haar jeugd genoten. Heel stil zat zij in het

halfduister naar buiten te kijken, zich koesterend in de warmte en den

gloed van het haardvuur en even vroeg zij zich af, of geen enkel van al

die blijde, lachende menschen beneden, zich erover verwonderen zou dat

zij niet aanwezig was. Men wist toch dat zij bestond, kwam haar telkens

tegen op trap of portaal en gunde haar nu en dan een beleefden groet.

Zou men verder nooit aan haar denken?

Zij wilde er zich niet in verdiepen en dwong zich tot andere gedachten.

Heel spoedig nadat Tieka boven was gekomen om naar bed te gaan,

"heelemaal zonder een greintje zin om te gaan slapen," ging zij zelf ook

ter ruste, na eerst de portretten van haar moeder en van Clärchen

hartelijker dan ooit te hebben toegeknikt en in de stilte van haar kamer

het oude, algemeen bekende Duitsche kerstlied "_die heilige Nacht_" te

hebben opgezegd.

Stille Nacht! heilige Nacht!

Alles schläft, einsam wacht

nur das traute hoch-heilige Paar.

Holder Knabe im lokkigen Haar,

Schlaf' in himmlischer Ruh!

Stille Nacht! heilige Nacht!

Hirten erst kund gemacht;

durch der Engel Halleluja

tönt es laut von fern und nah:

Christ der Retter ist da!

Stille Nacht, heilige Nacht!

Gottes Sohn, o wie lacht

Lieb' aus deinem göttlichen Mund,

da uns schlägt die rettende Stund',

Christ in deiner Geburt.[3]

...

Na de laatste dagen van het jaar met al hunne drukte en afwisseling,

volgden nu weken en maanden van veel werken en veel thuiszitten, want

het weer bleef stormachtig en ongeschikt voor Tieka.

Doch eindelijk bracht het late voorjaar betere dagen. Een teere lentezon

bescheen de grijze, Edinburgsche gebouwen en bracht lichte tinten in het

jonge groen en Tieka was uitgelaten van blijdschap, toen de dokter

uitdrukkelijk gebood dat zij nu zooveel mogelijk in de lucht moest zijn.

Tot haar niet geringe teleurstelling echter namen hare ouders haar thans

telkens lange middagen met zich mee in het rijtuig om bezoeken in den

omtrek af te leggen. "Hè, ik moest me van middag weer zóó _ladylike_

gedragen en ik wou _veel_ liever geen _lady_ wezen, ten minste nog làng

niet," zuchtte zij dikwijls na zulk een tocht. Het was teekenend voor

haar karakter dat zij zich tegenover haar moeder nooit beklaagde, maar

altijd stipt deed wat deze van haar verlangde.

Haar gehoorzaamheid bleef niet zonder uitwerking op hare ouders en nooit

nog had Hedwig hare oogen zóó zien stralen als aan den avond van een

prachtigen Juni-dag, toen zij bij haar kwam binnenstormen met de

woorden:

"Wij gaan naar Melrose. Als het morgen mooi weer is, gaan wij _samen_

uit, samen naar Melrose! Alleen uit met _my dear_! Meer dan dol! En we

mogen gewoon in den trein er heen reizen en dan nemen wij ons lunch mee.

Ik heb er zóó om gesmeekt en eindelijk mocht het!"

"Maar als ik er nu eens heelemaal geen lust in heb," zei Hedwig langzaam

om haar te plagen.

Even keek Tieka ernstig. Toen lachte zij weer en babbelde opgewonden

verder.

"En Melrose is zóó mooi! Wij gaan Abbotsford zien, het huis van Scott,

en we gaan een groote veldbouquet plukken en op het gras zitten, als wij

ons lunch willen opeten en we gaan alles doen, waar we maar zin in

hebben. Hè, ik wou dat die vervelende nacht maar om was!"

"Het zou me niet verwonderen, als er morgen regen kwam," zei Hedwig,

naar het raam toeloopend. "Er zijn al wolkjes aan de lucht."

"Niets van aan, niets van aan, heelemaal niets van aan," zong Tieka,

door de kamer dansend.

Zij kon later haast niet in slaap komen en den volgenden ochtend stond

zij reeds heel vroeg klaar wakker naast Hedwig's bed.

Hedwig was nog vast in slaap, maar werd wakker door de zachte aanraking

van twee warme lipjes op haar voorhoofd. Zij glimlachte, toen ze Tieka

gewaar werd in haar lange witte nachtpon, waarbij het donkere krulkopje

zoo grappig afstak.

"Het prachtigste weer van de wereld, hoor!" zei ze.

"Hoe laat is het?"

"Over half vijf. Zal ik me maar aankleeden?"

"Wel neen," zei Hedwig en zij ging recht overeind in bed zitten. "Ga

maar gauw nog een beetje slapen."

"Mag ik dan mijn kussen halen en hier voor het ledikant een beetje op

den grond gaan liggen? Anders verslapen wij ons misschien," zei Tieka,

blijkbaar nu reeds in een stemming om "alles te doen, waarin ze maar

lust had."

"Wel neen," herhaalde Hedwig, zóó beslist dat Tieka onmiddellijk

verdween.

Het was werkelijk dien dag "het prachtigste weer van de wereld" en

beiden waren in de vroolijkste stemming, toen zij de korte reis naar

Melrose hadden volbracht en, met het mandje met etenswaren gewapend, uit

den trein stapten. Zij hadden gereisd met drie zeer spraakzame

Amerikaansche dames, die ook Melrose en Abbotsford gingen "doen", en

Hedwig moest lachen om de bizonder voelbare wijze, waarop Tieka haar in

den arm kneep, toen het drietal Hedwig vootstelde samen een rijtuig te

huren om zich naar Abbotsford te laten rijden. "Niet doen, niet doen,"

fluisterde Tieka nog ter verduidelijking van haar gebaar en de

Amerikaansche dames moesten het aanzien dat er een paar ledige plaatsen

in het ruime rijtuig over bleven.

In een, volgens Tieka, "alleraardigsten winkel", kochten zij een goede

hoeveelheid kersen en Tieka vond het een genot telkens uit den zak te

mogen presenteeren en al wandelende menige kers te verorberen. "Het

smaakt oneindig lekkerder dan dat je ze van een bordje eet," zei ze,

niet zonder overdrijving.

Wat was het een mooie, lieflijke wandeling naar Abbotsford en hoe

genoten zij! Langs heuvelen vol golvend graan liepen zij en Tieka

lachte, omdat het net was of het koren haar buigend groette. Dan weer

kwamen zij langs velden met groote, witte margrieten en graspluimen,

waarvan zij een "prachtruiker" maakten en eindelijk, even voordat zij

Abbotsford hadden bereikt, gingen zij tegen een grasheuvel aan liggen en

gebruikten haar lunch. "Ik heb toch zoo'n honger vandaag," zei Tieka,

"nu ga ik weer eens probeeren hoe dat smaakt," en dan legde zij een kers

op een stukje brood en verzekerde dat het "verrukkelijk" was! En toen

zij eindelijk klaar waren met haar maaltijd, zei ze: "Als wij nu alweer

naar huis moesten, zou ik toch al verbazend veel plezier gehad hebben.

Maar we gaan nog lang niet naar huis. We zijn eigenlijk net begonnen,

he? Is 't niet lieve, kleine _my dear_?"

"Stil een beetje, wat meer eerbied als 't je blieft."

"Ik heb juist heel veel eerbied," zei Tieka ondeugend. "Maar ik geloof

toch wel dat _my dear_ nog heel jong is."

Hedwig zei niets terug.

"Is het niet zoo?"

"Dat blijft geheim, dat weet je wel."

"Maar ik mag toch zeker wel eens raden?" begon Tieka weer.

"Neen, neen, volstrekt niet."

Het trof gelukkig voor Hedwig dat zij juist op dit oogenblik den ingang

van Abbotsford naderden en er van rustig praten nauwelijks meer sprake

kon zijn. Want bij het hekje, waarbij de concierge toegangskaartjes

stond uit te deelen aan de verschillende bezoekers, was het stampvol.

"Hoe jammer, ik dacht dat wij er bijna alleen zouden zijn," fluisterde

Tieka, toen zij zich achter de Amerikaansche dames plaatsten, die al een

poosje geduldig hadden staan wachten. Als een troep schapen werden allen

nu door den oppasser naar de vertrekken gedreven, die het publiek van

Abbotsford te zien krijgt. Hedwig en Tieka bleven spoedig een weinig

achter en bekeken op haar gemak wat haar het meest aantrok, zeer onder

den indruk van het feit dat zij liepen door de kamers, waar de schrijver

van Ivanhoe "met het bruine haar en de lichtgrijze dichteroogen",

zooveel gedacht en gewerkt en genoten had.

Terwijl de groote menigte reeds door de tusschendeur de bibliotheek was

ingegaan, bleven zij samen nog een oogenblik staan in de studeerkamer,

bij den stoel van Scott en zagen eerbiedig op naar den schat van boeken,

waarmee de muren van onder tot boven waren bedekt. En in de fraaie

bibliotheek, die Tieka "een heerlijke leerkamer" noemde, genoten zij in

de nis van het groote venster staande, het bekoorlijke uitzicht op

Scott's geliefde rivier de Tweed en de zacht glooiende, groene heuvels.

[Illustration: De studeerkamer van Walter Scott op Abbotsford.]

In de _drawingroom_ vond Tieka, niettegenstaande de vele schatten daar

verzameld, het zeer eigenaardige behangsel, een voorstelling gevend van

in kleurige kleedij getooide Chineezen en Japanneezen, verreweg het

aantrekkelijkst; zij was er haast niet vandaan te krijgen! Haar stemming

veranderde echter, toen zij de eetzaal bezochten met de kunstig

uitgesneden zoldering van donker eikenhout en dachten aan het uur,

waarop Walter Scott hier den laatsten adem uitblies, na alles, wat hij

doorgemaakt had, toch nog stervend op zijn innig geliefd Abbotsford,

waarvan hij eens schreef: "_My heart clings to the place I have created,

scarce a tree of which does not owe its being to me._"[4]

En geen wonder dat zijn hart "hing" aan Abbotsford! Kende hij er niet

nagenoeg iederen steen, iedere bloem en iedere boomsoort? En had hij

niet van de onaanzienlijke hoeve en het land, die hij in 1811 kocht, een

waren lusthof gemaakt? En werd hij er zelf ook niet met warme

aanhankelijkheid gediend door al zijne onderhoorigen, tot den bekenden

schaapherder Thomas Purdie en den koetsier Peter Mathieson toe?

"Ik wou dat Walter Scott nog leefde en dat ik dan eens bij hem te

logeeren gevraagd werd op Abbotsford, met _my dear_," zei Tieka, toen

zij het kasteel verlieten en zich haasten moesten om de beroemde ruïne

van de Melrose abdij nog te gaan zien.

De tijd was omgevlogen en zij mochten natuurlijk niet te laat aan het

station komen. "_Als_ wij eens te laat kwamen en pas van nacht weer

thuis konden zijn, zou ik het toch wel een beetje prettig vinden,"

merkte Tieka op, maar Hedwig scheen dit volstrekt niet ook maar "een

beetje" plezierig toe en zij begon onwillekeurig nòg vlugger te loopen.

Ten slotte viel de tijd haar toch nog mee, toen zij bij de indrukwekkend

mooie ruïne van Melrose Abbey stonden en hier nog eenige oogenblikken

konden vertoeven om een dankbare gedachte te wijden aan de begaafde

Benediktijner monniken, die eeuwen geleden in zandsteen de sierlijkste

lijnen wisten te beitelen en al hunne talenten gaven aan de verfraaiing

van het kerkgebouw, dat zelfs als ruïne nog zoo onuitsprekelijk veel

schoons heeft.

"Laten wij nog even blijven, even maar," smeekte Tieka, toen Hedwig

zeide dat het tijd werd om te vertrekken. Hedwig was echter

onverbiddelijk en het was goed dat zij niet langer gewacht hadden, want

toen zij aan het station kwamen, stond niet alleen de trein er reeds,

maar waren de coupés zóó vol dat zij slechts met zeer groote moeite één

plaats konden machtig worden in een derdeklasse wagen. Tieka moest bij

Hedwig op den schoot zitten en vond dit ook al weer "dol prettig." Haar

vroolijkheid werkte aanstekelijk op de medereizigers, waaronder zich een

troepje kleine meisjes bevond, die schaterden van het lachen om Tieka's

grappen en zelf ook allerlei te vertellen hadden. Zij hadden ook op het

gras gezeten om te lunchen, dicht bij een boerderij en terwijl haar

vader bezig was, haar allerlei over het leven van Scott mee te deelen en

daarbij zijn boterham in de hand hield, was opeens een kip op zijn been

gevlogen en had hem de boterham pardoes uit de hand weggepikt. O, zij

moesten nog zóó lachen, als zij er aan dachten hoe vader toen gekeken

had!

Nu, Tieka en Hedwig lachten ook en toen de trein te Edinburg stilstond

en de kinderen afscheid moesten nemen, zei Tieka levendig:

"Hè, ik hoop hartelijk dat wij elkaar nog eens weerzien!"

HOOFDSTUK V.

Chester.

Twee volle jaren bleef Hedwig bij de familie von Zercläre, zonder dat er

van eenige verandering sprake was. Zij was nu bijna achttien jaar. "Over

een paar jaar, als ik twintig word, dàn zal de barones mijn salaris toch

wel verhoogen," dacht ze soms. Zij wist dat de ouders van Tieka tevreden

waren over hare vorderingen, maar zij wist ook zeer goed dat Tieka's

moeder haar bizonder weinig genegen was en er waren dagen dat zij

werkelijk leed onder de scherpe, hatelijke woorden der barones, waaraan

het maar al te zeer merkbaar was dat zij door jaloezie waren ingegeven.

Toch werkte zij vroolijk en moedig voort en bleef zij steeds hopen dat

de houding der barones nog wel eens veranderen zou. Zij was het vorige

jaar met Kerstmis thuis geweest en had van haar moeder ook den raad

gekregen, maar trouw haar best te blijven doen en zij hadden toen

beiden gelachen om Clärchen's verontwaardigden uitroep:

"Nu, _ik_ zou me dan zoo engelachtig niet houden!"

Hedwig moest weer aan die woorden denken, toen zij zich op een stillen,

helderen herfstdag gereed maakte voor haar ochtendwandeling met Tieka.

De barones was den vorigen dag de leerkamer ingekomen op een oogenblik

dat Tieka het juist weer heel druk had met haar "_my dear_" en zij had

toen zeer beslist gezegd dat het nu "voor goed uit moest zijn met die

dwaasheid." Tieka had erg verschrikt gekeken, toen ze haar moeders oogen

zoo toornig zag flikkeren en zij was dadelijk begonnen zich stipt aan

het verbod te houden, zooals haar gewoonte was. Hedwig had den volgenden

ochtend het hartelijke "_my dear_" gemist; zij zuchtte er nu eens even

over en glimlachte flauwtjes om haar "sentimentaliteit."

Wat bleef Tieka toch lang weg! De barones had haar zooeven bij zich

laten roepen. Het kind had toch niets gedaan, waarvoor zij een berisping

verdiende?

Neen, er was niets bizonders voorgevallen, bedacht Hedwig gerustgesteld

en hare oogen keken bewonderend den tuin in naar de hooge beuken,

waarvan het rijke herfstgoud zoo teekenachtig afstak bij de gladde,

slanke stammen. Wat was de lucht boven die beuken klaar en zuiver-blauw!

Het zou heerlijk zijn buiten straks en bij het standbeeld van Scott....

Zij keerde zich snel om, toen zij de stem der barones achter zich

hoorde. Aan de uitdrukking van haar gezicht zag ze terstond dat haar een

onaangenaam onderhoud wachtte en haar hart begon sneller te kloppen.

"Ik heb u iets te zeggen, Fräulein," klonk het stroef.

Hedwig boog zwijgend het hoofd.

"Tieka is met haar vader uitgegaan. Zij blijft een groot gedeelte van

den dag weg en u kunt dus dien tijd voor u zelf gebruiken. Als u even

wilt gaan zitten...."

Tot haar verwondering merkte Hedwig thans een zweem van verlegenheid op

bij de barones; het maakte haar ongerust en zij beefde even, toen ze

zitten ging.

Maar het oogenblik van zwakte bij Tieka's moeder was zeer spoedig weer

voorbij.

Op de haar eigene, hooghartige wijze zei ze:

"Ik wensch er u thans van in kennis te stellen dat de heer von Zercläre

en ik het besluit hebben genomen, Tieka na de kerstvacantie naar een

uitmuntende kostschool te zenden. Wij zijn er volkomen van overtuigd dat

zij daar zeer beschaafden omgang zal kunnen genieten en langzamerhand

gevormd zal kunnen worden voor de hooge plaats, die zij in onze kringen

zal moeten innemen. Zij zal natuurlijk ook aan het hof gepresenteerd

worden en u zult zeker inzien...."

"O, ik kan niet...!" Hedwig was opgesprongen, zij was zichzelve niet en

zij strekte de handen uit met een afwerend gebaar; zij kon niet meer

luisteren! Even zag de barones haar onderzoekend aan. "U zult ruim tijd

hebben iets anders te zoeken," zei ze zacht. Toen ging zij de kamer uit,

waar Hedwig haar dankbaar voor was.

Het onverwachte, hevige van den slag gaf haar voor 't oogenblik een

gevoel alsof zij erdoor verpletterd was. Weg, van Tieka weg, het kon

niet waar zijn immers! Haar hoofd was zoo zwaar; zou ze wel goed gehoord

hebben wat de barones had gezegd?

Ach, zij wist immers dat zij het maar al te goed verstaan had. Zij moest

_weg_! Ze herhaalde het bij zichzelf, telkens weer, met hare oogen strak

gevestigd op de hooge beuken van den tuin, zoo rijk in hun pracht van

goud, zoo stil en lieflijk op dezen wondermooien herfstdag....

De rust daar buiten deed haar nu haast pijn en zij keerde zich af van

het raam en liep snel naar haar kamer. Daar sloeg zij met een

hartstochtelijk gebaar de handen ineen. Weg, van Tieka weg en waar dan

heen?

O, het kon niet, het mocht niet gebeuren!

Een Heldin · 第 4 / 16 段