Ik voelde mij als een ander mensch, toen wij door die nu zoo doodstille,

hooge kamers liepen. Men wees ons ook de deur en de smalle trap,

waarlangs de moordenaars van Rizzio zich indertijd toegang hebben weten

te verschaffen tot de vertrekken der koningin. Ook door de eetzaal

liepen wij, waar zij Rizzio gegrepen hebben, om hem daarna door de

slaapkamer en de audientiezaal heen te sleepen en eindelijk bij de

hoofdtrap dood te steken....

Zijn bloed liet sporen achter op den vloer der audientiezaal en men

zegt dat Maria die vlekken nooit heeft willen laten uitwisschen "omdat

zij er haar aan moesten herinneren dat zij het doel van haar wraak geen

oogenblik uit het oog mocht verliezen." Vreeselijk, niet waar?

Men wees ons later ook nog een eigenaardig oud huis, dicht bij

_Holyrood_ gelegen, dat _Queen Mary's Bath_ wordt genoemd, omdat Maria

Stuart--zoo gaat het verhaal, maar u en mij zou het zeker wel een beetje

duur uit komen!--hier geregeld iederen dag een bad van wijn kwam nemen

ter verhooging van hare schoonheid.

Door dit huis wisten ook de moordenaars van Rizzio te ontsnappen en in

het laatst der 18^e eeuw, toen het dak hersteld moest worden, vond men

tusschen de planken nog een fraai gedreven dolk, die

hoogstwaarschijnlijk aan een der samenzweerders had toebehoord.

Al deze dingen moest ik aan Tieka vertellen, terwijl haar moeder zeer

aandachtig toeluisterde (wel wat griezelig!) en mij op de vingers tikte,

als ik wat onnauwkeurig was in mijne uitleggingen. Ik vond Tieka nog zoo

klein voor al die akeligheid, maar de barones was dit blijkbaar niet met

mij eens en Tieka zelf was gelukkig niet zoo heel erg onder den indruk!

Zij zag telkens iets, dat haar aandacht afleidde en deed ontelbare

vragen en ... toen we weer buiten waren en nog even rond wandelden, liep

zij opeens op een drafje van ons weg naar een heel eenvoudige, Schotsche

vrouw met een alleraardigst, klein, dik jongetje van een paar jaar aan

de hand. Het kereltje had groote, lichtblauwe oogen en zulke bizonder

dikke, ronde wangen dat Tieka den lust niet kon weerstaan er even in te

knijpen. Met een bizonder ernstig gezichtje keek hij tot haar op, toen

zij deze vrijheid nam en de moeder zei lachend, met een sterk Schotsch

accent: "Geef de jongejuffrouw gauw een handje, Bob." Maar Bob kon daar

maar niet zoo dadelijk toe besluiten. Wèl deed hij zijn mond wijd open

om Tieka te laten zien dat hij een pepermuntje op de tong had, maar na

deze heldendaad verschool hij zich achter zijn moeder. "Tieka, kom

terstond hier," gebood de barones, "wat zijn dat nu weer voor manieren!"

En Tieka gehoorzaamde dadelijk, echter niet zonder de vrouw te hebben

toegeroepen: "Stuur mij zijn portretje, stuur mij als 't je blieft zijn

portretje!"

[Illustration: Holyrood.]

Eerst toen het te laat was, bedacht zij dat de vrouw haar adres niet

wist!

Nu heb ik mijn brief toch nog weer een paar dagen moeten laten liggen;

juist toen ik zoo langzamerhand eens wilde gaan eindigen, kwam de

familie thuis en Tieka had mij toen zooveel verhalen te doen, dat ik

geen lettertje meer kon schrijven.

En nu ... ligt mijn aardig leerlingetje te bed. Zij schijnt koude gevat

te hebben op haar reisje en moet er op raad van den dokter, een dag of

vier stilletjes in blijven en zich niet vermoeien. Ik zit bij haar en ze

slaapt nu gelukkig; dat zal haar goed doen. De dokter denkt dat zij wel

gauw weer zal opknappen, maar zij ziet er nu erg bleek en smal uit! Zij

is echter opgewekt en eet flink. "Als _my dear_ maar aldoor bij me mag

blijven, vind ik het niets erg," zei ze tegen den dokter, die natuurlijk

heel verbaasd keek, niet wetende wie "_my dear_" was! Hij lachte, toen

ik het hem uitlegde en zei toen, tot Tieka's groote vreugde, dat ik niet

van haar bed mocht wijken. Toen vroeg hij mij--o schrik!--of ik hier

logeerde en een ouder vriendinnetje van Tieka was en ik keek opeens heel

streng (al beefde ik inwendig!) en zei niet anders dan: "_Her governess,

sir!_" waarop hij bedaard hernam: "_Oh indeed! Yes, of course_".

Het is toch vervelend dat ik er niet uit zie alsof ik ... tachtig was!

De baron kan mij ook zoo lastig onderzoekend aankijken en laatst zei de

barones: "U bent nog wel _heel_ jong, Fräulein, u moet trachten wat

bezadigder te zijn." Ik boog, zielsblij dat zij mij niet vroeg hoe oud

ik toch eigenlijk was--maar och heden, den middag daarop gebeurde er

juist iets, waardoor ik een alles behalve "bezadigden" indruk maakte!

Ik doe heusch mijn best met alles, moeder, en hoe zou ik ook niet? Ik

heb het zóó goed getroffen en vind mijn werk voor en met Tieka zoo

prettig, maar 't is net of ik soms _vergeet_ mijn best te doen om oud te

wezen! Het is werkelijk ook niet zoo heel gemakkelijk dat te zijn, als

men het eigenlijk niet is. Dat klinkt als een raadsel, vindt je niet

Clärchen?

Maar nu is het toch mijn plicht u nog even te vertellen wat er dien

bewusten middag gebeurd is. Het was op een Zaterdag. Tieka behoeft dan

alleen maar 's ochtends te leeren, de overige uren van den dag mogen wij

spelen, wat wij beiden heerlijk vinden! "Ik laat haar zooveel mogelijk

_met u_ spelen," zei de barones, toen ik hier kwam, "omdat wij wenschen

dat zij ook dat verstandig doen zal. U moet dus ook dàn onderwijzend

optreden."

Ik begreep toen niet recht wat de barones hiermee bedoelde, maar dacht

en zeide alweer dat ik mijn best zou doen. Een paar malen, als Tieka en

ik met hare poppen bezig waren, kwam de barones eens kijken en eens

toen Tieka--naar mijne meening heel netjes--poppekleertjes gewasschen en

met mijne hulp gestreken had, moest zij alles weer over doen omdat,

volgens haar moeder, de kleertjes niet schoon waren.

Eerlijk gezegd, kan Tieka het haar moeder slechts zeer zelden naar den

zin maken. Als zij voor de poppenfamilie kookt of bakt en de barones

laat proeven, vindt deze ook nooit iets lekker. Tieka zegt dan altijd

maar weer vroolijk met haar heldere stem: "Een volgend keertje beter

opgepast!" Zij heeft gelukkig een onbezorgde natuur en lacht en zingt

van den ochtend tot den avond.

Dien bewusten Zaterdagmiddag waren wij beiden in een bizonder fleurige

stemming en ... vergat ik, vrees ik, voortdurend "onderwijzend op te

treden".

Tieka houdt dolveel van lezen en is tegenwoordig zeer vervuld van

Robinson Crusoe. "Dat vind ik het mooiste boek dat ik ken," zegt ze dan,

zooals telkens na ieder boek, dat ze juist uit heeft! Wij wilden dien

middag een voorstelling geven van Crusoe en Vrijdag bezig met het bouwen

van hun tent en wij hadden het dus, zooals van zelf spreekt, bizonder

druk!

Tieka wou graag Robinson Crusoe wezen en had zich daarvoor zeer

potsierlijk uitgedost. Zij had haar jurk uitgetrokken, een wit

schapenvacht (het haardkleed) omgeslagen, daarover een lederen ceintuur

gegespt, haar _slippers_ als sandalen met een rood lint onder de bloote

voeten gebonden en hare krullen zoo verward mogelijk over haar voorhoofd

laten vallen. Daarbij had ze, heel achter aan het hoofd, hoe weet ik

niet, een van hare roode kousjes bevestigd, "omdat zij er dan veel meer

wildeman-achtig en voor een onbewoond eiland uitzag."

Wij hadden ons ieder op onze eigene slaapkamer verkleed om later

elkaar, als bij verrassing, in de kinderkamer--Crusoe's eiland--te

ontmoeten en Tieka juichte van pret, toen zij mij als Vrijdag zag. Ik

had mijn gezicht en armen bruin gemaakt en mijn haar los laten hangen

langs mijne slapen, het daarna in verschillende strengen verdeeld en

toen onderaan de punten zwarte bandjes gestrikt; het zag er anders zoo

erg blond uit! Verder droeg ik een zeer fantastisch kostuum in den vorm

van een schilderachtig om mij heen geslagen, geruiten reisdeken, om het

middel met een gordel van dik touw vast gemaakt, dat verder in trossen

van zware knoopen naar beneden hing. Ik weet niet of Vrijdag ooit zoo

getoiletteerd is geweest, maar Tieka vond alles prachtig, vooral mijn

bruin gezicht en het ongemeene kapsel. Ik had mijn japonlijfje

uitgetrokken, maar voelde me onder den plaid toch heel warm natuurlijk,

_te_ warm om behagelijk te zijn. En Tieka vond Vrijdag erg lui, toen

deze opeens midden in het bouwen van een tent van blokken, kistjes,

planken, voetebankjes, enz. op den grond ging zitten en uitriep: "Ik kan

niet meer!" Crusoe trok den ontrouwen knecht aan een van zijne lokken en

riep bevelend: "Gauw meehelpen! Anders komen wij voor den nacht niet

klaar!" toen ... de deur open ging en de barones von Zercläre in

ruischende zijde haar voet op het onbewoonde eiland zette!

Even bleef zij zwijgend staan, daarop zei ze op een toon van de diepste

afkeuring: "Maar Fräulein!" en Vrijdag, die terstond opgesprongen was,

kreeg een kleur onder zijn bruine huid. Tieka riep: "Moeder, moeder, we

spelen Robinson Crusoe!" maar deze verklaring stemde de barones

volstrekt niet gunstiger. Zij nam Tieka bij de hand en bracht haar naar

haar slaapkamer. "Kleed je terstond weer behoorlijk aan en redder daarna

dien prulleboel geheel op!" hoorde ik haar toornig zeggen en Tieka zei

alleen uit den grond van haar hart: "Hè, wat jammer!" maar deed toen

onmiddellijk wat haar bevolen was.

Juist wou ik ook zoo vlug mogelijk naar mijn kamer gaan om me te

verkleeden, toen de barones weer voor mij stond. Nooit zal ik vergeten,

hoe ongelukkig ik mij toen als Vrijdag voelde en hoe vurig ik verlangde,

weer heel gewoon Hedwig Eiche te wezen!

Tieka's moeder vond dat ik mij hoogst onbetamelijk had gedragen. En ik

_had_ zeker ook wel een ander spelletje kunnen kiezen, maar wij vonden

dit beiden zoo erg prettig!

Ik ontstelde, toen de barones zeide:

"U gedraagt u werkelijk soms geheel alsof u zelf ook nog een kind waart!

Dat moet beslist veranderen, anders zou ik Tieka niet onder uwe leiding

kunnen laten." Ze zweeg even, toen vervolgde zij met een vreemden blik

in hare oogen:

"En dan moet ik u bovendien verzoeken u wat minder te beijveren om

Tieka's liefde te winnen. Als zij u gehoorzaamt en ook verder haar

plicht tegenover u doet, is dat volkomen voldoende. Liefde behoort zij

voor hare ouders te voelen, overigens...."

Zij bracht den zin niet ten einde, maar zweeg weer even om mij

toen--alsof dit nog noodig was!--onder het oog te brengen dat

"dergelijke circus-achtige voorstellingen" nooit meer mochten plaats

hebben. Toen ging zij heen.

Vindt u het erg kinderachtig dat niet alleen het water van mijn

waschtafel het bruin van mijn gezicht wegwiesch?!

Maar u moet dit voorval toch vooral niet te tragisch opvatten, hoor!

Het is nu alles al weer voorbij en vergeten en Tieka en ik hebben toch

nog heel wat pret samen, al wagen wij ons slechts zelden meer aan

verkleedpartijtjes en tooneelvoorstellingen!

En wat zegt u nu toch wel van zoo'n brief? Stuur dit pakje ook, als het

kan, aan Anna Schaub ter lezing, of geef het haar te genieten, als zij

wellicht gauw weer eens bij u komt. Ik heb ook haar nog maar een paar

korte episteltjes gestuurd en zij schrijft zelf zoo trouw en zoo

hartelijk.

Ik ben zoo blij dat het u beiden goed gaat en dat Clärchen het nu weer

zoo prettig vindt op school en ook gouvernante wil worden.

Hoezee! Hoezee! Morgen zend ik u mijn eerstverdiende geld of liever mijn

eerstverdiende gouvernantegeld. 't Is een beetje raar uitgedrukt; toch

duidelijk genoeg voor u zeker? Neen moeder, ik heb er heusch zelf niets

van noodig; ik heb nog wel een paar _shillings_ en _pennies_ in mijn

beurs en dat is meer dan genoeg. Mijne kleeren zien er keurig netjes

uit; alles wat ik met Anna in Hamburg gekocht heb, is haast nog nieuw.

En eten of drinken behoef ik toch waarlijk niet te koopen! Dat krijg ik

hier zoo overvloedig; ik word bepaald al wat dikker en mijn wangen zien

er haast even rood uit als die van dien kleinen jongen bij _Holyrood!_

U ontvangt dus een aangeteekenden brief uit Schotland. Gewichtig, he? Ik

ga het geld zelf naar het postkantoor brengen. Dat moet u nu niet

_allemaal_ aan nuttige dingen besteden, moeder; eet eens een

extralekkere _kuchen_ bij de koffie op mijn gezondheid. Ook doen!

En nu houd ik werkelijk eens op. Natuurlijk krijgt u nu voorloopig

alleen maar briefjes in telegramstijl. Duizend groeten, ook van Tieka

aan Clärchen....

HEDWIG.

Zooeven is de dokter er weer geweest. Hij was heel tevreden en vond dat

Tieka goed vooruitging. Als het weer zoo zacht blijft, mag zij morgen

eens opzitten en misschien overmorgen een poosje met mij in den tuin

wandelen. Er is hier een prachtige tuin, een park eigenlijk, voor en

achter het huis, o zoo mooi!

HOOFDSTUK IV.

Op de Proef gesteld.

Tieka herstelde echter niet zoo spoedig als men verwacht had. Zij bleef

hoesten en toen de winter naderde en stroomen "echten Schotschen regen"

meebracht, moest zij zich bepaald in acht nemen. "Er is volstrekt geen

reden om bezorgd te wezen," zei de dokter herhaaldelijk tot de barones,

"als uw dochtertje maar eenmaal gewend is aan onze Schotsche lucht,

wordt ze stellig weer even flink als zij geweest is. Met droog, zonnig

weer mag zij uitgaan; in den regen wandelen is nu echter beslist

verkeerd voor haar."

Het was een heele teleurstelling voor Tieka en voor Hedwig ook. Tieka

vond het juist zoo "_jolly_" om 's ochtends in een gietbui met haar

lossen regenmantel om en haar Schotsch mutsje op, vergezeld door haar

vroolijke gouvernante, naar _Princes' street_ en het standbeeld van

Scott te wandelen of, even voor de _afternoon-tea_, vijf minuten in den

regen door de paden van den grooten tuin te draven, met haar neusje in

de lucht en dan Hedwig te laten raden, hoeveel druppels zij op de punt

van dat neusje had voelen spatten--en nu moest al dat genot den geheelen

winter worden ontbeerd!

Zij hield zich echter dapper. "Dan mag ... neen, dan moet ik den

volgenden winter zeker dubbel vaak uit, niet waar, dokter?" vroeg zij en

de dokter knikte lachend.

"Natuurlijk."

"O _my dear_, wat ben ik nu toch dubbel blij dat ik _my dear_ heb!" zei

ze telkens tot Hedwig, als ochtend aan ochtend de regen tegen de ruiten

kletterde om met hatelijke volharding den ganschen dag te blijven

aanhouden. Dan lachte Hedwig en kneep haar in de kin of danste eens met

haar de kamer door, maar op zekeren dag, toen Hedwig, na ontvangst van

een brief van huis, stiller was dan anders, vroeg Tieka opeens

aarzelend:

"_My dear_, wat gebeurt er in de Kerstvacantie?"

"Wat meen je?"

"Of dan niet ... zou ik dan niet ... ik meen maar ... omdat...."

"_Heel_ duidelijk ben je niet, maar ik geloof toch dat ik wel weet wat

je vragen wilt!"

"O," zei Tieka, die anders niet gewend was zoo weinig woorden te

gebruiken.

"Je zoudt graag eens willen weten of ik met de Kerstvacantie ook naar

huis ga; is het niet zoo?"

"Ja, ja, ik hoop maar...."

"Ik zal je eens wat zeggen Tieka, ik ga niet naar huis met Kerstmis en

nog lang niet, denk ik."

"Wat heerlijk, wat heerlijk!" Zij sprong op en liet haar breikous op den

grond vallen, zoodat een der naalden uit het werk gleed en een heele

rij steken weer opgenomen moest worden.

"Kindje, kijk nu toch eens!" zei Hedwig en Tieka moest zelf trachten het

onheil te herstellen.

Heel vlug ging dat niet, zij vond het erg lastig al de steken weer op de

breinaald te krijgen en met haar donker hoofdje diep over het werk

gebogen, zat zij heel stil. Hedwig hoorde haar een paar malen zuchten.

"Gaat het niet?"

"Het gaat wel, maar o, ik vind breien zóó vervelend!"

"Dat zul je niet vinden, als je het maar eenmaal goed hebt geleerd."

"Mijn neus gaat er altijd zoo van jeuken," klaagde Tieka, "en mijn ooren

ook!"

Toch legde zij het werk niet neer, voordat al de steken opgenomen waren;

toen riep ze vroolijk: "Al weer klaar! En nu is het voor vandaag genoeg

zeker?"

"Ja. Ga nu je Duitsche versje maar overschrijven."

"Maar eerst...." en zij sloeg de armen om Hedwig's hals en fluisterde

vlak bij haar oor:

"Eerst nog eens even zeggen, hoe heerlijk ik het vind dat _my dear_ hier

blijft met Kerstmis."

Hedwig gaf haar een kus. "Lieveling," zei ze zacht en Tieka hoorde

terstond aan haar stem dat zij bedroefd was.

"_My dear_, wat is er?"

Hedwig schudde het hoofd.

"Is het een geheim?" fluisterde Tieka. "Dan, ja, dan màg ik het niet

weten!"

"Het is geen geheim," zei Hedwig. "Mijn zusje is ziek geweest, heel

ziek...."

"Ook al ziek geweest, net als ik en is ze nu weer beter?"

"Ja."

"Heelemaal?"

"Bijna heelemaal."

"Maar dan is het immers al weer over!"

"Ja, gelukkig wel."

Tieka begreep niet recht, waarom Hedwig dan niet blijder was.

"Verlangt zij zoo naar u?"

"Wel wat, denk ik."

"Maar dan moet u met Kerstmis wèl naar huis gaan," zei Tieka, een

overwinning op zichzelf behalend.

"Neen, neen."

Tieka voelde dat Hedwig er verder liever niet over spreken wilde en ging

stil aan haar werk. _My dear_ was anders altijd zoo vroolijk! Zij was nu

zeker wat bedroefd omdat Clärchen zoo ziek was geweest, maar het was

toch _geweest_; dat was een groot lichtpunt, vond Tieka.

Ja, dat was zeker een groot lichtpunt en in dien geest had Hedwig's

moeder ook geschreven. Clärchen's ziekte had echter veel geld gekost en

zij hadden angstige dagen gehad; nu moest zij versterkende middelen

hebben, ook had ze nog veel oppassing noodig en--haar moeder was zóó

arm! Zij schreef zoo opgewekt als ze kon; zij hielden goeden moed; dat

deed Hedwig toch zeker ook? Maar dat behoefde haar moeder eigenlijk niet

eens te vragen, van haar waren zij het niet anders gewend.

Neen, zij zou den moed niet verliezen, maar ach, wat zou het heerlijk

zijn geweest, als zij met Kerstmis één enkelen dag thuis had kunnen

zijn! Er kon daarvan nù natuurlijk heelemaal geen sprake wezen ... en

haar moeder en Clärchen weer zóó arm en zoo vol zorgen....

Doch zij stond op om over Tieka's schouder heen naar haar werk te kijken

en schudde de gedrukte stemming van zich af.

Zij wilde niet bij de pakken neerzitten, maar flink haar weg blijven

gaan, wetend dat God helpt die zichzelven helpen en zoodra zij haar

salaris kreeg, zou ze haar moeder weer al het geld sturen, dat zou

verlichting geven; hoe gelukkig dat de maand bijna om was en dat zij

zelf niets noodig had!

"Ziezoo, _my dear_ is weer vroolijk," zei Tieka, toen zij 's middags

honderd uit bij Hedwig had gezongen aan de piano, terwijl de

regendruppels buiten de maat tikten tegen de ruiten. Ja, Hedwig had haar

gewone blijmoedigheid herkregen en 's avonds schreef zij een paar

opgewekte woorden naar huis, die haar moeder en Clärchen een gevoel

gaven, alsof zij een oogenblikje bij haar had zitten praten.

Enkele dagen later hunkerde zij al naar het uur, waarop zij haar salaris

weer zou ontvangen. Gewoonlijk vond zij het in een couvert op haar kamer

liggen en ook nu was dit het geval. Tot haar verbazing was er thans

echter een briefje bij, waarin de barones haar verzocht dadelijk een

oogenblikje bij haar te komen in haar _boudoir_.--Misschien zou het zijn

om over een rijtoertje te spreken, bedacht Hedwig; het was bij

uitzondering heden mooi weer. Terstond ging zij heen.

Zij had het _boudoir_, dat door een zwaar gordijn van een der zitkamers

was afgescheiden, nog nooit anders dan uit de verte gezien en zij was

echt meisjesachtig nieuwsgierig, hoe zij het er vinden zou. Alweer moest

zij een paar bedienden langs, eer het gordijn achter haar dicht viel.

Zij had slechts even den tijd om onder den indruk te komen van de

zacht-lila tinten van behang en meubileering en van den viooltjesgeur,

die in het vertrek hing, want heel spoedig hoorde zij in hare nabijheid

de stem der barones tot den knecht zeggen:

"Zorg dat ik niet gestoord word."

Toen zij naderde, ontstelde Hedwig van de koude, hooghartige uitdrukking

van haar gelaat. Wat zou er gebeurd zijn? Had zij iets misdaan? Zij

herinnerde zich niet in eenig opzicht tegen de wenschen der barones

gehandeld te hebben....

"Ik moet eens ernstig met u spreken, Fräulein," klonk het zeer uit de

hoogte. "Allereerst moet ik er u nog eens met nadruk op wijzen, dat het

uw plicht is ervoor te zorgen, dat Tieka zich niet te veel aan u gaat

hechten. Zij ... kortom, zij behoort haar genegenheid te geven aan

menschen uit haar eigen stand, niet aan onderhoorigen. Natuurlijk is het

mijn wensch dat gij in aangename verhouding tot elkaar staat, maar de

afstand moet bewaard blijven."

Hedwig boog het hoofd. Zij zeide niet dat Tieka allerminst een kind was,

dat van "afstand bewaren" hield, maar zij dacht het wel en haar hart

werd warm.

"Dan heb ik u nog iets te zeggen. Het zou mij zeer aangenaam wezen u wat

stemmiger, wat minder jeugdig en ook wat eleganter gekleed te zien. Voor

zoover ik weet, heb ik u nog nooit zwart zien dragen. Mag ik vragen hoe

dat komt?"

Hedwig antwoordde dat zij geen enkele zwarte japon bezat.

"Dan zult u er u een dienen aan te schaffen; uw toilet is te weinig,

zooals ik dat van de gouvernante mijner dochter mag verwachten. Heel

stemmig moet het wezen en toch smaakvol. Ik zal u een adres opgeven van

een winkel hier in Edinburg, dan kunt u daar van middag een japon

koopen, terwijl ik met Tieka uit rijden ben."

"Ik...." Hedwig dacht aan het geld, dat zij den volgenden dag aan haar

moeder had willen sturen en er kwam haar een brok voor de keel.

"Hadt u nog iets te vragen?"

"Ik dacht ... zoo'n zwarte japon ... is die niet erg duur?" bracht zij

er hakkelend uit.

"Men zal u gaarne verschillende soorten van stof laten zien," zei de

barones koel. "Maar ik herhaal dat ik bizonder gesteld ben op zwart. Het

hindert me dat men u over 't algemeen een te jonge gouvernante voor

Tieka vindt. Als u wat minder jeugdig gekleed gingt en minder levendig

waart, zou dat natuurlijk niet het geval zijn, want ... hoe oud bent u

eigenlijk?"

"Vijftien jaar ... bijna zestien," zei Hedwig, zoo zacht dat de barones

haar onmogelijk verstaan kon.

"_Hoe_ oud?" vroeg zij scherp.

Met de kalmte der wanhoop herhaalde Hedwig nu luid:

"Vijftien jaar."

"Wat?" De oogen der barones flikkerden toornig. "Waarom is mij dat niet

eerder gezegd?" zeide zij driftig. Toen zich herstellend, met

voorgewende kalmte: "Maar het doet er ook eigenlijk minder toe, hoewel

... u weet immers _zeker_ dat u niet ouder bent?"

Onwillekeurig moest Hedwig nu toch even glimlachen. "Heel zeker," zei

ze.

"Dan zult u dubbel uw best moeten doen ouder te _schijnen_. Het zal mij

ook genoegen doen, u een ander soort hoeden te zien dragen, niet altijd

dat ronde, meisjesachtige model, meer een kapothoedje of iets, dat

daarop lijkt, ten minste."

"Ja," zei Hedwig zacht met de eigenaardige gewaarwording dat zij zou

hebben kunnen lachen en schreien tegelijk.

Daar hoorde zij Tieka's stem roepen:

"Waar is _my dear_?"

De barones stond op. "Ik geloof dat wij elkaar nu goed begrepen hebben,"

zei ze. "Als ik straks met Tieka ga rijden, kunt u de stad in gaan om

uwe boodschappen te doen. Ik heb nu niets meer te zeggen."

Hedwig had echter nog wel degelijk wat te zeggen en hoewel het haar

moeite kostte, bracht zij er toch moedig uit:

"Ik vrees dat ik niet rijk genoeg ben om een japon en een hoed te

koopen."

De schatrijke barones von Zercläre trok verwonderd de wenkbrauwen op;

zij vroeg echter niets. "Dan zal ik u uw salaris eenige maanden vooruit

betalen," zei ze.

Weer boog Hedwig en luider en dichterbij klonk Tieka's ongeduldig

geroep:

"Waar is _my dear_ toch?"

Hedwig kwam haar op de trap tegen. "Ga je klaar maken, Tieka," zei ze.

"Je gaat met je moeder rijden. Heerlijk dat het zulk mooi weer is, he?"

Tieka zag haar met groote oogen aan. Hedwig's stem klonk zóó vreemd!

"Alleen met mama?" vroeg zij teleurgesteld.

"Ja."

Later hoorde Hedwig haar aan de barones vragen: "Waarom mag _my dear_

niet mee?" en het antwoord der barones: "Ik weet niet wie je met die

dwaze benaming bedoelt. Je moest je die kinderachtigheden afwennen,

Tieka, daar wordt je nu te oud voor."

Met looden schoenen ging Hedwig naar haar kamer om zich gereed te maken

voor hare "boodschappen."

Nu zou ze dus geen geld naar huis kunnen sturen en haar moeder had het

zóó noodig! En zeker nog in geen maanden zou ze weer wat kunnen zenden,

want eer die nieuwe japon en hoed betaald waren....

"En ik trek het me toch niet erg aan en ik schrei er ook niet om, want

dat helpt niemand ook maar een ziertje, moeder ook niet," zei ze, met

tranen in de oogen! Ze dronk snel een glas water leeg en knikte zichzelf

even toe in den spiegel, terwijl zij haar hoed opzette. "Moed houden,

hoor oudje!" Toen met een lachje en een zucht: "Och heden, was ik maar

wat meer een oudje, dan verdiende ik zeker ook meer. Nu, daarom niet

getreurd, dat wordt met den dag beter!"

Een Heldin · 第 3 / 16 段