Onze karavaan bleef drie dagen in het dorp, dat een uur verder lag, om

zich eenige paarden aan te schaffen, die wij noodig hadden, daar door de

slechte wegen verscheidene paarden kreupel waren geworden. Dus had ik

gelegenheid, hier mijn oogmerk uit te voeren. Ik deelde mijn voornemen

mede aan den Schotschen koopman van Moscou, van wiens moed ik de

duidelijkste blijken had gezien. Ik zeide hem, wat ik gezien had, en hoe

dit mijne verontwaardiging had opgewekt, en dat ik besloten had, als ik

slechts vier of vijf goed gewapende lieden mede kon krijgen, dat

afschuwelijke afgodsbeeld te gaan vernielen, om hun te laten zien, dat

het geene de minste magt bezat, en dus geen voorwerp van vereering zijn

kon. Hij begon te lagchen en zeide: "Uw ijver is misschien goed, maar

wat hebt gij u eigenlijk er bij voorgesteld?"--"Wat," zeide ik, "wel om

Gods eer te wreken, die door deze duivelaanbidding beleedigd

wordt."--"Maar hoe zal dit geschieden," vervolgde hij, "als het volk

niet weet wat gij daarmede bedoelt, ten zij gij met hen kondt spreken en

het hen zeggen? En in dit geval beloof ik u, dat zij u zouden bevechten,

en vooral ter verdediging van hunnen afgod zouden zij als wanhopigen

vechten."--"Kunnen wij het niet des nachts doen," vroeg ik, "en hen dan

schriftelijk in hunne taal er de redenen van achterlaten?"--"Schriftelijk?"

herhaalde hij, "wel in al hunne vijf natiën is er niet één, die eene

letter lezen kan, zelfs niet in zijne moedertaal."--"Welk eene grove

onwetendheid!" zeide ik. "Maar toch heb ik mij voorgenomen het te doen;

misschien zullen zij er door tot het besluit komen, dat hunne vereering

van zulke plompe dingen beneden den mensch is."--"Hoor eens, mijnheer!"

zeide hij, "als uw ijver er u toe aandrijft, moet gij het doen, maar

vooreerst moet gij bedenken, dat deze woeste volkeren met geweld onder

de heerschappij van den Russischen Czaar gebragt zijn; en als gij het

doet, is het tien tegen een, dat zij bij duizenden naar den gouverneur

van Nortzinskoy zullen komen, om zich te beklagen en voldoening te

eischen, en als hij hun die niet geven kan, is het tien tegen een, dat

zij zullen opstaan, en dit zal eenen nieuwen oorlog met al de Tartaren

in het geheele land geven."

Dit moet ik bekennen, bragt mij eene poos op andere gedachten, maar ik

bleef er toch mijne zinnen op zetten, en den geheelen dag verlangde ik

mijn oogmerk te kunnen volvoeren. Tegen den avond ontmoette ik toevallig

den Schotschen koopman op eene wandeling buiten de stad, en hij sprak

mij aan. "Ik geloof, dat ik u van uw goed voornemen heb afgebragt,"

zeide hij, "en dat spijt mij eenigzins, want ik verfoei de afgoderij

evenzeer als gij."--"Gij hebt mij zekerlijk overgehaald, de uitvoering

nog uit te stellen," antwoordde ik, "maar mij er nog niet geheel van

afgebragt, en ik geloof, dat ik het stuk nog bestaan zal, voordat wij

deze plaats verlaten, al zou men mij ook, om hen te voldoen, aan hen

uitleveren."--"Neen, neen," hernam hij, "voor de uitlevering aan zulk

een hoop monsters moge de Hemel u bewaren; dat zal men niet doen, dat

zou uw zekere dood zijn."--"Hoe zouden zij mij dan behandelen?" vroeg

ik.--"Ik zal u zeggen," hernam hij, "hoe zij een ongelukkigen Rus

behandeld hebben, die hen, zoo als gij wilt, in hunne godsdienst

beleedigd had. Nadat zij hem verminkt hadden, dat hij niet kon

wegloopen, ontkleedden zij hem, en zetteden hem boven op het

afgodsbeeld, en allen gingen om hem staan, en schoten zoovele pijlen in

zijn ligchaam, als zij konden, en verbrandden hem daarop ter eere van

hunnen afgod."--"En was dat dezelfde afgod?" vroeg ik.--"Dezelfde,"

zeide hij.--"Nu, dan zal ik u ook iets verhalen," zeide ik. Daarop

verhaalde ik hem het gebeurde te Madagascar, hoe ons volk daar het

geheele dorp in brand gestoken en al de bewoners omgebragt had, omdat

zij een man van ons hadden vermoord, gelijk ik vroeger verhaald heb, en

toen ik geëindigd had, voegde ik er bij, dat mijns bedunkens met dit

dorp even zoo moest gehandeld worden.

Hij luisterde zeer oplettend naar mijn verhaal, maar toen ik sprak van

dit dorp even zoo te behandelen, zeide hij: "Gij hebt groot ongelijk;

het was dit dorp niet, het was bijkans honderd mijlen van hier, maar het

was dezelfde afgod, want dien voeren zij in processie het land

rond."--"Welnu," zeide ik, "dan zal dit beeld er voor gestraft worden,

en dit zal dezen nacht gebeuren, als ik dien beleef."

Toen hij zag, dat ik bij mijn voornemen bleef, keurde hij hetzelve goed,

en zeide, dat ik niet alleen, maar dat hij met mij zou gaan; maar eerst

zou hij een zijner landslieden gaan halen, een zeer ondernemend man, en

zoo vol ijver als iemand tegen zulke werken des duivels als deze. Hij

bragt daarop zijn makker bij mij, een Schot, dien hij kapitein

Richardson noemde, en dezen verhaalde ik alles wat ik gezien en gehoord

had, en hij zeide, dat hij zou medegaan, al zou het hem het leven

kosten. Zoo besloten wij dan met ons drieën te gaan. Ik had het ook aan

mijnen compagnon voorgesteld, maar deze weigerde er deel aan te nemen.

Hij zeide, mij overal en ten allen tijde tot mijne verdediging te willen

bijstaan, maar dit was eene zaak, waarmede ik niets te maken had. Wij

besloten dus, met ons drieën en mijn knecht dien nacht, tegen

middernacht, het stuk zoo bedekt mogelijk te bestaan.

Bij nadere overweging besloten wij het nog een dag uit te stellen, omdat

de karavaan den volgenden morgen vertrekken zou, en wij begrepen, dat de

gouverneur hun dan geene voldoening ten onzen koste zou kunnen geven,

als wij eens buiten zijn bereik waren. De Schotsche koopman, die even

standvastig als moedig was in wat hij ondernam, bragt mij een

Tartaarschen rok van schapenvachten en eene Tartaarsche muts, en boog en

pijlen, hetwelk hij ook voor zich en zijnen landgenoot had aangeschaft,

opdat als men ons zien mogt, men niet zou weten, wie wij waren.

Den geheelen avond bragten wij door met het gereedmaken van

brandstoffen, door voorloop, kruid en wat wij bekomen konden ondereen te

mengen, en na ons nog van een pot vol teer meester gemaakt te hebben,

gingen wij ongeveer een uur na zonsondergang op onze onderneming uit.

Tegen elf ure kwamen wij op de plaats, en vonden dat het volk geen zweem

van vrees voor hunnen afgod koesterde. De lucht was bewolkt, maar de

maan gaf ons toch licht genoeg, om te zien, dat het afgodsbeeld juist in

dezelfde houding en op dezelfde plaats stond als vroeger. Al het volk

scheen te slapen, behalve degenen, die in de groote hut of tent waren,

waar wij de drie priesters gezien hadden, die wij voor slagers hadden

aangezien; en digt bij de deur komende, hoorden wij de stemmen van wel

vijf of zes personen. Wij begrepen nu, dat als wij rondom het

afgodsbeeld een vuurtje maakten, deze mannen dadelijk zouden

toeschieten, om hunnen afgod uit het vuur te redden, en wij wisten niet

hoe wij tegen hen zouden te werk gaan; eerst dachten wij het afgodsbeeld

mede te nemen, en op eenen afstand van daar het in brand te steken; maar

toen wij het aanpakten, bemerkten wij, dat het voor ons te zwaar was, om

te vervoeren, dus waren wij weder ten einde raad. De tweede Schot sloeg

voor, de hut of tent in brand te steken, en de lieden, die er uitkwamen,

neder te vellen, maar daarin wilde ik niet toestemmen, want ik wilde hen

niet dooden, als het bij mogelijkheid kon vermeden worden. "Welnu, dan

zal ik u zeggen, wat er gedaan moet worden," zeide de Schotsche koopman,

"wij moeten trachten hen gevangen te nemen, hen handen en voeten binden,

en hen de vernieling van hunnen afgod laten aanzien."

Toevallig hadden wij genoeg bindtouw of koord bij ons, daar wij onze

brandstoffen mede bijeengebonden hadden, en dus besloten wij eerst deze

lieden, met zoo weinig gerucht als mogelijk, te overvallen. Het eerst,

wat wij deden, was, aan de deur te kloppen; toen een der priesters

dezelve opende, grepen wij hem dadelijk aan, stopten hem den mond toe,

knevelden hem en bragten hem tot voor het afgodsbeeld, waar wij hem aan

handen en voeten gebonden, op den grond nederlegden.

Twee onzer waren aan de deur blijven staan wachten, of niet een ander

naar den eerste zou komen uitzien, maar wij stonden er nog, toen de

derde man bij ons terugkwam, en toen er nog niemand kwam, klopten wij

weder zachtjes aan, daarop kwamen er nog twee uit, die wij even als den

eerste behandelden, maar wij waren verpligt allen mede te gaan, en hen

op eenigen afstand van elkander bij den afgod neder te leggen, waarna

wij terugkeerden en er twee voor de deur zagen staan uitzien, terwijl de

derde achter hen binnen de hut stond. Wij grepen de twee aan en bonden

hen dadelijk; waarop de derde terugtrad en begon te schreeuwen. De

Schotsche koopman volgde hem na, en haalde een mengsel voor den dag, dat

hij gemaakt had, en hetwelk alleen rook en stank veroorzaakte, dat hij

daarop in brand stak en in de hut wierp. Middelerwijl hadden de

Schotsche koopman en mijn bediende de twee reeds gebonden, mannen

aangegrepen, en legden hen voor hun afgodsbeeld neder, waar zij konden

zien, of dit hen ook kon helpen, en keerden daarop zoo spoedig mogelijk

naar ons terug.

Toen het mengsel, dat wij in de hut hadden geworpen, die tot stikkens

toe met rook had opgevuld, wierpen wij een ander lederen zakje er in,

dat met eene heldere vlam opbrandde, en traden die daarop binnen. Wij

vonden er nog slechts vier personen in, twee mannen en twee vrouwen,

die, naar het scheen, een hunner duivelsfeesten daar gevierd hadden. Zij

schenen allen doodelijk verschrikt; althans zij zaten ineengehurkt en

als verbijsterd, zonder dat zij eenig geluid konden geven van wege den

rook. Wij grepen hen aan en bonden hen even gelijk de overigen, zonder

eenig gedruisch te maken. Wij hadden hen echter eerst buiten de hut

gebragt, want wij zelve konden het, evenmin als zij, in den rook

uithouden. Toen dit geschied was, bragten wij hen allen naar het

afgodsbeeld. Daarna gingen wij te werk met den afgod; eerst beteerden

wij hem van boven tot onderen, en bestreken hem daarop met een mengsel

van talk en zwavel, daarna stopten wij zijne oogen, ooren en mond vol

met buskruid, vervolgens stopten wij een zak met vet in zijne muts, en

behingen hem toen met al de brandstoffen, die wij hadden medegebragt.

Daarna zagen wij rond naar alles, wat den brand nog kon helpen, en het

viel mijnen knecht in, dat hij bij de hut of tent, waar die menschen

geweest waren, een hoop droog stroo of biezen had zien liggen. Hij en

een der Schotten liepen derwaarts en kwamen ieder met een arm vol terug.

Dit gedaan zijnde, namen wij onze gevangenen de stoppers uit den mond,

plaatsten hen voor hunnen afgod, en staken er daarop den brand in.

Wij bleven er ongeveer een kwartieruurs bij, tot het kruid in de oogen,

mond en ooren van het beeld vlam vatte, en het geheel geen fatsoen meer

had, maar niets dan een blok hout was; en daarop er het stroo voor

stapelende, zagen wij, dat hij spoedig zou verbrand zijn; dus begonnen

wij aan ons vertrek te denken. Een der Schotsche kooplieden echter

zeide: "Neen, wij moeten niet heengaan, want deze arme onwetende

schepsels zouden zich allen in het vuur storten en zich met hunnen afgod

laten verbranden." Wij besloten dus te blijven, totdat alles tot asch

verbrand was, en toen maakten wij dat wij wegkwamen.

Des morgens kwamen wij onder onze reisgenooten, druk bezig met onze

toebereidselen voor de reis, en niemand vermoedde, dat wij ergens anders

dan in ons bed waren geweest, gelijk men ook niet anders van reizigers

verwachten zou, om zich tot de vermoeijenissen van de dagreis in staat

te stellen.

Maar daarmede was de zaak niet geëindigd. Den volgenden morgen kwam eene

ontzettende menigte landvolk, niet alleen uit het dorp, maar ik geloof

nog wel uit honderd andere, voor de stadspoorten, en eischten, op de

onbeschaamdste wijze, voldoening van den gouverneur, voor het beschimpen

van hunne priesters, en het verbranden van hunnen grooten

Cham-Chi-Thangu, zulk eenen wanluidenden naam gaven zij aan het

monsterachtig schepsel, dat zij vereerden. De inwoners van Nortzinskoy

waren in den beginne zeer ontrust, want men zeide, dat er niet minder

dan dertigduizend Tartaren waren, en dat zij binnen weinige dagen wel

tot honderdduizend man zouden aangroeijen.

De Russische gouverneur zond afgezanten naar hen toe, en gaf hen alle

goede woorden, die hij bedenken kon. Hij verzekerde hen, dat hij er

niets van wist, en dat van de bezetting geen man de stad had verlaten;

dat het niet door iemand uit de stad kon bedreven zijn, en dat, zoo zij

hem te kennen gaven, wie het gedaan had, de daders streng gestraft

zouden worden. Zij antwoordden op hoogen toon, dat een ieder den grooten

Cham-Chi-Thangu vereerde, die in de zon woonde, en dat geen sterveling

tegen zijn beeld geweld zou hebben durven plegen, dan eenige

Christelijke booswichten, gelijk zij hen noemden; en dus dreigden zij

hem en al de Russen, die allen euveldaders en Christenen waren, met

oorlog.

De gouverneur, die ongezind was, om eene vredebreuk te bewerken, en niet

wilde, dat men, bij het uitbreken van eenen oorlog, op hem de schuld

daarvan zou leggen, daar de czaar hem strengelijk gelast had, de

veroverde landstreek met inschikkelijkheid en goedheid te behandelen,

gaf hun nog steeds goede woorden; eindelijk zeide hij hun, dat er dien

morgen eene karavaan naar Rusland vertrokken was, en dat welligt iemand

daarbij behoorende, hun deze beleediging had aangedaan, en dat hij, als

zij hiermede tevreden waren, deze iemand achterop zou zenden, om er naar

te onderzoeken. Dit scheen hen een weinig tot bedaren te brengen, en

diensvolgens zond de gouverneur ons iemand achterop, die ons alles, wat

er voorgevallen was, mededeelde, en ten dringendste ried, dat zoo iemand

in onze karavaan het gedaan had, deze zich uit de voeten moest maken;

maar dat, of dit het geval ware of niet, wij alle mogelijke haast zouden

maken, en dat hij hen middelerwijl, zoo lang hij kon, op den tuil zou

houden.

Dit was zeer vriendelijk van den gouverneur. Toen zijn zendeling echter

bij de karavaan kwam, was er niemand, die er iets van wist, en op ons,

die het gedaan hadden, viel in het geheel geene verdenking; niemand

vroeg er ons zelfs naar. Echter volgde de tegenwoordige aanvoerder van

de karavaan den raad van den gouverneur, en wij trokken twee dagen en

twee nachten achter elkander voort, zonder van belang te rusten, dan in

een dorpje, Plothus genaamd, en ook daar bleven wij niet lang, maar

haastten ons naar Jarawena, eene andere Russische stichting, waar wij

vertrouwden, veilig te zullen zijn. Maar om daar te komen, begaven wij

ons in eene uitgestrekte woestijn, waarover ik nader zal spreken, en

waarin wij, zoo wij er midden in geweest waren, waarschijnlijk allen ons

graf zouden gevonden hebben. Het was de tweede dag na ons vertrek van

Plothus, dat eenigen onzer, aan de groote stofwolken, die op verren

afstand achter ons oprezen, begonnen te vermoeden, dat wij vervolgd

werden. Wij waren de woestijn ingetrokken, en hadden een groot meer,

Schaks-Oser genaamd, op zijde van ons laten liggen, toen wij aan de

andere zijde van hetzelve noordwaarts van ons, een groote troep

paardenvolk zagen verschijnen, terwijl wij westwaarts trokken. Wij

bemerkten, dat zij, even als wij, westwaarts trokken, maar in de meening

waren geweest, dat wij langs de overzijde van het meer zouden zijn

getrokken, terwijl wij gelukkig de zuidzijde gekozen hadden, en twee

dagen later zagen wij niets meer van hen, want daar zij geloofden, dat

wij hen nog steeds vooruit waren, trokken zij verder, tot zij aan de

rivier Udda kwamen; deze is hooger noordwaarts een zeer groote stroom,

doch waar wij er bijkwamen, was zij smal en konden wij haar doorwaden.

Den derden dag bespeurden zij hunnen misslag, of hadden zij tijding van

ons ontvangen, want in de schemering van den avond kwamen zij op ons af.

Wij waren zeer in onzen schik, dat wij juist voor ons nachtleger eene

zeer geschikte plaats hadden uitgekozen, want daar wij aan den zoom van

eene woestijn waren, die ongeveer vijfhonderd (Eng.) mijlen groot was,

zoo hadden wij geene steden te wachten, noch verwachtten wij ook geene

aan te treffen, buiten Jarawena, dat nog twee dagreizen van ons af lag.

Aan deze zijde waren echter eenige boschaadjes en beekjes, die allen in

de groote rivier Udda uitliepen. In eenen engen pas tusschen twee digte

boschjes sloegen wij ons nachtleger op, in de verwachting van in den

nacht aangevallen te zullen worden.

Niemand dan wij wisten, waarom wij eigenlijk vervolgd werden, maar daar

de Mongoolsche Tartaren gewoon zijn, bij troepen in deze woestijn rond

te zwerven, verschansen de karavanen zich iederen nacht tegen hen, als

tegen rooverbenden, en dus was het niets vreemds, dat wij achtervolgd

werden. Maar van al onze nachtlegers hadden wij dezen nacht eene

allerbijzonderst gunstige legerplaats, want wij lagen tusschen twee

boschjes, met een beekje vlak van voren, zoodat wij niet omsingeld, noch

anders dan van voren en achteren aangetast konden worden. Wij zorgden

derhalve ons front zooveel te versterken, als wij konden, door onze

pakken en kameelen en paarden, allen in eene lijn aan deze zijde van het

riviertje te plaatsen, en achter ons maakten wij eene verhakking van

eenige boomen.

In deze stelling sloegen wij ons veldleger op, maar voordat onze

toerustingen voltooid waren, hadden wij reeds den vijand bij ons. Zij

overvielen ons niet, zoo als wij verwacht hadden, gelijk roovers, maar

zonden ons drie lieden toe, om ons af te vragen de uitlevering van

degenen, die hunne priesters mishandeld en hunnen afgod Cham-Chi-Thangu

verbrand hadden, ten einde deze met vuur te verbranden. In dat geval,

zeiden zij, zouden zij ons geen leed doen, maar aftrekken; doch zoo

niet, dan zouden zij ons allen met vuur verbranden. De onzen zagen bij

deze boodschap vrij onthutst, en gaapten elkander aan, om uit elkanders

gelaat te lezen, wie er schuldig was; maar niemand had het gedaan,

niemand wist er iets van. De aanvoerder van de karavaan gaf ten

antwoord, dat hij verzekerd was, dat niemand uit ons kamp het gedaan kon

hebben, dat wij vreedzame kooplieden waren, die zich alleen met hunnen

handel bemoeiden, dat wij noch hen noch iemand anders kwaad hadden

gedaan, en dat zij derhalve elders moesten zoeken naar de vijanden, die

hen beleedigd hadden, want dat wij het niet waren; dus verzocht hij hun,

om ons geen kwaad te doen, want dat wij geweld met geweld zouden

vergelden.

Wel verre van met dit antwoord tevreden te zijn, kwam den volgenden

morgen met het krieken van den dag eene groote troep van hen ons kamp

opzoeken; maar toen zij ons in zulk eene voordeelige stelling zagen,

durfden zij niet verder komen, dan de beek voor ons, waar zij staan

bleven, en aan ons eene menigte vertoonden, zoo talrijk, dat wij er

inderdaad van ontzetteden; want naar de geringste schatting waren er wel

tienduizend. Zij bleven daar eene poos ons staan opnemen, en toen zonden

zij, onder een geweldig geschreeuw ons eene wolk van pijlen toe, maar

daartegen waren wij zeer goed beschut, want wij zochten eene

schuilplaats achter onze pakken, en ik herinner mij niet, dat iemand

onzer eene kwetsuur ontving.

Eene poos daarna zagen wij hen regtsaf zwenken, en wij verwachtten van

achteren aangevallen te zullen worden; toen een doorslepen knaap, een

kozak van Jarawena, die in Russische dienst was, naar den aanvoerder van

de karavaan ging, en hem zeide: "Ik zal al het volk naar Siheilka

terugzenden." Dit was eene stad, zeker vier of vijf dagreizen zuidwaarts

en eenigzins achter ons. Daarop nam hij zijn boog en pijlen, steeg te

paard en reed als het ware achterwaarts, alsof hij regt naar Nortzinskoy

wilde terugkeeren; daarna nam hij eenen verren omweg en kwam zoo bij het

Tartaarsche leger, alsof hij naar hen afgezonden was, en deed hen daarop

een lang verhaal, dat het volk, hetwelk hunnen Cham-Chi-Thangu verbrand

had, met eene troep boosdoeners, gelijk hij zeide, dat wil zeggen

Christenen, naar Siheilka was gegaan; en dat zij besloten hadden, om den

afgod Schal-Isar, die aan de Tunguzen behoorde, ook te verbranden.

Daar deze knaap een volkomen Tartaar was en hunne taal volmaakt sprak,

speelde hij zijne rol zoo goed, dat zij hem in alles geloofden, en dat

zij zich zoo haastig mogelijk naar Siheilka spoedden, dat, naar het

scheen, bijkans vijf dagreizen zuidwaarts van ons lag. Binnen drie uren

waren zij allen uit ons gezigt, en nimmer hoorden wij iets meer van hen,

noch kwamen te weten, of zij naar Siheilka waren gegaan of niet. Wij

trokken thans in veiligheid naar Jarawena, waar een Russisch garnizoen

lag, en hier bleven wij vijf dagen, doordien de laatste dagreis en het

gemis der nachtrust de karavaan uiterst vermoeid had.

Van deze stad hadden wij eene akelige woestijn, die ons drieëntwintig

dagen ophield. Wij voorzagen ons hier van eenige tenten, ten einde het

des nachts gemakkelijker te hebben, en de aanvoerder voorzag hier de

karavaan van zestien wagens, om water en levensmiddelen mede te voeren;

en deze wagens strekten tot verschansing van ons kamp gedurende den

nacht, zoodat, als de Tartaren weder verschenen waren, zij ons weinig

afbreuk hadden kunnen doen, ten ware zij in overgroot getal kwamen.

Ligt zal men begrijpen, dat wij na eene zoo lange reis rust behoefden,

want in deze woestijn zagen wij huizen noch boomen, naauwelijks nu en

dan wat heesters. Wij zagen echter eene menigte sabeljagers, gelijk men

hen noemt; dat waren allen Tartaren uit Mongoolsch Tartarije, waarvan

dit land een gedeelte uitmaakt, en dikwijls tasten zij kleine karavanen

aan; maar wij zagen geene talrijke troepen van hen bijeen. Ik verlangde

eenige sabelvellen van hen te zien, maar ik kon niet met hen in gesprek

komen, want zij durfden ons zoo digt niet te naderen, en wij durfden ons

gezelschap niet verlaten, om hen te naderen. Na deze woestijn

doorgetrokken te zijn, kwamen wij in eene vrij bevolkte landstreek, dat

wil zeggen wij vonden dorpen en kasteelen, door den czaar van Rusland

gesticht, om de karavanen te beschermen en het land tegen de Tartaren te

verdedigen, die anders het reizen allergevaarlijkst zouden maken, en

zijne majesteit heeft zulke strikte bevelen gegeven omtrent het

beschermen der karavanen en kooplieden, dat, als men verneemt, dat er

zich in de landstreek Tartaren ophouden, er altijd afdeelingen van de

bezettingen afgezonden worden, om de reizigers veilig van station tot

station te geleiden. Zoo bood de gouverneur van Adinskoy, dien ik

gelegenheid had een bezoek te geven, door middel van den Schotschen

koopman, die hem kende, ons eene wacht van vijftig man aan, tot aan het

naaste station, als wij dachten, dat er gevaar was.

Reeds lang te voren had ik gedacht, dat, daar wij nu nader bij Europa

kwamen, wij het land meer bevolkt, en het volk meer beschaafd zouden

vinden; maar in beide opzigten vond ik mij bedrogen; want wij moesten

nog het land der Tunguzen doortrekken, waar wij dezelfde of nog ergere

blijken van heidendom en barbaarschheid te zien kregen, als te voren;

daar echter het land door de Russen veroverd en geheel onder hunne

heerschappij gebragt is, zijn zij niet zoo gevaarlijk; doch in

onbeschaafdheid, afgoderij en veelgodendom doen zij voor geen volk ter

wereld onder. Zij gaan allen in beestenvellen gekleed, waarvan ook hunne

huizen gebouwd zijn. Men kan geene mannen of vrouwen van elkander

onderscheiden, noch aan hun ruw gelaat, noch aan hunne kleeding, en des

winters als de grond met sneeuw bedekt is, leven zij onder den grond, in

eene soort van gewelven, die kelders of holen hebben, die in elkander

loopen.

Terwijl de Tartaren hunnen Cham-Chi-Thangu hadden voor een geheel dorp

of landschap, bezaten deze een afgod in ieder huis en in ieder hol;

bovendien vereeren zij de zon, de sterren, het water, de sneeuw, kortom,

alles wat boven hun begrip is, en zij begrijpen slechts zeer weinig,

zoodat bijkans alles, wat buitengewoon is, door hen vereerd wordt.

Maar ik zal verder geene volken of landstreken meer beschrijven, dan

voor zoover het met mijne eigene lotgevallen in verband staat. Niets

bijzonders gebeurde ons in deze geheele landstreek, die van de woestijn

af, waarvan ik het laatst sprak, naar mijne gissing ten minste

vierhonderd (Eng.) mijlen groot was, en waarbij wij eene andere groote

woestijn aantroffen, die ons twaalf dagreizen kostte, waar wij noch

huis, noch boom, noch struik zagen, maar levensmiddelen, zoowel brood

als water, moesten medevoeren. Uit deze woestijn kwamen wij, na twee

dagen reizens, te Janezay, eene Russische stad of sterkte aan de rivier

Janezay. Deze rivier, verhaalde men ons, scheidt Europa van Azië, doch

ik geloof niet, dat onze kaartenmakers dit zullen toestemmen. Zeker is

het de oostelijke grens van het oude Siberië, dat nu slechts een

wingewest van het Russische rijk is, maar zoo groot op zichzelf als

geheel Duitschland.

Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2 · 第 19 / 21 段