aan Miss Ellis.
"Och, dat kan straks wel. Ik zou nu maar hier blijven, als ik u was; uw
mantel en hoed kunnen wel zoo lang op die leege bank neergelegd worden."
En Miss Ellis verdween.
Hedwig had echter volstrekt geen behoefte haar mantel uit te trekken;
zij had het al koud genoeg! Zij zou niets liever gedaan hebben dan eerst
het smeulende vuur in den haard eens ter dege van brandstof voorzien en
dan, als het flink brandde, de ramen openzetten om de vunzige lucht te
verdrijven, die in de school hing en aan rottende kool deed
denken,--maar zij was hier geen meesteres en moest stil afwachten wat er
over haar zou worden beschikt. Zij deed haar best geduldig te wezen en
keek nog eens met aandacht naar de kinderen, toen zij plotseling een
bel hoorde luiden en spoedig daarop een paar der oudere meisjes rond zag
gaan met bladen, waarop stapels sneden ongesmeerd brood lagen om een
kruik met water en een paar leege tinnen kroezen heen.
"Dat zal zeker reeds een voorproefje van het avondeten zijn," dacht
Hedwig blij en zij nam gretig een stuk brood, toen het haar werd
aangeboden en schonk zich een kroes water in.
Zij at met graagte evenals de anderen, hoewel het brood heel oud en hard
en droog was en een zwakke poging der huishoudster om het te roosteren,
nagenoeg was mislukt. Als er ook maar een ziertje boter op geweest was,
zou het veel lekkerder gesmaakt hebben, meende Hedwig en even moest zij
denken aan het smakelijke maal, waarbij Tieka nu alleen zou aanzitten.
Tieka zou eerst half Januari naar haar kostschool gaan; als zij _deze_
school eens had kunnen zien, wat zou zij dan wel voor oogen opgezet
hebben?
Toen het droge brood verorberd was, begonnen de kinderen hunne schriften
weg te bergen. Nu was het dan zeker heel gauw tijd voor het avondeten,
dacht Hedwig.
Daar zag zij Miss Rench waarlijk al weer met half toegeknepen oogen naar
haar kijken. Wat beteekende dat toch? Zij zou haar maar eens gaan
aanspreken, de lessen waren nu toch afgeloopen. Misschien ging haar
gezicht ook wel wat vriendelijker staan, als zij eens even een praatje
met haar maakte. Beleefd ging zij naar haar toe en vroeg:
"Kunt u mij ook zeggen hoe laat hier het avondeten gebruikt wordt?"
"Het avondeten?" herhaalde Miss Rench schamper, terwijl een spottend
lachje om haar mond kwam, "maar dat hebt u net precies op!"
"Zoo, was dat stuk brood...." stamelde Hedwig ontsteld.
"Dat was uw souper, ja. Ik hoop dat het u goed gesmaakt heeft?"
Hedwig antwoordde niet. Dus dàt was het avondeten geweest! Had ze toch
nog maar wat meer gekocht bij dien bakker of aan het station! Ze begon
nu te begrijpen waarom de bakkersbediende haar zoo vreemd had aangezien,
toen zij zeide dat ze naar Hill House moest en maar al te zeer zag zij
thans de waarheid in van zijne voorspelling: "Daar zult u niet veel
warme pasteitjes proeven!"
Maar zij vergat hoe hongerig ze zelf was bij het zien van al die slecht
gevoede kinderen om zich heen en zij voegde zich bij een troepje, knikte
er een paar eens toe, wreef een der jongsten de koude handjes warm en
trok een klein, mager meisje even aan haar vlecht. Het kind zag haar
verbaasd aan met hare weemoedige, grijze oogen. Hedwig ging bij haar in
de bank zitten. "Hoe heet je?" vroeg ze. "Mary Wren," zei het kind heel
ernstig. "En kun je _heelemaal_ niet lachen?" Nu kwam er even een flauw
lachje op het bleeke gezicht. "Neen, neen, nog een beetje meer," drong
Hedwig aan. Maar het kind kon niet; ze begon te hoesten, een akelige,
droge kuch en Hedwig sloeg den arm om haar heen. "Stil maar, stil maar,
praat maar niet."
"Sst.... _No more talking.... Prayers!_" riep een stem en Hedwig zag
Miss Wells binnen komen voor de avondgodsdienstoefening. Met een
eentonige, zeurderige stem las zij de gebeden. Hedwig luisterde
verontwaardigd toe, geschokt door de wijze, waarop de indrukwekkende
woorden van den Engelschen avonddienst werden opgedreund en daardoor
alle kracht verloren. Toch knielde zij neer als de kinderen en zij
vouwde de handen en bad, bad vurig en innig tot God om kracht.
Eindelijk ging het de uitgesleten, vuilgrijze trappen op naar de
armoedige slaapvertrekken, waarvan Hedwig schrikte toen zij ze zag. Ook
hier hing voor geen enkel raam iets, dat ook maar in de verte naar een
gordijn geleek; alles was kaal en guur en onbedekt.
Toen men Hedwig gewezen had waar zij slapen moest, vroeg zij zich voor
de zooveelste maal af, waar zij toch aangeland was en of zij hier
_werkelijk_ zou kunnen blijven; het was haast geen leven in zoo'n
ongezonde, schamele omgeving! Zou zij niet wijs doen met morgen aan den
dag te beginnen met iets anders te zoeken? Wel was het heel moeielijk
iets te vinden....
Juist op dat oogenblik werd even, heel voorzichtig,--nauwelijks kon het
een aanraking genoemd worden--een bevende, kleine hand in de hare gelegd
en zij zag Mary Wren naast zich staan en schuchter tot haar opzien. Haar
hart werd warm. Hoe kon zij nog aan weggaan denken? Natuurlijk bleef zij
immers!
Er stonden op iedere slaapkamer twaalf smalle, ijzeren ledikanten en ook
Hedwig had dus, evenals de andere onderwijzeressen, het opzicht over elf
leerlingen; zij moest bij het uitkleeden tegenwoordig zijn, had men haar
gezegd en daarna mocht zij zelf te bed gaan. Op hare prettige, opgewekte
wijze hielp zij de kinderen om vlug voort te maken, telkens weer de
koude handen wrijvend en een aardigheidje zeggend, als er een het
schreien nader stond dan het lachen. Dan kwam er een blijde glinstering
in de droevige kinderoogen en eens zelfs lachte Mary Wren hardop. Hedwig
knikte haar toe. "Goed zoo!" zei ze.
Maar toen al de elf leerlingen te bed lagen en zij haar één voor één
eens warmpjes in wilde stoppen en de kussens wat opschudden, maakte zich
een hevige verontwaardiging van haar meester. Want nu ontdekte zij dat
de slappe, platte kussens met snippers papier waren opgevuld of opgevuld
heetten en dat de zoogenaamde dekens bestonden uit een zeer goedkoop
soort wollen lappen, waartusschen groote stukken papier waren
vastgenaaid. Geen wonder dat de arme meisjes bijna allen hoestten en
half ziek waren van de koude.
Zoo goed mogelijk dekte zij haar elftal toe; toen ging zij even heen om
te vragen of de een of andere onderwijzeres haar ook een nachtpon zou
willen leenen. Meer dan ooit betreurde zij thans het gemis van haar
koffer en van den warmen wollen doek, dien zij ingepakt had en dien Anna
Schaub haar nog mee had gegeven, toen zij naar Engeland ging. Wat was
dat al lang geleden!
Zij liep op een drafje het donkere portaal over, slaagde er na veel
moeite in, een zeer dun nachtgewaad ter leen te krijgen en snelde toen
naar de slaapkamer terug, om zich al rillend te ontkleeden, terwijl de
aanhoudende vorst de ruiten met een steeds dichtere laag ijs bedekte en
de koude tocht door de slecht sluitende vensters naar binnen drong.
Het was of de eenzame gaspit ook bevriezen ging, zoo flauw was de vlam;
zij hield er even hare handen bij, maar zij voelde er hoegenaamd geen
warmte van uitstralen en toen zij in het voor haar bestemde ledikantje
lag, kon ze van koude en honger eerst niet in slaap komen. Zij verbaasde
er zich over dat de kinderen wèl sliepen; zij hoorde het aan de
geregelde ademhaling, hoewel Mary Wren telkens nog in haar slaap kuchte
en zich soms onrustig bewoog.
Toen zij eindelijk zelf ook ingesluimerd was, werd zij vrij spoedig
weer uit den slaap opgeschrikt door een heftige windvlaag, die het oude
vensterkozijn letterlijk stuk dreigde te schudden. Aan verder slapen was
nu voorloopig niet meer te denken, want de wind werd hoe langer hoe
heviger, deed de ruiten kletteren en loeide om het huis heen met een
gierend geluid, dat Hedwig als een sombere klaagtoon in de ooren klonk.
Een tijdlang lag zij in bijna zwarte duisternis; alleen kon zij door een
der ruiten, waarvan een hoekje door de vorst vrij gelaten was, een
stukje van de donkere lucht onderscheiden. Langzamerhand zag zij enkele
sneeuwvlokken vallen, toen meer, meer, al maar meer en steeds dichter,
tot het een dwarrelende massa werd, waarnaar zij niet meer kijken kon,
zoo duizelde het haar voor de oogen. Eindelijk ging de wind liggen, het
werd stiller en doodelijk vermoeid sloot zij de oogen en sliep nog even
in, nadat zij zich bibberend het dunne dek over het hoofd had getrokken.
Het was nog geheel donker, toen zij wakker werd door het luiden van een
bel. Terstond zat zij overeind in bed.
"We moeten opstaan, dadelijk opstaan, dat beteekent die bel," riep een
der kinderen haar toe en Hedwig sprong moedig het bed uit en stak het
licht aan. Het bleek juist vier uur te zijn!
"Maar dat moet een vergissing wezen," riep zij uit. "Neen, neen, het is
geen vergissing, wij staan altijd om vier uur op," zei Mary Wren al
kuchend. "Miss Ellis zelf is er altijd al om half vier uit om ons wakker
te kunnen bellen...."
Hedwig zuchtte; ze was nog zóó weinig uitgerust! En wat een tooneel zag
zij voor zich! Bibberend, half schreiend van de koude, stonden daar de
arme kinderen zich aan te kleeden of te wachten, tot haar beurt zou
komen om zich te wasschen. Want midden in de kamer bevond zich een
ruwhouten tafel met vier waschkommen en een reusachtige kan met water;
hier konden er zich vier te gelijk wasschen, wie er niet gauw genoeg bij
was, moest wachten tot er weer een kom open kwam.
Vandaag ging het wasschen met nog meer moeielijkheden gepaard dan
anders, omdat de dikke stukken ijs in het water dreven en het dooien
daarvan boven het gas--wat Hedwig beproefde--al heel langzaam ging. Zij
moest aan Tieka denken, die zulk "echt winterweer" altijd zoo mooi en
zoo heerlijk vond. Als zij deze slecht verzorgde kinderen eens had
kunnen zien, hoe zouden hare donkere oogen dan gekeken hebben?
De scherpe noordoosten wind drong door tot in het vertrek en op de
vensterbanken binnenin de kamer lag een dikke, ruige laag sneeuw; ook op
den houten vloer was sneeuw gevallen. Was zij wel ooit in haar leven zóó
koud geweest?
Daar luidde alweer een bel en nu moesten allen zich haasten om langs de
donkere trappen naar beneden te gaan en in de groote, kille schoolkamer
bij de ochtendgebeden tegenwoordig te zijn, die door Miss May werden
gelezen; de directrice vertoonde zich eerst later op den dag. Voor de
zuinigheid brandde er nu slechts één gaspit, wat alweer Hedwig's innige
verontwaardiging opwekte. Daarbij kon ze van vermoeidheid en van honger
haast niet op hare beenen blijven staan.
Wat schandelijke toestanden waren dat hier toch! Zij nam zich voor zoo
gauw als ze maar kon aan de barones von Zercläre te schrijven en haar
eens goed op de hoogte te brengen van alles wat zij hier zag en
ondervond; zij zou zoo iets toch zeker ook beneden alles vinden en haar
helpen willen om er verandering in te brengen.
O, wat leek het haar heerlijk toe, al was het maar één oogenblikje, bij
Tieka te wezen en in de aardige kinderkamer van het mooie, Edinburgsche
huis! Het scheen haar nu toe, terwijl zij hier in de kale, onbehagelijke
schoolkamer stond in die bedompte atmosfeer, haast in halfduister en te
midden van zooveel treurige kindergezichten, alsof het al veel langer
dan één dag was geleden dat zij van Tieka afscheid had genomen....
Men vertelde haar dat het ontbijt op half zeven was vastgesteld. En nù
was het pas vijf uur! Hoe hield men dat uit? Ze zou maar hard met de
anderen meewerken--wat trouwens ook zeer beslist van haar verwacht
werd--dan vergat zij haar honger wellicht! Er moesten nu schoenen
gepoetst worden, brandstoffen gehaald, trappen, portalen en kamers
worden aangeveegd, bedden opgemaakt, kannen met water gevuld en allerlei
andere werkzaamheden worden verricht, waarvan ieder, ook de allerjongste
leerling, haar deel moest vervullen.
Mary Wren bleef zooveel mogelijk in Hedwig's nabijheid; blijkbaar had
zij reeds nu genegenheid voor haar opgevat. Telkens hoorde Hedwig het
korte, droge kuchje en waar ze maar kon, hielp zij het zwakke kind en
gaf haar een vriendelijk woord.
Eindelijk klonk de ontbijtbel door het huis en nu konden de ijverige
werksters zich te goed doen aan bizonder slappe thee--"gootwater" hoorde
Hedwig fluisteren--zonder suiker en _zeer_ oudbakken brood, want het was
op Hill House een wet dat de bakker er slechts eens in de veertien dagen
versch brood mocht brengen. Op de sneden brood was, in plaats van
boter, een dun laagje moes van gestoofde appelen gesmeerd.
Een heel lekker ontbijt was het niet, toch at Hedwig het hare gretig op.
Zij miste de boter al minder dan den avond te voren en dat was maar goed
ook, want boter was op Hill House een ongekende weelde en _als_ er al
soms op de dikke sneden zoogenaamd geroosterd brood, die als "avondeten"
werden rondgediend, iets glinsterde, dat heel in de verte aan boter deed
denken, dan was dit slechts een soort van _dripping_, afgedruppeld
vleeschvet, dat onmogelijk lekker smaken kon, omdat voor Hill House
nooit wezenlijk goed vleesch werd gekocht.
En ook appelmoes, al is het nog zoo smakelijk toebereid--wat van dat op
Hill House niet verklaard kan worden--verveelt op den duur. Hedwig had
gelegenheid dit te ondervinden, toen het haar dag in, dag uit, werd
voorgezet: bij het ontbijt, aan de thee en bij het stuk avondbrood. De
boeren in den omtrek verkochten hunne gedroogde appelen tegen zeer lagen
prijs aan Miss Wells en deze vond dat zij niet beter en zuiniger doen
kon dan er het geheele jaar door haar groot gezin mee te voeden!
Met het les geven had Hedwig geen moeite. De kinderen waren stil en
gewillig, ja gedroegen zich naar haar zin haast al te gehoorzaam; zoo
graag zou zij hen wat levendiger gezien hebben! Nù waren zij, onder den
indruk van het onnatuurlijke, ongezonde leven dat zij leidden, bijna
onkinderlijk bedaard.
Het middagmaal, dat om twaalf uur plaats had, was al even karig als de
andere maaltijden en bestond heden uit niets anders dan slecht vleesch
en droge aardappelen, waaraan een grondige bijsmaak was. Op de dagen dat
er geen vleesch gegeten werd, kreeg men daarvoor in de plaats kwalijk
riekende visch en in ruil voor de aardappelen waterige rijst; een groot
verschil maakte de verandering niet, vond Hedwig.
Na den eten moesten de kinderen met de onderwijzeressen drie kwartier
gaan wandelen, hoewel de sneeuw zeer hoog lag en het door den plotseling
invallenden dooi op verschillende plaatsen heel vuil en drabbig begon te
worden. Het sneeuwde niet meer, maar er hing een donkere, dreigende
lucht en toen zij een eind den weg op waren, niet naar de stad toe,
volgens uitdrukkelijk bevel der directrice, die zelf thuis gebleven
was,--begon er een fijne motregen te vallen, die langzaam maar zeker de
dunne kleeding der kinderen doorweekte. "Ik ga met mijn troepje terug,
zóó kan het niet langer," besloot Hedwig, maar Mary Wren, die naast haar
liep, vertelde haar dat er van nu reeds naar huis gaan geen sprake kon
wezen; dan zou Miss Wells haar toch verhinderen binnen te komen. Eerst
moest de bepaalde tijd om zijn. "Dat vind ik heel verkeerd," liet Hedwig
zich driftig ontvallen. Miss Rench, de "spion", hoorde het haar zeggen
en deelde het ook, zoo spoedig zij maar kon, aan Miss Wells mede. Deze
liet toen Hedwig bij zich komen en nam haar zoo geducht onder handen,
dat Hedwig het het verstandigst vond er maar het zwijgen toe te doen.
Alleen nam zij de gelegenheid waar om te vragen of zij nu--het was na de
schooluren--haar koffer mocht gaan halen.
Tot haar verwondering werd haar dit toegestaan en even later reed zij
met de onderwijzeres, die in het bizonder met het toezicht over den pony
was belast en zeer zwijgzaam van aard was, in het krakende wagentje,
door den mageren Peter getrokken, naar het station. De sneeuwmodder
spatte om de wielen van het voertuig en maakte de straten op plaatsen,
waar niet geveegd was, haast onbegaanbaar, maar de zon scheen weer en de
oude stad zag er schilderachtig uit. "Wij kunnen zeker eerst wel even
een boodschap doen?" vroeg Hedwig, die wat brood koopen wilde, maar haar
gezellin was hier zóó beslist tegen en toonde zich zoo verschrikt bij
het denkbeeld dat zij langer van Hill House weg zouden blijven dan
strikt noodzakelijk was, dat Hedwig maar toegaf en dadelijk doorreed
naar het station.
Zij was heel blij, toen zij den grooten koffer weer veilig in haar bezit
had, al werd hij, naar den regel van het huis, niet naar haar slaapkamer
gebracht, maar in een bedompte soort kelderkamer neergezet.
Bij het licht van een stukje kaars mocht Hedwig er hier uitnemen wat zij
noodig had. Veel kon het niet zijn, want een kastje om een en ander in
te bergen was haar slaapkamer niet rijk. Zij greep echter gretig naar
Anna Schaub's wollen doek, die bovenop lag; die moest in ieder geval mee
naar boven!
Zij was geheel alleen in het sombere vertrek, dat door het kaarsje
slechts flauw verlicht werd. Een smalle streep van het licht viel in den
koffer en, toen zij er den doek had uitgenomen, op een pakje in wit
papier gewikkeld, dat zij zich niet herinnerde erin gelegd te hebben.
Zij nam het in de handen en deed er het bovenste papier af. "_To my
dearest ... dearest Fräulein_," las ze.
"Lieve, lieve Tieka," fluisterde zij en het pakje verder openend, vond
zij een mooi portret van Tieka, dat haar een gevoel gaf alsof het kind
opeens weer dichter bij haar was. Toen hield zij een paar plakken
chocolade in de hand. "Natuurlijk chocolade, die geeft ze mij altijd,"
fluisterde zij. "Nu, die zal hier goed te pas komen!"
Zij deed den koffer op slot, rolde de chocolade in haar doek en sloop
er mee naar boven naar haar slaapkamer. Het was er donker, toch kon zij
op den tast af gemakkelijk de elf ledikantjes van hare leerlingen
vinden. Voorzichtig legde zij onder ieder kussen een stukje chocolade,
sloeg den doek om de schouders en keerde naar de schoolkamers terug.
HOOFDSTUK VII.
"Flinkie."
Toen zij zich later weer met hare leerlingen op de slaapkamer bevond,
liet zij allen zich eerst vlug ontkleeden en te bed gaan, voordat zij
iets zeide over de verrassing, die haar wachtte. Toen de kinderen klaar
waren, ging zij evenals den vorigen avond, de ijzeren ledikantjes langs
om het schamele dek wat steviger in te stoppen en eerst toen fluisterde
zij ieder meisje een paar woorden toe. Zij deed het zóó zacht dat geen
der anderen er iets van verstaan kon en allen waren te verbaasd om wat
terug te kunnen zeggen, maar de plotselinge kleur op de ingevallen
wangen en de blijde glinstering in de oogen, waren Hedwig welsprekend
genoeg. Later, toen alles donker was en zij zelf ook te bed lag, hoorde
zij telkens een zacht, zuigend geluid en met een glimlach om den mond
viel zij in slaap. Een paar dagen later echter zou zij inzien dat zelfs
het weggeven van een onschuldig stukje chocolade ernstige gevolgen na
zich kan sleepen.
Zij ontdekte namelijk op zekeren ochtend dat Mary Wren den moed had
gehad, iets van haar deel voor Taffy te bewaren en zij had er Mary te
liever om, wèl wetend hoe moeielijk het haar gevallen moest zijn, niet
het geheele stukje zelf op te eten. Daarbij kwam dat Taff of Taffy min
of meer de verschoppeling was op school, bij de meeste onderwijzeressen
ten minste, omdat zij volstrekt niet gemakkelijk leerde en traag van
begrip was. Intusschen werd zij den geheelen dag door voor alle
mogelijke werkjes in huis en daar buiten gebruikt. "Taff, doe jij dat
eens even," "dat kan Taffy wel doen!" "Waar is Taffy toch?" "Taffy moet
dat opredderen." "Taffy, haal dit of dat eens gauw van boven," klonk het
herhaaldelijk, vooral uit den mond van Miss Rench en de arme Taffy, die
een zachtaardigen, gewilligen aard had en heel wel wist dat zij geen
geleerde was, meende voor haar onwetendheid niet beter te kunnen boeten
dan door met grooten ijver alles te verrichten, waartoe zij wèl in staat
was!
Toen Hedwig dan bemerkte dat Mary Wren erin geslaagd was een paar dagen
lang een stukje chocolade voor Taffy te bewaren, knikte zij tevreden.
Taffy zat niet bij Mary in de klasse en sliep ook in een geheel ander
gedeelte van het huis, zoodat het Mary tot nog toe niet gelukt was haar
een oogenblikje voor zich alleen te krijgen. Op den bewusten ochtend
echter toen zij, op weg naar een der schoolkamers, met Hedwig door de
gang liep, kwamen zij Taff tegen, een zwaren bak met kolen torsend, die
naar de kamer van Miss Wells moest worden gebracht. Nu zag Mary haar
kans schoon. Snel had zij de chocolade uit haar zak gehaald en tusschen
Taffy's lippen gestoken en Taffy, die zeker zelden of nooit zoo iets
geproefd had, slikte van pure verrukking het kostbare stukje ineens
door!
Toch ging dit alles niet zoo gauw of Miss Rench, de "spion", was er
achter gekomen. Hoe zij het te weten kwam en dat nog wel zoo spoedig,
terwijl zij, naar Hedwig stellig meende, niet in de gang was, bleef
altijd een raadsel, maar een feit is het dat Taffy nog maar juist met
hare kolen de kamer van de directrice binnen gegaan was, toen deze
reeds, gevolgd door Miss Rench, naar buiten kwam stuiven op Mary Wren
af, haar onzacht bij den arm greep en zoo meesleurde naar de
schoolkamer, waar deze stoornis algemeene ontsteltenis te weeg bracht.
"Ondeugend nest! Ik zal jou leeren te snoepen, ergerlijk te snoepen en
anderen te bederven door haar eten in den mond te stoppen. Wat heb jij
Taffy gegeven, zeg?"
Maar Mary Wren zag doodsbleek van schrik en kon niet antwoorden.
"Nu, voor den dag ermee als 't je blieft en dadelijk."
Nu bracht Mary Wren het er haperend uit.
"Wat?" gilde Miss Wells driftig en met de hand aan haar oor. "Ik versta
je niet." Toen tot Miss Rench, die met een hatelijken glimlach op haar
gezicht stond toe te luisteren: "Wat zegt ze?"
"Zij had chocolade in haar zak," riep Miss Rench schamper.
"Wat! Chocolade! Hoe komt ze daaraan? Er mag hier op school niet
gesnoept worden, dat weet zij heel goed. De kinderen krijgen meer dan
genoeg te eten...."
Hedwig's oogen schoten vonken; toch hield zij zich bedaard.
"_Ik_ heb Mary de chocolade gegeven," zei ze luid en op kalmen toon.
"Ik had die in mijn koffer en gekregen van een vroegere leerling...."
"O zoo," viel Miss Wells uit de hoogte in. "Heb dan de goedheid er
voortaan aan te denken dat het tegen de wetten van het huis is de
meisjes snoepgoed te voeren. En wat Mary Wren betreft, die weet
opperbest dat zij iets gedaan heeft, dat streng verboden is en dat zij
straf verdiend heeft. Och Miss Rench, wees zoo goed dit meisje eens
gehoorzaamheid te leeren; de gewone straf als 't je blieft."
Miss Rench trad met zekere gretigheid naderbij, nam op hare beurt Mary
bij den arm, trok haar mee naar een der leege schoolbanken en dwong
haar, in een zeer ongemakkelijke, sterk gebogene houding, onder die bank
te gaan zitten. Toen liep zij naar een kast, haalde er een stapel oude
cahiers uit en gebood Mary deze tot kleine snippers te verscheuren.
Zonder een enkel woord van tegenwerping, deed Mary wat van haar verlangd
werd en met een hart vol bitterheid zag Hedwig toe hoe zij, steeds meer
kuchend in hare lastige houding, het eene schrift na het andere tot
snippers scheurde en deze op stapeltjes legde. Later hoorde zij van Miss
May dat het zulke snippers waren, door menige, menige leerling in
"straftijd" vermeerderd, die tot vulling der bedkussens dienen moesten.
Zij begreep dat het haar niets baten zou, al verzette zij zich nog zoo
sterk tegen deze wijze van strafgeven en hare machteloosheid drukte haar
als een ondragelijke last. Als bij ingeving voelde zij ook dat slechts
enkele onderwijzeressen, waaronder Miss May, haar verontwaardiging
deelden en wat konden zóó weinigen tegenover zoo velen?
Het mocht echter niet langer zoo blijven, besloot ze vast bij zichzelf;
er _moest_ verandering komen en zeer spoedig ook. Zij zou, zoodra ze
maar kon, een brief aan de barones von Zercläre schrijven en haar om
raad en hulp vragen.
Zoodra ze maar kon ... de gelegenheid tot schrijven deed zich echter
niet eerder voor dan den tweeden daarop volgenden Zondag, toen haar
eindelijk als een gunst werd toegestaan, een uurtje voor zichzelf te
gebruiken. Evenals den vorigen Zondag, had zij 's ochtends een troepje
kinderen vergezeld naar de kerk. Heden hadden zij den dienst bijgewoond
in de prachtige kathedraal en met hare geheele ziel had zij geluisterd
naar een bemoedigende preek over: "_Weest in geen ding bezorgd_"[5] en
naar het schoone koorgezang, dat haar onuitsprekelijk verkwikt had.