avond vooraf gaat, scheen over de schilderachtige stad. Op enkele
plaatsen waren de lantarens reeds aangestoken en achter sommige
winkelramen wierp reeds het kunstlicht een zacht schijnsel op kwistig
uitgestalde, veelkleurige Schotsche zijde en op aardiggevormd bruin- en
-geel aardewerk en kristal. Hedwig keek nieuwsgierig naar een paar
stoergebouwde, Schotsche soldaten, die vlak langs haar rijtuig gingen en
er met hunne frissche gelaatskleur, lichte jassen, korte, geruite
_kilts_ (rokjes) en groote, witte pluimen aan de lederen ceintuurs,
flink en krachtig uitzagen. Verrast keek zij op, toen ze tegenover de
weelderige winkels in Princes-street, in het stille avondlicht, hoog op
een rotsblok, de ruïnes zag liggen van het oude, grijze kasteel en
daaronder de takken der boomen van het fraaie park zag wuiven, waarin ze
nog juist met een oogopslag het beroemde Scott-monument kon
onderscheiden. Noemden de menschen in Edinburg dit een _straat_?
Prachtig mooi vond zij alles van toon en kleur en het onwezenlijke
halfdonker maakte den rit niet minder aantrekkelijk.
Met innig genot ademde zij de geurige lucht in, die door het open
raampje naar binnen kwam en haar hand gleed streelend langs de zachte
zijde der rijtuigkussens, maar toen het rijtuig stilhield voor een groot
heerenhuis, waaruit veel licht naar buiten scheen, begon haar hart
sneller te kloppen en drukte zij de handen even stijf tegen elkaar.
Zou Tieka al in de gang staan om haar op te wachten en ... de barones
misschien ook en zouden zij zich erg ongerust gemaakt hebben over haar
lang weg blijven? Zij sprong vlug het rijtuig uit en liep haastig het
huis in, maar in de hooge, fraai gemeubileerde gang was niemand dan een
zeer deftige knecht, die even voor haar boog met de woorden:
"_What name, please?_"
Haar naam? Hedwig vond het vreemd dat hij dien vroeg, iedereen wist toch
natuurlijk dat Tieka's Duitsche gouvernante elk oogenblik verwacht kon
worden! De knecht scheen hiervan echter volstrekt niet op de hoogte te
wezen en ze noemde hem haar naam en liet zich den weg wijzen naar een
vertrekje aan 't eind der gang. Ze moest een heele poos wachten, voordat
een tweede knecht verscheen om haar naar een schitterend verlichte
_drawing-room_ te brengen, waar de barones en de baron von Zercläre, een
mager, nietig, blond mannetje met een vrij onbeduidend uiterlijk,
aanwezig waren.
De barones gedroeg zich, naar Hedwig voorkwam, nog statiger dan toen zij
haar voor het eerst zag. Zij raakte Hedwig's hand even aan met hare
vingertoppen, stelde haar als ter loops voor aan den heer von Zercläre,
liet haar blik glijden over Hedwig's kleeding en zei:
"We hebben nog naar u uitgekeken aan het station, maar de volte belette
ons u te vinden; daarom zond ik u later het rijtuig maar. Ook van
ochtend in Londen hebben wij elkaar gemist. U hebt een goede reis gehad,
hoop ik?"
"Het gaat wel, dank u," antwoordde Hedwig kortaf, onder den indruk van
de koele ontvangst. Toen snel, omdat ze zag dat de barones weer naar het
gekreukelde japonnetje keek:
"Ik ben zeeziek geweest en van ochtend ging alles wat haastig; daarom
zie ik er...."
"O ja, juist, juist," viel de barones in met een gebiedend gebaar van
haar hand, alsof zij zeggen wilde: "Spaar mij verdere bizonderheden".
"Als u nu maar naar boven gaan wilt, dan zal men u uwe kamer wijzen en u
daar uw _supper_ en wat thee brengen."
Zij schelde en een keurig gekleede jonge vrouw--"heelemaal een dame",
vond Hedwig--verscheen; zij was de kamenier der barones.
Juist wilde Hedwig haar de kamer uit volgen, toen de baron, die zich
onledig hield met door het vertrek heen en weer te loopen, toevallig
zijn voet zette op een lus van het vastgespelde boorband van haar japon,
dat daardoor nog een heel eind verder afscheurde.
"O pardon, pardon," riep hij uit, onthutst naar zijne vrouw kijkend,
maar deze, die de spelden ontdekt had, zei alleen koud: "U zult
verstandig doen, Fräulein, met u spoedig te verkleeden," en keerde
Hedwig toen den rug toe. Hedwig was blij, toen zij de kamer weer uit
was. Onder diep stilzwijgen ging de deftige kamenier haar nu voor naar
een hoogere verdieping. Hedwig zag wel hoe zij haar op het portaal met
een trotsch toegeknepen mondje, van het hoofd tot de voeten op nam, maar
ze liet er zich niet door uit het veld slaan. Zij _zag_ er ook werkelijk
niet netjes uit, moest zij bekennen ... maar o, ze was ook zoo moe en
... het juffertje naast haar had zeker wel gemakkelijker reis gehad dan
zij!
Ze had zich de ontvangst hartelijker en prettiger voorgesteld, maar als
zij maar eenmaal gewend was, zou alles zeker goed gaan. Het was nu ook
nog zoo vreemd....
Daar werd aan het eind van het portaal een deur met een ruk geopend en
een bevallige, kleine gedaante, geheel in het wit, vloog Hedwig te
gemoet. "_Ach du liebe, kleine_ Tieka!" riep Hedwig en er sprongen haar
tranen van blijdschap in de oogen. Want Tieka sloeg de armen om haar
hals en drukte zich tegen haar aan. "_Oh, I am glad, glad!_" riep ze en
zij beduidde de preutsche kamenier dat zij nu wel heen kon gaan; zij
zelf zou "Fräulein" verder den weg wel wijzen. "Ik mocht niet naar
beneden," fluisterde zij Hedwig toe, "maar ik had toch het rijtuig wel
gehoord!"
Ze duwde Hedwig de kinderkamer in, die er met de aardige, kleurige
platen aan den muur, vroolijk uitzag, schoof bedrijvig een gemakkelijken
stoel voor haar aan en dwong haar te gaan zitten en achterover te
leunen. "Zie zoo, rust nu maar eens flink uit," zei ze als een klein
moedertje en ze trachtte Hedwig den hoed af te zetten en haar mantel los
te maken, maar Hedwig sprong lachend op. "Wijs mij mijn kamer eerst maar
eens, Tieka," zei ze en Tieka gehoorzaamde dadelijk. Zij opende een
tusschendeur, die toegang gaf tot een kleiner vertrek, waar sierlijke
miniatuur-meubeltjes stonden: rieten tafeltjes, stoeltjes, twee
linnenkastjes, een kookkacheltje, in een hoek een rij ledikantjes,
toilettafeltjes met licht neteldoek en blauwe strikjes getooid, in een
anderen hoek een pers en mangeltafeltje, strijkplank met toebehooren en
allerlei andere benoodigdheden voor het poppengezin, dat hier wonen
moest.
"Dit is de kleine kinderkamer," zei Tieka, die haar Engelsen en Duitsch
erg door elkaar haspelde, "hier kunnen wij zoo heerlijk spelen! Mijn
poppen zijn nog ingepakt; ik verlang ernaar dat zij uit die donkere
koffers komen, morgen moeten zij hier een feestje hebben. En dit," weer
opende zij een tusschendeur, "is uw kamer, vlak naast mijn
slaapkamertje, dat vind ik zoo heerlijk!"
Onwillekeurig knikte Hedwig blij, toen zij hier haar grooten koffer
reeds zag staan, het was bijna alsof ze een oude kennis ontdekte! Ze
vond het een heel mooie kamer; alles zag er zoo echt comfortable uit:
het flinke ledikant, de spiegelkast, waarin zij haar japonnenschat zou
mogen bergen, de waschtafel met marmeren blad en het meest nog het
aardige hoekje bij het raam, waar een paar gemakkelijke, lage stoelen
waren heen geschoven en tegen den muur een kleine schrijftafel stond.
Een schrijftafeltje, dat zij, Hedwig Eiche, gebruiken mocht! Als haar
moeder en Clärchen dat eens even konden zien!
Zij lichtte snel het gordijn op om het uitzicht te bewonderen en Tieka
drukte haar neusje ook tegen de ruiten. Maar er was niet veel meer te
onderscheiden dan wuivende boomen, de verlichte ramen van een paar
huizen aan den overkant en het schijnsel der lantarens, dat op het
stille, deftige plein viel.
"Zoo echt geheimzinnig, he?" zei Tieka. "Ik wou dat wij saampjes nu eens
even uit mochten gaan, dan was het net als in een sprookje." Toen,
terwijl zij Hedwig met hare donkerblauwe oogen ernstig aanzag: "Ik houd
nú al veel van u!"
"Dat weet je nog niet, daar weet je nog niets van," riep Hedwig
plagend.
"Jawel, jawel, ik weet het juist wel, ik weet het zeker," zei Tieka met
nadruk. En toen Hedwig haar hoed afzette en het blonde haar--dat nog
maar niet aan het opgestoken kapsel kon wennen--losraakte en over haar
schouders golfde, klapte het kleine meisje opgetogen in de handen en
riep uit:
"O, wat aardig! Wat staat dat grappig! Maar...." en opeens werd haar
gezichtje weer ernstig en aarzelend, verlegen vroeg ze:
"Dat mag men niet vragen, is 't wel, hoe oud of iemand is?"
"Wel neen," zei Hedwig terstond, zich op de lippen bijtend om niet te
lachen, "dat behoort heelemaal zoo niet, dat is heel onbeleefd."
Zij keerde zich om naar de kast om Tieka's vragende oogen te ontwijken
en hing haar mantel op, maar Tieka stond dadelijk weer naast haar.
"Ik _heb_ het nog niet gevraagd," zei ze verontschuldigend.
"Neen, pas dan maar op dat je het ook niet doet."
Tieka zweeg even; hare oogen bleven onafgewend op Hedwig gevestigd. Toen
zei ze levendig:
"Ik wou u zoo graag geen Fräulein noemen, ten minste ... niet als wij
alleen zijn. Ik wou zoo graag....
"Nu, wat wou je graag?" vroeg Hedwig bij haar neerknielend.
"Ik wou zoo graag," herhaalde Tieka met haar hand onder Hedwig's kin,
"een apart naampje voor u hebben en niet altijd Fräulein zeggen. Ik wou
... o, ik weet al wat, _my dear_ zal ik u noemen, nooit iets anders dan
_my dear_, als wij samen zijn. Mag dat?"
"Natuurlijk, maar dan moet je ook je best doen, niet telkens Duitsch en
Engelsch door elkaar te spreken, maar iedere taal afzonderlijk."
"_Yes my dear, my dear, my dear_," riep Tieka, half zingend en ze danste
de kamer door, al maar roepende dat ze toch zóó blij was dat "_my dear_"
er nu eindelijk was!
Toen Hedwig den sleutel van haar koffer te voorschijn haalde, vroeg ze
gretig: "Moet ik nu weg of mag ik bij het uitpakken blijven?"
"Wel zeker, je blijft hier, je kunt me juist uitstekend helpen," zei
Hedwig.
"Zij hebben beneden visite, zie-je," babbelde Tieka voort, "een
heeleboel van avond. Ik zal nog wel even geroepen worden misschien, maar
ik blijf niet lang weg, ik kom dadelijk terug."
Tot haar teleurstelling stuurde haar moeder echter om haar, toen het
uitpakken nog maar even aan den gang was en men hield haar zoo lang
beneden dat Hedwig geheel klaar was, zich had verkleed en op het punt
was om iets te gebruiken van het eten, dat men voor haar in de
kinderkamer had gereed gezet, toen Tieka eerst weer verscheen.
"O, ik moest tegen zóóveel menschen wat zeggen!" riep ze, hijgend van
het vlugge loopen. "Ik kon maar niet klaar komen. Mag ik de thee voor u
inschenken en brood snijden? Ik kan het best. Hier is visch. Mag ik u
bedienen? Kijk, dit zijn _scones_, een echt Schotsch gebak; dat smaakt
zoo lekker, daarvan wil ik nog wel een _klein_ stukje. Zal ik een ei
voor u koken? Ik weet heel goed hoe ik dat doen moet."
Hedwig vond alles goed. Zij had er schik in op te merken, hoe handig
het kleine meisje met den zwaren, grooten trekpot omging en er later
zorgvuldig de _cosy_ weer over trok, hoe zij haar voorzag van wat zij
noodig had zonder iets te vergeten en hoe zij later vroolijk toekeek,
terwijl Hedwig at en dronk.
Eindelijk zei ze met een zucht:
"Nu _moet_ ik naar bed, erg vervelend, maar mama vraagt _altijd_ 's
ochtends of ik den vorigen avond op tijd gegaan ben. Misschien ...
misschien komt straks ... iemand nog wel even bij mijn bed, als ik erin
lig?"
"Iemand?" zei Hedwig, zoo ernstig mogelijk. "Wie is iemand?"
"Dat zeg ik niet! Dat zeg ik niet!" zei Tieka, lachend opspringend; de
glimlach in Hedwig's oogen had haar blijkbaar gerust gesteld. Vlug liep
ze naar haar slaapkamertje en Hedwig hoorde niets meer, totdat een
vroolijke stem riep:
"_Ready! Fertig!_"
"O! O! O! Weer Engelsch en Duitsch te gelijk; pas op!" zei Hedwig, maar
ze had weer groote moeite haar gouvernante-waardigheid te bewaren, toen
Tieka rechtop ging zitten in bed en nieuwsgierig vroeg:
"Ben ik wel tien jaar jonger dan u?"
"Wou je dat _heel_ graag weten?"
Tieka knikte alsof haar hoofd eraf moest.
"Ik mag het je toch niet zeggen, nu nog niet, ten minste."
"Wanneer dan wel?"
"Dat weet ik nog niet, maar, als je mij plezier wilt doen, moet je er
niet meer naar vragen en er ook niet met anderen over spreken."
"O."
"Wil je me dat plezier doen?"
"Ik _wil_ wel, maar ik vind het niet prettig."
Hedwig gaf haar een kus. "Nacht lieve Tieka," zei ze, "komt je moeder
ook nog bij je?"
"Mama?" Tieka keek heel verbaasd. "Neen, die komt nooit meer, die heeft
het veel te druk."
Het speet Hedwig dat zij de vraag gedaan had.
"Nacht kindje."
"Goeden nacht, _my dear_."
En toen Hedwig heen gegaan was en reeds een poosje op haar kamer had
zitten nadenken, klonk het nog eens:
"_My dear...._"
Hedwig ging dadelijk naar haar toe. "Slaap je nog niet, Tieka? Wat is
er?"
Zij keek Hedwig ondeugend aan. "Ik wou alleen nog maar één keer zeggen:
"Nacht, _my dear!_""
HOOFDSTUK III.
Een Brief, waar van Alles in staat.
Ongeveer een maand later slaakten Hedwig's moeder en Clärchen een kreet
van verrukking bij het openen van een zeer dikken brief, den eersten
langen brief, dien zij van Hedwig ontvingen.
"Lieve beste moeder," schreef zij, "nu zal ik mijn best doen u eens van
alles en alles te vertellen! Ik kon tot nu toe niet anders dan haastige
brieven schrijven, maar vandaag en morgen is Tieka met hare ouders uit
de stad en heb ik dus twee dagen vacantie en ruim tijd voor een langen
brief.
Ik zal u ook heusch oprecht op al uwe vragen antwoorden, lief, bezorgd
moedertje en dus allereerst maar eerlijk bekennen dat ik soms wel erg
naar u en Clärchen verlang. Maar als dat nu eens niet zoo was, hoe zoudt
u dat dan vinden? _Heel_ onhartelijk en onnatuurlijk, niet waar? Ja, ja,
ik ben soms sentimenteel genoeg om uwe portretten heel dicht ... bij
mijn mond te brengen, maar dat gebeurt lang niet iederen dag! Ik vertel
Tieka ook dikwijls van u beiden en dan is het net of ik even bij u ben
geweest.
Zooals ik u reeds schreef, ga ik geregeld iederen Zondag, dikwijls met
Tieka, maar die gaat ook veel met hare ouders mee--naar de Duitsche
kerk; dat is altijd een echt verkwikkend, rustig uurtje, maar erg jammer
is het dat hier op 't oogenblik geen vaste, Duitsche predikant is en er
telkens iemand anders preekt. Het zou zoo aardig zijn, als er wèl een
predikant was met een groot gezin, waar ik dan aan huis mocht
komen--voorloopig zal daar echter wel niet veel kans op wezen!
Heb ik het anders niet buitengewoon goed getroffen en wat zegt u er toch
wel van dat uw vijftienjarige dochter nu gouvernante is in zoo'n paleis
van een huis? Soms lijkt het me wèl heerlijk om dat paleis eens voor een
half uurtje te verwisselen met ons knus bovenhuisje en even, even mijn
armen om uw hals te slaan en Clärchen te zien smullen van een stuk
Schotsche _scone_ (een smakelijk gebak) of _toffee_, want ik zou
natuurlijk van alles voor haar mee brengen. Even voor een dagje
overkomen gaat echter zoo gemakkelijk niet en daarom zal ik maar
stilletjes in mijn paleis blijven! Soms is het mij haast als een droom
dat ik hier nu heusch thuis behoor. Het huis is zóó groot, Clärchen zou
er best in kunnen verdwalen. Ik weet er nu den weg wel zoowat in te
vinden, maar er zijn zóóveel kamers en zooveel mooie, breede gangen met
hooge, met bloemranken beschilderde muren en kleine nissen met tafeltjes
met planten en rieten stoelen, fraai gedrapeerde rustbanken en kisten
van donker, uitgesneden eikehout en o, zooveel trappen en portalen dat
ik niet begrijp dat de bedienden zich nooit vergissen, als er van
verschillende kanten wordt gescheld.
Die bedienden ... of ik er ooit achter zal komen _hoeveel_ er hier
precies zijn? Ik betwijfel het werkelijk, want ik overdrijf niet, als ik
zeg dat er stellig bij de twintig zijn. En de meesten zien er zoo
verbazend voornaam uit dat men haast niet laten kan een buiging voor hen
te maken, als men hen tegen komt. De mannen: huisknechten, _butler_,
koetsier, palfrenier, enz. enz. zijn allen in livrei en loopen allen
even statig--al _is_ de aard van den palfrenier werkelijk vroolijk en al
heb ik hem herhaaldelijk zien glimlachen om Tieka's grappen.
De meisjes en vrouwen hebben de keurigste japonnetjes aan en gedragen
zich over 't algemeen nogal uit de hoogte tegenover mij, net alsof _zij_
na familie van den baron von Zercläre zijn en _ik_ niet! Maar zij meenen
het niet kwaad, geloof ik, en ik heb niet veel met haar te maken.
Zelfs de kleine Tieka heeft een aparte _maid_ voor zich; dat is wel een
aardig, voorkomend persoontje, maar wie zou ook voor Tieka onaardig
kunnen wezen? Dat kind is en blijft een schat. Wat zou ik graag willen
dat gij haar eens even zien kondt, mijn lief, lief leerlingetje! Als zij
morgenavond thuis komt, zal ze weer met dien aardigen, muzikalen klank
in haar stem roepen: "Waar is _my dear_?" Dat doet zij altijd, als zij
me niet dadelijk vindt, ik kruip wel eens opzettelijk weg om haar te
plagen--en als zij me dan ziet, danst ze letterlijk naar me toe en al
hare korte, donkere krullen dansen mee!
Zijn we met ons tweetjes, dan noemt zij me nooit anders dan _my dear_,
maar als wij beneden dineeren, (ik vergat nog u te zeggen dat mijn
eetlust uitstekend blijft en dat ik zoo gezond ben als een hoentje!)
vergeet ze nooit mij deftig "_Fräulein Eiche_" te noemen. Wij eten
trouwens heel weinig beneden, want de baron en barones hebben bijna
altijd gasten en, als die er zijn, eten wij geregeld op de kinderkamer.
We hebben het heel genoegelijk met ons beiden. Als Tieka naar bed is en
ik alleen op de kinderkamer zit, waar het dan zoo heel rustig kan wezen
en soms het geluid van pratende en lachende stemmen van beneden tot mij
doordringt, ja moeder, dàn verbeeld ik mij wel eens dat ik me wat
eenzaam voel, maar dat is natuurlijk niets dan verbeelding!
Wat die aristocratische, schatrijke menschen hier toch een eigenaardig
leven hebben! Den baron zie ik soms in dagen niet anders dan aan het
ontbijt, waarbij hij de godsdienstoefening leidt; bij de _lunch_ is hij
dikwijls uit. Als hij wel thuis is, hoort men toch zijn stem haast niet;
alleen als Tieka wat al te levendig is, bestraft hij haar; overigens
neemt hij, naar mijn bescheiden meening, veel te weinig notitie van zijn
allerliefst dochtertje. Wel letten hij en de barones er erg op dat ze
goede manieren krijgt en met smaak gekleed gaat, maar Tieka blijft daar
heel eenvoudig onder. Zij geeft niets om mooie jurken en ze zal nog heel
wat moeten veranderen, eer zij is wat hare ouders van haar wenschen te
maken. De barones bemoeit zich nogal met de lessen en liet zich laatst
tegenover mij ontvallen dat zij zeer hoopte dat Tieka niet alleen een
heel mooi, maar ook een heel bizonder meisje zou worden. "Zij zal moeten
schitteren, ook door haar kennis en hare talenten; u hebt daaraan reeds
nù te denken!"
Ik waagde het op te merken dat ik toch vurig hoopte dat Tieka zoo
vroolijk en eenvoudig zou blijven als zij thans was, want dat ik haar
juist nù zoo bizonder aantrekkelijk vond, maar de barones haalde toen
even minachtend de schouders op. "Tieka is nu nog een heel gewoon kind,"
zei ze, "dat kan alleen anders worden, als er veel zorg aan haar
opvoeding wordt besteed."
O, ik hoop dat ik heel, heel lang bij haar zal mogen blijven en ik wou
... dat zij zoo'n moeder had als de mijne!
Met de lessen gaat het heel prettig. Tieka krijgt die, op verzoek der
barones, bijna alle in het Duitsch, wat mij wel aanstaat natuurlijk. Het
allerbest bevalt ons beiden de zangles. Zij heeft een heel zuiver
stemmetje en zingt zoo levendig en met zooveel uitdrukking, dat ik haar
dolgraag wat meer zou laten zingen, maar de barones vindt dat niet goed.
En Tieka zal wel gauw zangles krijgen van een of ander groot musicus!
Tieka heeft ook een verzameling, Clärchen; dat zul jij zeker heel
merkwaardig vinden. Zij is een verzameling begonnen van ... raad eens
wat? Van portretjes van kleine kinderen. Ze vindt het zoo vreeselijk
jammer dat zij geen broertjes of zusjes heeft en soms zet ze de
portretjes op een rij en vraagt mij, wie _ik_ van die kindertjes 't
liefst vind en graag als broertje of zusje zou willen hebben. Zij speelt
ook dolgraag met hare poppen, maar heel veel tijd heeft ze daarvoor
niet; ze moet zóóveel leeren, eigenlijk zelfs als ze speelt.
Waar ze maar kan, vraagt ze tegenwoordig om kinderportretjes; laatst
zelfs toen wij aan het wandelen waren bij _Holyrood_ ... maar daar kom
ik straks wel op terug, ik moet u nu toch allereerst nog eens weer
vertellen hoe prachtig mooi het hier is. Men zegt dat het in Schotland
over het algemeen heel veel regent; ik heb tot nu toe bijna aldoor mooi
weer gehad en op de wandelingen of ritjes met Tieka erg genoten. Op onze
korte ochtendwandeling bekijken wij geregeld even in de fraaie _gardens_
van _Princes' street_ het beroemde standbeeld van Walter Scott, waarover
ik u reeds vroeger heb geschreven. Clärchen herinnert zich zeker wel dat
ik haar, toen ze verkouden te bed lag, eens een stuk uit Ivanhoe heb
voorgelezen? Tieka kent nog geen boeken van Scott natuurlijk, maar zij
stelt toch veel belang in hem en iederen dag, als we bij het standbeeld
ons bankje opzoeken, vertel ik haar iets uit het leven van den grooten
schrijver; ik lees daarover dan den vorigen avond wat na.
O, het standbeeld is zoo mooi! Walter Scott zit daar met zijn
lievelingshond Maida--een prachtig dier--naast zich en er ligt een
eigenaardige, humoristische uitdrukking om zijn mond, die het gezicht
bizonder aantrekkelijk voor mij maakt. Altijd weer vind ik het prettig
ernaar te kijken; hij wordt mij langzamerhand als een oude bekende
en--ja, lacht mij maar uit!--ik begin het gezicht lief te krijgen; het
is of het mij veel te zeggen heeft en mij moed inspreekt.
Over het oude kasteel tegenover _Princes' street_ en het heerlijke
uitzicht, dat men vandaar over de stad heeft, heb ik u in mijn vorigen
brief al geschreven; ik moet u nu vertellen van onzen tocht naar
_Holyrood_, het oude paleis der Schotsche koningen, waar de barones met
Tieka en mij voor een paar dagen heengereden is.
Tieka was uitgelaten dien dag, "onbehoorlijk opgewonden," zei haar
moeder.
_Ik_ vond het, eerlijk gezegd, een genot haar telkens zoo frisch te
hooren lachen en eenmaal werd zij zoo vroolijk om een koetsier, die
voorop een hooge _coach_ zat en allerlei dwaze grappen verkocht aan
zijne passagiers, dat ik ook wel mee moest lachen. Ik kreeg toen een
bestraffenden blik van de barones en een streng: "_Fräulein...._" en ik
schrikte en deed mijn best zoo ernstig mogelijk te kijken!
Het is een opgewekt volkje die Edinburgsche koetsiers, die de _coaches_
besturen, bestemd voor allerlei tochtjes in den omtrek. Zij zien er ook
fleurig uit met hunne roode jassen en hooge, grijze hoeden. Tieka vraagt
telkens weer aan haar moeder: "Mag ik ook niet eens een ritje bovenop
een _coach_ doen met Fräulein? Dat lijkt me zóó heerlijk!" Maar de
barones wil er niet van hooren; zij vindt dat niet deftig genoeg.
Nu, gemakkelijker dan wij in de fraaie equipage der Zercläre's naar
_Holyrood_ reden, kan men dit in een _coach_ wel niet doen. Het was een
heerlijke rijtoer, waarbij wij ook het huis van John Knox voorbij
kwamen, dat er schilderachtig, maar erg donker uitziet.
Nooit zal ik vergeten hoe zacht en teeder de zon scheen op de oude kapel
van _Holyrood_, toen wij aan kwamen rijden. Ik zal dat altijd het mooist
vinden van het geheele, oude paleis, dat stuk ruïne, dat overgebleven is
van de abdij en er zoo plechtig stil uitziet, indrukwekkend nog in zijn
verminkte grootheid, met het grijze steen half door groen mos bedekt.
Door de vensters, waaruit het glas lang verdwenen is, komt het licht vol
en rijk naar binnen, grillige schaduwen tooverend op het grijze steen.
Zoo rustig, zoo geheimzinnig hoorbaar is de stilte daar dat ook Tieka er
door getroffen werd en bedaard, zonder iets te zeggen, haar hand in de
mijne legde.
Ik sprak zooeven van de abdij, maar ik had eerst moeten vertellen--wat
ik er ook den vorigen dag voor Tieka over had nagelezen--dat het slot
_Holyrood_ heet naar het nabijgelegen klooster van dien naam, (_Holy
rood_ = Heilig Kruis) dat in de twaalfde eeuw door den Schotschen koning
David I werd gesticht en rijk met landerijen begiftigd. Gedurende een
paar eeuwen werd het klooster herhaaldelijk door Schotsche vorsten
bewoond, maar het eigenlijke paleis of slot werd eerst in 1528 door
Jacobus V gebouwd en bleef, nadat het klooster in 1544 totop het schip
der kerk door de Engelschen verbrand was, de verblijfplaats van Maria
Stuart en van haar zoon Jacobus VI, tot deze in 1603 als Jacobus I den
Engelschen troon besteeg en Engeland en Schotland onder één vorst werden
vereenigd.
Onder Cromwell werden paleis en klooster grootendeels verwoest en eerst
gedurende de regeering van Karel II in 1671, werd het paleis weer
opgebouwd, waarbij het Noordwestelijk gedeelte uit den tijd van Jacobus
V, dat gespaard was gebleven, zijn oorspronkelijken vorm behield. In dit
oude gedeelte kan men nog de vertrekken zien, eens door Maria Stuart
bewoond.