EEN HELDIN
DOOR
A. C. KUIPER,
SCHRIJFSTER VAN "ELSJE", "ANNEKE", "EEN HOLLANDSCH MEISJE OP EEN
ENGELSCHE KOSTSCHOOL", "ALLEEN IN EEN KLEINE STAD",
ENZ.
MET ILLUSTRATIËN NAAR FOTOGRAFIEËN.
HAARLEM.
VINCENT LOOSJES.
1906.
[Illustration: De vestibule van het Iersche kasteel.]
_Dit verhaal bevat veel, dat verdicht is en toch is het op waarheid
gegrond, omdat de voornaamste gebeurtenissen, die erin worden
beschreven, werkelijk hebben plaats gehad. Ook de ervaringen op de
Engelsche kostschool zijn, zonder de minste overdrijving, geheel naar
waarheid weer gegeven, terwijl de hoofdpersoon, een Duitsche, werkelijk
heeft geleefd en--nog leeft, al is haar naam niet Hedwig Eiche!
Hoewel zij zichzelf allerminst "een Heldin" zou noemen, heeft zij toch
het volste recht op dien naam. Menige jonge lezeres, die zelf een
zonnige, gelukkige jeugd geniet, zal dit met mij eens zijn, vooral als
in aanmerking genomen wordt dat "Hedwig Eiche" den moed had reeds op
haar 15^e jaar de wereld in te gaan in een tijd, toen er van werken
buitenshuis voor de meeste meisjes nog maar zeer weinig sprake kon zijn
en de keuze van werkkring voor haar dus uiterst beperkt was.
A. C. K._
INHOUD.
Hoofdstuk I. EEN KLOEK MEISJE
II. "MY DEAR!"
III. EEN BRIEF, WAAR VAN ALLES IN STAAT
IV. OP DE PROEF GESTELD
V. CHESTER
VI. KOUDE EN HONGER
VII. "FLINKIE"
VIII. UITKOMST
IX. VIER IERSCHE KINDEREN EN EEN HOND
X. NESTA'S DRIFT
XI. LONDEN EN MIST
XII. AAN DE BLAUWE ZEE
XIII. EEN RIJK LEVEN
HOOFDSTUK I.
Een kloek Meisje.
Zij woonden in de sombere buitenwijk van een Duitsche stad, in een groot
blok van een huis, dat in verschillende verdiepingen verdeeld was, één
verdieping voor elk gezin. Vóór acht maanden waren zij verhuisd naar de
bovenste verdieping, omdat men daar het goedkoopst woonde en toch was
het voor hen nog veel te duur! Want de laatste jaren waren zij hoe
langer hoe armer geworden en het allerlaatste jaar, o, dat was
vreeselijk geweest, zóó vreeselijk dat het jongste zusje, Clärchen,
altijd weer angstig en diep bedroefd werd, als er over werd gesproken.
Ach, het was ook zoo treurig dat die arme, geduldige moeder zóóveel
verdriet had gehad en dat de rust eigenlijk eerst in huis was gekomen na
vaders dood, nu drie maanden geleden. Hedwig, de oudste dochter, had
toen gezegd dat zij nu dubbel haar best moesten doen om lief voor
moeder te zijn en Clärchen had terstond met een ernstig gezichtje: "Ja"
geknikt; dat wilde zij ook heel graag. Maar soms, als zij met een kale,
verstelde jurk naar school moest of naar bed werd gestuurd zonder
avondeten, vond zij het wèl moeielijk om niet boos en ontevreden te
zijn. Waarom waren zij dan toch ook zoo heel arm?
"Ik weet niet hoe wij met ons drieën rond moeten komen!" had de moeder
gisteren voor de zooveelste maal uitgeroepen, nadat zij allerlei
berekeningen had zitten te maken op een stukje papier. Hedwig had daarop
wel lachend het papier naar zich toe getrokken en gezegd: "Allemaal maar
flink de handen uit de mouw steken, moedertje, en niet in dit paleis
blijven wonen, dan zal het wel gaan," maar Clärchen had toen toch heel
goed gezien dat ook Hedwig zeer bezorgd was. En toen zij 's avonds te
bed lag en de Septemberregen tegen het raam van het zolderkamertje
hoorde kletteren, dat zij met Hedwig deelde, werd zij zoo treurig
gestemd dat zij wel moest gaan schreien of ze wilde of niet. En snikkend
had zij bedacht dat het nu misschien wel niet lang meer zou duren of zij
zouden op straat moeten gaan bedelen om een stuk droog brood....
Toen had zij opeens Hedwig's arm om zich heen gevoeld. "Kindje, kindje;
wat is er toch? Stil nu!" had het sussend geklonken. Daarop had zij
Hedwig alles gezegd wat haar op het hart lag en Hedwig had haar getroost
en opgebeurd--dat kon Hedwig zóó goed!--en toen ze kalmer geworden was,
had Hedwig nog heel ernstig gevraagd: "Beloof je me zusje, dat je je
best zult doen zooveel mogelijk voor moeder te zijn en je flink te
houden, ook ... ook als er dingen mochten gebeuren, die je in 't geheel
niet verwacht?"
Zij had Hedwig toen verbaasd aangekeken--wat meende ze toch?--maar toen
Hedwig herhaalde: "Dat beloof je mij immers?" had zij beslist gezegd: "O
ja, ja."
Hedwig had toen even haar hoofd in de kussens gedrukt en een oogenblik
had Clärchen gemeend dat zij haar zacht hoorde snikken, maar ze dacht
later dat zij zich dit toch moest verbeeld hebben, want toen Hedwig weer
opkeek, glimlachte zij en zag ze alleen maar wat bleek.
En nu was het juist alsof vandaag alles weer wat vroolijker was dan
gisteren! Zij kregen nu ook wèl avondeten; dat was in lang niet gebeurd.
Hedwig had naaiwerk verkocht in een der groote winkels in de stad en er
meer geld voor ontvangen dan zij verwacht had en terwijl zij de tafel
dekte, deed zij een aardig verhaal van haar tocht, dat haar moeder en
Clärchen aan het lachen bracht.
Wat keken Clärchen's oogen begeerig naar de gebakken aardappelen! Die
zagen er dan ook zoo lekker bruin uit, met de smakelijke, knappende
korstjes; alleen moeder kon ze zóó bakken. Zij kregen er sla bij en
ieder een half ei; Clärchen vond het een feestmaal, maar zij had wel
heel graag wat meer gehad!
Wat had Hedwig toch langzaam gegeten, dacht ze; die alleen had nog maar
wat op haar bord en zij had nog wel het minst genomen, dat had Clärchen
duidelijk gezien! Zij keek eens even naar het heerlijke hapje, dat
straks in Hedwig's mond moest verdwijnen; toen zag ze snel weer voor
zich, want Hedwig had haar lachend aangekeken. Daar schoof ze haar bord
naar Clärchen toe.
"Hier, neem jij dit nog maar."
"Neen, neen, Hedwig."
"Ja, ja, Clärchen. Kom, eet maar gauw op; ik zie aan je neus dat je er
trek in hebt."
"Ja maar ... jij dan niet?"
"Lang niet zooveel als jij. Komaan, een, twee, drie, opeten! Je moet mij
gehoorzamen, vergeet dat niet. Ik ben al vijftien en jij pas elf."
"Over een maand twaalf," zei Clärchen. Ze liet zich echter niet langer
nooden. Lachend at zij het lekkere hapje op, terwijl ze Hedwig dankbaar
toeknikte. Of zij nog trek had! Eigenlijk had zij dat tegenwoordig
altijd nog, als zij van tafel opstond. Hedwig niet, ten minste ... die
_deed_ gewoonlijk net of zij wel degelijk genoeg gehad had.
Clärchen hoopte altijd dat zij later op Hedwig zou gaan lijken en even
knap worden. Hedwig ging niet meer school; dat was, ten minste volgens
Clärchen's oordeel, ook niet meer noodig, zij wist werkelijk genoeg! Zij
kon vrij goed Fransch en Engelsch spreken en vele andere dingen, die
Clärchen nog leeren moest. Toen zij klein was, had Hedwig een poosje een
Engelsche gouvernante gehad, maar dat was geweest in den tijd toen zij
nog rijk waren en van dien tijd herinnerde Clärchen zich al heel weinig
meer.
Ook Hedwig scheen het thans als een droom toe dat er werkelijk jaren
waren geweest, waarin haar moeder geen geldzorgen had gekend. Zóó arm
als zij nu dan toch ook waren....
In diep gepeins verzonken zat zij 's avonds laat op den rand van haar
bed. Na den storm van gisteren was de lucht als schoongeveegd; nu scheen
de maan helder naar binnen, een lichte streep werpend op den houten
vloer van het zolderkamertje.
Hedwig keek naar het rustige, zachte licht; toen knikte zij even. "Ik
doe het," fluisterde ze, "het moet!" En heel zacht: "Dan zullen moeder
en Clärchen ook hier kunnen blijven wonen. Ik zal moeder schrijven...."
Bedaard stond zij op en liep op hare teenen naar de tafel om Clärchen
niet wakker te maken. Ze nam papier en potlood en trachtte bij het
maanlicht te schrijven, maar het wilde niet vlotten. Voorzichtig stak
zij een eindje kaars aan; nu ging het beter, al beefde haar mond en al
moest zij een paar malen met de oogen knippen. Maar ze gaf geen geluid;
ze _bleef_ voelen dat zij stil moest zijn om Clärchen. Eindelijk vouwde
zij het briefje dicht, stond vastberaden op, pakte enkele dingen in een
oud reistaschje en keek om zich heen of ze niets vergeten had.
Zorgvuldig telde zij het geld na, dat ze nog over had van de verdienste
van dien middag en dat haar eerlijk toekwam; het zou juist genoeg zijn
voor haar doel, meende ze.
Opeens, een inval gehoor gevend, nam zij de kaars op en liep er mee naar
een spiegeltje, dat tegen het houten beschot hing. Ze zette het eindje
kaars op een richel; zoo kon ze juist goed zien.
"Niet _heelemaal_ oud genoeg," vond ze, terwijl zij ernstig en
aandachtig--haast alsof het iets nieuws voor haar was--keek naar wat de
spiegel haar toonde: een smal meisjesgezicht met verstandige,
grijsblauwe oogen. "Wacht eens!" En met een vlugge beweging van hare
beide handen, legde zij de blonde vlecht, die op haar rug hing, om het
hoofd, stak haar vast, schuierde het springerige voorhaar glad en knikte
tevreden. "_Veel_ beter zoo," fluisterde zij opgeruimd. "Zoo zullen zij
mij heel licht voor achttien of twintig houden. En nu naar bed!"
Zij sliep echter niet veel dien nacht, want als zij al even
insluimerde, werd ze spoedig met schrik weer wakker, zelfs in hare
droomen gekweld door de vrees dat zij zich verslapen zou. Eindelijk,
toen het een weinig begon te schemeren, stond zij op. In het grauwe
halfduister knielde zij neer om haar ochtendgebed te doen en God vuriger
dan ooit te smeeken haar te helpen; toen kleedde zij zich snel aan, nam
haar reistaschje op, drukte voorzichtig een kus op Clärchen's krulhaar,
legde haar briefje in de zitkamer, keek verlangend naar de deur van het
zijvertrek, waar haar moeder sliep, aarzelde even of zij er binnen zou
durven gaan, keerde zich snel af, zei zacht: "Dag mijn lief, lief
moedertje"--en liep naar beneden en het huis uit.
Toen zij op straat stond, keek ze nog even naar boven, hoog naar boven.
Achter dat smalle raam sliep haar moeder; als zij wakker werd, zou zij
haar missen....
Ze mocht nu echter geen tijd verliezen, niet langer staan te droomen. Al
was het ook nog zoo vroeg, ze moest zich haasten, als zij, wat haar plan
was, werkelijk den eersten trein naar Hamburg halen wilde, waar ze dan
om half tien zijn kon. Ze wilde daar de oude kindermeid Anna Schaub gaan
opzoeken, die jaren lang bij het gezin had gewoond en alles wist wat er
gebeurd was. Anna schreef telkens nog zulke hartelijke brieven aan
Hedwig's moeder; zij zou Hedwig zeker voort willen helpen en haar zeggen
wat ze doen moest om een geschikte betrekking te vinden. Want dat was
wat Hedwig wilde en ze geloofde stellig dat het wel gelukken zou; ze zou
dan flink gaan verdienen en een steun voor haar moeder kunnen zijn. Als
ze nu maar eerst in Hamburg was, dan kon ze terstond met Anna aan het
zoeken gaan!
Snel liep ze door. Zij was buiten adem, toen zij aan het station kwam
en juist had zij een kaartje genomen aan het 3^e-klasse loket en was op
het punt de wachtkamer in te gaan, toen zij een stem hoorde zeggen:
"Ik zag Hedwig Eiche ook staan zooeven. Waar die opeens naar toe wil?
Het moet treurig gesteld zijn daar aan huis...."
Hedwig keek niet om, maar haastte zich op het perron te komen. De trein
stond er al. Ze stapte vlug in en was blij, toen de portieren gesloten
waren en de trein zich in beweging zette. Zij begon nu vermoeid en
slaperig te worden; ze leunde in haar hoekje en sloot de oogen, al haar
best doende om zich te verzetten tegen het gevoel van angstige
gejaagdheid, dat zich van haar trachtte meester te maken. Ze wou flink
zijn, flink zijn, flink zijn, herhaalde ze zacht bij zichzelf. En ze
glimlachte even. Hedwig _Eiche_ heette ze immers, dan moest zij haar
naam toch ook eer aandoen! Ze dwong zich tot kalmte met die eigenaardige
krachtsinspanning, waarvan zij, jong als zij was, maar al te zeer de
macht had leeren kennen in de smartelijke jaren, die achter haar lagen.
Met de handen stil in den schoot, bleef zij een poos heel rustig zitten,
werkelijk kalmer wordend omdat zij dit worden _wilde_; toen sliep zij
even in.
Zij voelde zich verkwikt, toen zij in Hamburg aankwam en liep in een
opgewekte stemming door de mooie, drukke straten. Wat was het prettig
levendig hier! Zij was echt blij dat ze gegaan was; hier zou _zij_ ook
werk vinden. Ieder scheen het even druk te hebben; dan moest er voor
haar ook wel wat te doen wezen! Ze wou hard werken, kleine kinderen les
geven als het kon, flink geld verdienen voor haar moeder en Clärchen....
Zij had Anna Schaub een paar malen met haar moeder bezocht en ze wist
dus hoe ze loopen moest; het was niet ver en vrij spoedig schelde zij
aan bij het kleine, nette huisje, dat Anna bewoonde sedert zij hare
schaapjes op het droge had.
De deur werd bijna terstond door Anna zelf geopend. Heel verbaasd keek
zij op! Hare bruine oogjes werden eens zoo groot als anders en
glinsterden als twee sterretjes. Hedwig keek haar vroolijk aan.
"Hoe vindt je dat nu wel?" vroeg ze.
Anna sloeg de handen in elkaar. "Neen maar...." begon ze.
"Dat dacht je niet, he?" riep Hedwig lachend, terwijl zij het huis
inging om daarop door Anna zeer hartelijk omhelsd te worden. "Een echte
verrassing, niet waar? Maar breng mij maar gauw binnen en geef me wat te
eten, want ik heb nog niets gehad vandaag en ik verga van den honger."
"Wat? Ach, arm kind!" Anna was een en al medelijden. Zij trok Hedwig mee
naar het achterkamertje, waar een rij maandroosjes voor het raam stond
te bloeien en de koffiegeur van het ontbijt nog flauw in het vertrek
hing.
"Ziezoo, ga daar nu maar eens zitten en zeg niets meer voordat je flink
ontbeten hebt," zei Anna en in één adem door: "Mevrouw en Clärchen nogal
wel?"
Hedwig knikte; ze kon opeens niet goed spreken. Ze dacht eraan hoe haar
moeder en Clärchen haar nu zouden missen en hoe heel graag zij nog even
afscheid van haar zou hebben willen nemen. Maar ze vermande zich en
glimlachte weer. "Vóór alles geen sentimentaliteit," besloot ze bij
zichzelf.
Zij deed zich te goed aan de warme koffie, het brood en den honig, die
Anna haar voorzette en hoewel deze brandde van verlangen om het doel van
haar reis te weten te komen, herhaalde zij toch telkens weer dat zij
niets moest vertellen voordat zij geheel verzadigd was.
Hedwig liet haar echter niet lang in het onzekere. "Anna," vroeg zij
plotseling heel ernstig, "wil jij me helpen om een goede betrekking te
vinden?"
"Mijn lief kind...."
"We zijn heel, heel arm, zie-je, _veel_ armer nog dan verleden jaar en
wij kunnen zoo niet voortleven. Ik moet flink aan het werk gaan en geld
verdienen; als ik dan van tijd tot tijd wat naar huis stuur, kunnen
moeder en Clärchen blijven wonen waar zij nu zijn...."
"Vindt mevrouw dàt goed?"
"Ik ben weggegaan ... heel vroeg van ochtend, ik heb moeder niet meer
gezien," zei Hedwig ontwijkend en met een kleur. "Zij zou mij misschien
niet hebben laten gaan, maar als ik iets goeds vind, zal zij natuurlijk
heel blij zijn. Ik heb een briefje achtergelaten om te vertellen wat ik
ging doen. O Anna, het _moet_ gebeuren; zóó gaat het niet langer! Help
mij toch! Hier in dit groote Hamburg, waar iedereen het zoo druk heeft,
zal toch ook voor mij wel iets te vinden zijn, een betrekking als
gouvernante of kinderjuffrouw of iets dergelijks. Ik zal erg mijn best
doen dat men tevreden over mij kan wezen en ik ben zoo sterk en ... en
niet zoo heel dom...."
Hare oogen glimlachten weer bij de laatste woorden, haar geheele
gezichtje gloeide van opwinding.
Anna schudde even het hoofd. "Je bent pas vijftien jaar," zei ze.
"Maar ik zie er ouder uit!" riep Hedwig en toen Anna weer het hoofd
schudde: "Ja, ja, ik zie er veel ouder uit, heusch, als ik maar wil!
Vanochtend in de haast kon ik het niet zoo gauw goed krijgen, maar kijk
eens!"
Ze wierp haar hoed af, haalde een pakje haarspelden uit haar taschje,
legde de blonde vlecht weer om het hoofd en stak haar vast en trachtte
een streng gezicht te zetten.
"Zou je nu ooit denken dat ik pas vijftien was, als je 't niet wist?"
"Ik ... weet het niet zeker," zei Anna eerlijk. "Maar je bent toch in
ieder geval veel te jong om in betrekking te gaan."
"Neen, neen, daar vergis je je mee; gerust, daar vergis je je mee," zei
Hedwig zeer beslist. Toen overredend: "En het _moet_ ook wezenlijk
gebeuren, Anna, het is _heel_ noodzakelijk; wij zijn zóó arm, zoo
verschrikkelijk arm! En als ik misschien iets bij kinderen kon krijgen,
ik houd zooveel van kinderen, ik zou het heerlijk vinden...."
"Ja, je waart ten minste als klein meisje ook altijd even engelachtig
voor Clärchen," zei Anna met vuur.
"Engelachtig? Ik!" Hedwig lachte vroolijk. "Neen Annalief, nu vergis je
je al weer. Dat ben ik nooit geweest. Maar weet je wat? Wees jij nu eens
wèl engelachtig voor mij en help me om wat goeds te vinden."
Anna dacht even na. Toen zei ze met nadruk:
"Dan moet je me beloven dat je stellig niets aannemen zult, dat niet
werkelijk goed is."
"Dat beloof ik," zei Hedwig plechtig. "Kan ik hier logeeren?"
"Natuurlijk lieveling."
"En ... als het noodig mocht zijn en dat zal wel...." zei Hedwig
aarzelend, "dat ik nog wat nieuwe kleeren koop, zou je ... heb je dan
... zou je me dan wat geld willen leenen?"
Anna stond op en sloeg den arm om haar heen. "O zoo graag," zei ze.
"Ik hoop maar dat we heel gauw wat vinden, _heel_ gauw," hernam Hedwig.
"Het zal ook zoo prettig zijn om dat dan aan moeder te schrijven. En nu
ga ik even uit om een krant te koopen; dan kijken we samen de
advertentiën na en dan ... o, natuurlijk vind ik iets, dat geschikt is!"
Ze snelde het huisje uit, kwam spoedig weer terug met een dichtgedrukte
krant in de hand en gunde zich den tijd niet om haar goed af te doen,
voordat ze de advertentie-kolommen doorgezien had. Anna las over haar
schouder heen ijverig mee, met haar bril op het puntje van haar neus.
"Daar is niets bij," mompelde Hedwig een paar malen, maar eensklaps
veranderde de uitdrukking van haar gezicht. "O, heb je dat gezien, dat?
Daar, daar!" riep zij en ze wees met haar vinger op een advertentie met
het opschrift: _Gouvernante_.
Anna zei nog niets; ze moest eerst de advertentie op haar gemak
doorlezen.
Het duurde Hedwig lang genoeg, maar ze bedwong haar ongeduld. Hare oogen
glinsterden, terwijl ze nu eens naar Anna, dan weer naar de krant keek.
"Een gouvernante gezocht voor haar dochtertje door een barones, die
spoedig naar het buitenland vertrekt ... muziek en kennis der Engelsche
taal vereischten," zei Anna eindelijk. "Ja, ik weet niet...."
"Nu, maar _ik_ weet het wel," viel Hedwig lachend in. "Ik ga er straks
dadelijk op af, hoor! Kijk, er staat dat men zich in persoon moet
aanmelden aan het hotel, waar de barones op 't oogenblik logeert. O, ik
hoop, ik hoop, ik _hoop_ dat ik dat krijg!"
Ze greep de oude Anna om het middel en trachtte met haar het kamertje
door te dansen.
Anna rukte zich echter vroolijk los. "Als je zóó bij de barones doet,"
hijgde ze, "zal zij je wel een geschikte gouvernante voor haar
dochtertje vinden!"
"Daar doe ik me streng en deftig voor, dat spreekt van zelf," zei
Hedwig, rimpels in haar voorhoofd trekkend. "In ieder geval wil jij me
straks zeker wel even den weg wijzen? Ik weet niet waar dat hotel is."
"Ik wil je wel den weg wijzen, maar ik ga niet mee naar binnen," zei
Anna snel.
"Neen natuurlijk niet, dan zou het net zijn alsof ik niet alleen
durfde," zei Hedwig. "We moeten er om twee uur zijn; er staat dat de
barones dan te spreken is."
Anna vond alles goed. Zij hielp Hedwig zich zoo netjes mogelijk te maken
en er zoo oud mogelijk uit te zien, waartoe werkelijk het glad
geschuierde, opgestoken haar, de eenvoudige, zwarte hoed, waarvan Hedwig
in overdreven ijver nog gauw de klaprozen door een bouquetje viooltjes
van Arma verving en het donkere japonnetje het hunne bijdroegen. Anna
sloop even alleen uit om met een glans op haar gezicht terug te komen
met een paar keurige glacé handschoenen. "Die moet je van mij aannemen,"
zei ze en Hedwig zei dankbaar: "Heel graag."
Zij waren blij toen het eindelijk tijd was om op weg te gaan en Anna,
die verreweg de zenuwachtigste was van de twee, slaakte een zucht van
verademing, toen Hedwig het hotel binnenging en zij, volgens afspraak,
buiten op haar bleef wachten. "Nu weten wij het ten minste gauw," dacht
ze.
Intusschen liep Hedwig moedig de ruime vestibule van het groote hotel
in. Ze keek bewonderend om zich heen naar de smaakvolle meubeltjes en de
hooge manden met bloeiende planten, die hier en daar waren neergezet,
tot de portier haar vroeg wat er van haar dienst was. Zij zeide het hem
en had nauwelijks het woord "barones" genoemd of een kellner stond naast
haar.
"Wenscht u aangediend te worden?" vroeg hij.
Hedwig knikte en haar hart begon sneller te kloppen, toen zij den
kellner de breede trap op volgde naar de eerste verdieping, waar al weer
een frissche bloemengeur haar te gemoet kwam. Zij hoorde hare
voetstappen niet over den dikken Smyrna looper, wat de gewaarwording van
deftige geheimzinnigheid, die over haar gekomen was, nog verhoogde.
Onwillekeurig boog zij even statig als de kellner zelf, toen hij beleefd
de deur van een kleine kamer voor haar opende en haar vroeg hier een
oogenblikje te willen wachten. Hedwig noemde hem haar naam, toen sloot
hij heel zacht de deur en verdween.
Wat een aardig kamertje was het, zoo vroolijk en licht! En men moest
hier in dit hotel wel veel van bloemen houden, dacht Hedwig; ook hier
zag zij er op de tafel staan, terwijl het behang en de lichte
overgordijnen met losse tuiltjes viooltjes als bezaaid waren.
Ze bleef stokstijf staan, toen ze vrij dicht in hare nabijheid een
kinderstem hoorde en daarop een andere stem, die vermanend zei: "Neen
Tieka, dat mag niet!" Toen was alles weer stil.
Zij moest lang wachten en begon ongerust te worden. Zou de barones haar
misschien niet eens willen zien en al klaar zijn met een andere
gouvernante? De angst sloeg haar om het hart. Maar spoedig greep ze weer
moed, streek de mooie, nieuwe glacés nog wat gladder, trok haar gezicht
in de gewenschte plooi en ... wachtte zoo geduldig, als haar mogelijk
was.
Hoorde zij daar niet iets? Zij hield den adem in en werkelijk werd thans
de deurknop omgedraaid en verscheen de kellner met de vraag of zij zoo
goed wilde zijn hem te volgen.
Hedwig wilde niets liever. Nog even een haastigen blik in den spiegel.
Juist, zoo'n gezicht moest ze zetten!
Spoedig stond zij in een, naar zij later aan Anna meedeelde,
"allerprachtigste zitkamer, alles blauw en terra-cotta en oud goud."
Toen zij nader kwam, maakte een statige, lange dame even een beweging
alsof zij op wilde staan, maar ging terstond weer zitten. Zij bekeek
Hedwig van het hoofd tot de voeten en vroeg haar toen ook plaats te
nemen.
Met een bescheiden stem waagde Hedwig het op te merken dat zij kwam voor
de betrekking als gouvernante.
"Uw naam is Eiche, Hedwig Eiche?" vroeg de dame met een eigenaardig
uitheemsch accent.
Hedwig boog, zeer ontevreden op zichzelf omdat ze zoo warm werd; maar de
barones keek haar ook zóó onderzoekend aan! Als nu haar volgende vraag
maar niet was: "En hoe oud...?"
Het was Hedwig haast alsof er met groote letters _vijftien_ op haar
voorhoofd stond geschreven!
De barones scheen zich echter niet om haar leeftijd te bekommeren, nog
niet althans, bedacht Hedwig angstig.
"Wees zoo goed mij nauwkeurig te zeggen waarin gij les kunt geven,"
klonk het wat hoog.
Hedwig gehoorzaamde terstond. De barones toonde veel belangstelling voor
haar Fransch en Engelsch, liet haar die talen even spreken en kwam
blijkbaar onder den indruk van de beschaafde wijze, waarop zij zich
uitte.
Toen Hedwig op de vraag of zij van kinderen hield, opgewonden: "O ja!"
antwoordde, glimlachte zij flauwtjes. Eindelijk zeide zij:
"Ik zou wel lust hebben het eens met u te beproeven. Kan ik nog
informaties krijgen uit een vroegere betrekking?"
"O heden," dacht Hedwig, "nu komt het! Nu komt er stellig ook nog: "En
hoe oud....""
Maar ze moest antwoorden. "Ik ben nooit eerder in betrekking geweest,"
bracht zij er bedremmeld uit.
"O juist...." zei de barones langzaam. "Ja, dan moet u natuurlijk ook
met een klein salaris beginnen; maar daarover kunnen we straks nog
spreken. Ik had u wel eerder mogen vragen of het voor u geen bezwaar zou
zijn Duitschland te verlaten? Mijn echtgenoot is consul geweest in
Italië; hij heeft zijn betrekking neergelegd en nu gaan wij voor goed in
Schotland wonen. Wij hebben een huis even buiten Edinburg. Ik ben een
Engelsche."
Hedwig haastte zich op te merken dat er voor haar geen 't minste bezwaar
bestond om naar Schotland te gaan. "Ik vind het juist heerlijk veel te
zien van de wereld," liet zij zich ontvallen.
De barones knikte even heel genadig. Zij stelde nu juist niet zoo heel
veel belang in wat Hedwig "heerlijk" vond.
"Ik heb lust het eens met u te beproeven," herhaalde zij, "maar u lijkt
me nog heel jong...." Hedwig beefde, "en u zult u dus met een niet groot
salaris tevreden moeten stellen. Ik zal u jaarlijks 15 pond[1] geven;
vindt u dat goed? Natuurlijk betaal ik ook uw overtocht."
Hedwig boog haastig toestemmend. _Zij_ vond het salaris niet klein.
Vijftien pond! Daarvan zou ze toch het grootste gedeelte aan haar moeder
kunnen sturen.
"Wilt u dan nog even piano voor mij spelen of wat zingen?" vroeg de
barones opstaande en Hedwig de piano wijzend. "Ik zal mijn dochtertje
roepen, dan kunt u kennis met haar maken. Begin maar te spelen, als 't
je blieft."
Hedwig gehoorzaamde. Ze was juist in een stemming om te zingen; ze
voelde zich zóó opgewekt! Even dacht zij na, toen sloeg ze de toetsen
aan en zong vroolijk met haar frissche, jonge stem:
"Ein Männlein steht im Walde ganz still und stumm,
es hat von lauter Purpur ein Mänt'lein um.
Sagt, wer mag das Männlein sein,
das da steht im Wald allein
mit dem purpurrothen Mäntelein?
...
Das Männlein steht im Walde auf einem Bein,
und hat auf seinem Haupte schwarz Käpplein klein.
Sagt, wer mag das Männlein sein,
das da steht im Wald allein
mit dem kleinen schwarzen Käppelein?"
Nauwelijks had zij het laatste woord gezongen of een blijde kinderstem
riep: "_Schön! Nice!_" En terstond daarop zong dezelfde stem:
"Das Männlein dort auf einem Bein, mit seinem rothen Mäntelein und
seinem schwarzen Käppelein, kann nur die Hagebutte sein!"
Hedwig keek snel om. Naast de barones stond de kleine zangeres, een kind
met kort, heel krullend donker haar en donkerblauwe oogen, die haar
vroolijk aanzagen.
"Heel goed gespeeld en uwe stem bevalt mij ook," zei de barones. "En dit
is nu mijn dochtertje, uwe aanstaande leerling."
Met een aardige, bevallige beweging stak het kind Hedwig de hand toe.
"Wat ziet u er prettig jong uit!" riep ze.
Hedwig lachte. "Ik houd ook nog heel veel van spelletjes," zei ze, "en
van vertellen en zingen en pretmaken...."
"Tieka moet nu echter ook eens flink aan 't leeren gaan," viel de
barones beslist in. "En ik vertrouw dat u begrijpen zult dat zij te oud
is om hoofdzakelijk aan spelen te denken."
"O ja zeker, mevrouw," haastte Hedwig zich te antwoorden.
"Als u nu nog even wachten wilt," zei de barones, "dan kan ik u
zeggen...."
Zij eindigde den zin niet en ging aan een schrijftafeltje zitten, een
eind van Hedwig en het kind af.
"Wanneer komt u bij ons?" vroeg het kleine meisje fluisterend. "Heel
gauw, hoop ik. Ik ben nu zoo alleen."
"Heb je dan geen broertjes of zusjes?" vroeg Hedwig, eveneens
fluisterend om de barones niet te storen.
"O neen, nooit gehad."
"Hoe heet je ook weer?"
"Tieka," zei het kind gewichtig.
"Tieka? Wat een aardige naam! En hoe verder?"
"Tieka, Helene, Adelaïde von Zercläre, maar niemand noemt mij ooit
Helene of Adelaïde, altijd alleen maar Tieka."
"Hoe oud ben je?"
"Over vier dagen word ik al tien. Ik had u straks willen halen uit de
aardige viooltjeskamer, maar mama vond het niet goed."
"Ga nu nog maar wat lezen, Tieka en zeg Fräulein goeden dag," kwam de
barones tusschenbeide en Tieka gehoorzaamde onmiddellijk; bij de deur
wierp zij Hedwig nog vlug een paar kushanden toe.
"Ik veronderstel dat u zoo spoedig mogelijk zult kunnen komen?" hernam
de barones. "Wij vertrekken reeds overmorgen naar Londen, waar wij een
paar dagen wenschen te logeeren. Het is nu Donderdag, het zou mij
aangenaam zijn als u dan Maandagavond op reis kondt gaan. U kunt dan
Woensdagochtend in Londen zijn en u per rijtuig naar het station King's
Cross laten brengen. Als u een voorspoedige zeereis hebt, vinden wij
elkaar daar en u reist met ons door naar Edinburg. Voor alle zekerheid
geef ik u ons adres in Edinburg ook nog. Hier is het, benevens het geld
voor uwe reis."
Hedwig nam het couvert met een zeer dankbaar gezicht in ontvangst.
"Ik zal erg mijn best doen...." stamelde ze.
"Daarop vertrouw ik ook zeer zeker," zei de barones koel. "Dag Fräulein
Eiche, ik geloof dat wij nu alles goed hebben afgesproken en ons
onderhoud als geëindigd kunnen beschouwen."
Zij schelde en de kellner verscheen weer. Hedwig maakte een diepe
buiging voor haar aanstaande meesteres en verdween.
"O, o, wat _ben_ je lang weggebleven! Ik dacht dat ik je nooit weer
terug zou zien. En hoe is het?" riep de trouwe Anna Schaub, zoodra zij
haar het hotel uit zag snellen.
"Aangenomen!" riep Hedwig met een stralend gezicht. "Aangenomen als
gouvernante bij een allersnoesigst meisje van tien jaar. En zij wonen in
Schotland, in Edinburg, en Maandag moet ik eerst naar Londen en ik ben
zoo dol, dol, dolblij dat ik jou even een kus _moet_ geven!"
En tot verbazing van de voorbijgangers drukte zij Anna opeens een
hartelijken kus op de wang.
"Niet doen! Niet doen!" riep Anna onthutst, maar Hedwig lachte maar.
"Den baron heb ik nog niet gezien," ging zij voort, heel rad sprekend,
"van hem kan ik je dus nog niets vertellen; dat komt dan later wel. O,
nu zal ik moeder echt kunnen helpen! Ik schrijf dadelijk naar huis. Wat
zal Clärchen ophooren! Zij zal natuurlijk alles van Tieka willen weten."
"En je leeftijd," vroeg Anna, "was die geen bezwaar?"
"Neen, daar heeft de barones _gelukkig_ niet naar gevraagd. Ze merkte
wel een paar malen op dat zij me jong vond, maar ze denkt toch bepaald
dat ik minstens twintig ben...."
Anna schudde zwijgend het hoofd; ze zag met zekeren weemoed naar het
jonge meisjesgezicht, op dit oogenblik haast weer geheel een
kindergezicht, dat blij en onbezorgd het leven in keek. "Ik hoop heel
hartelijk dat het je niet tegen zal vallen," zei ze.
"Daar ben ik niet bang voor," klonk het opgeruimd uit Hedwig's mond.
HOOFDSTUK II.
"My Dear!"
De brief naar huis werd dadelijk geschreven: Hedwig's pen vloog over het
papier. "O moeder, ik ben zoo blij, zoo vreeselijk blij, vooral omdat u
ook zoo blij zult zijn," schreef zij. "Prachtig, drie malen blij in één
zin, vindt u niet? En dat nog wel voor een gouvernante! Maar u plaagt
mij altijd omdat ik zoo graag een woord, dat me bevalt, vaak gebruik,
weet u wel? Dat moet u nu echter maar over het hoofd zien; het komt
allemaal omdat ik het zoo heerlijk, _heerlijk_ vind dat ik zoo gauw iets
goeds gevonden heb. Ik zal u alles haarfijn vertellen...."
Wat ging dat vlug en wat waren er gauw een paar velletjes vol, dacht
Anna. Hedwig moest toch wel bizonder knap zijn en de barones von
Zerkläre mocht het wel op prijs stellen dat zij zoo'n flink, lief
gouvernantetje bij haar kind kreeg!
Hedwig's moeder schreef per keerende post een brief terug vol liefde en
hartelijke groeten van haarzelf en van Clärchen. Hedwig zou toch immers
dadelijk weer thuis komen, als deze werkkring haar niet beviel? Er zou
dan zeker wel wat anders voor haar te vinden wezen en zij was nog zoo
heel jong....
Maar Hedwig twijfelde er geen oogenblik aan of alles zou heel goed en
prettig gaan. Zij had lust in het werk en verlangde te beginnen en het
was met een opgewekt gezicht en een moedig hart dat ze Maandags afscheid
van Anna Schaub nam en haar plaatsje op de boot naar Londen veroverde.
Anna had haar een grooten koffer afgestaan, "een echt ouderwetsche
Duitsche reiskist, een huis haast," zooals Hedwig lachend beweerde. Zij
hadden allerlei inkoopen gedaan en Hedwig voelde zich heel rijk met een
paar nieuwe blouses en een sterken, serge rok. De koffer was ten slotte
nog geheel vol geworden, wat Anna triomfantelijk had doen uitroepen:
"Zie je wel dat hij niet te groot is? Het maakt ook dadelijk veel beter
indruk, als je met een flink stuk bagage komt," en Hedwig was haar
dankbaar geweest voor hare goede zorgen en had meer dan eens gezegd:
"Ik stuur je later terug wat je voor me betaald hebt, hoor; reken daar
vast op."
Nu was het afscheid achter den rug en lag ze languit op de bank in de
dameskajuit van de boot, die haar naar Londen zou brengen. Het was
donker, druilerig weer en zij had geen neiging gevoeld lang op het dek
te blijven, waar de fijne motregen haar huiveren deed. Anna had haar
taschje gevuld met "allerlei, waarin je zeker wel trek krijgen zult," en
soms betastte zij het eens even; het was haar net of Anna daardoor weer
wat dichter in haar nabijheid was. Zij had nog in 't geheel geen
"trek", maar ze moest herhaaldelijk aan Anna en hare trouwe liefde
denken. Het was toch wel eenzaam nu, vond ze. Zij sloot de oogen en
bewoog zich niet; ze wou zorgen dat ze spoedig in slaap kwam, maar
telkens weer zag zij Anna Schaub voor zich en haar moeder en
Clärchen....
Langzamerhand viel zij in een lichte sluimering. Ze was echter weinig
verkwikt, toen ze 's ochtends vroeg klaar wakker werd en kreunend keerde
zij zich af, toen de hofmeesteres iets tot haar zeide. Ook later op den
dag voelde zij volstrekt geen verlangen om op te staan; haar hoofd
klopte en ze was heel vermoeid. "Nu ben ik dus zeker zeeziek", dacht ze.
Zij was nog nooit op zee geweest en had wel eens gezegd dat zij graag
zou weten hoe dat was: zeeziek zijn. Nu wist zij het dan!
Tegen den avond werd zij beter en kon zij zelfs met smaak wat gebruiken
en vrij vroeg viel ze weer in slaap, om eindelijk tot haar groote
vreugde gewekt te worden met het bericht dat men Londen naderde.
Wat een drukte en gewoel om haar heen, toen ze boven kwam en hoe vreemd
was het bij het aan land komen onder al die gezichten geen enkel te
vinden, dat haar bekend was en een welkom toeknikte!
De regen was opgehouden en eerst heel flauwtjes, toen wat helderder,
begon de zon te schijnen. Het stemde Hedwig opgewekter. "Ik hoop dat
moeder en Clärchen en Anna Schaub die zon ook zien en aan mij denken,"
dacht zij even; toen kreeg zij het te druk met haar koffer en het zoeken
naar een vigilante om zich aan gepeins over te kunnen geven.
Ze kwam in een energieke stemming, terwijl ze door de drukke, Londensche
straten reed en met groote oogen keek naar al dat nieuwe, geheimzinnig
onbekende, dat haar met magnetische kracht aantrok. Zij vond ze mooi die
grijze gebouwen, waarop, door een dunnen nevel heen, als een waas van
zonlicht lag, de plotselinge kijkjes op de rivier met het bijna stille,
even rimpelende water, waarover de booten en schepen schenen heen te
glijden, de bruggen met hare ranke bogen en de bevallige _hansoms_, die
haar _cab_ voorbij snelden; en door het open raampje keek en luisterde
ze nieuwsgierig naar de pratende en roepende menigte. Het was haar haast
alsof zij in een tooverwereld was, ook om dat wonderbaar teere,
zachtgele licht, dat zij nergens ooit zóó had zien schijnen en met een
soort van schok kwam ze tot zichzelf, toen zij King's Cross station
binnen reed en de vigilante stil stond.
Wat een volte! Zij werd er een oogenblik door verbijsterd. Hoe moest zij
onder al die menschen de barones en Tieka vinden? Zij sprong uit de
vigilante en keek even verschrikt naar haar japon, die door de lange
reis erg gekreukeld was. Zij streek er haastig met haar hand overheen;
ze had geen tijd er veel aandacht aan te geven, want de koetsier moest
betaald worden, onderwijl nam een _porter_ haar koffer op zijn kruiwagen
en keek haar vragend aan en intusschen zochten hare oogen, zochten ...
om niets te vinden dan een pratende, bevelende, dravende menschenmassa,
waaronder niemand zich harer ook maar in 't minst aantrok.
Daar stootte de koetsier haar aan den arm. Wat zeide hij toch allemaal?
Hij sprak zoo rad en zulk raar Engelsch; zij kon hem haast niet
verstaan. Zij had hem geld gegeven en hij had het op de vlakke hand
gelegd en wees er voortdurend naar. Vond hij het niet genoeg? Hedwig
meende dat hij reeds meer had gekregen dan hem toekwam; nu legde zij er
toch nog maar een _shilling_ bij. De _cabby_ knikte: "_All right_" en
reed weg.
"_Where to Miss?_" vroeg de kruier. "_Come along._"
"Edinburg," zei Hedwig wat geagiteerd. "Edinburg," maar ze sprak den
naam zoo Duitsch uit dat de man haar niet begreep en de schouders
ophaalde. "_Got your ticket?_" vroeg hij. Neen, Hedwig had nog geen
kaartje. "Scotland," zei ze, "Edinburg!" Nu wist hij wat zij meende. Dan
moest ze voortmaken, ze had nog maar drie minuten tijd. En Hedwig liet
zich den weg wijzen, nam in de haast een kaartje derde klasse in plaats
van eerste, hoewel ze bij het reisgezelschap van de familie von Zercläre
behoorde en liep op een drafje met haar geleider naar den trein. Daar
ontdekte ze zoowaar in de verte het aardige figuurtje van Tieka! Haar
ruime, lichte reisjurk stak frisch af bij de donkere kleeding van eenige
heeren, die naast haar stonden. Kijk, nu had zij Hedwig ook gezien! Ze
wuifde met beide handen en wilde naar haar toesnellen, maar Hedwig zag
nog juist hoe een hand uit den coupé haar terughield. Toen werd ze zelf
door een ondernemenden conducteur een derde klasse wagen ingetild.
Ze kwam naast een dikken heereboer te recht. "Dat is nog maar net
bijtijds," zei hij. "_Yes indeed_," antwoordde zij hijgend.
"Koffer in den goederenwagen. Alles in orde, _Miss_," klonk nu de stem
van den kruier, die zijn gezicht door het raampje stak.
"O!" riep Hedwig. Dat was waar ook; ze moest dien man nog betalen!
Schielijk haalde ze haar portemonnaie te voorschijn en zocht naar
kleingeld. De lokomotief floot af.
"Hier," en zij liet heel den schat van groote, koperen _pennies_, die
ze bij zich had, in zijn hand glijden, waardoor haar beurs aanmerkelijk
lichter werd. "_Thank you_," zei de man en verdween; meteen stootte
Hedwig's arm tegen den knop van den dikken stok, dien de heereboer
tusschen zijn beenen hield, haar portemonnaie gaapte wijder en de
geldstukken vielen er uit en verstrooiden zich over den grond.
"_Ach, du liebe Zeit!_" liet Hedwig zich ontvallen en de heereboer keek
haar aan met een medelijdenden blik. "Hoe jammer voor dat jonge meisje
om geen Engelsche te zijn," dacht hij met de eigenaardige verwaandheid
van een Engelschman, maar trots zijne dikte, hielp hij haar toch heel
gedienstig het geld weer bij elkaar zoeken.
Hedwig telde na of zij alles had. Tot haar schrik mistte zij nog het
eenige goudstukje, dat zij in haar beurs had gehad. Ze boog zich
voorover en keek scherp rond of zij op den grond tusschen de voeten en
neerhangende kleeren der andere reizigers ook iets zag blinken; tot haar
groote teleurstelling vond zij echter niets. Zij schudde haar
portemonnaie uit op haar schoot, misschien was het tien-shillingsstukje
in een hoekje achter gebleven, hoopte ze, toen het andere geld op den
grond viel,--maar zij zag zich bedrogen in die hoop.
Ze ging heel rechtop zitten met het vaste voornemen nu maar niet meer
aan dat ongelukkige goudstukje te denken, toen zij opeens iemand in haar
nabijheid in mooi, duidelijk Engelsch hoorde zeggen:
"Mag ik u dit misschien aanbieden?"
Opkijkend zag zij het vriendelijke gezicht van een heer, die tegenover
haar zat, maar zoo ver in zijn hoekje gedoken was geweest dat zij hem
nauwelijks had opgemerkt.
"Dit" was ... het verloren geldstukje en zij nam het gretig van hem aan.
"_Thank you_," zei ze, dubbel blij omdat zij zoo goed begrijpen kon wat
hij zeide.
"Ik had het al opgeraapt voordat u het mistte," zei hij vroolijk. "Het
was niet beleefd van mij het u niet terstond ter hand te stellen, maar
om de waarheid te zeggen, had ik plezier in uw verlegenheid. U bent een
Duitsche, niet waar? Mag ik vragen of u wellicht ook naar York gaat?
Mijn oudste dochtertje is daar op kostschool en ik ga haar bezoeken. Ik
dacht ... het was maar een inval natuurlijk, dat u misschien een
aanstaande medeleerlinge van haar zoudt kunnen zijn. Er zijn daar meer
Duitsche meisjes."
Hedwig voelde snel naar haar kapsel. Ja, het haar was nog wel
opgestoken. Hoe akelig dat zij er nu toch weer zoo lastig jong uitzag!
"Neen" zei ze bedeesd, "ik ga niet naar York, ik ben op weg naar
Edinburg."
"Och, dat spijt me."
"Ik ben niet rijk," zei Hedwig met een vaag besef dat zij hem niet in
den waan mocht laten als zouden zijn dochter en zij in gelijke
omstandigheden verkeeren. "Ik ga in betrekking als gouvernante." Het
kwam er zoo eenvoudig en bedaard mogelijk uit, haast alsof zij reeds
jaren als gouvernante was werkzaam geweest, toch keek de heer tegenover
haar heel vreemd op en de dikke heereboer liet zich ontvallen: "_Well, I
never...!_"
Hedwig voelde zich min of meer in haar eer getast. "Ik vind het heel
prettig," zei ze met nadruk.
"Daar ben ik blij om," zei de heer tegenover haar, "maar ... leven uwe
ouders nog?"
"Mijn moeder leeft nog," zei Hedwig zacht.
De vreemde heer vroeg niet verder en Hedwig zweeg thans ook liever.
Waarom keek hij zoo ernstig en waarom vond hij het blijkbaar heel
vreemd dat zij als gouvernante de wereld inging? Het kwam er toch niet
zooveel opaan of zij pas vijftien was, ze zou spoedig genoeg achttien
wezen; drie jaren waren gauw om!
Ze vond het niet onaangenaam dat beiden, de heereboer en de heer, wiens
dochtertje te York school ging, bij die plaats den trein verlieten en
zij tot aan Edinburg toe geheel met rust gelaten werd. Het was een vrij
lange reis van Londen af--een uur of acht sporen---en zij begon hongerig
te worden en verorberde met graagte wat zij nog in haar taschje had, al
waren de broodjes met tong erg oud geworden en al was het stuk _Kuchen_
nu wat lederachtig van smaak.
Zij schudde de kruimels van haar japon af en stond op om aandachtig het
raampje uit te kijken, toen de trein Waverley-station binnen reed. Zij
was dus nu te Edinburg! Nu moest zij terstond zorgen dat ze de familie
von Zercläre in het oog kreeg en zich bij haar voegen; de barones zou
zeker ook wel al naar haar uitzien.
Maar was het te Londen aan het station King's Cross vol geweest, te
Edinburg aan het reusachtige Waverley-station was het nog veel en veel
voller, ook omdat alle reizigers hier den trein verlieten. Daarbij was
de trein zoo buitengewoon lang dat het Hedwig toescheen alsof er geen
begin of eind aan was. Zij kon zich ook onmogelijk herinneren bij welken
coupé ongeveer zij Tieka had zien staan. Zij meende dat zij een goed
eind naar rechts moest gaan, maar toen ze zich met niet geringe moeite
een weg had gebaand tusschen karren, kruiwagens, kisten, manden, fietsen
en dringende, ongeduldige reizigers door, verbeeldde zij zich weer dat
ze te ver was geloopen en op een geheel andere plek zijn moest. Het was
lastig zoeken op deze wijze. Ze begreep ook niet waarom de barones niet
iemand naar haar toestuurde; zij wist toch dat ze met dezen trein mee
was gekomen en ze wist ook dat zij, Hedwig, hier geheel vreemd was!
Intusschen zag ze wel in dat ze zóó toch niets verder kwam. Komaan, ze
moest dan eerst maar eens zien dat ze haar koffer kreeg; ze kon dan in
ieder geval wel weer een rijtuig nemen en zich naar het huis van den
baron von Zercläre toe laten brengen. Zij had toch immers het adres nog
in haar portemonnaie? Ze keek eens even, maar ... neen, nu zag zij het
niet meer! Ze had het zeker verloren meteen toen ze het geld liet
vallen, wat moest zij nu beginnen? Ze bedacht zich niet lang en trachtte
zoo vlug als het ging, terug te keeren naar den coupé, waarin ze gezeten
had. Zij was boos op zichzelf dat ze niet op het nummer had gelet. Wacht
eens ... hier was het geweest ... neen, toch niet! Waarom waren er ook
zóó vele wagens derde klasse? Zij kreeg het erg benauwd en warm; heel
spoedig echter keerde haar moed terug. Den baron von Zercläre zou men in
Edinburg toch wel goed kennen en natuurlijk zou men haar weten te
zeggen, waar hij woonde.
Eerst dan haar koffer maar! Wat bleef het nog woelig en vol op het
perron en wat was iedereen gejaagd, tot zelfs de beambten toe!
Het viel haar op dat alles hier veel minder geregeld en vlug in zijn
werk ging dan in Londen. En _waar_ was haar koffer toch? Men had de
goederenwagens thans geheel ontladen, stapels bagage waren op het perron
neergezet. Hedwig kon er eerst haar koffer maar niet tusschen ontdekken;
ze was echter vast besloten het station niet te verlaten, voordat ze
haar eigendom veilig weer in haar bezit had. Haar volharding was niet te
vergeefs en met den uitroep:
"_Ach, da bist du ja, mein liebes Haus!_"--een uitroep, die een paar
krantenjongens verschrikt deed omkijken--zette zij eindelijk haar
elleboog op haar koffer neer om er pal bij te blijven staan, tot een der
dravende kruiers het wat minder druk zou krijgen en haar aan een rijtuig
zou kunnen helpen.
Het werd donkerder en zij begon er zeer naar te verlangen eindelijk
geheel het doel van haar reis te bereiken; maar, toen zij er met moeite
in geslaagd was een der voorbijsnellende kruiers bij den arm te grijpen
en te dwingen naar haar te luisteren, kwam ze nog niet veel verder. Want
hij schudde het hoofd, toen zij den naam von Zercläre noemde. "Nooit van
gehoord!" verzekerde hij, om toen een paar andere _porters_ te hulp te
roepen, die met hoog beladen wagens met bagage voorbij kwamen. Hun
antwoord was al even onbevredigend en ook twee spoorbeambten om
inlichting gevraagd, konden die niet geven.
Het begon Hedwig bang te moede te worden. Wat moest ze doen? Te vergeefs
spande zij zich in om zich het bewuste adres te binnen brengen, maar hoe
meer ze haar best deed haar geheugen te hulp te komen, des te erger liet
het haar in den steek! Het werd er niet beter op, toen zij zich
plotseling wèl herinnerde, dat de barones haar verteld had dat zij nog
maar eenmaal en slechts enkele maanden in Edinburg hadden gewoond....
Het was dus nauwelijks meer dan natuurlijk dat de naam von Zercläre nog
niet algemeen bekend was.
Steeds met den arm op haar koffer geleund, stond zij er ernstig over na
te denken wat ze toch beginnen zou, want het werd hoe langer hoe later
en heel veel langer zou ze hier niet kunnen blijven staan! Ze _moest_
dat lastige adres weer te weten zien te komen. Was het niet een
_square_? Ja, dat meende ze zeker te weten, maar hoe heette dat square
nu toch ook weer?
Daar ontdekte zij in de verte een palfrenier in keurige livrei; hij kwam
snel op haar toe en zij kreeg een kleur van verrassing, toen hij beleefd
voor haar boog met de vraag of zij de Duitsche dame was, die bij den
baron von Zercläre verwacht werd.
"_Yes, Yes, Yes!_" riep zij opgewonden, erg blij dat er eindelijk hulp
kwam opdagen.
In een ommezien had de palfrenier iemand gevonden, bereid de zorg voor
den koffer op zich te nemen. "_The carriage is waiting_," zei hij, zich
weer tot Hedwig wendend en zij volgde hem het station uit naar een
fraai, met twee vlugge, jonge paarden bespannen rijtuig, dat, met den
statigen koetsier op den bok, gereed stond haar verder te brengen. Ze
zag dat er niemand in zat, wat haar even verwonderde, maar zij begreep
dat de familie von Zercläre reeds thuis moest zijn.
Beleefd stak de palfrenier zijn hand uit om haar bij het instappen te
helpen; zij vond echter dat zij het wel zonder zijn hulp kon stellen en
wilde vlug de trede opwippen, toen de hak van haar schoen haken bleef in
het boorband van haar japon, dat losgeraakt was.
"_Nein!_" riep ze verschrikt en ze zou gevallen zijn, als de voorkomende
palfrenier het niet verhinderd had.
Het band scheurde een heel eind verder af. Zij vond het erg verdrietig;
nu zag zij er nòg minder netjes uit en ze schaamde zich voor den
palfrenier en voor den koetsier, die even omgekeken had.
[Illustration: Het standbeeld van Walter Scott in Princesstreet, Edinburg.]
Haastig onderzocht zij of ze geen speld bij zich had; ze kon er echter
nergens een vinden. Zou de palfrenier ... maar wat _was_ speld ook weer
in 't Engelsch? Het was haar opeens alsof ze geen enkel Engelsch woord
meer wist!
Daar had zij het! "_Pin ... pin!_" riep ze. "_Have you a pin for me?_"
"_Certainly_," zei de palfrenier, wiens mondhoeken verraderlijk begonnen
te trillen en hij nam vier kostbare spelden van den binnenkant van zijn
jas en reikte haar die over.
Ze dankte hem met een vriendelijk knikje. Hij sloot het portier en met
een zucht van welbehagen leunde zij achterover tegen de zachte kussens
van het rijtuig om zich echter al heel spoedig weer voorover te buigen
en gretig het raampje uit te kijken, terwijl zij Edinburg doorreed.