in de Russische garnizoenen; het geheele land tusschen de rivier Obij en
de Janezay, is zoo geheel heidensch en het volk zoo onbeschaafd, als de
verst afgelegene Tartaren, ja, zelfs als eenig volk, dat ik weet, in
Azië of Amerika. Ik vond ook, gelijk ik de Russische gouverneurs, welke
ik van tijd tot tijd sprak, deed opmerken, dat de heidenen noch
verstandiger, noch nader bij het Christendom zijn, omdat zij onder de
Russische heerschappij woonden, hetwelk zij erkennen moesten, dat maar
al te waar was, maar zij zeiden, dat hen dit niet aanging; maar als de
czaar goedvond, zijne Siberische, Tungusische of Tartaarsche onderdanen
te bekeeren, dan moest hij het doen door priesters tot hen te zenden,
maar geene soldaten; en zij voegden er met meer opregtheid dan ik
verwacht had, bij, dat zij ondervonden, dat hun monarch er minder op
gesteld was, om hen tot Christenen, dan wel tot zijne onderdanen te
maken.
Van hier tot aan de groote rivier Oby trokken wij door een woest,
onbebouwd land; het land is wel niet onvruchtbaar, maar het heeft gebrek
aan bevolking, anders is het op zichzelf een zeer aangenaam, vruchtbaar
en bevallig land. Al de inwoners, die wij aantroffen, waren heidenen,
behalve zulken, die uit Rusland derwaarts gezonden waren; want in deze
landstreek, namelijk aan de beide kanten van de rivier Oby, worden de
Russische misdadigers, die niet ter dood veroordeeld worden, gebannen,
en het is genoegzaam onmogelijk, dat zij hier ooit kunnen ontvlugten.
Mijzelven wedervoer niets bijzonders, totdat ik te Tobolsk, de hoofdstad
van Siberië, kwam, waar de volgende reden mij eenigen tijd deed
vertoeven.
Wij waren thans bijkans zeven maanden op reis geweest, en de winter
naderde met snelle schreden, weshalve mijn compagnon en ik over onze
zaken beraadslaagden, dewijl wij het noodig achtten, te overleggen hoe
wij verder zouden handelen, omdat onze bestemming naar Engeland, en niet
naar Moskou, was. Men sprak ons van sleden en rendieren, om ons in den
winter over de sneeuw te vervoeren; en inderdaad door dit middel is het,
dat de Russen beter in den winter dan in den zomer reizen kunnen, omdat
zij in deze sleden nacht en dag doorrijden, daar de natuur hun door de
thans bevrozen sneeuw eene effene baan verschaft, en de hoogten en
laagten, rivieren en meren allen effen en zoo hard als steen zijn, en
zij glijden over de oppervlakte, zonder zich te bekreunen wat er onder
is.
Maar zulk eene winterreis was voor mij niet voegzaam; ik moest naar
Engeland, en niet naar Moskou. Twee wegen lagen thans voor mij: de een
was met de karavaan mede te gaan tot Jaroslaw, en dan westwaarts naar
Nerva en de Finlandsche golf, en zoo ter zee of te land naar Dantzig,
waar ik mijne Chinesche goederen misschien zeer voordeelig zou kunnen
afzetten; of ik moest de karavaan aan een stadje aan de Dwina verlaten,
vanwaar ik in zes dagen te water naar Archangel kon komen, en daar was
ik zeker scheepsgelegenheid te zullen vinden naar Holland, Engeland of
Hamburg. Maar het ware niet raadzaam geweest, om een dezer togten in den
winter te ondernemen, want bij Dantzig zou de Oostzee bevrozen en dus
voor mij ontoegankelijk zijn, en om te land van daar te trekken, zou
veel onveiliger zijn, dan onder de Mongoolsche Tartaren; even zoo als ik
in October naar Archangel ging, zouden al de schepen van daar vertrokken
zijn, en ik zou daar niets te wachten hebben dan veel koude en weinig
levensmiddelen, en den geheelen winter in eene eenzame stad moeten
doorbrengen. Na alles te hebben overwogen, achtte ik het dus veel beter;
de karavaan te laten vertrekken en den winter door te brengen waar ik
was, namelijk te Tobolsk in Siberië, op eene breedte van 60°, waar ik
verzekerd was van drie dingen, waarmede men een kouden winter kan
doorstaan, namelijk overvloed van eten en drinken wat het land oplevert;
een warm huis met genoeg brandstof, en uitmuntend gezelschap, gelijk ik
nader zal vermelden.
Ik was nu in een klimaat, geheel verschillend van mijn bemind eiland,
waar ik nimmer koude gevoelde, dan als ik de koorts had; integendeel,
het viel mij daar zuur eenige kleederen te dragen, en waar ik nimmer
vuur aanlegde, dan buiten de deur en als ik het noodig had, om eten te
koken. Nu liet ik mij drie goede rokken maken, met wijde jassen er over,
die tot op de voeten hingen, en tot beneden toe digt toegeknoopt konden
worden, en die allen met bont gevoerd en zeer warm waren.
Van een warm huis gesproken, moet ik zeggen, dat ik onze Engelsche
manier zeer afkeur, om in elke kamer van het huis in opene schoorsteenen
vuur aan te maken, waardoor, als het vuur uit was, de lucht in de kamer
even koud wordt als de buitenlucht. Maar na mijn intrek in een goed
huis in de stad genomen te hebben, liet ik een schoorsteen bouwen als
een oven, in het midden van zes kamers; de pijp, door welke de rook
wegtrok, liep naar de eene zijde, en de plaats om er de brandstof in te
doen, was aan de andere zijde, en al de kamers werden even warm
gehouden, zonder dat men het vuur zag, even als men de badstoven in
Engeland heet maakt. Hierdoor was het altijd in alle kamers even warm,
en hadden wij steeds eene gelijkmatige warmte, en hoe koud het ook
buiten ware, binnen was het altijd warm, echter zagen wij geen vuur, en
hadden nimmer eenigen last van den rook.
Het zonderlingste van alles was, dat men hier zulk goed gezelschap
aantrof, in een land, zoo woest als de noordelijkste deelen van Europa,
nabij de Poolzee, en slechts weinige graden van Nova Zembla. Maar daar
dit het land is, waarheen, gelijk ik vroeger zeide, al de
staatsgevangenen van Rusland worden gebannen, was het er vol van
vorsten, edellieden, generaals, kortom, alle graden van edelen, soldaten
en hovelingen van Rusland. Hier was de vermaarde prins Galopkin of
Galitzin en zijn zoon, de oude generaal Robodisky en verscheidene andere
aanzienlijke personen en eenige vrouwen van rang.
Door middel van mijne Schotsche kooplieden, waarvan eenige mij echter
hier verlieten, geraakte ik met verscheidene van deze heeren in kennis,
waaronder eenige van den hoogsten rang, waarmede ik in de lange
winteravonden, die ik hier doorbragt, eenen zeer aangenamen omgang had.
Ik sprak op een avond met eenen zekeren prins, een der gebannen
ministers van den Moscovischen Czaar, toen het gesprek op mijne
lotgevallen viel. Hij had mij veel fraais verhaald van de grootheid en
luister, van het gebied en de onbeperkte magt van zijnen vorst. Ik viel
hem in de rede, en zeide, dat ik een veel grooter en magtiger vorst was,
dan de Russische keizer, schoon mijn gebied zoo groot niet was, noch
mijne onderdanen zoo talrijk waren als de zijne. De Russische prins
zette groote oogen op, terwijl hij mij strak aanzag, en begreep niet,
wat ik wilde te kennen geven. Ik zeide hem, dat zijne verwondering zou
ophouden, als ik hem alles verklaard had. Eerst zeide ik hem, dat ik
onbeperkte magt over het leven en de bezittingen mijner onderdanen had,
dat niettegenstaande mijne onbeperkte magt, niet een hunner eenig
misnoegen had tegen mijne regering of mijnen persoon, op geheel mijn
gebied. Hij schudde het hoofd, en zeide, dat ik in dat geval meer kon
zeggen dan de czaar. Ik voegde er bij, dat al de landerijen in mijn rijk
mijn eigendom waren, en al mijne onderdanen slechts mijne pachters, en
dat wel vrijwillig waren, dat zij allen hunnen laatsten bloeddroppel
voor mij zouden willen storten, en dat nimmer een willekeurig heerscher,
want dit bekende ik te zijn, ooit zoo algemeen bemind en toch zoo
ontzettend gevreesd was geworden van zijne onderdanen.
Na hem eenigen tijd met deze raadsels te hebben bezig gehouden, gaf ik
hem de oplossing en verhaalde hem breedvoerig hoe ik op het eiland
gekomen was, en hoe ik daar huishield, zoowel als de bevolking onder
mij, gelijk ik hiervoren uitvoerig verhaald heb. Zij waren er allen zeer
mede ingenomen, inzonderheid de prins, die mij met een zucht zeide, dat
de ware grootheid bestond in heerschappij over zichzelven te voeren, dat
hij eene levenswijze als de mijne niet voor die van czaar van Moscovië
zou willen ruilen, en dat hij meer geluk vond in de afzondering, waarin
hij hier gebannen scheen, dan vroeger ooit in de hoogste magt, die hij
aan het hof van zijnen meester, den czaar, genoten had; dat het toppunt
van menschelijke wijsheid bestond in onzen geest naar de omstandigheden
te voegen, en rust en stilte van binnen te bewaren, terwijl buiten de
geweldigste stormen loeiden. Toen hij eerst hier kwam, zeide hij, had
hij zich de haren uit het hoofd en de kleederen van het lijf gescheurd,
gelijk anderen voor hem gedaan hadden; maar eenig tijdverloop en
nadenken hadden hem geleerd, een blik in zichzelven, zoowel als op de
voorwerpen buiten hem te slaan; hij had bevonden, dat zoo 's menschen
geest slechts eerst ernstig nadenkt over den staat van ons leven in het
algemeen; en hoe weinig men voor zijn waar geluk in deze wereld noodig
heeft, men volkomen in staat is, om voor zichzelven een geluk te
bereiden, dat volkomen genoegzaam is, en met onze beste verlangens en
bestemming strookt, en waartoe de wereld slechts weinig behoeft bij te
dragen; dat lucht, om in te ademen, voedsel, om te leven, kleederen, om
de koude af te weren, en gelegenheid tot ligchaamsbeweging, om zijne
gezondheid te onderhouden, naar zijne meening alles waren, wat de wereld
ons kon opleveren. Schoon de grootheid, magt, rijkdommen en het gezag,
die sommigen in de wereld bezitten, en waarvan hij zijn deel meer dan
hem lief was had gehad, in vele opzigten aangenaam voor ons waren, moest
hij echter opmerken, dat al deze dingen grootendeels strekken, om onze
minder edele hartstogten te voldoen, als onze hoogmoed, ijdelheid,
eerzucht, gierigheid of ligtgeraaktheid, welke alle inderdaad op
zichzelve misdadig zijn, en in zich de zaden van alle misdaden bevatten;
terwijl zij op geenerlei wijze in betrekking staan tot die
eigenschappen, die de wijsheid ons leert, of tot die deugd, die ons
Christenen onderscheidt. Thans, vervolgde bij, beroofd van al het
gewaande geluk, dat hij in de uitoefening van al deze ondeugden vond,
had hij ruimschoots gelegenheid, om deze van de keerzijde te beschouwen,
waarop hij allerlei soort van verkeerdheden vond, en thans was hij
overtuigd, dat de deugd alleen iemand rijk, groot en magtig maakt, en
hem op den weg houdt, die tot hooger geluk in eene andere wereld voert,
en in dit opzigt, zeide hij, waren zij in hunne verbanning gelukkiger,
dan al hunne vijanden, die in het volle genot waren van al die weelde en
magt, die zij (de bannelingen) hadden moeten achterlaten.
"En mijnheer!" zeide hij, "het is niet door den drang der
omstandigheden, die sommigen ongelukkig noemen, dat ik uit staatkunde
dit aan mijnen geest zoek op te dringen. Zoo ik mijzelven eenigzins ken,
zou ik thans niet terugkeeren, neen, zelfs niet, al zou mijn meester, de
czaar, mij terugroepen, met aanbieding van mij in al mijne vorige
grootheid te herstellen, ik zou, ik herhaal het, evenmin derwaarts
terugkeeren, als ik vertrouw, dat mijne ziel, na eenmaal van de banden
des ligchaams ontslagen te zijn en eenen voorsmaak gehad te hebben van
eenen hemelschen staat na dit leven, zou willen terugkeeren in zijne
gevangenis van vleesch en bloed, waarin zij thans is besloten, en den
hemel verlaten, om in het slijk der aarde rond te zwerven."
Hij zeide dit met zooveel vuur, en op zijn gelaat blonk zulk eenen
ernst, dat dit blijkbaar de ware meening zijner ziel was, en waarlijk er
was geene reden, om zijne opregtheid in twijfel te trekken.
Ik zeide hem, dat ik eenmaal in mijnen voormaligen toestand, waarvan ik
hem verhaald had, mijzelven eene soort van monarch gedacht had, maar dat
ik hem thans niet alleen als eenen monarch, maar als een groot
veroveraar beschouwde, want dat hij zijne eigene hooggaande begeerten
onder het juk had gebragt, en eene volstrekte heerschappij over
zichzelven voerde; en hij, wiens rede al zijne daden bestuurt, is zeker
grooter dan hij, die eene stad inneemt. "Maar mag ik zoo vrij zijn van u
eene vraag te doen, mijnheer?" zeide ik.--"Met al mijn hart," antwoordde
hij.--"Bijaldien de deur voor de vrijheid u werd opengesteld," zeide ik,
"zoudt gij die dan niet aangrijpen, om u uit deze ballingschap te
bevrijden?"--"Uwe vraag is dubbelzinnig," zeide hij, "en heeft eenige
juiste onderscheidingen noodig, om er een opregt antwoord op te kunnen
geven, en die zal ik u uit grond van mijn hart geven. Niets ter wereld
zou mij aandrijven, om mij uit dezen staat van ballingschap te
verwijderen, dan twee beweegredenen; eerstelijk het verlangen, om mijne
bloedverwanten weder te zien, en tweedens een warmer luchtgestel. Maar
dit verzeker ik u, om terug te keeren naar den luister van het hof, den
roem, de magt, de bezigheden van eenen minister, de rijkdommen, de
genoegens en vermaken, dat wil zeggen dwaasheden, van eenen hoveling;
als mijn meester mij op dit oogenblik liet weten, dat hij mij in het
bezit herstelde van alles, wat hij mij ontnomen heeft, dan verzeker ik
u, dat ik, als ik eenigzins mijzelven ken, deze woestijnen, wildernissen
en ijsvelden niet voor de paleizen van Moskou zou willen
verlaten."--"Maar prins!" vervolgde ik, "misschien zijt gij niet alleen
verbannen van de vermaken van het hof en van de magt, het gezag en de
schatten, die vroeger uw deel waren, maar gij kunt ook van eenige
gemakken des levens verstoken zijn; uwe bezittingen zijn misschien
verbeurd verklaard, en wat men u hier toestaat, is welligt niet
voldoende, om in uwe gewone behoeften te voorzien."--"Ja," zeide hij,
"dat is ook zoo, als gij mij beschouwt als een edelman, een prins,
gelijk ik ook ben; maar gij moet mij thans alleen beschouwen, als een
mensch, een menschelijk wezen, dat zich van geen zijner medemenschen
onderscheidt, en dan kan ik geen gebrek lijden, tenzij ik met ziekte of
kwalen mogt bezocht worden. Om echter deze vraag op te lossen: gij ziet
onze levenswijze, wij zijn hier met ons vijven, personen van hoogen
rang, wij leven zoo stil, als in eenen staat van ballingschap. Van onze
fortuin hebben wij uit de schipbreuk een klein gedeelte gered, hetgeen
ons van de verpligting ontslaat, om met jagen den kost te verdienen,
maar de arme soldaten, die hier zijn, en die hulp niet hebben, leven
even ruim als wij. Zij gaan in de bosschen en vangen sabels en vossen;
eene maand hieraan besteed, verschaft hun levensonderhoud voor een jaar,
en daar de levenswijze hier niet kostbaar is, is het gemakkelijk het
noodige te verwerven; dus is deze tegenwerping vervallen."
Het zou mij te ver voeren, als ik een volledig verslag wilde geven van
het aangename onderhoud, dat ik met dezen waarlijk grooten man had;
gedurende hetwelk hij bewees, dat zijn geest zoo vervuld was met een
diep inzigt in alle zaken; zoo gesterkt werd door godsdienst, zoowel als
door de uitgebreidste kennis; dat zijne versmading van de wereld
werkelijk was, zoo als hij verklaarde, en dat hij zichzelven steeds
gelijk bleef, gelijk in het vervolg van dit verhaal zal blijken.
Ik bragt hier acht maanden in eenen donkeren, treurigen winter door; de
koude was zoo streng, dat ik mijn neus niet buiten de deur kon steken,
zonder in bont gewikkeld te zijn, en een masker voor het gelaat te
dragen, of liever een digte sluijer, met een gat, om te ademen, en twee,
om te zien. Het korte daglicht, dat wij hadden, was ongeveer drie
maanden lang niet meer dan vijf uren daags, zes op zijn hoogst, schoon
het nimmer zeer donker was, daar de sneeuw voortdurend liggen bleef en
het weder helder was. Onze paarden stonden in eenen kelder te
verkwijnen, en onze dienstboden (want wij huurden die, om ons en onze
paarden op te passen) waren telkens de handen en voeten bevroren.
Echter zaten wij binnenshuis warm, de huizen waren digt, de muren dik,
de vensters klein en allen met dubbele glazen. Ons eten bestond
hoofdzakelijk in gedroogd wild, goed brood, als beschuit gebakken,
verschillende soorten van gedroogden visch, en eenig schapen- en
buffelvleesch, dat zeer goed is. Alle levensmiddelen voor den winter
worden in den zomer ingelegd. Onze drank was water, met brandewijn
vermengd, en meede in plaats van wijn, voor een traktement, die zij
echter zeer goed hebben. De jagers, die in elk weder uitgaan, bragten
ons dikwijls zeer goed en vet wild, en somtijds beerenvleesch, doch om
het laatste gaven wij niet veel. Wij hadden een goeden voorraad thee,
waarop wij onze vrienden onthaalden; met een woord, wij leidden over het
geheel een zeer goed leven.
Het was nu Maart; de dagen begonnen vrij wat langer en het weder althans
dragelijker te worden; derhalve begonnen de andere reizigers sleden
gereed te maken, om hen over de sneeuw te brengen; maar ik had besloten,
gelijk ik gezegd heb, naar Archangel, en niet naar Rusland of de Oostzee
te gaan, en ik bleef dus waar ik was, want ik wist zeer goed, dat de
schepen uit het zuiden daar niet voor Mei of Junij heengaan, en dat, als
ik in het begin van Augustus daar kwam, ik er vroeg genoeg zou zijn, om
met een der eerst vertrekkende schepen mede te gaan, en derhalve maakte
ik geen haast om te vertrekken, zoo als de anderen, en zag dus ook eene
groote menigte volks, ja, eindelijk alle reizigers voor mij vertrekken.
Het schijnt, dat zij van Moskou alle jaren herwaarts trekken, om te
handelen, namelijk om pelterijen te brengen, en andere noodwendigheden
te halen voor hunne winkels; en deze gaan met hetzelfde, oogmerk naar
Archangel, maar deze allen, die ongeveer achthonderd mijlen terug
moesten, vertrokken voor mij.
Tegen het laatst van Mei begon ik mij ook tot mijn vertrek gereed te
maken, en terwijl ik dit deed, schoot mij te binnen, terwijl ik al deze
lieden zag, die de czaar naar Siberië gebannen had, en die toch als zij
hier gekomen waren, vrijheid hadden om te gaan waarheen zij wilden,
waarom zij niet heengingen naar eenig deel der wereld, waar zij
goedvonden, en ik begon na te gaan wat hen belette zulks te ondernemen.
Maar mijne verwondering hield op, toen ik hierover sprak, met den prins,
van wien ik hiervoren gewag gemaakt heb, en die mij het volgende ten
antwoord gaf: "In de eerste plaats, mijnheer! moet gij bedenken, waar
wij zijn; ten tweede den toestand waarin wij zijn, en bijzonder den
toestand van het volk, dat hier gebannen is. Wij zijn hier omgeven door
sterkere sluitingen dan muren en grendels; aan de noordzijde is eene
onbevaarbare oceaan, waarop nimmer een schip gezeild heeft, noch eene
boot gevaren, en al bezaten wij beide, wij zouden niet weten waarheen er
mede te gaan. Langs elken anderen weg," vervolgde hij, "moeten wij
ongeveer duizend (Eng.) mijlen het gebied van den czaar doortrekken,
langs wegen die ontoegankelijk zijn, behalve die welke de regering
gemaakt heeft, en door steden, waarin zij bezetting heeft liggen, zoodat
wij nimmer dien weg kunnen volgen, zonder ontdekt te worden, noch op
eene andere wijze levensmiddelen erlangen; alle pogingen daartoe zijn
derhalve vergeefs."
Dit bragt mij tot zwijgen, en ik zag in, dat zij inderdaad in eene
gevangenis waren opgesloten, zoo zeker, alsof zij in het kasteel van
Moskou achter de grendels zaten. Het denkbeeld kwam echter bij mij op,
dat ik wel het werktuig kon zijn, om een zoo uitmuntend persoon te doen
ontsnappen, en dat het voor mij zeer gemakkelijk was, hem mede te
voeren, daar er geene wacht hier te lande over hem gehouden werd. En
daar ik niet naar Moskou ging, maar wel naar Archangel, en op de wijze
van eene karavaan voorttrok, waardoor ik niet verpligt was de
vestigingen in de woeste streken te betrekken, maar mijne nachten kon
doorbrengen waar ik wilde, konden wij gemakkelijk zonder verhindering
Archangel bereiken, waar ik hem dadelijk aan boord van een Engelsch of
Hollandsch schip zou brengen. Wat zijn onderhoud en andere kleinigheden
betrof, hiervoor zou ik zorgen, totdat hij daarin zelf kon voorzien.
Hij hoorde mij zeer oplettend aan, terwijl ik hem dit voorstelde, en zag
mij al den tijd dat ik sprak strak aan, ja, ik kon op zijn gelaat zien,
dat hetgeen ik zeide zijn gemoed hevig in beweging bragt; hij veranderde
dikwerf van kleur, zijne oogen vonkelden, en men kon ligt bespeuren, dat
hij weifelde. Hij was eerst niet in staat om mij te antwoorden, toen ik
had uitgesproken, en ik, als het ware, wachtte wat hij er van zou
zeggen. Na eenigen tijd gezwegen te hebben, omhelsde hij mij en zeide:
"Hoe ongelukkig zijn wij, feilbare menschen toch, dat zelfs onze beste
daden van vriendschap ons tot een strik worden, en dat wij elkander in
verzoeking brengen! Mijn beste vriend," vervolgde hij, "uwe aanbieding
is zoo opregt, zoo goedhartig, zoo belangeloos, en zoo mijn voordeel
beoogende; dat ik slechts weinig wereldkennis zou bezitten als ik er mij
niet zeer over verwonderde, en de verpligting niet erkende, die ik
daarvoor jegens u heb. Maar geloofde gij aan mijne opregtheid, in
hetgeen ik zoo dikwijls u gezegd heb, dat ik de wereld verachtte?
Geloofde gij, dat ik uit grond van mijn hart sprak, en dat ik hier
werkelijk dien graad van geluk bereikt had, die mij verheft boven alles
wat de wereld mij kon verschaffen of voor mij kon doen? Geloofde gij dat
ik opregt was, toen ik u zeide dat ik niet zou willen terugkeeren, al
zou ik teruggeroepen worden om alles te worden wat ik eenmaal was aan
het hof en in het bezit van de gunst van mijn meester, den czaar?
Gelooft gij, mijn vriend, dat ik een eerlijk man ben, of houdt gij mij
voor een snoevenden huichelaar?" Hier zweeg hij stil, alsof hij op mijn
antwoord wachtte, maar ik bespeurde spoedig dat hij eigenlijk ophield,
omdat zijn gemoed geschokt en heen en weder geslingerd werd, en dat hij
niet spreken kon. Ik beken dat ik verbaasd stond, zoo wel over hetgeen
ik hoorde, als over den man zelven. Ik voerde eenige redenen aan, om hem
over te halen de vrijheid te kiezen; dat hij beschouwen moest, dat door
den Hemel eene deur ter zijner bevrijding werd opengesteld, en dat het
een wenk was van de Voorzienigheid, die alle dingen bestiert, om
zichzelven wel te doen, en nuttig voor anderen te worden.
Hij had thans zijne bedaardheid herkregen. "Hoe weet gij, mijnheer,"
zeide hij, "dat dit in plaats van een wenk des Hemels, geen aanloksel is
van een anderen kant, dat mij in de verleidelijkste kleuren het geluk
eener bevrijding voorspiegelt, terwijl het inderdaad een valstrik kan
zijn; waardoor ik mijn eigen verderf te gemoet ga? Ik ben hier bevrijd
van alle verzoeking, om mijne voormalige rampzalige grootheid weder te
bereiken; ginds ben ik niet verzekerd of al de zaden van hoogmoed,
eer- en hebzucht en weelde, die ik weet dat nog in mijn aard liggen, niet
zullen herleven en wortel schieten, en met een woord, zich weder meester
van mij maken; en dan zal de gelukkige gevangene, dien gij thans als
meester van zichzelven ziet, de rampzalige slaaf zijner hartstogten
zijn, bij het genot van alle mogelijke persoonlijke vrijheid. Waarde
vriend, laat mij in deze gelukkige hechtenis, verbannen van de misdaden
des levens, liever dan een zweem van vrijheid te koopen, ten koste van
de vrijheid mijner rede, en van mijn toekomstig heil, dat ik thans te
gemoet zie; maar dat ik alsdan, vrees ik, spoedig uit het oog zou
verliezen, want ik ben slechts een mensch, heb vleesch en bloed, driften
en hartstogten, die mij zoo waarschijnlijk als een ander zullen
overmeesteren en wegslepen. O, wees niet mijn vriend en tegelijk mijn
verleider!"
Stond ik vroeger verbaasd, thans was ik geheel tot zwijgen gebragt, en
stond hem aan te staren en te bewonderen. De tweestrijd, waarin ik hem
gebragt had, was zoo groot, dat, ofschoon het geweldig koud was, het
zweet hem uitgebroken was, en daar ik zag dat hij zijn gemoed wilde
ontlasten, zeide ik met een paar woorden, dat hij er nog eens over moest
nadenken en ik hem weder zou opzoeken, en begaf mij daarop naar mijne
kamer.
Een paar uren daarna hoorde ik iemand aan of bij mijne kamerdeur, en ik
stond op om die te openen, toen de prins dit zelf deed en binnen kwam.
"Mijn waarde vriend," zeide hij, "gij zoudt mij bijkans overgehaald
hebben, doch thans ben ik weder tot mijzelven gekomen. Duid het mij niet
ten kwade, dat ik uw aanbod niet aanneem. Ik verzeker u, het is niet
omdat ik niet gevoel hoe vriendschappelijk het van u is, en ik kwam er u
mijne hartelijke dankbaarheid voor betuigen; maar ik hoop thans
mijzelven overwonnen te hebben."