"Prins," zeide ik, "ik hoop dat gij ten volle overtuigd zijt, dat gij u

niet tegen eenen wenk der Voorzienigheid verzet."--"Ware het eene stem

des Hemels geweest," zeide hij, "dan zou diezelfde magt mij aangedreven

hebben het voorstel aan te nemen; maar ik acht mij ten volle overtuigd

dat het 's Hemels wil is dat ik het afwijs, en als wij scheiden zal het

mij eene streelende gedachte zijn, dat gij mij achterlaat als een braaf

man, schoon dan ook een gevangen man."

Mij schoot niets over dan hierin te berusten, en hem te verzekeren, dat

mijne eenigste bedoeling geweest was hem van dienst te zijn. Hij

omhelsde mij met vuur en verzekerde mij dat hij hiervan overtuigd was,

en altijd dit zou erkennen; en daarbij bood hij mij een fraai geschenk

van sabelvellen; inderdaad voor mij te groot om aan te nemen, van iemand

in zijne omstandigheden; en ik wilde het ontwijken, maar hij liet het

zich niet afslaan.

Den volgenden morgen zond ik mijn knecht naar hem toe, met een klein

geschenk van thee, twee stukken Chinesche lijnwaad, en vier stukjes

Japansch goud, die te zamen nog geen zes oncen wogen; hetwelk echter

niet haalde bij de waarde der sabelvellen, die ik bij mijne komst in

Engeland vernam dat omtrent twee honderd Pond St. waard waren. Hij nam

de thee en een stuk lijnwaad aan, en een van de Japansche goudstukjes,

daar een fraaije stempel opstond, hetwelk ik begreep, dat hij om de

zeldzaamheid aannam; doch meer wilde hij niet aannemen, en hij liet mij

door mijn knecht zeggen, dat hij mij gaarne wilde spreken.

Toen ik bij hem kwam zeide hij, dat ik nog wel weten zou wat er tusschen

ons voorgevallen was, en hij hoopte, dat ik daarover niet meer bij hem

aandringen zou. Maar dewijl ik hem zulk een edelmoedig aanbod gedaan

had, vroeg hij mij of ik zoo welwillend zou zijn om hetzelfde voor een

ander persoon te doen, dien hij mij noemen zou, en waarin hij zeer veel

belang stelde. Ik antwoordde, dat ik weinig lust had het voor iemand

anders dan voor hem te doen, wien ik bijzonder hoogschatte, en dien ik

gaarne had willen bevrijden. Zoo hij mij echter den persoon noemen

wilde, zou ik hem bepaald antwoorden, in de hoop dat hij, zoo mijn

antwoord hem niet beviel, mij dit niet euvel zou duiden. Hij zeide mij,

dat hij het voor zijn zoon vroeg, die, ofschoon ik hem niet gezien had,

in dezelfde omstandigheden als hij verkeerde, en ongeveer tweehonderd

(Eng.) mijlen vandaar aan de overzijde der Oby was, maar dat hij, als ik

toestemde, om hem zenden zou.

Zonder te aarzelen zeide ik hem dat ik het doen zou. Ik gaf hem echter

daarbij te kennen, dat het alleen om zijnentwil was, en dat, aangezien

ik hem niet kon overhalen, ik hem een bewijs mijner achting wilde geven

door mijn gedrag jegens zijn zoon, doch het zou vervelend zijn dit alles

hier te herhalen. Hij zond den volgenden dag om zijn zoon, en twintig

dagen later keerde deze met den bode terug, medebrengende zes of zeven

paarden met zeer kostbare pelterijen beladen, die te zamen van groote

waarde waren.

Zijne knechts bragten de paarden in de stad, maar lieten den jongen

prins op een afstand achter, tot in den nacht, toen hij heimelijk bij

ons kwam, en zijn vader hem aan mij voorstelde, en hier overlegden wij

hoe wij reizen zouden, en welken weg wij zouden kiezen.

Ik had eene groote menigte sabelvellen, zwarte vossenvellen, fijn

hermelijn en ander kostbaar bont gekocht, of liever geruild voor andere

goederen, die ik uit China medegebragt had, vooral voor de nagelen en

nootmuskaten, die ik meerendeels hier en het overschot in Archangel

verkocht, voor een veel hooger prijs dan zij te Londen hadden kunnen

gelden; en mijn compagnon, die de winst berekende, en wiens bestemming

veel meer dan de mijne het drijven van koophandel was, was magtig in

zijn schik met ons vertoeven hier, uithoofde van onzen hier gedreven

handel.

In het begin van Junij verliet ik deze afgelegene plaats; eene stad,

waarvan men, geloof ik, in de wereld weinig spreekt, en geen wonder daar

zij zoo ver buiten alle gewone handelswegen ligt. Wij waren thans tot

eene zeer kleine karavaan gesmolten, bestaande in het geheel slechts uit

tweeëndertig paarden en kameelen, die allen voor de mijnen doorgingen,

schoon er vier aan mijn nieuwen gast toebehoorden. Het was dus zeer

natuurlijk, dat ik meer knechts medenam dan vroeger; en de jonge prins

ging voor mijn opzigter of intendant door. Voor welk groot heer ik zelf

gehouden werd, weet ik niet, ook lustte het mij niet er naar te vragen.

Wij moesten hier de ergste en grootste woestijn doortrekken, die wij op

de geheele aarde aantroffen; ik noem haar de ergste, omdat de weg er op

vele plaatsen zeer gevaarlijk en ongelijk was; het best dat wij er van

konden zeggen, was, dat wij geen troepen Tartaren en roovers te duchten

hadden, omdat die nimmer, of althans hoogstzelden aan deze zijde van de

rivier Oby komen; doch wij ondervonden het anders.

De jonge prins had bij zich een trouwen Russischen knecht, of eigenlijk

een Siberiër van geboorte, die het land volkomen kende, en ons langs

zijwegen voerde, zoodat wij de voornaamste steden en dorpen aan den

grooten weg vermeden; omdat de Russische bezettingen, die daar liggen,

zeer nieuwsgierig, en gestreng in hun onderzoek van reizigers zijn, en

vooral nasporen of ook eenige ballingen op die wijze trachten te

ontkomen. Wij waren dikwijls verpligt in het open veld te liggen, en

daar onder onze tenten den nacht door te brengen, terwijl wij in de

steden aan den weg zeer goed ons gemak hadden kunnen nemen; hierdoor

liep onze geheele reisweg als het ware door eene woestijn. Den jongen

prins hinderde dit zoo, dat hij aan verscheidene steden gekomen, niet

wilde dat wij in het open veld bleven, maar zelf met zijn knecht den

nacht in de bosschen doorbragt, en ons den volgenden dag op eene

afgesprokene plaats opwachtte.

Wij hadden juist Europa betreden, na de rivier Kama overgetrokken te

zijn, die aldaar de grensscheiding tusschen Europa en Azië uitmaakt, en

de eerste stad aan de Europesche zijde heette Soloi-Kamaskoi, dat zoo

veel zeggen wil als de groote stad op den oever van de Kama; en hier

verwachtten wij eene merkbare verandering te zullen bespeuren in de

bewoners, hunne zeden, gewoonten, godsdienst en bedrijf; maar wij hadden

misgerekend. Wij hadden nog eene uitgestrekte woestijn door te trekken,

die, naar men ons verhaalde, zevenhonderd (Eng.) mijlen op sommige

plaatsen lang is, maar niet meer dan tweehonderd mijlen breed, waar wij

hem doortrokken. Tot dat wij deze achter den rug hadden, vonden wij zeer

weinig verschil tusschen dit land en Tartarijë, en het volk meest

heidenen en weinig beschaafder dan de wilden van Amerika; hunne huizen

en dorpen vol afgoden, en hunne levenswijze allerbarbaarscht, behalve in

de steden, gelijk ik zeide, en de dorpen en derzelver nabijheid, die

door Christenen van de Grieksche godsdienst bewoond worden; maar ook de

godsdienst van deze is zoo met bijgeloof doormengd, dat die op sommige

plaatsen niet van afgoderij te onderscheiden was.

In het doortrekken van deze woestijn, nadat wij alle gevaren zoo wij

meenden, reeds achter den rug hadden, dacht ik dat wij nog

uitgeplunderd en misschien vermoord zouden worden door eene troep

roovers. Ik weet nog niet uit welk land zij waren; hetzij het

zwerfbenden waren van de Ostiaken, eene soort van Tartaren, of woest

volk van de boorden van de Oby, die tot hier heen gezworven waren, dan

wel of het Siberische sabeljagers waren; maar zij waren allen te paard,

droegen boog en pijlen, en waren eerst vijfenveertig in getal; zij

kwamen tot op ongeveer twee geweerschoten afstands van ons, en zonder

ons eenige vragen te doen, reden zij om ons heen en sloegen ons zeer

ernstig gade. Eindelijk plaatsten zij zich vlak voor ons, waarop wij ons

in een gelid voor onze kameelen schaarden, daar wij nog geen zestien man

in het geheel uitmaakten, en zonden den Siberischen knecht naar hen toe

om te zien wie zij waren. Zijn meester was te meer geneigd hem te laten

gaan, daar hij zeer beducht was dat het een Siberische troep was, die

men hem achterna had gezonden. De man reed naar hen toe met eene witte

vlag en sprak hen aan; maar schoon hij verscheidene van hunne talen of

liever tongvallen gebruikte, kon hij geen woord verstaan van hetgeen zij

zeiden. Na eenige teekens die zij hem deden van niet nader te komen als

hij zijn leven lief had, en een aanbod om hem dood te schieten als hij

naderde, ten minste zoo verstond hij hunne bedoeling, kwam de man terug,

even wijs als toen hij ging; echter zeide hij dat hij hen, naar hunne

kleeding, voor Tartaren of Kalmukken, of voor eene horde Circassiërs

hield, en dat er in de groote woestijn meer van hen moesten zijn, schoon

hij nimmer gehoord had, dat er vroeger ooit eenige zoo ver noordwaarts

waren doorgedrongen.

Dit was eene slechte troost voor ons. Er viel echter niet aan te doen.

Aan de linkerzijde, op ongeveer een vierde uurs was een groepje boomen,

die digt bijeen en vlak bij den weg stonden. Ik besloot dadelijk ons

daarheen te begeven en ons, zoo goed wij konden, te verschansen; want ik

begreep dat vooreerst deze boomen ons grootendeels voor hunne pijlen

zouden beschutten, en in de tweede plaats, dat zij ons dan niet in massa

op het lijf konden vallen. Eigenlijk was het mijn oude Portugeesche

loods die het voorstelde, en die deze uitmuntende eigenschap had, dat

hij altijd in de oogenblikken van het grootste gevaar het geschiktste

was om ons te leiden en aan te moedigen. Wij trokken met den meest

mogelijken spoed daarheen en bereikten dat boschje, terwijl de Tartaren

of dieven, wat zij dan ook waren, stand hielden, en ons geen hindernis

in den weg legden. Daar gekomen, bevonden wij tot onze groote vreugd,

dat het eene vochtige, moerassige plek gronds was, met aan de eene zijde

eene groote bron, die in een klein beekje uitliep, dat een eind weegs

nader zich met een ander van gelijke grootte vereenigde, en dat

eigenlijk de oorsprong of bron van eene groote rivier was, die hooger op

de Wertska heette. Er stonden om die bron niet boven de tweehonderd

boomen, maar zij waren zeer groot en stonden digt opeen; zoodat, zoodra

wij daar waren, wij ons volkomen voor den vijand beschut zagen, ten ware

zij afstegen en ons te voet aanvielen.

Om dit echter moeijelijk te maken, kapte onze Portugees met onvermoeiden

ijver takken van de boomen, en liet die hangen en niet geheel van den

stam gescheiden, van den eenen boom naar den anderen; zoodat hij eene

onafgebroken verschansing om ons heen vormde.

Wij bleven hier eenige uren de bewegingen des vijands gadeslaan, die

echter geen lust tot eenige beweging scheen te hebben. Een paar uren

voor den avond kwamen zij echter op ons aanrukken, en schoon wij het

niet bemerkt hadden, zagen wij nu dat er zich nog eenigen bij hen

gevoegd hadden, zoodat er thans tachtig ruiters waren, waaronder echter,

naar onze meening, eenige vrouwen. Wij lieten hen tot op een half

geweerschot afstands van onze legerplaats komen, waarna wij met los

kruid op hen schoten, en hen in het Russisch toeriepen wat zij van ons

hebben wilden, en hen gelastten zich te verwijderen. Daar zij ons echter

niet verstonden, drongen zij met verdubbelde woede op ons boschje aan,

zich verbeeldende, dat wij niet zoo verschanst waren of zij zouden er

wel kunnen doorbreken. Onze oude loods was onze bevelhebber, gelijk hij

vroeger onze ingenieur geweest was, en gelastte ons niet te vuren, voor

zij op een pistoolschot afstands gekomen waren; en alsdan vooral goed op

hen te mikken. Wij zeiden, dat wij op zijn bevel zouden wachten,

waarmede hij zoo lang draalde tot sommigen nog slechts eenige schreden

van ons af waren.

Wij mikten zoo goed, of de hemel bestierde ons vuur zoo, dat wij bij de

eerste losbranding er veertien doodden, en nog verscheidenen benevens

eenige paarden kwetsten, want wij hadden allen onze geweren met ten

minste twee of drie kogels geladen.

Dit bragt hen geheel in verwarring, en zij trokken dadelijk wel honderd

roeden terug, in welken tijd wij onze geweren weder laadden, en ziende,

dat zij op dien afstand bleven, deden wij een uitval, en vermeesterden

vier of vijf paarden, wier ruiters waarschijnlijk gedood waren. Bij de

gesneuvelden komende, zagen wij duidelijk dat het Tartaren waren, schoon

wij niet wisten uit welke streek, noch hoe het kwam dat zij een zoo

buitengewoon verren togt hadden ondernomen.

Een dag daarna maakten zij eene beweging om ons op nieuw aan te vallen,

en reden ons boschje rond om te zien of zij ook ergens konden

doorbreken; maar ons steeds gereed vindende hun het hoofd te bieden,

verlieten zij ons weder, en wij besloten dien nacht niet van de plaats

te gaan.

Wij sliepen weinig, gelijk men wel denken kan, maar bragten het

meerendeel van den nacht door met ons leger te versterken, en de

toegangen te verschansen, en eene scherpe wacht te houden, in

afwachting, dat het zou beginnen te dagen. Toen de dag doorkwam bragt

hij ons eene onaangename ontdekking; want de vijand, dien wij gehoopt

hadden dat door de geledene ontvangst afgeschrikt zou zijn geworden, was

thans tot op zijn minst driehonderd aangegroeid, en had elf of twaalf

hutten of tenten opgeslagen, alsof hij besloten had ons te belegeren.

Zij hadden hun kamp opgeslagen op eene opene vlakte, ongeveer drie

kwartieruurs van ons verwijderd.

Deze ontdekking was eene onaangename verrassing voor ons; en hier moet

ik bekennen, achtte ik mij verloren en al wat ik had. Het verlies mijner

goederen ging mij zoo veel niet aan het hart (schoon zij van veel waarde

waren), als wel de gedachte van in de handen van zulke barbaren te

moeten vallen, op het laatst van mijne reis, na het doorstaan van zoo

vele gevaren en moeijelijkheden, en als het ware in het gezigt van de

haven, waar wij veiligheid en behoud verwachtten. Mijn compagnon was

woedend; hij zeide, dat het verlies zijner goederen hem in den grond zou

boren, en dat hij liever wilde sterven dan tot den bedelstaf geraken, en

hij wilde vechten tot den laatsten droppel bloed.

De jonge prins, een man zoo dapper als iemand, stemde ook voor het

gevecht, en mijn oude loods was van meening, dat wij in onze stelling

hen allen konden weerstaan. Wij bragten zoo den dag door in

beraadslagingen wat wij doen wilden, doch tegen den avond bespeurden wij

dat het getal onzer vijanden nog vermeerderd was. Misschien hadden zij

in verschillende afdeelingen rond gezworven om buit op te sporen, en

hadden de eerste verspieders uitgezonden om hen te hulp te roepen, en

met den buit bekend te maken. Wij wisten niet of niet hun getal den

volgenden morgen nog meer aangegroeid zou zijn, en dus vroeg ik aan de

lieden, die wij van Tobolsk hadden medegenomen, of er geene andere,

geene zijwegen waren, waardoor wij misschien een of ander dorp of stad

konden bereiken, of wel het einde der woestijn.

De Siberische knecht van den jongen prins zeide ons, dat als wij hen

wilden uit den weg gaan en niet bevechten, hij zich sterk maakte ons in

den nacht op een weg te brengen, die noordwaarts liep, naar de rivier

Petras, waardoor hij zich verzekerd hield, dat wij den aftogt zouden

kunnen blazen, zonder dat de Tartaren wisten waar wij zouden gebleven

zijn, maar hij zeide, dat zijn heer hem gezegd had niet te willen

vlugten, maar liever te vechten. Ik zeide, dat hij zijn heer niet goed

begrepen had, dat deze te verstandig was om gaarne te vechten zonder

eenig doel; dat zijn heer reeds blijken genoeg had gegeven, dat hij

onversaagd was, maar dat zijn heer zelf wel wist, dat zeventien of

achttien man niet tegen vijfhonderd konden vechten, ten ware eene

onvermijdelijke noodzakelijkheid hen er toe dwong, en dat als hij het

mogelijk achtte in den nacht te ontkomen, wij dit volstrekt moesten

beproeven. Hij antwoordde, dat als zijn heer hem dit gebood, hij zijn

leven te pand zette dat hij het doen zou. Wij haalden weldra zijn heer

over, doch in het geheim, om hem dit bevel te geven, en maakten ons

dadelijk gereed om het uit te voeren.

In de eerste plaats legden wij, zoodra het duister werd, een vuur aan in

onze legerplaats, en maakten het zoo, dat het den geheelen nacht zou

kunnen doorbranden, opdat de Tartaren mogten begrijpen dat wij er nog

waren; maar zoodra het duister werd, dat wil zeggen, zoodra wij de

sterren konden zien (want eer wilde onze gids niet op weg gaan) volgden

wij onzen nieuwen geleider, daar wij de paarden en kameelen reeds

vooraf beladen hadden. Ik zag weldra, dat hij zijn weg naar de poolster

rigtte, daar het land een groot eind geheel effen was.

Na twee uren zeer snel voortgetrokken te zijn, begon het nog lichter te

worden; want ofschoon de nacht reeds helder was geweest, kwam nu de maan

op, zoodat het eigenlijk lichter was dan wij verlangden; doch den

volgenden morgen te zes ure hadden wij bijkans veertig (Eng.) mijlen

afgelegd; waarmede wij onze paarden dan ook schier dood gereden hadden.

Hier vonden wij een Russisch dorp, Kirmazinskoi genaamd, waar wij rust

hielden en dien dag niets van de Kalmuksche Tartaren vernamen. Twee uren

voor den avond trokken wij weder op weg en reisden tot den volgenden

morgen te acht ure, schoon niet zoo haastig als vroeger; en tegen zeven

ure trokken wij een riviertje over, genaamd Kirtza, en kwamen aan eene

goede, groote en zeer bevolkte stad, door Russen bewoond, genaamd

Ozomoys. Hier hoorden wij, dat er in de woestijn verscheidene troepen of

horden Kalmukken rondzwierven, maar dat wij thans buiten alle gevaar

voor hen waren, hetgeen, gelijk men denken kan, zeer naar ons genoegen

was. Hier waren wij verpligt andere paarden aan te schaffen, en daar wij

rust hoog noodig hadden, bleven wij hier vijf dagen; en mijn compagnon

en ik besloten den eerlijken Siberiër, die ons hierheen geleid had, de

waarde van tien pistolen te geven voor zijn geleide.

Binnen vijf dagen kwamen wij te Venessima aan de rivier Witzogda, die in

de Dwina uitloopt, en dus gelukkig nabij het einde van onze reis te

land, daar die rivier tot Archangel bevaarbaar is. Vandaar kwamen wij

den derden nabij de Lawrenskoi, waar deze rivieren zich vereenigen, en

namen daar twee vrachtscheepjes en eene bark voor ons aan. Wij gingen

den zevenden scheep en kwamen behouden te Archangel den achttienden, na

een jaar, vijf maanden en drie dagen op reis te zijn geweest, daaronder

begrepen ons verblijf van acht maanden te Tobolsk.

Wij waren verpligt hier zes weken op de aankomst van schepen te

wachten, en zouden nog langer hebben moeten wachten, zoo niet een

Hamburger eene maand vroeger dan eenig Engelsen schip binnengekomen was;

na overwogen te hebben, dat Hamburg misschien eene even goede markt voor

onze goederen als Londen zou opleveren, bevrachtten wij alleen hem, en

na onze goederen aan boord gebragt te hebben, was het zeer natuurlijk,

dat ik er mijn opzigter liet blijven om er het oog op te houden.

Hierdoor had de jonge prins eene voldoende gelegenheid om zich verborgen

te houden, terwijl hij zoo lang wij hier bleven niet aan wal kwam, daar

hij vreesde in de stad gezien te worden door eenige kooplieden van

Moscou, die hem zeker herkend zoude hebben.

Wij zeilden van Archangel den 2den Augustus, en liepen zonder eenig

merkwaardig wedervaren den 13den September de Elbe op. Hier vonden mijn

compagnon zoo wel als ik, eene zeer goede gelegenheid om onze goederen

te verkoopen, zoowel die uit China als de pelterijen van Siberië, en na

het bedrag van den verkoop gedeeld te hebben, beliep mijn aandeel

drieduizend vierhonderd vijfenzeventig pond Sterling, zeventien

schellingen, niettegenstaande de vele verliezen die wij geleden, en

onkosten die wij hadden gemaakt. Ik moet echter aanmerken, dat hieronder

begrepen was de waarde van ongeveer zeshonderd Pond St. aan diamanten,

die ik te Bengalen gekocht had.

Hier nam de jonge prins afscheid van ons, en ging de Elbe op, om zich

naar het hof van Weenen te begeven, waar hij besloot bescherming te

zoeken, en vanwaar hij briefwisseling kon houden met de vrienden zijns

vaders, die nog leefden. Hij scheidde niet van mij, zonder herhaalde

betuigingen van zijne dankbaarheid voor de hem bewezen dienst, en voor

de genegenheid, die ik zijn vader toedroeg.

Ten besluite. Nadat ik bijkans vier maanden in Hamburg vertoefd had,

reisde ik vandaar te land naar den Haag, en stak vervolgens met de

pakketboot over naar Engeland, en kwam te Londen den 10 Januarij 1705,

na tien jaren en negen maanden van Engeland afwezig te zijn geweest.

En hier heb ik besloten mij niet meer af te slooven; maar mij voor te

bereiden voor een langduriger reize dan deze allen; daar ik thans

tweeënzeventig jaren oud ben geworden, in een leven vol eindelooze

afwisseling, en thans voldoende de waarde van rust heb leeren waarderen,

en den zegen van zijne dagen in vrede te besluiten.

Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2 · 第 21 / 21 段