Wij waren thans in China aan wal. Zoo ik in Bengalen mij ver van mijn

vaderland had geacht, waar ik op verschillende wijzen voor mijn geld

naar huis kon keeren, wat moest ik dan nu denken, nu ik er ongeveer

duizend mijlen verder af was, en zonder eenig vooruitzigt om derwaarts

te kunnen gaan. Het eenigste was dat er op de plaats waar wij waren,

over vier maanden weder eene markt zou gehouden worden, waarop wij

allerlei goederen konden inslaan, en welligt een of andere Chinesche

jonk koopen, om ons te brengen waar wij wilden. Ik besloot dus hierop te

wachten, en misschien, daar wij voor onze personen niets te vreezen

hadden, konden wij, als een Hollandsen of Engelsen schip hier kwam, onze

goederen daarin laden en er mede hier of daar in Indië komen, waar wij

altijd digter bij huis waren. In afwachting daarvan deden wij tot ons

vermaak twee of drie reizen landwaarts in. Eerstelijk deden wij een reis

van tien dagen naar Nanking om dat te zien, eene stad die het wel

verdient. Men Zegt, dat het een millioen bewoners heeft, wat ik echter

niet geloof; de stad is regelmatig gebouwd, met regte straten, die

elkander regthoekig doorsnijden, hetgeen zeer goed staat.

Toen ik echter de jammerlijke bewoners met onze landgenooten vergeleek,

hunne fabrieken, hunne levenswijs, hunne regering, hunne godsdienst, hun

rijkdom en pracht (gelijk men die somtijds noemt), dan moet ik bekennen,

dat die geene melding verdient, en evenmin waardig is beschreven als

gelezen te worden. Het is opmerkelijk, dat wij ons altijd zoo verwonderd

hebben over de grootheid, rijkdom, luister, ceremoniën, regering,

manufacturen, handel en zeden van dit volk; niet omdat dit alles zoo

bewonderenswaardig is, maar omdat wij aldaar niet die onbeschaafdheid en

domheid vinden, die wij algemeen in dit werelddeel verwachten. Maar

anders, wat zijn hunne gebouwen bij de paleizen en vorstelijke

gestichten van Europa? Wat is hun handel bij dien van Engeland, Holland,

Frankrijk en Spanje? Wat zijn hunne steden bij de onze, ten aanzien van

rijkdom, sterkte, vrolijk voorkomen, rijke meubelen en verscheidenheid?

Wat zijn hunne havens, waarin eenige jonken en sloepen liggen, bij onze

zeevaart? Londen alleen drijft meer handel dan geheel het Chinesche

rijk. Een Engelsch, Hollandsch of Fransch oorlogschip van 80 stukken zou

heel de Chinesche zeemagt vernielen. Maar hun rijkdom, handel, krachtige

regering en sterk leger wekt onze verbazing, omdat wij gewoon zijn hen

als onbeschaafde Heidenen, weinig beter dan wilden te beschouwen, en dus

niets van dien aard bij hen verwachten. Uit dit oogpunt heeft men al

hunne grootheid en magt beschouwd. Met hun leger is het even als met

hunne zeemagt gesteld; al hunne strijdkrachten, al bragten zij ook twee

millioen op de been, zou niets uitrigten dan het land vernielen en

uithongeren. Als zij eene sterke vesting of een goed gedisciplineerd

leger moesten bevechten, zou een gelid zware ruiterij al de Chinesche

ruiterij over hoop werpen; een milloen van hun voetvolk zou geen stand

houden tegen een troep van ons voetvolk, als dit niet omsingeld kon

worden, al waren zij een tegen twintig. Ik snoef niet als ik zeg, dat

dertigduizend man voetvolk en tienduizend ruiters al de legers van China

zouden verslaan. Even ver gaan wij hen in vestingbouwkunde te boven;

geen vesting in China zou het eene maand tegen een Europeesch leger

uithouden, en al de magt van China zou Duinkerken niet kunnen innemen,

in geen tien jaren zelfs, ten ware door het uit te hongeren. Zij hebben

zeker geweren, maar het zijn lompe, slecht gemaakte stukken, en hun

kruid draagt niet ver. Hunne soldaten zijn zonder tucht, ongeoefend,

even onbekwaam tot aanval als tot verdediging. Ik verwonderde mij

derhalve niet weinig, toen ik te huis gekomen zoo veel fraais hoorde van

de magt, luister en rijkdom der Chinezen, daar ik wist dat het een

verachtelijke troep slaven was, onder eene regering alleen in staat zulk

een volk te regeren. Ware China niet zoo ver van Rusland, en ware dit

land zelf niet nog zoo onbeschaafd, dan kon de Czaar van Rusland hen

allen met gemak in een veldtogt uit hun land drijven en dit veroveren.

Zoo Czaar Peter I dezen kant uit oorlog gevoerd had, in plaats van zich

met de krijgshafte Zweden in te laten, zou hij thans Keizer van China

kunnen zijn, in stede van door den Koning van Zweden te Nerva geslagen

te zijn met eene zes maal mindere magt. Even als hunne kracht en

grootheid zoo is ook hun handel, zeevaart en landbouw zeer gebrekkig,

bij die van Europa vergeleken; even zoo is het met hunne

wetenschappelijke kennis; zij bezitten aard- en hemelglobes en weten

iets van de wiskunde, maar hoe onwetend vindt men al hunne geleerden bij

nader onderzoek. Van de beweging der hemelligchamen weten zij niets, en

zij zijn zoo dom, dat zij bij eene zonsverduistering zich verbeelden,

dat eene groote draak met de zon vecht, en daarom slaat iedereen op

trommen en ketels om het monster te verjagen, even als wij doen om een

bijenzwerm bijeen te houden.

Deze uitweiding is de eenigste van dien aard, die ik in het verhaal van

al mijne reizen gedaan heb, en zij zal de laatste zijn. Het ligt niet in

mijn bestek meer beschrijvingen van landen en volken te geven, maar

alleen een verslag te geven van mijne eigene lotgevallen, gedurende een

zoo wisselvallig en onrustig leven als men zelden zien zal. Ik zal dus

niets zeggen van de vele volkeren, belangrijke plaatsen en eenzame

landstreken, die ik nog moet doortrekken, anders dan voor zoo verre het

tot regt verstand van mijn verhaal vereischt wordt. Ik was thans, naar

mijne beste schatting in het hart van China, ongeveer 30° noordwaarts

van de linie, want wij waren naar Nanking teruggekeerd. Ik had wel lust

om Peking te zien, daar ik zoo veel van gehoord had, en vader Simon

spoorde er mij alle dagen toe aan. Eindelijk was de andere zendeling,

die met hem mede moest gaan, van Macao aangekomen, en het werd tijd, dat

wij besloten al of niet te gaan. Ik liet het geheel aan mijn compagnon

over, die eindelijk besliste, dat wij gaan zouden, en wij maakten ons

dus daartoe gereed. Wij ontvingen verlof om in het gevolg van een

mandarijn te reizen, een soort van Onderkoning of Gouverneur van eene

provincie, die eene groote staatsie houdt, en met groot gevolg reist.

Het volk bewijst hun veel eer, schoon zij het dikwijls vrij wat

verarmen, want al de gewesten, die zij doortrekken, zijn verpligt hun

levensmiddelen voor hen en hun gevolg te verschaffen. Wat ons betrof,

als tot het gevolg van den mandarijn behoorende, ontvingen wij

levensmiddelen genoeg, zoo voor ons als onze paarden; maar wij waren

verpligt alles naar den marktprijs van het gewest te betalen aan des

mandarijns hofmeester of opzigter, die dit van ons afeischte; zoodat,

schoon het reizen in zijn gevolg voor ons zeer aangenaam was, het echter

niet alleen eene gunst van hem, maar ook zeer voordeelig voor hem was,

aangezien er nog dertig lieden even als wij in zijn gevolg of onder

zijne bescherming reisden. Dit was zeer voordeelig voor hem, want het

gewest gaf hem allen leeftogt om niet, en hij nam ons er ons geld voor

af.

Wij deden in vijfentwintig dagen de reis naar Peking, door een zeer

bevolkt, maar slecht bebouwd land; de akkerbouw en levenswijze waren er

even ellendig, hoe breed men ook van de nijverheid van dit volk opgeeft;

ik zeg ellendig als wij hunne levenswijze bij de onze vergelijken of zoo

moesten leven, maar voor hen, die niet beter weten, is zij dit niet. De

hoogmoed van dit volk is geweldig, en wordt alleen door hunne armoede

overtroffen, hetgeen hun leven nog ellendiger maakt. De naakte wilden in

Amerika leven, dunkt mij, gelukkiger, want schoon deze niets hebben,

begeeren zij ook niets, terwijl de Chinezen trotsch en onbeschoft en

voor het meerendeel smerige bedelaars zijn. Hunne opgeblazenheid is

ongeloofelijk en blijkt hoofdzakelijk in hunne kleeding en gebouwen en

in het houden van eene menigte slaven of bedienden, en, wat nog het

bespottelijkste is, dat zij alles in de wereld verachten behalve

zichzelven. Ik reisde naderhand met veel meer genoegen door de

wildernissen en woestijnen van Tartarijë dan hier; schoon de wegen zeer

goed bestraat en onderhouden zijn, en zeer gemakkelijk voor reizigers;

maar niets hinderde mij meer dan het zien van zulk een opgeblazen

trotschheid, te midden van de grootste armoede en domheid. Mijn vriend,

vader Simon, en ik lachten zeer dikwijls om de armoede en trotschheid

van dit volk. Een blijk hiervan zagen wij bij een landedelman, gelijk

vader Simon hem noemde, ongeveer tien mijlen van Nanking, met welke wij

een paar mijlen gereden hadden. Hij was een volmaakte Don Quichot, een

zamenstel van armoede en grootschheid.

Zijn rok was zeer goed geweest voor een hansworst, want hij was vol

lappen en gaten. Zijn onderkleed van zijde was zoo smerig, dat Zijn

Hoog-Edele een allergrootste smeerpoets moest zijn. Zijn paard was een

manke, magere knol, zoo als men in Engeland voor dertig schellingen kan

koopen, en twee slaven volgden hem te voet om het beest voort te

drijven. Hij had een zweep in de hand, waarmede hij het even hard van

voren sloeg als zijne slaven van achteren, en zoo reed hij met ons,

gevolgd door tien of twaalf slaven. Wij vernamen, dat hij van de stad

naar zijn landverblijf, eene halve mijl verder op, ging. Wij reden

langzaam en onze edelman reed ons vooruit, en daar wij een uur in een

dorp gebleven waren om te ontbijten, zagen wij hem, toen wij zijn

landhuis voorbijkwamen, op een pleintje voor de deur aan den maaltijd

zitten; het was een soort van tuin, en wij zagen hem ligtelijk, gelijk

men ons ook zeide, dat hoe meer wij naar hem zagen, hoe aangenamer het

hem zijn zou.

Hij zat onder eene soort van palmboom, die hem schaduw gaf, echter had

hij nog een groot zonnescherm boven zich. Hij zat in een grooten

leuningstoel, want hij was zeer zwaarlijvig, en twee slavinnen bragten

zijn eten op, terwijl twee anderen bezig waren met eene dienst, waarop,

geloof ik, weinig heeren in Europa gesteld zouden zijn; de een namelijk

stopte hem het eten in den mond, en de andere hield met de eene hand

den schotel, en nam met de andere op hetgeen in zijn baard of op zijn

kleed viel.

Wij lieten hem in den waan, dat wij over zijne pracht verrukt waren,

terwijl wij die belachten, maar vader Simon wilde weten wat hij op zulk

een feestdag at, en hij had, gelijk hij zeide, de eer gehad er van te

mogen proeven; het was gekookte rijst met groene peper en eene specerij,

die naar muskus riekt en bijkans als mostaard smaakt. Dit alles was met

een stukje schapenvleesch door elkander gekookt, en uit dezen enkelen

schotel bestond zijn geheele maaltijd. Vier of vijf dienstboden stonden

op een afstand, waarschijnlijk op het overschot te wachten.

Wat den mandarijn betreft, met wien wij reisden, deze werd als een vorst

geëerd; hij was altijd door zijn stoet zoo omringd en zoo bediend, dat

ik hem altijd slechts op een afstand kon zien. Ik heb echter geen enkel

paard in zijn gevolg gezien, dat bij een onzer gewone karrenaarden halen

kon; maar zij waren allen zoo bedekt met mantels en kleeden, dat men

weinig anders dan den kop en de pooten van hen zien kon.

Ik was thans welgemoed; bevrijd van al mijne onrust, reisde ik thans

zeer opgeruimd, ook had ik geenerlei wederwaardigheden, dan dat bij het

rijden door eene beek mijn paard viel en mij burger maakte, gelijk men

zegt; dat wil zeggen, mij er in wierp; het was niet diep, maar ik werd

door en door nat. Ik maak hiervan gewag, omdat ik in mijn zakboek

verscheidene namen van volken en plaatsen had opgeschreven, en daar ik

die bladen niet droogde, verrotten zij, en tot mijn spijt verloor ik zoo

de namen van verscheidene plaatsen, die ik doorgetrokken was.

Eindelijk kwamen wij te Peking. Ik had niemand bij mij dan den

jongeling, dien mijn neef den kapitein, mij tot mijne bediening had

achtergelaten, die even trouw als schrander was; en mijn compagnon had

slechts een dienstbode, die aan hem verwant was, bij zich. Daar de

Portugesche loods ook verlangde het hof te zien, deed hij de reis op

onze kosten, en hij diende ons als tolk, want hij sprak de taal van het

land en zeer goed Fransch, en een weinig Engelsch. Deze oude man was

ons zeer nuttig, want naauwelijks waren wij eene week te Peking of hij

kwam lagchende bij mij en zeide: "O, senhor Inglese, ik heb u iets te

zeggen, dat u bijzonder verheugen zal."--"Mij verheugen," zeide ik, "ik

geloof niet, dat hier te lande mij iets bijzonder verheugen of bedroeven

kan."--"Ja, ja," zeide hij, "het zal u blijde en mij bedroefd maken."

Dit maakte mij nieuwsgierig. "Waarom zal het u bedroefd

maken?"--"Omdat," zeide hij, "gij mij hier, vijfentwintig dagreizen ver,

gebragt heb, en ik nu alleen zal moeten terugkeeren, zonder schip,

zonder paard, zonder geld."--Kortom hij verhaalde mij, dat eene groote

karavaan van Russische en Poolsche kooplieden in de stad was, die over

vier of vijf weken te land naar Rusland zouden gaan, en hij achtte het

als zeker, dat ik deze gelegenheid te baat zou nemen en hem alleen laten

terugkeeren. Ik moet bekennen, dat dit nieuws mij onbeschrijfelijk

verraste en mij eene poos sprakeloos maakte, maar eindelijk zeide ik:

"Zijt gij daar zeker van? Hoe weet gij dat?"--"Ik heb dezen morgen een

Armeniër ontmoet," hernam hij, "die onlangs van Astracan gekomen is, en

naar Nanking wilde, waar ik hem vroeger heb leeren kennen; maar deze

heeft thans zich bedacht en besloten met de karavaan naar Moscou, en zoo

den Wolga af naar Astracan te gaan."--"Kom senhor," zeide ik, "wees niet

ongerust over uwe terugreis; als ik langs dezen weg naar Engeland kan

terug komen, behoeft gij niet weder naar Macao te gaan als gij niet

wilt." Ik raadpleegde daarop mijn compagnon en vroeg hem wat hij er van

dacht. Hij zeide, dat hij juist zoo handelen zou als ik, want hij had

zijne zaken in Bengalen zoo goed geschikt, en in zulke vertrouwde handen

achtergelaten, dat als wij de winst van onze reis in ruwe en gewerkte

Chinesche zijde konden steken, hij gaarne naar Engeland wilde gaan, en

vandaar met een compagniesschip naar Bengalen terugkeeren.

Na dit bepaald te hebben, besloten wij, dat als onze Portugesche loods

wilde mede gaan, wij de reiskosten voor hem tot Moscou of Engeland

zouden dragen; en dit was het minste wat wij voor hem konden doen voor

de vele diensten, die hij ons bewezen had. Niet alleen was hij onze

loods op zee, maar aan den wal onze makelaar geweest, en met ons den

Japanschen koopman te brengen, had hij ons honderden guinjes in den zak

gebragt. Wij besloten dus hem bovendien eenige staafjes goud te geven,

ter waarde ongeveer van 175 Pond St. en de reiskosten voor hem en zijn

paard, uitgezonderd alleen den aankoop van een pakpaard voor zijne

goederen, te dragen. Wij riepen hem daarop om hem dit te verhalen. Ik

zeide, dat hij gevreesd had dat wij hem alleen zouden laten terugkeeren,

maar dat wij besloten hadden hem in het geheel niet te laten

terugkeeren; dat wij besloten hadden naar Europa met de karavaan terug

te keeren, en dat hij zou mede gaan, en nu wenschten wij te weten hoe

hij er over dacht. Hij schudde het hoofd, zeide dat het eene lange reis

was, en dat hij geen geld had om die te doen, noch om van te leven als

hij daar kwam. Wij zeiden dat dit wel zoo was, maar dat wij daarom

besloten hadden iets voor hem te doen, ten bewijze hoezeer wij zijne

gedane diensten erkenden, en hoe veel wij van hem hielden. Ik zeide hem

vervolgens wat wij hem wilden geven, en dat hij even als wij kon

besteden, en dat wij hem en zijne goederen, buiten onvoorziene

toevallen, in Rusland of Engeland zoude brengen, op onze kosten, behalve

alleen het vervoeren van zijn eigen goed.

Hij was hierover verrukt, en zeide, dat hij de geheele wereld met ons

wilde doortrekken, en derhalve maakten wij alles gereed tot onze reis.

Even als wij hadden de andere kooplieden echter veel te doen, zoodat in

plaats van vijf weken het ruim vier maanden duurde, alvorens alles

gereed was.

Het was in het begin van Februarij, toen wij Peking verlieten. Mijn

compagnon was met den ouden loods naar de haven, die wij eerst waren

binnengeloopen, teruggekeerd, om eenige goederen, die daar gebleven

waren, te verkoopen, en ik was met een Chineschen koopman, dien ik te

Nanking ontmoet had, en die thans naar Peking was gekomen, naar Nanking

gegaan, waar ik negentig stukken zware zijde, en nog tweehonderd stukken

zeer fraaije zijde, waaronder met goud doorwerkt, kocht, en die tegen

dat mijn compagnon terug kwam naar Peking terug bragt. Bovendien kochten

wij eene groote menigte ruwe zijde en eenige andere goederen. Onze

lading bedroeg alleen hieraan de waarde van drieduizend vijfhonderd Pond

St., waarmede wij, met thee en eenige fijne calicots en drie

kameelladingen nootmuskaten en nagelen, in het geheel achttien kameelen

voor onze rekening belaadden, behalve die waarop wij reden, en twee of

drie handpaarden en twee paarden met levensmiddelen, waardoor wij in het

geheel zesentwintig kameelen en paarden hadden.

De karavaan was zeer groot en bestond naar ik meen uit ongeveer drie- of

vierhonderd paarden en kameelen en honderdtwintig man, allen goed

gewapend en uitgerust, want even als de karavanen in het Oosten dikwijls

door Arabieren worden aangevallen, zoo worden deze door Tartaren, schoon

deze niet zoo gevaarlijk zijn als de Arabieren, noch zoo barbaarsch na

de overwinning. De karavaan bestond uit personen van verschillende

natiën, voornamelijk Russen, want er waren meer dan zestig kooplieden

uit Moscou, waarvan eenige echter Lijflanders waren, en tot ons genoegen

waren er vijf Schotten, die lieden van veel ervaring en moed schenen te

zijn.

Na een dag reizens riepen de gidsen, die vijf in getal waren, al de

passagiers, behalve de dienstboden, tot een grooten raad bijeen, zoo als

zij het noemden. Iedereen gaf daarbij eenig geld tot eene algemeene kas,

om onder weg voeder te koopen, de gidsen te betalen, paarden te huren en

dergelijke. En wijders werd hier de orde van de reis geregeld, namelijk

er werden officieren benoemd, om ingeval van een aanval het bevel te

voeren, en ieder had op zijne beurt het bevel. Dit was ook een maatregel

die zeer noodig was, gelijk in het vervolg blijken zal.

Wij vonden hier het land overal zeer bevolkt, en vol pottebakkers en

lieden, die de aarde voor het porselein mengden; en eens kwam onze

Portugesche loods, die altijd op eene grap uit was, met een lagchend

gezigt bij mij, en zeide, dat hij mij de grootste merkwaardigheid des

lands zou laten zien, en dat ik na al het kwaad, dat ik al van China

gezegd had, zou moeten bekennen, dat ik iets gezien had, welks wederga

in de wereld niet te vinden was. Ik was zeer nieuwsgierig wat het was,

en eindelijk zeide hij het was een huis van porselein.--"Zoo," zeide ik,

"dat is mogelijk. Hoe groot is het? Kunnen wij het in een kist op een

kameel pakken? Dan wil ik het koopen."--"Op een kameel laden!" riep de

oude man, de handen ineenslaande, "er leeft een huisgezin van dertig

zielen in."

Ik werd toen nog veel nieuwsgieriger, maar toen ik er bij kwam, was het

niets dan een gewoon houten huis of wel van latten en leem gebouwd, doch

met echt porselein gepleisterd, of liever met de klei waarvan het

porselein gemaakt wordt. De buitenzijde, waarop de zon brandde, was

verglaasd en zag er zeer goed en helder wit uit en was met blaauwe

figuren beschilderd, gelijk men op het groote porselein ziet. Van binnen

waren geen beschotten van hout, maar de muren waren met geschilderde

platte tegels belegd, gelijk onze vierkante muurtegels, allen van het

fijnst porselein en zeer fraai beschilderd, met allerlei kleuren, met

goud doormengd; verscheidene steentjes vormden slechts eene figuur, maar

zij waren zoo kunstig met cement van dezelfde klei vereenigd, dat men de

voegen moeijelijk ontdekken kon. In de kamers was de vloer even zoo, en

volmaakt effen en hard, maar niet verglaasd en geschilderd, behalve in

eenige kamertjes of kabinetjes, die geheel in het rond op gelijke wijze

gepleisterd waren, en ook het dak was met soortgelijke, maar

donkerzwarte tegels belegd.

Dit mogt inderdaad een porseleinen pakhuis heeten, en zoo ik niet verder

had moeten trekken, zou ik eenige dagen met de bezigtiging hebben kunnen

besteden. Men zeide mij dat er in den tuin fonteinen en vijvers waren,

waarvan de bodem en de zijden even zoo geplaatst waren, terwijl de paden

bezet waren met beelden van dezelfde porseleinaarde gevormd en in hun

geheel gebakken. Daar dit een der merkwaardigheden van hun land is,

mogen zij er zeker wel op roemen, maar zij overdrijven geweldig, want

zij verhaalden mij zulke ongelooflijke dingen van hetgeen zij van

porselein konden maken, dat ik zeker weet, dat niet waar kon zijn. Een

onder anderen, vertelde mij van een werkman die een schip gemaakt had,

met al zijn want, masten en zeilen, groot genoeg om vijftig man te

voeren. Zoo hij mij niet verhaald had, dat hij het te water had gebragt

en er eene reis mede naar Japan gedaan had, had ik er iets van kunnen

gelooven, maar nu wist ik, dat de geheele zaak eenvoudig een leugen was.

Ik lachte daarom en zeide er niets van.

Het bezien van dit huis had mij twee uren achter de karavaan doen

blijven, waarvoor de aanvoerder mij voor drie schellingen ongeveer

beboette, en mij zeide, dat zoo ik drie dagreizens buiten den muur

geweest was, even als thans drie dagreizens er binnen, hij mij vier

malen zoo hoog had moeten beboeten, en op den volgenden raadsdag om

verschooning doen vragen. Ik beloofde in het vervolg beter te zullen

oppassen, en vond naderhand dat de bevelen, om allen bijeen te blijven,

hoogst noodzakelijk waren.

Twee dagen later passeerden wij den grooten muur van China, die tot eene

versterking tegen de Tartaren strekt. Het is een ontzettend werkstuk,

dat eindeloos ver over heuvelen en bergen loopt, tot waar de rotsen

onbeklimbaar en de afgronden niet over te trekken zijn. Men zeide mij,

dat hij bijkans duizend Engelsche mijlen lang is, maar dat de

uitgestrektheid van het landschap, dat hij omgeeft, in eene regte lijn

slechts vijfhonderd is; hij is vier vademen hoog en op vele plaatsen

even zoo dik.

Een uur of daaromstreeks besteedde ik om dien zoo ver ik kon te bezien,

zonder de orders te overtreden, want zoo lang had de karavaan werk om

hem door te trekken; en onze gids, die dit wereldwonder reeds dikwijls

geroemd had, verlangde zeer te vernemen hoe ik er over dacht. Ik zeide,

dat het een uitmuntend werkstuk was om de Tartaren af te weren, hetgeen

hij anders opvatte dan ik het meende, en het voor eene loftuiting hield,

maar de oude loods lachte en zeide: "O, senhor Inglese, gij spreekt

verbloemd."--"Hoe zoo?" zeide ik. "Wel," hernam hij, "wat gij zegt is aan

de eene zijde wit, aan den anderen kant zwart; gij zegt dat hij goed is

om Tartaren af te weren, daarmede wilt gij zeggen, dat hij alleen

Tartaren kan buiten houden. Ik begrijp u wel, senhor, maar senhor

Chinees begrijpt u op zijne wijze."

"Wel," zeide ik, "denkt gij dat deze muur zou bestand zijn tegen een

leger van onze landslieden met een goed deel geschut, of onze ingenieurs

met een paar kompagniën mineurs? Zouden zij er niet in tien dagen een

bres in maken, daar een geheel leger in slagorde zou kunnen doortrekken,

of hem in de lucht laten springen, dat er geen spoor van

overblijft?"--"Ja, ja," zeide hij, "dat weet ik." De Chinees wilde gaarne

weten wat ik er van gezegd had, en ik gaf hem eenige dagen later

verlof het te vertellen, want wij waren toen bijkans uit hun land, en

hij zou ons kort daarop verlaten; maar toen hij vernomen had wat ik

gezegd had, sprak hij verder geen woord meer, en wij hoorden niets meer

van zijn gezwets over de magt en de grootheid van China, zoolang hij bij

ons was.

Na dit geweldige niets, dezen vermaarden muur, doorgetrokken te zijn,

vonden wij het land schaars bevolkt, en het volk meer in versterkte

dorpen en steden, daar zij hier meer blootstonden voor de strooptogten

en invallen der Tartaren, die altijd in groot aantal komen, en dan door

de bewoners van een open land niet kunnen afgeslagen worden. Ik zag hier

hoe noodzakelijk het was, ons bijeen te houden, want verscheidene hoopen

Tartaren kwamen om ons heen zwerven; maar toen ik hen meer van nabij

zag, kon ik niet begrijpen, hoe het Chinesche rijk door zulk een hoop

onbeschaafd volk had kunnen verwonnen worden, want het is een hoop

wilden, die noch van krijgstucht, noch van krijgskunde iets weten.

Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2 · 第 17 / 21 段