ondervonden wij den eersten dag, dat wij hen zagen, hetwelk was, nadat
wij in het woestere deel des lands waren gekomen. Onze aanvoerder van
dien dag gaf zestien onzer verlof op de jagt te gaan, gelijk zij het
noemden, namelijk op de schapenjagt! Het mogt echter wel zoo heeten,
want het waren de wildste en vlugste schapen, die ik ooit zag, doch zij
loopen niet lang, en gij zijt zeker van hen, als gij de jagt begint,
want zij zwerven bij kudden van dertig of veertig stuks, en blijven
altijd bijeen als zij vlugten.
Terwijl wij op dit wild joegen, ontmoetten wij een troep van ongeveer
veertig Tartaren, die ook op schapen of eene andere prooi uitgingen, dit
weet ik niet. Zoodra zij ons zagen, blies een hunner op eene soort van
hoorn, en bragt een zeer wanluidend geluid voort, als ik nimmer hoorde,
en ook nimmer verlang weder te hooren. Wij begrepen, dat dit was, om
hunne makkers bijeen te roepen, en zoo was het ook, want binnen een half
kwartieruurs zagen wij nog een veertig- of vijftigtal op een kwartieruur
afstands opdagen, doch voor dien tijd was de zaak reeds tusschen ons
afgedaan.
Een van de Schotsche kooplieden uit Moscou was bij ons, en zoodra wij
den hoorn hoorden, zeide hij, dat wij niets beter konden doen, dan hen
dadelijk zonder eenig dralen aan te vallen, en ons in gelid plaatsende,
vroeg hij of wij gereed waren. Wij antwoordden ja, en reden daarop op
hen aan. Zij stonden in eenen verwarden hoop ons aan te gapen, zonder
eenigen schijn van orde, maar zoodra zij ons zagen naderen, schoten zij
hunne pijlen op ons af, waarvan geen ons echter trof. Het scheen, dat
zij wel goed gemikt hadden, maar dat de afstand te ver was, want hunne
pijlen vielen zoo digt voor ons neder, dat zoo wij tien roeden verder
geweest waren, zeker verscheidene onzer gedood of gewond zouden zijn
geweest.
Wij hielden dadelijk stil, en schoon de afstand nog groot was, gaven wij
vuur en zonden hun voor hunne houten pijlen looden kogels toe, waarna
wij in vollen galop op hen toe reden, om hen met de sabel in de vuist
aan te tasten, gelijk onze moedige Schot ons gelast had. Hij was een
koopman, maar hij gedroeg zich bij deze gelegenheid zoo dapper en tevens
met zulk eenen bedaarden moed, dat ik nimmer iemand zag, die beter
geschikt was, om een gevecht te besturen. Zoodra wij vlak bij hen waren,
vuurden wij onze pistolen af, en trokken toen de sabel, maar zij sloegen
in de grootste wanorde op de vlugt. Slechts drie hunner hielden aan onze
regterzijde een oogenblik stand, en deden de anderen teekens dat zij
zouden terugkeeren. Onze dappere aanvoerder galoppeerde naar hen toe,
zonder iemand te gelasten hem te volgen, en sloeg met zijn geweer een
hunner van het paard af en doodde den tweede met een pistoolschot, de
derde nam de vlugt, en hiermede eindigde ons gevecht. Wij hadden er
echter dit ongeval bij, dat daardoor onze jagt op niets uitliep. Niemand
onzer was gedood of gewond, maar van de Tartaren waren er vier of vijf
gesneuveld, en ik weet niet hoeveel gewond. De andere troep was zoo
verschrikt, van ons vuur, dat zij de vlugt koos en ons ongemoeid liet.
Wij waren thans nog op Chineesch grondgebied; en derhalve waren de
Tartaren niet zoo vermetel als naderhand, maar vijf dagen later
bereikten wij eene groote woestijn, welker doortrekking ons drie
nachten en drie dagen bezig hield, en wij waren verpligt het drinkwater
in groote lederen zakken mede te nemen en den nacht in het open veld
door te brengen, even als ik van de woestijn van Arabië gehoord heb. Ik
vroeg mijne gidsen, wien dit land behoorde. Zij antwoordden, dat dit
eene soort van grensscheiding was, die men wel Niemandsland mogt noemen;
dat het een deel was van Groot-Tartarije, maar echter tot China gerekend
werd, waar men echter niet zorgde, om het voor invallen van roovers te
beschermen, en het derhalve de gevaarlijkste weg van den geheelen togt
was, schoon wij nog grootere woestijnen moesten doortrekken.
Bij het doortrekken dezer woestijn, die mij zeer akelig toescheen, zagen
wij twee of driemalen kleine troepen Tartaren, maar zij schenen niets
kwaads tegen ons in den zin te hebben, en daar zij ons niets te zeggen
schenen te hebben, zoo hadden wij evenmin er lust toe, en lieten hen
stil gaan. Eens echter kwam eene troep ons zoo nabij, dat zij stand
hielden, en ons aanstaarden; of het was om te beraadslagen of zij ons al
of niet wilden aanvallen weet ik niet; maar toen wij hen voorbij waren,
vormden wij eene achterhoede van veertig man, die staan bleef en de
karavaan een half uur vooruit liet trekken. Na eene poos trokken zij af,
maar zonden ons tot afscheid vijf pijlen toe, waarvan een een paard
zoodanig kwetste, dat wij het den volgenden dag op weg moesten
achterlaten; dien dag zagen wij niets meer van hen.
Wij hadden bijkans eene maand gereisd, terwijl de wegen, die zoo goed
niet meer waren als vroeger, schoon nog op het gebied van den Chineschen
keizer, meerendeels door dorpen liepen, die versterkt waren, uithoofde
van de invallen der Tartaren. Toen wij aan een dezer dorpen kwamen
(ongeveer twee en een halve dagreis van de stad Naum) verlangde ik een
kameel te koopen, die men op den weg overal vindt, en paarden ook, zoo
als zij dan zijn, omdat daaraan dikwijls behoefte is, dewijl zoovele
karavanen hier langs komen. De persoon, dien ik over het koopen van een
kameel sprak, wilde er een voor mij gaan halen, maar ik had de dwaze
dienstvaardigheid van mede te gaan. De plaats waar zij waren, was
ongeveer een half uur buiten het dorp, waar zij, naar het scheen, de
kameelen en paarden onder eene wacht lieten weiden.
Ik ging te voet mede met mijnen ouden loods en een Chinees, daar ik zeer
naar eenige verscheidenheid verlangde. Aan de plaats komende, zagen wij,
dat dit eene lage, moerassige plek was, door eenen muur van los
opgestapelde steenen omringd, met eene kleine wacht van Chinesche
soldaten aan den ingang. Na een kameel uitgezocht en den koop gesloten
te hebben, ging ik heen, en de Chinees, die bij mij was, leidde de
kameel, toen plotseling vijf Tartaren kwamen aanrijden; twee hunner
grepen den man en ontrukten hem den kameel, terwijl de drie anderen naar
mij en mijnen ouden loods toetraden, ziende dat wij genoegzaam
ongewapend waren, want ik had niets bij mij dan mijne sabel, waarmede ik
mij kwalijk tegen drie ruiters verdedigen kon. De eerste bleef staan,
toen hij mij mijne sabel zag trekken (want het zijn groote lafaards),
maar een tweede kwam mij op zijde en gaf mij eenen slag op het hoofd,
dien ik eerst naderhand voelde, want toen ik weder bijkwam, wist ik niet
hoe ik het had noch waar ik was, want ik was op den grond gevallen, maar
mijn brave oude loods had door eene bestiering der Voorzienigheid eene
pistool in zijnen zak, waarvan ik noch de Tartaren iets wisten, anders
zouden zij ons zeker niet aangevallen hebben. Maar lafaards zijn altijd
het moedigst als er geen gevaar is.
Toen de oude man mij zag nedervallen, stapte hij moedig op den man aan,
die mij nedergeveld had, en hem met de eene hand bij den arm grijpende
en een weinig naar zich toehalende, schoot hij hem door het hoofd, dat
hij dood nederviel, daarop stapte hij naar den eersten toe, die ons
staande gehouden had, en voor deze hem naderen kon (want het geschiedde
alles in een oogenblik) deed hij eene houw naar hem met de sabel, die
hij altijd droeg. Hij miste hem echter, maar trof zijn paard aan het
hoofd, sloeg het een oor af en eene groote lap vel van den kop. Het arme
dier, dol van pijn, werd onhandelbaar, schoon de ruiter vast genoeg in
den zadel zat, ging het met hem door, en voerde hem buiten bereik van
den loods, en toen het een eind ver was, steigerde het, wierp zijn
berijder af en viel op hem.
Middelerwijl kwam de arme Chinees aan, die zijn kameel verloren had,
doch hij was ongewapend. Toen hij den Tartaar zag vallen en zijn paard
op hem, liep hij naar dezen toe en ontnam hem een lomp wapen, hetwelk
wel naar eene bijl geleek, dat deze op zijde had, en sloeg er hem de
hersenen mede in. De oude loods had echter nog met den derden Tartaar te
doen, en ziende dat deze niet, gelijk hij gehoopt had, de vlugt koos,
noch gelijk hij vreesde op hem afkwam, maar stil bleef staan, bleef de
oude man ook staan en begon zijne pistool weder te laden. Zoodra de
Tartaar echter de pistool zag, koos hij het hazenpad en liet den loods
meester van het slagveld.
Thans begon ik een weinig bij te komen, maar eerst dacht ik, dat ik uit
eenen gerusten slaap ontwaakt was, en wist niet waar ik was, noch hoe ik
op den grond kwam; eenige oogenblikken daarna, weder tot bewustheid
gekomen, gevoelde ik pijn, schoon ik niet wist waar, ik bragt mijne hand
aan mijn hoofd, en haalde die bebloed terug, toen gevoelde ik pijn aan
mijn hoofd en weldra keerde ook de herinnering terug van hetgeen er
gebeurd was. Ik sprong dadelijk op de been en greep naar mijne sabel,
maar er was geen vijand meer te zien. Ik zag een Tartaar dood op den
grond liggen, en zijn paard bedaard naast hem staan, en wat verderop zag
ik mijn bondgenoot en redder, die gaan zien was wat de Chinees deed, met
zijne sabel in de hand terugkeeren. Toen de oude man mij op de been zag,
kwam hij naar mij toeloopen, en omhelsde mij met groote vreugde, daar
hij eerst gevreesd had, dat ik dood was. Mij bebloed ziende, wilde hij
naar mijne wond zien, maar deze beteekende niet veel, en bestond slechts
uit een gat in den kop, gelijk men zegt. Ook had ik naderhand geen
ongemak van den slag, dan de wond, en die was binnen twee of drie dagen
bijkans genezen.
Deze overwinning bragt ons echter weinig voordeel aan; wij verloren een
kameel en wij wonnen een paard, doch het verdient opmerking, dat toen
wij in het dorp terugkwamen, de man voor den kameel wilde betaald
worden. Ik weigerde dit, en de zaak werd voor den Chineschen regter van
die plaats gebragt, of gelijk wij zouden zeggen voor den vrederegter. Om
hem regt te doen, hij handelde zeer voorzigtig en onpartijdig, en na
beide partijen gehoord te hebben, vroeg hij ernstig aan den Chinees, die
met mij medegegaan was, om den kameel te koopen, wiens knecht hij was.
"Ik ben geen knecht," zeide deze, "maar ik ging met den vreemdeling
mede."--"Op wiens verzoek!" vraagde de regter.--"Op des vreemdelings
verzoek," was het antwoord.--"Welnu," zeide de regter, "dan waart gij in
dienst van den vreemdeling te dier tijd, en daar de kameel aan iemand in
zijne dienst is ter hand gesteld, is zij aan hem ter hand gesteld, en
hij moet hem betalen."
Ik beken, dat dit zoo duidelijk was, dat ik er niets tegen kon
inbrengen; maar bewonderde de juistheid zijner gevolgtrekking en zijne
juiste uiteenzetting der zaak, en betaalde dus gewillig den kameel en
zond om eenen anderen, maar gij kunt er op aan, dat ik dien niet zelf
ging halen. Ik had daarvan mijn bekomst.
De stad Naum is eene grensplaats van het Chinesche rijk, zij noemen het
eene vesting, en het is er ook eene voor hun doen, want dat durf ik
verzekeren, dat al de Tartaren van Groot-Tartarije, die geloof ik eenige
millioenen bedragen, de muren met hunne bogen en pijlen niet plat kunnen
schieten, maar om het sterk te noemen, als het met geschut aangevallen
werd, daar zou iedereen om lagchen, die er verstand van had. Wij waren
nog twee dagreizen van deze stad, toen wij boden ontmoetten, die van
alle kanten uitgezonden waren, om alle reizigers en karavanen te
verwittigen, dat zij halt moesten houden tot hun eene wacht was
toegezonden, want dat een bijzonder groote troep Tartaren, wel
tienduizend, in de omstreek gezien was, ongeveer dertig (Eng.) mijlen
van de stad.
Dat was kwaad nieuws voor reizigers; echter was het van den gouverneur
zeer zorgvuldig gehandeld, en wij vernamen met blijdschap, dat wij een
escorte zouden erlangen. Twee dagen later werden ons ook tweehonderd
soldaten, uit een Chineesch garnizoen, links van ons, en nog driehonderd
uit de stad Naum toegezonden, en met deze trokken wij moedig voort. De
driehonderd soldaten van Naum trokken vooruit, de tweehonderd achteraan,
en ons volk aan weerszijden van de kameelen, met onze bagaadje en de
geheele karavaan in het midden. Op deze wijze en goed ten strijde
toegerust, dachten wij het wel met tienduizend Mongoolsche Tartaren te
kunnen opnemen, als zij verschenen waren, maar toen zij den volgenden
dag kwamen opdagen, zag het er geheel anders uit.
Vroeg in den morgen, toen wij Van een klein, welgelegen dorp, Changu
geheeten, opbraken, moesten wij eene rivier overtrekken, waar wij
moesten overvaren, en zoo de Tartaren op kondschap uitgegaan waren,
hadden zij ons hier moeten overvallen, toen de karavaan overgetrokken en
de achterhoede nog aan de andere zijde was, maar zij lieten zich daar
niet zien. Eerst drie uren later, toen wij op eene woeste vlakte van
ongeveer vijftien of zestien mijlen gekomen waren, zagen wij aan eene
opstijgende stofwolk, dat de vijand nabij was, en dit was ook zoo, want
zij kwamen naar ons toerijden.
De Chinezen, onze voorhoede, die den vorigen dag zoo gesnoefd hadden,
begonnen te deinzen, en de soldaten zagen dikwijls om, hetgeen bij een
soldaat een zeker teeken is, dat hij op het punt staat van te vlugten.
Mijn oude loods dacht er ook zoo over, want bij mij komende zeide hij:
"Senhor Inglese! deze lieden moeten aangemoedigd worden of het is met
ons gedaan, want als de Tartaren nader komen, zullen zij geen stand
houden."--"Ik geloof het ook," zeide ik, "maar wat zullen wij
doen?"--"Wel," zeide hij, "laat vijftig man van ons volk vooruittrekken,
en hen de beide vleugels dekken en aanmoedigen, en dan zullen zij als
dappere kerels met dappere bondgenooten strijden, maar zonder dit zal
iedereen het hazenpad kiezen." Ik reed dadelijk naar onzen aanvoerder,
wien ik dit mededeelde. Hij gaf mij volkomen gelijk en dus dekten
vijftig onzer hunne vleugels en de overigen maakten eene reserve uit;
zoo trokken wij voort en lieten de laatste tweehonderd man als eene
afzonderlijke afdeeling, om de kameelen te bewaken, met afspraak, dat
zij, als het noodig ware, ons honderd man tot versterking zouden zenden.
In een woord, de Tartaren kwamen in ontelbare menigte, hoe veel konden
wij niet zeggen, maar wij geloofden op zijn minst tienduizend. Eerst
kwam eene troep van hen ons verkennen, die dwars voorbij onze linie
reed, en daar zij binnen het bereik van onze geweren kwamen, liet onze
aanvoerder de twee vleugels vooruitrukken, en hen met kogels van beide
vleugels begroeten. Zij trokken af en gingen denkelijk verhalen, welke
ontvangst hen hier bereid werd. Dit scheen de anderen weinig te smaken,
want zij hielden stil, stonden zich eene poos te bedenken, en linksaf
zwenkende verlieten zij ons, hetgeen ons niet onaangenaam was, daar wij
niet zeer verlangden naar een gevecht met zulk eene overmagt.
Twee dagen daarna kwamen wij in de stad Naum. Wij bedankten den
gouverneur voor zijne zorgen jegens ons, en bragten ongeveer een honderd
kroonen bijeen, die wij aan de soldaten gaven, die ons begeleid hadden,
en wij hielden hier een dag rust. Dit is eene vesting, waarin
negenhonderd soldaten lagen, maar de reden hiervan is, dat vroeger de
Russische grenzen hier digterbij waren dan thans, daar de Russen het
deel des lands, dat zich ongeveer 200 (Eng.) mijlen westwaarts van deze
stad uitstrekt, hebben verlaten, als woest en nergens toe geschikt, en
vooral omdat het zoo ver af was en moeijelijk er troepen heen te zenden,
want wij moesten nog tweeduizend mijlen afleggen, eer wij aan het
eigenlijke Rusland kwamen.
Hierna trokken wij over verscheidene groote rivieren en door
verscheidene woestijnen, waarmede wij zestien dagen bezig waren, en die
onder geen bepaald gebied behoorden. Den 12 April kwamen wij aan de
grenzen van het Russische gebied. Ik meen, dat de eerste stad aldaar
Arguna heette, aan de westzijde van de rivier Argun.
Met groote vreugde zag ik mij thans in een Christelijk land, althans in
een land, dat door Christenen geregeerd wordt. Ieder die zooveel door de
wereld gereisd had als ik, en eenige nagedachten had, zou gewis
bedenken, welk een zegen het is in een land te komen, waar de naam van
God en den Verlosser bekend is en vereerd wordt; en waar niet het volk
den duivel aanbidt, of zich voor houten of steenen monsters nederbuigt.
Nog geene stad of dorp waren wij tot hiertoe doorgetrokken, waar het
volk niet zijne afgoden en tempels had, en het werk zijner eigene handen
vereerde en aanbad. Nu echter kwamen wij op plaatsen, waar de knieën
voor onzen Heer gebogen werden en de naam van den eenigen waren God
aangeroepen werd, en dit denkbeeld verheugde mij tot in het binnenste
der ziel. Ik deelde den Schotschen koopman mijne gewaarwordingen mede en
hem bij de hand nemende, zeide ik: "God dank, dat wij thans weder onder
Christenen zijn." Hij glimlachte en zeide: "Verheug u niet te vroeg,
landsman! de lieden hier zijn een vreemd slag van Christenen, en gij
zult in de eerste maanden van onze reis daar niet veel anders dan den
naam van zien."--"Dat is toch altijd beter dan het heidendom en
duivelaanbidding," zeide ik.--"Ja," zeide hij, "maar behalve de hier in
garnizoen liggende Russische soldaten en eenige bewoners der steden,
wordt het land nog duizend (Eng.) mijlen verder door de onwetendste
heidenen bewoond." En de waarheid van het gezegde bleek ons later.
Wij bevonden ons thans, naar ik geloof, op het grootste gedeelte
vastland, dat er, naar ik meen, op den ganschen aardbol te vinden is.
Wij waren oostwaarts ten minste twaalfhonderd (Eng.) mijlen van de zee,
westwaarts ten minste tweeduizend van de Oostzee, en bijkans drieduizend
van het Engelsch kanaal verwijderd; zuidwaarts vijfduizend mijlen van de
Indische of Perzische zee, en ongeveer achthonderd mijlen noordwaarts
van de Poolzee. Zelfs als men sommigen gelooven wilde, zou er
noordoostwaarts in het geheel geene zee zijn, voor men om de pool
noordwestelijk was; en dus een vastland tot in Amerika hebben, niemand
weet waar, schoon ik wel eenige reden voor het tegendeel zou kunnen
aanvoeren.
Toen wij op het Russische gebied kwamen, lang voordat wij eene stad van
eenig belang bereikten, vonden wij niets opmerkelijks, dan alleen dat
alle rivieren oostelijk liepen. Naar de kaarten te zien, die sommigen
onzer bij zich hadden, was het duidelijk, dat al deze stroomen in de
groote rivier Jamoer of Gamoer uitliepen. Door zijnen natuurlijken loop
moet deze rivier in de Chinesche zee vloeijen. Het verhaal dat men doet,
dat de mond van deze rivier opgestopt is met biezen van ontzettende
grootte, namelijk van drie voet dik en twintig tot dertig voet hoog,
geloof ik, dat onwaar is. Maar daar derzelver bevaarbaarheid van geen
nut is, dewijl er dien kant uit geen handel is, en de Tartaren, aan wie
dezelve behoort, alleen in vee handelen, zoo is niemand ooit, voor
zoover ik gehoord heb, zoo nieuwsgierig geweest, van naar den mond in
booten op te varen, of die in schepen af te varen, maar dit is zeker,
dat deze rivier op 60° breedte vlak oost loopt, en eene menigte rivieren
in zich opneemt, en zich op die breedte in eene zee ontlast, die daar
zeker aan te treffen is.
Eenige mijlen noordwaarts van die rivier zijn verscheidene groote
stroomen, die even vlak noordelijk loopen, als de Jamoer oost, en al
deze ontlasten zich in de groote rivier Tartarus, zoo genoemd naar de
noordelijkste stammen der Mongoolsche Tartaren, die, naar de Chinezen
zeggen, de oudste Tartaren der wereld zijn, en welke sommige zeggen, dat
de Gog en Magog der Heilige Schrift zijn.
Wij trokken thans met kleine dagreizen van de rivier Arguna, en waren
den Czaar van Rusland zeer verpligt voor zijne moeite, dat hij op
zoovele plaatsen als mogelijk dorpen en steden had aangelegd, niet
ongelijk aan de vestigingen, die de Romeinen in de afgelegenste streken
van hun gebied aanlegden, ter beveiliging van den handel en opname van
reizigers. Dit was ook hier het geval, want waar wij kwamen, waren wel
de gouverneur en de bezetting Russen en Chinezen, maar de bewoners van
het land waren heidenen, die afgoden dienden, en de zon, de maan en
sterren aanbaden, en dat niet alleen, maar van al de heidenen, die ik
ooit aantrof, waren dit de onbeschaafdste, behalve dat zij niet, gelijk
de wilden van Amerika deden, menschenvleesch aten.
Eenige blijken hiervan vonden wij in het land tusschen Angura, waar wij
het Russische gebied betraden, en eene door de Russen en Tartaren
bezeten wordende stad, Nortzinskoi genaamd, welke tusschenruimte uit
eene aanhoudende woestijn bestond, die ons twintig dagen kostte, om door
te trekken. In een dorp nabij de laatste plaats, dreef de
nieuwsgierigheid mij, om hunne leefwijze te bezien, die
alleronbeschaafdst is. Zij hadden dien dag eene groote offerande, denk
ik, want op een ouden boomstronk stond een houten afgod, zoo leelijk als
de duivel, althans zoo leelijk als iets wat den duivel voorstellen moet,
wezen kan; zijn hoofd geleek naar niets wat ooit iemand zag, zijne ooren
waren zoo groot en dik, als bokkenhorens, zijne oogen zoo groot als een
driegulden, een neus als een gekromde ramshoorn, en een muil met vier
hoeken als die van eenen leeuw, met leelijke tanden, zoo hoekig als de
sneb van een papegaai. Hij was zoo leelijk gekleed als men denken kan,
zijn bovenkleed was van schapenhuiden met de wol buitenwaarts, en hij
had eene groote Tartaarsche muts op het hoofd met twee hoorns er
doorkomende. Het was ongeveer acht voet hoog, maar had geene beenen,
noch eenige andere ligchaamsdeelen.
Deze moolik stond aan de buitenzijde van het dorp, en er bijkomende zag
ik zestien of zeventien personen, mannen of vrouwen, dit kon ik niet
zien, want zij zijn allen volkomen eveneens gekleed, rondom dit
wanschapen beeld uitgestrekt op den grond liggen. Zij waren even
bewegingloos, als hun houten afgod. Eerst dacht ik, dat zij ook van hout
waren, maar toen ik naderbijkwam, sprongen zij op de been, met een
krijschend gehuil, als zoovele huilende honden, en trokken terug, alsof
zij misnoegd waren, dat zij gestoord waren. Een eind weegs van dit
monster, aan de deur van een van gedroogde koeijen- en schapenhuiden
gemaakte tent, stonden drie slagers, alshans daarvoor hield ik hen, want
zij hadden lange messen in de hand, en in het midden van de tent stonden
drie schapen en een jonge stier. Het waren, naar het schijnt, offers
voor dat gedrochtelijk stuk hout, en deze drie mannen priesters van
hetzelve, en de zeventien op den grond liggende wezens waren lieden, die
de offers aanbragten, en daarbij hunne gebeden deden.
Ik beken, dat hunne domheid in deze vereering van den moolik mij meer
ergerde, dan iets wat ik ooit aanschouwd had; om Gods edelste schepsel,
aan wien bij de schepping zoo vele voorregten boven al het geschapene
zijn toegestaan, dat begaafd is met eene redelijke ziel, en met
eigenschappen om zijnen Schepper te eeren; hem zoo diep gezonken te
zien, dat hij zich voor een leelijk schrikbeeld, een ingebeeld iets,
nederwerpt, dat hij zelf gevormd en schrikinboezemend gemaakt en met
vuile lappen bekleed had, dit achtte ik een gewrocht des duivels, die
den Schepper de aanbidding zijner schepselen benijdde, en hen verleid
had tot zulke walgelijke en verderfelijke dingen, als men tegen de
natuur zou denken te strijden.
Maar wat baatten alle deze overwegingen? Ik zag het daar voor mijne
oogen en kon dus niet denken, dat het onmogelijk was. Ik werd woedend en
reed naar het beeld of monster, hoe men het noemen wil, en deed met
mijne sabel een houw op de muts, die het droeg, zoodat die aan zijne
horens bleef hangen, en een van mijne geleiders trok de schapenhuid er
af, die het bekleedde, toen er eensklaps, onder een geweldig geschreeuw,
wel twee of driehonderd man kwamen aanloopen, zoodat ik blijde was de
vlugt te kunnen kiezen, want wij zagen eenige bogen en pijlen; maar ik
besloot toch, het beeld nog een bezoek te geven.