verontrusten, zeg slechts welken weg gij gaan wilt, en ik zal u van
dienst zijn, wat ik kan."--"Het is waar," hernam ik, "ik ben
besluiteloos, waar ik heen wil gaan, en vooral na hetgeen gij van
zeeroovers zegt. Ik hoop, dat er hier geene zwerven, want ik zou slecht
tegen hen bestand zijn; gij ziet dat wij niet sterk gewapend en slechts
zwak bemand zijn."--"Vrees niet," antwoordde hij, "ik weet niet, dat er
in de laatste vijftien jaren hier zeeroovers geweest zijn, behalve dat
er een, naar ik gehoord heb, eene maand geleden in de baai van Siam
gezien is, en die is stellig Zuidwaarts gegaan; ook was het geen schip,
dat zeer sterk of geschikt daartoe was. Het was niet voor een kaper
gebouwd, maar eenige schurken daar aan boord waren er mede doorgegaan,
nadat de kapitein en eenigen van het volk op of bij het eiland Sumatra
vermoord waren."
"Wat!" zeide ik, mij houdende alsof ik van niets wist, "hebben zij den
kapitein vermoord?"--"Neen," zeide hij, "dat zeg ik niet, maar daar zij
naderhand met het schip doorgingen, gelooft men algemeen, dat zij hem
aan de Maleijers verraden hebben, die hem, misschien op hun aanstoken,
vermoord hebben."--"Dan verdienen zij evenzeer den dood, alsof zij het
zelf gedaan hadden," zeide ik.--"Zeker verdienen zij dien," hervatte de
oude man, "en zij zullen dien ook ondergaan, als zij een Engelsch of
Hollandsch schip ontmoeten, want allen hebben besloten, die schurken
geen kwartier te geven, als zij hen aantreffen."
"Maar," zeide ik, "gij zegt, dat de zeeroover deze zeeën heeft verlaten;
hoe kunnen zij hem dan aantreffen?"--"Het is waar, dat men dit zegt,"
hernam hij, "maar zoo als ik zeide, werd hij in de baai van Siam, op de
rivier Cambodia ontdekt door eenige Hollanders, die daar aan boord
geweest en achtergebleven waren, toen men met het schip doorging, en
daar eenige Engelsche en Hollandsche koopvaarders op de rivier lagen,
was hij bijkans genomen. Zoo slechts de voorste booten door de achterste
goed ondersteund waren geworden, dan hadden zij hem zeker genomen; maar
hij vuurde op hen, en koos toen de ruimte, voordat de andere opkwamen.
Zij hebben het schip echter zoo goed beschreven, dat het dadelijk
herkend moet worden, en zij hebben gezworen, den kapitein en de matrozen
geen kwartier te geven, maar aan de nok van de groote ra op te
hangen,"--"Zoo," zeide ik, "zal men hen straffen, schuldig of
onschuldig; eerst hen ophangen en dan hun proces opmaken?"--"Och!" zeide
de oude loods, "met zulke schurken behoeft zooveel omslag niet gemaakt;
laat men hen rug aan rug binden en dan de voeten spoelen; zulke schurken
verdienen niet beter."
Ik wist, dat ik den ouden man vast aan boord had, en hij mij geen kwaad
kon doen, dus zeide ik driftig: "Welnu, senhor! juist daarom wil ik,
dat gij ons naar Nanking en niet naar Macao of ergens waar Hollandsche
en Engelsche schepen komen, brengt; want laat mij u zeggen, dat die
Engelsche en Hollandsche kapiteins een troep laatdunkende schoften zijn,
die volstrekt niet weten wat de regtvaardigheid, noch wat goddelijke en
menschelijke wetten eischen, maar die, trotsch op hun gezag, hunne magt
te buiten gaan, en als moordenaars willen handelen, om zeeroovers te
straffen, en menschen, die ten onregte beschuldigd zijn, kwaad zouden
doen en hen zonder onderzoek schuldig verklaren; en misschien zal ik nog
eens eenigen ter verantwoording roepen, waar zij leeren kunnen, hoe de
geregtigheid gehandhaafd moet worden, en dat men niemand veroordeelen
mag, zonder bewijs van de misdaad en dat hij die bedreven heeft."
Hierop verhaalde ik hem, dat juist dit schip aangevallen was, en alles
wat er met de sloepen bij hunnen aanval gebeurd was, hoe wij aan het
vaartuig gekomen waren, en hoe de Hollander ons gewaarschuwd had. Ik
zeide hem, dat ik geloofde, dat de kapitein door de Maleijers vermoord
was geworden, en ook dat de matrozen met het schip doorgegaan waren;
maar dat de zeerooverij een bloot verzinsel van hen was, en van de
waarheid daarvan hadden zij zeker moeten zijn, eer zij ons zoo
verraderlijk overvielen, en ik voegde er bij, dat het bloed, dat wij in
onze regtmatige verdediging vergoten hadden, ter hunner verantwoording
kwam.
De oude man stond zeer verbaasd, en gaf ons volkomen gelijk, dat wij
Noordwaarts gehouden hadden, maar raadde ons om het schip in China te
verkoopen, dat zeer goed gaan zou, en daar een ander te koopen of te
laten bouwen. "Al is het dan ook zoo goed niet," zeide hij, "dan zal het
u en uwe goederen toch naar Bengalen of elders kunnen brengen." Ik
zeide, dat ik hierover denken zou, als ik in eene haven kwam, waar ik
een kooper voor dit schip of een ander vaartuig voor mij vinden kon. Hij
zeide, dat ik te Nanking koopers genoeg zou vinden, en met eene
Chinesche jonk kon ik de thuisreis wel doen, en hij zou mij beide wel
verschaffen.--"Maar," zeide ik, "daar het schip, gelijk gij zegt, zoo
goed bekend is, zal ik, als ik uw raad volg, misschien eenige
onschuldige menschen in groot gevaar brengen, en welligt oorzaak zijn,
dat zij in koelen bloede vermoord worden; want alleen om het schip
zullen zij hen als schuldig houden."--"Dat is zoo," hernam de oude man,
"maar ik weet een middel om dat te beletten; ik ken al de kapiteins zeer
goed en zal hen allen opzoeken, als zij voorbijgaan, en hen de zaak
ophelderen, en zij zullen mij zeker in zoo verre althans gelooven, dat
zij in het vervolg voorzigtiger zullen te werk gaan."
Wij bleven middelerwijl koers zetten naar Nanking, en na dertien dagen
zeilens ankerden wij aan de Z.W. punt van Nanking, waar ik toevallig
vernam, dat de twee groote Hollandsche schepen mij voorgegaan waren en
ik onfeilbaar in hunne handen vallen zou. Ik raadpleegde mijnen
compagnon, die even zoo verlegen was als ik, en gaarne overal behouden
aan wal had willen zijn. Ik vroeg den ouden loods, of er geene kreek of
haven hier omstreeks was, waarin ik zonder gevaar met de Chinezen
handelen kon. Hij zeide mij, dat ongeveer tweeënveertig mijlen
Zuidwaarts eene haven, Quinchang, was, waar de paters zendelingen
gewoonlijk van Macao landden, als zij het Christendom in China gingen
verkondigen, en waar nimmer Europesche schepen binnenkwamen, en als ik
daar was, kon ik zien hoedanig ik verder handelen wilde. Het was echter
geene geschikte plaats om handel te drijven, behalve dat er somtijds
eene soort van jaarmarkt gehouden werd, waarop de kooplieden van Japan
kwamen om Chinesche waren te koopen. Wij besloten naar die haven te
gaan, wier naam ik misschien niet juist opgeef, daar ik dien met eenige
anderen in een zakboekje opgeschreven had, dat bij toeval in het water
viel; maar ik herinner mij, dat de Chinesche en Japansche kooplieden het
anders noemden, dan onze Portugesche loods, ongeveer als ik zeide:
Quinchang. Den volgenden dag gingen wij onder zeil, na slechts tweemaal
aan wal geweest te zijn, om zoet water in te nemen, en beide keeren
waren de inboorlingen zeer beleefd, en bragten ons eene menigte goederen
als groenten, thee, rijst en eenig gevogelte, maar zij gaven niets
zonder geld.
Door tegenwind kwamen wij eerst na vijf dagen aan de andere haven. Wij
waren zeer verheugd en ik dankte den hemel hartelijk, toen ik mijne
voeten behouden aan wal zette, en besloot, even als mijn compagnon, op
iedere andere redelijke wijze met ons goed elders te gaan, liever dan
weder een voet op dit heilloos vaartuig te zetten; en waarlijk, onder
alle omstandigheden mijns levens heb ik ondervonden, dat niets iemand
zoo ongelukkig maakt als voortdurende vrees. Teregt zegt de Heilige
Schrift: "De vrees van den mensch brengt hem in eenen strik;" het is een
leven des doods, en de geest wordt zoo gedrukt, dat hij tot alle
inspanning buiten staat is. In ons geval deed de vrees hare gewone
uitwerking, namelijk door elk gevaar te verhoogen; alle Engelsche of
Hollandsche kapiteins te beschouwen als menschen, die geene reden
verstonden, eerlijke lieden niet van schelmen, noch een geheel verzonnen
verhaal van een waarachtig verslag van onze reis en ons oogmerk konden
onderscheiden. Ieder verstandig mensch toch hadden wij kunnen
overtuigen, dat wij geene zeeroovers waren. De goederen, die wij aan
boord hadden, onze koers, de wijze waarop wij ons vertoonden en deze en
die havens binnenliepen, onze zwakke bemanning en weinige
krijgsbehoeften en leeflogt, alles had iedereen moeten overtuigen, dat
wij geene zeeroovers waren. De opium en andere goederen, die wij aan
boord hadden, bewezen dat wij van Bengalen kwamen; de Hollander, die,
naar men zeide, de namen kende van het volk, dat op het schip was
geweest, kon gemakkelijk zien, dat ons volk uit Engelschen, Portugezen
en Hindoes bestond, en dat wij slechts twee Hollanders aan boord hadden.
Deze en vele andere bijzonderheden hadden een kapitein, als wij in zijne
handen gevallen waren, moeten overtuigen, dat wij geene zeeschuimers
waren. Maar de vrees, die blinde en nuttelooze hartstogt, verbijsterde
ons geheel en al, en spiegelde ons duizend ijselijkheden voor, die
misschien nimmer konden gebeuren. Wij onderstelden, dat de Engelschen en
Hollanders, vooral de laatsten, zoo woedend waren, dat wij hunne sloepen
afgeslagen hadden, dat zij zich met geen onderzoek zouden inlaten, of
wij zeeroovers waren of niet, maar ons ter dood brengen, zonder naar
onze verdediging te hooren. Wij hielden ons voor, dat werkelijk in vele
opzigten de schijn zoo tegen ons was, dat zij aan geen verder onderzoek
zouden denken. Vooreerst toch was het schip hetzelfde, gelijk sommige
zeelieden wisten, die er aan boord geweest waren; en ten tweede, dat
toen wij de tijding kregen, dat hunne sloepen op ons afkwamen, wij deze
bevochten en daarop de vlugt kozen, zoodat dit hen ten volle overtuigen
moest, dat wij zeeroovers waren; gelijk ik in hun geval niet aarzelen
zou, al het scheepsvolk, dat in zulke omstandigheden gevangen genomen
werd, daarvoor te houden.
Hoe het ook zij, deze angst kwelde ons; en zoowel mijn compagnon als ik
droomden schier elken nacht van galg en strop en gevangenneming, van te
dooden of gedood te worden, en op zekeren nacht werd ik in mijnen droom
zoo woedend, dat ik meende, dat een Hollandsch schip ons enterde en ik
een matroos nedervelde, dat ik met mijne vuist zoo geweldig tegen het
beschot van de kajuit, sloeg, dat ik mij geweldig kneusde. De pijn deed
mij ontwaken, en ik vreesde eerst, dat ik twee vingers verliezen zou.
Nog eene vrees kwelde mij, namelijk die voor eene wreede behandeling.
Toen herinnerde ik mij den moord van Amboina, en hoe wreed de Hollanders
daar te werk waren gegaan, en hoe zij thans eenige onzer ook ligt door
pijnigingen de bekentenis konden afpersen, dat wij zeeroovers waren, en
dan zouden zij ons met eenen schijn van regt ter dood brengen; de winst
van ons schip en lading was eene groote verzoeking hiertoe, want met
elkander was dit wel vier of vijfduizend Pond st. waardig. Dit alles
ontrustte mijn compagnon en mij dag en nacht. Wij troostten ons met de
gedachte, dat koopvaardijkapiteins het regt niet hebben, om zoo te
handelen, en dat, als wij ons aan hen gevangen gaven, zij onzen dood of
pijniging zouden moeten verantwoorden in hun land; maar als zij ons zoo
behandelden, wat kon het ons baten, dat zij daarvoor ter verantwoording
geroepen werden; als wij dood waren, wat baatte het ons of zij daarvoor
later gestraft werden.
Ik kan niet nalaten hier mijne gedachten te vermelden over mijne
omstandigheden, hoe hard ik het achtte, dat ik, die na een veertigjarig
leven vol ongemakken, als het ware in de haven gekomen, waarnaar
iedereen verlangt, namelijk die van rust en overvloed, vrijwillig door
mijne eigene dwaze verkiezing, nieuwe rampen in den mond was geloopen,
vooral dat ik, die in mijne jeugd aan zoovele gevaren ontkomen was, nu
op mijnen ouden dag, in zulk eene afgelegene plaats opgehangen moest
worden, voor eene misdaad, waaraan ik niet eens gedacht, laat staan die
begaan had, zonder dat mijne onschuld mij kon beschermen.
Somwijlen bedacht ik, dat ik mij aan alles wat de Voorzienigheid over
mij besloten had, moest onderwerpen, en dat, hoezeer ook onschuldig voor
de menschen, ik echter niet schuldeloos voor mijnen Schepper was, en dat
ik behoorde na te gaan door welken misstap ik mij deze straf op den hals
had gehaald, en mij daaraan te onderwerpen, even als aan eene schipbreuk
of anderen rampspoed, die het God behagen mogt mij toe te zenden.
Op andere tijden kwam de stoutmoedigheid boven, en dan nam ik het
besluit, om mij niet in koelen bloede door onmededoogende lieden te
laten mishandelen; beter ware het in de handen der kannibalen te vallen,
die mij dooden en verslinden, maar niet onmenschelijk pijnigen zouden.
Ik had altijd besloten, mij tegen de wilden tot den laatsten droppel
bloeds te verdedigen, en waarom dan nu niet, daar het mij althans
vreeselijker toescheen in de handen der Europeërs te vallen. Als deze
gedachten bij mij opkwamen, begon mijn bloed te koken en mijne oogen te
fonkelen, en ik besloot, mij zoolang te verdedigen als ik kon, en als
dit niet langer mogelijk was, het schip in de lucht te laten springen.
Maar hoe heviger onze bekommering hierover was, des te grooter was onze
vreugde toen wij behouden aan wal waren. Mijn compagnon zeide, dat hij
gedroomd had, hoe hij met eene zware lading een heuvel moest opstijgen,
en dat zijne krachten hem begaven, maar toen kwam de Portugesche loods
en nam hem zijne lading af, en zijn weg werd effen. En waarlijk ons
allen was een pak van het hart genomen. Ook ik was van eenen last
ontheven, dien ik niet langer kon dragen, en wij besloten niet weder met
dit schip in zee te gaan. Toen wij aan wal waren, bezorgde de Portugees,
dien wij thans als een vriend beschouwden, ons een verblijf voor ons en
een pakhuis voor onze goederen; het was een klein huis met een groot
huis er aangetrokken, geheel van bamboes gebouwd en rondom met groote
bamboezen gepalissadeerd, om de dieven te weren, die daar naar het
schijnt in overvloed waren. De overheid stond ons echter bovendien een
wacht toe, namelijk een soldaat, die met eene soort van hellebaard voor
de deur op schildwacht stond, en dien wij eenige rijst en eenig geld,
ter waarde van drie stuivers dagelijks, gaven, zoodat onze goederen
veilig waren.
De gewone jaarmarkt was hier reeds voorbij, echter vonden wij eenige
jonken op de rivier en twee schepen uit Japan met goederen, die zij in
China gekocht hadden, en die nog niet vertrokken waren, omdat de
eigenaars zich aan wal bevonden.
Het eerste wat onze loods deed, was, dat hij ons in kennis bragt met
drie Roomsche zendelingen, die eenigen tijd in de stad geweest waren, om
de inboorlingen te bekeeren. Ik geloof, dat zij weinig bekeerlingen
maakten, doch dit ging ons niet aan. Een hunner was een Franschman,
vader Simon genaamd, een hupsch, opgeruimd man, en van geen zoo ernstig
en statig voorkomen als de twee anderen, een Genuees en een Portugees.
Vader Simon was beleefd en vrolijk in gezelschap; de anderen waren
terughoudender en schenen ijverig in hunne zaak, namelijk om met de
inboorlingen om te gaan en met hen te spreken. Wij aten dikwijls met
hen, maar ik moet bekennen, dat schoon hunne bekeeringen zich meestal
bepaalden met den naam van Christus te leeren uitspreken, eenige gebeden
tot de H. Maagd en Christus te doen, in eene taal, die zij niet
verstonden, deze zendelingen echter vast vertrouwen, dat dit tot het
eeuwig heil van hunne bekeerlingen strekt. In dit vertrouwen verduren
zij niet alleen de moeijelijkheden der reis en de gevaren aan hun
verblijf alhier verknocht, maar zij ondergaan soms welgemoed den dood en
de akeligste folteringen. Hoe wij ook over hunnen arbeid denken, wij
moeten altijd eerbied hebben voor hunnen ijver, die hen zoovele gevaren
doet trotseren, zonder eenig uitzigt op wereldlijk voordeel.
Doch om tot mijn verhaal terug te keeren. Vader Simon was, naar het
schijnt, door den superior der zending gelast, om naar Peking, het
verblijf van den keizer, te gaan, en daar een ander priester af te
wachten, die van Macao derwaarts zou gaan; en dan met dezen verder te
trekken. Wij spraken hem bijkans nimmer of hij drong bij ons aan, om met
hem die reis te doen, zeggende, dat hij mij alle merkwaardigheden van
dit magtige rijk, en onder anderen de grootste stad der wereld zou laten
zien; "eene stad," zeide hij, "veel grooter dan Londen en Parijs te
zamen." Hier meende hij Peking mede, dat zeker zeer groot en ontzettend
bevolkt is, maar daar ik de zaken niet zoo als alle menschen beschouw,
zal ik mijn gevoelen in het vervolg mijner reis daarover zeggen.
Om tot mijnen zendeling weder te keeren. Op zekeren dag, dat wij zamen
vrolijk aan tafel zaten, toonde ik eenigen flaauwen lust, om met hem
mede te gaan, en hij drong er bij mij en mijnen compagnon op nieuw sterk
op aan. "Maar vader Simon!" zeide mijn compagnon, "hoe verlangt gij zoo
naar ons gezelschap? Gij weet, dat wij ketters zijn, die gij niet
liefhebben kunt, noch met genoegen er mede in gezelschap zijn."--"O,"
antwoordde hij, "misschien wordt gij met den tijd nog goede katholijken;
mijne taak is hier de heidenen te bekeeren, wie weet of ik u ook nog
niet bekeer?"--"Mooi, vader!" zeide ik, "dan zult gij ons den geheelen
weg over voorprediken?"--"Ik zal u niet tot last zijn," zeide hij. "Onze
godsdienst belet ons niet welvoegelijk te zijn; bovendien zijn wij hier,
als het ware, landslieden, en schoon gij een protestant zijt en ik een
katholijk ben, zijn wij toch beide Christenen, en in allen geval beide
beschaafde lieden, en dus kunnen wij met elkander omgaan, zonder
elkander tot last te zijn." Dit antwoord beviel mij zeer, en deed mij
denken aan den jongen priester, dien ik in Brazilië achtergelaten had;
doch bij wiens karakter dat van vader Simon niet halen kon, want schoon
men hem geene laakbare ligtgeloovigheid kon te last leggen, bezat hij
echter niet dien Christelijken ijver en die opregte godsvrucht en
vroomheid van dien waardigen geestelijke.
Wij zullen hem een oogenblik daarlaten, schoon hij nimmer ophield met
aandringen, dat ik met hem zou gaan; maar wij hadden thans andere
zorgen; want ons schip en onze lading lag ons nog op den hals, en wij
wisten niet wat wij er mede doen zouden, want op deze plaats was weinig
handel, en eens stond ik op het punt om naar Nanking te zeilen; doch de
Voorzienigheid scheen thans zigtbaar voor ons te waken, en ik begon te
hopen eenmaal mijn vaderland te zullen wederzien, schoon ik nog niet
wist op welke wijze. In de eerste plaats bragt onze oude Portugesche
loods een Japanschen koopman bij ons, die ons vroeg, welke goederen wij
hadden. Hij kocht ons dadelijk al onzen opium af tot een zeer goeden
prijs, en betaalde ons in goud, bij het gewigt, gedeeltelijk in
Japansche muntstukjes, en gedeeltelijk aan staafjes van tien of twaalf
oncen. Terwijl wij met hem over den opium handelden, kwam het bij mij
op, dat hij het schip misschien ook wel koopen wilde, en ik zeide den
tolk, om hem dit voor te slaan. Hij haalde bij het eerste voorstel de
schouders op; maar hij kwam eenige dagen daarna terug met een van de
zendelingen, om hem tot tolk te dienen, en zeide, dat hij mij eenen
voorslag te doen had. Hij had namelijk eene menigte goederen van ons
gekocht, zonder eenige gedachten te hebben, dat hem het schip te koop
zou geboden worden; en hij had er dus nu geen geld voor; maar als wij
hetzelfde volk daar aan boord wilden laten, wilde hij het schip huren,
om naar Japan te gaan, en het vandaar met eene andere lading, waarvan
hij de vracht betalen zou, naar de Philippijnsche eilanden zenden, en
als het terugkwam zou hij het schip koopen. Ik had hier wel ooren naar,
en zoo zat het zwerven mij nog in het hoofd, dat ik lust kreeg, om mede
te gaan, en van de Philippijnsche eilanden naar de Zuidzee te gaan, en
dus vroeg ik aan den Japanees, of hij ons niet huren wilde tot aan de
Philippijnsche eilanden en ons daar ontslaan. Hij zeide neen, want dan
kon hij geene retour voor zijne lading krijgen, maar hij wilde ons in
Japan, als het schip terugkwam, wel ontslaan. Ik stond op het punt, om
hierin toe te stemmen, maar mijn compagnon, die verstandiger was dan ik,
bragt er mij van af, en hield mij de gevaren voor, zoowel van deze zeeën
als van de Japanezen, die een wreed, arglistig volk zijn, en van de
Spanjaarden op de Philippijnsche eilanden, die nog veel wreeder,
arglistiger en verraderlijker zijn.
Om dit verhaal van onze zaken te bekorten, moet ik vermelden, dat wij
eerstelijk den kapitein en het volk vroegen of zij genegen waren, om
naar Japan te gaan, en terwijl dit gebeurde, kwam de jonge man, dien
mijn neef, gelijk ik verhaald heb, bij mij achtergelaten had, bij mij en
zeide, dat hij deze reis als zeer voordeelig zullende zijn beschouwde,
en dat hij gaarne zou zien, dat ik medeging, maar als ik dit niet wilde,
maar hem verlof geven, dat hij dan als koopman mede zou gaan, of zoo als
ik zou goedvinden, om hem aan te stellen, dat zoo hij in Engeland
terugkwam en mij daar in leven vond, hij mij getrouwe rekening zou
afleggen, en dat ik hem dan kon afstaan wat ik wilde. Ik had weinig
lust, om van hem te scheiden, maar als ik de voordeelige vooruitzigten
overwoog, en dat hij een jongman was, op wien men rekenen kon, besloot
ik er toe, maar zeide, dat ik eerst mijn compagnon wilde spreken, en hem
den volgenden dag zou antwoorden. Mijn compagnon deed mij een zeer
edelmoedig voorstel. "Gij weet," zeide hij, "dat dit een ongelukkig
schip is, en dat wij er niet weder mede in zee willen steken; als uw
hofmeester (zoo noemde hij hem) het wagen wil, zal ik mijn aandeel in
het schip aan hem overlaten, en als wij elkander in Engeland aantreffen,
en het is hem wel gegaan, zal hij ons de helft van de lading
verantwoorden en de andere helft zal voor hem zijn."
Toen mijn compagnon, voor wien de jonge man een vreemdeling was, zulk
een voorstel deed, kon ik niet wel minder doen, en daar al het
scheepsvolk de reis wilde doen, droegen wij de helft van het schip aan
hem in eigendom over, en ik liet hem eene verbindtenis teekenen voor de
andere helft, en daarop vertrok hij naar Japan. De Japansche koopman was
een zeer braaf, eerlijk man; hij beschermde hem te Japan en bezorgde hem
eene vergunning om aan den wal te komen, hetgeen voor eenen Europeër
zeer moeijelijk gaat. Hij betaalde prompt de vracht, en zond hem toen
naar de Philippijnsche eilanden met Japansche en Chinesche goederen,
waarvoor hij van de Spanjaarden Europesche goederen en eene menigte
nagelen en specerijen inhandelde; en toen hij te Japan teruggekomen was
en eene zeer goede vracht ontving, en hij geen lust had om het schip te
verkoopen, bezorgde de koopman hem goederen voor zijne eigene rekening,
waarmede hij weder naar Manilla ging. Hier wist hij zijn schip vrij te
krijgen en de gouverneur huurde het, om naar Acapulco op de kust van
Mexico te gaan; en gaf hem eene vergunning, om aldaar te landen, naar
Mexico te gaan, en op een Spaansch schip met al zijn volk naar Europa te
gaan. Hij kwam gelukkig te Acapulco en verkocht daar zijn schip, en
ontving verlof om te land naar Porto Bello te gaan, vanwaar hij kans
zag, om naar Jamaica te komen, en acht jaren later kwam hij als een
schatrijk man in Engeland. Doch ik keer tot onze zaken terug.
Nu wij het schip en scheepsvolk verlieten, moesten wij natuurlijk
denken, hoe wij de twee mannen beloonen zouden, die ons zoo van pas
gewaarschuwd hadden, voor het gevaar, dat wij op de rivier Cambodia
liepen. Het was waar, dat zij ons eene groote dienst gedaan en wij hun
veel schuldig waren; schoon het toch een paar groote schurken waren,
want daar zij geloofden dat wij zeeroovers en werkelijk met het schip
doorgegaan waren, kwamen zij ons niet alleen waarschuwen voor hetgeen
men tegen ons voornemens was, maar om met ons als zeeroovers in zee te
steken; en een hunner liet zich naderhand eens ontvallen, dat alleen de
hoop om op zeeroof uit te gaan hem daartoe had overgehaald. Dit
verminderde echter de dienst niet, die zij ons bewezen hadden, en daar
ik beloofd had hun dankbaar te zullen zijn, gelastte ik hun eerst de
gaadje te betalen, die zij zeiden, dat zij op hun vorig schip te goed
hadden gehad, dat wil zeggen den Engelschman negentien en den Hollander
zeven maanden gaadje; en bovendien gaf ik hun eenig goud, waarmede zij
zeer tevreden waren, en maakte den Engelschman konstapel aan boord, daar
de konstapel thans tweede stuurman en schrijver was geworden, en den
Hollander maakte ik bootsman. Zoo waren zij beide zeer in hun schik en
tevens van veel dienst, want het waren bekwame zeelieden en moedige
kerels.