Ik stemde dadelijk hierin toe en ging onmiddellijk met hen naar boord.

Zoodra ik op zijde kwam, riep mijn compagnon, die op het dek stond, mij

verheugd toe: "Wij hebben het lek gevonden en al gestopt

ook."--"Goddank, dat ik het hoor," zeide ik, "maar ligt dadelijk het

anker."--"Dadelijk ankerligten?" herhaalde hij, "waarom, wat is er

gaande?"--"Vraag niet," zeide ik, "maar roep alle mannen aan het werk,

en laat het anker ligten, zonder een oogenblik te verliezen." Hij zag

vreemd op, maar riep dadelijk den kapitein, en gaf hem orders, en schoon

de eb nog niet doorgekomen was, dreef een koeltje van het land ons

echter naar zee. Daarop riep ik hem in de kajuit en verhaalde hem wat er

gaande was, en riep toen de twee mannen binnen, en zij verhaalden ons

het overige; maar daar hiermede vrij wat tijd verliep, hadden zij nog

niet gedaan, toen reeds een matroos aan de kajuitdeur kwam, om ons te

zeggen, dat de kapitein ons liet weten, dat er jagt op ons gemaakt

werd.--"Jagt, door wie?" vroeg ik.--"Door vijf sloepen met volk," zeide

de man.--"Het is goed," zeide ik. "Dan is er waarschijnlijk wat aan." Ik

liet daarop al het volk achterop komen, en verhaalde hun, dat men

voornemens was, om het schip prijs te verklaren en ons als zeeroovers te

behandelen, en vroeg hun, of zij ons trouw wilden bijstaan. Zij

antwoordden welgemoed, dat zij ons tot in den dood zouden getrouw

blijven. Toen vroeg ik den kapitein, hoe wij hen het best zouden

afslaan, want dat ik mij tot den laatsten droppel bloeds wilde

verdedigen. Hij zeide, dat het best ware, hen met onze stukken zoo lang

mogelijk op eenen afstand te houden, en daarna hen met ons handgeweer te

beletten, dat zij ons enterden, maar als dat alles vergeefs was, dat wij

ons dan omlaag moesten begeven, in de hoop, dat zij geene gereedschappen

mogten hebben, om onze beschotten open te breken.

De konstapel ontving middelerwijl order om twee stukken voor en achter

te plaatsen, zoodat zij het dek bestreken, en die te laden met

geweerkogels, oud ijzer en wat hij maar vond. Terwijl wij ons zoo gereed

maakten om te vechten, hielden wij het echter zeewaarts met eene

tamelijke koelte en konden de sloepen op eenigen afstand zien, zijnde

vijf groote barkassen, die ons vervolgden met zooveel zeil als zij

slechts konden bijzetten. Twee daarvan, die wij door onze kijkers konden

zien, dat Engelschen waren, waren de anderen bijkans twee mijlen

vooruit, zoodat wij zagen, dat zij ons zouden inhalen. Hierop deden wij

een schot met los kruid, tot een sein dat zij zouden bijleggen, en

heschen eene witte vlag, tot teeken dat wij onderhandelen wilden, maar

zij hielden vol totdat zij binnen het bereik van ons geschut kwamen.

Hierop streken wij de witte vlag, daar zij er niet op geantwoord hadden,

heschen de roode en vuurden op hen met scherp. Desniettemin hielden zij

vol, totdat zij zoo digt genaderd waren, dat wij hen met eenen roeper

konden praaijen; dus riepen wij hun toe om af te houden, als zij hun

leven liefhadden.

Het baatte alles niets; zij bleven ons volgen en trachtten onder onzen

spiegel te komen, om ons zoo te enteren; waarop ik, ziende dat wij alles

van hen te vreezen hadden en dat zij op de andere booten, die hen

volgden, rekenden, gelastte het schip te wenden, zoodat zij ons op zijde

kwamen, waarop wij dadelijk vijf stukken op hen afvuurden. Een schot

trof zoo goed, dat het den achtersteven van eene boot wegsloeg, waardoor

het volk de zeilen moest innemen en allen voorop loopen, om de boot niet

te doen zinken; deze was dus buiten gevecht gesteld, maar daar de andere

boot nog volhield, besloten wij op deze alleen te vuren.

Terwijl dit geschiedde had een van de drie achterste booten, die de

andere twee vooruitgeraakt was, de door ons gehavende boot bereikt, en

wij zagen naderhand, dat zij er het volk uit had overgenomen. Wij riepen

de voorste boot weder aan, en boden eenen wapenstilstand aan, om te

onderhandelen en te weten wat zij van ons wilden hebben, maar ontvingen

geen antwoord, terwijl zij nader onder onzen spiegel schoot. Hierop

haalde onze konstapel, die een vlugge knaap was, zijne twee jagers uit

en gaf vuur op haar, zonder te treffen. Het volk in de boot juichte en

wuifde met hunne mutsen; maar de konstapel had spoedig weder geladen, en

een schot trof het volk, schoon het de boot miste, en deed veel kwaad

onder hen, gelijk wij duidelijk zagen. Maar wij stoorden ons hieraan

niet, maar wendden weder, en deden nog drie schoten, waarmede wij de

boot bijkans verbrijzelden, vooral was het roer en een deel van den

steven geheel weggeschoten; zij streken dus ijlings het zeil en waren

geheel in wanorde. Maar om hun ongeluk te voltooijen, gaf de konstapel

nog tweemaal vuur op hen. Waar hij hen trof weet ik niet, maar de boot

begon te zinken en eenigen lagen reeds in het water. Dadelijk bemande ik

hierop onze pinnas, die wij op zijde hadden liggen, met last om eenigen

van het volk, zoo het mogelijk was, te redden en dadelijk met hen aan

boord te komen, omdat de andere booten ook opkwamen. Ons volk vischte

drie man op, waarvan een reeds half verdronken was, die wij eerst na

veel moeite weder bijbragten. Zoo als zij aan boord waren, zetten wij

zooveel zeil bij als wij konden en hielden zeewaarts, en toen de andere

drie booten bij de twee voorste gekomen waren, zagen wij, dat zij de

jagt opgaven.

Aldus van een gevaar bevrijd, dat veel grooter scheen, dan ik

verwachtte, schoon ik er nog de reden niet van begreep, zorgde ik, dat

wij onzen koers veranderden, zoodat niemand wist waar wij heengingen.

Wij legden dus eerst oostwaarts aan, geheel buiten het vaarwater van

alle Europesche schepen, hetzij naar China of naar eenige andere

handelplaats. Toen wij op zee waren begonnen wij de beide zeelieden te

ondervragen naar de reden van dit alles. De Hollander helderde ons nu

het geheim op, zeggende, dat de kerel, die ons het schip verkocht had,

niet anders dan een dief was, die met het schip was doorgegaan. Hij

verhaalde vervolgens hoe de kapitein, dien hij mij noemde, doch wiens

naam mij ontgaan is, op de kust van Malacca, met drie van zijn volk,

vermoord was geworden; en dat hij met nog vier anderen in het bosch

gevlugt was, waar zij eenen geruimen tijd hadden rondgezworven, tot hij

in het bijzonder zich gered had op een Hollandsen schip, dat daar eene

boot aan wal gezonden had, om zoet water in te nemen.

Vervolgens verhaalde hij, hoe hij, op Batavia gekomen, twee matrozen van

het geroofde schip had ontmoet, die de overigen op reis verlaten hadden,

en hoe deze hem gezegd hadden, dat de kerel, die met het schip

doorgegaan was, het in Bengalen aan een hoop zeeroovers verkocht had,

die er mede waren gaan kruisen, en dat zij reeds een Engelsch en twee

Hollandsche schepen genomen hadden, alle rijk geladen. Dit laatste

gedeelte sloeg op ons, en schoon wij wisten dat het valsch was, echter,

gelijk mijn compagnon aanmerkte, het ware vruchteloos geweest ons te

verdedigen of lijfsbehoud van hen te verwachten, als wij in hunne handen

waren gevallen, terwijl zij zulk eene meening van ons koesterden, en te

meer, daar onze beschuldigers tevens onze regters waren en alleen naar

hunne blinde driften te werk gingen. Hij sloeg derhalve voor, om

regtstreeks naar Bengalen, vanwaar wij kwamen, terug te keeren, zonder

eenige haven aan te doen, omdat wij daar konden bewijzen, hoe wij aan

het schip gekomen waren. In alle gevallen, als wij genoodzaakt waren tot

de regtbank ons te wenden, konden wij ten minste verwachten, volgens

regten behandeld te worden, en niet eerst gehangen en dan ons proces

opgemaakt te worden.

Eenigen tijd dacht ik er ook zoo over, maar na rijp overleg zeide ik

hem, dat ik het zeer gevaarlijk achtte, om naar Bengalen te willen

terugkeeren, want daar wij tusschen de Moluccos waren, konden wij

verwachten overal door de Hollanders en Engelschen aangevallen te

worden, en als wij genomen werden, terwijl wij als het ware vlugtten,

zouden wij ons eigen vonnis uitspreken, en men zou geen verder bewijs

tegen ons noodig achten. Ik vroeg den Engelschen zeeman naar zijn

gevoelen, die mij gelijk gaf, en het zeker achtte, dat wij genomen

zouden worden. Dit gevaar smaakte mijn compagnon en het scheepsvolk

weinig, en wij besloten naar de kust van Tonking en zoo naar China te

stevenen, en daar op eene of andere wijze ons schip trachten te

verkoopen, en met een vaartuig van het land, dat wij bekomen konden,

terug te keeren. Dit werd goedgekeurd, en dus stevenden wij N. N.

Oostwaarts, en hielden ons ongeveer vijftig mijlen ten Oosten van het

gewone vaarwater.

Dit had echter dat ongemak, dat wij gestadig tegenwind hadden, daar de

passaat bijkans altijd uit het O. en O. N. O. blies, zoodat wij eene

lange reis hadden, terwijl wij slecht van levensmiddelen voorzien waren,

en wat nog erger was, er was eenige kans, dat die schepen, wier booten

ons vervolgd hadden, waarvan sommigen dien kant heen moesten, daar voor

ons waren aangekomen, of aan eenen anderen Chinavaarder tijding van ons

gegeven hadden, en dat die ons even fel vervolgden. Ik moet bekennen,

dat ik vrij ongerust was, en mij in den gevaarlijksten toestand achtte,

waarin ik mij nog ooit bevonden had. Want in welke hagchelijke

omstandigheden ik ook geweest was, nimmer te voren was ik als een dief

vervolgd, noch had ik ooit iets gedaan wat oneerlijk, ongeoorloofd, laat

staan diefachtig was. Ik was voornamelijk mijn eigen vijand geweest of

liever niemand vijandig dan mijzelven. Maar nu was ik er zoo slim aan

toe als mogelijk was, want schoon volmaakt onschuldig, zag ik geene

kans, om die onschuld te doen blijken, en als ik genomen mogt worden,

zou dit zijn, omdat men mij hield voor eenen misdadiger van de ergste

soort, althans naar de schatting van die lieden, met welke ik te doen

zou hebben.

Dit maakte mij hoogst ongerust, schoon ik niet wist hoe er mij uit te

redden, noch waar ik zou heengaan. Mijn compagnon, die mij zoo

neerslagtig zag, schoon hij in den beginne er het meest verzet van was

geweest, trachtte mij een riem onder het hart te steken, en terwijl hij

mij de verschillende havens van die kust beschreef, zeide hij mij, dat

hij op de kust van Cochinchina of de baai van Tonking zou binnenloopen,

en daarna naar Macao gaan, eene stad, die vroeger aan de Portugezen

behoorde, en waar nog zeer vele Europeërs woonden; voornamelijk de

zendelingen, die gewoonlijk zich daarheen begeven, om vandaar naar China

te gaan. Wij besloten daarheen te gaan, en na eene langdurige en

moeijelijke reis, terwijl wij slechts schraal van levensmiddelen

voorzien waren, kregen wij op eenen vroegen morgen de kust in het

gezigt. Toen wij nadachten in welke gevaarlijke omstandigheden wij

waren, besloten wij een riviertje op te varen, dat smal maar diep genoeg

voor ons was, en te zien of wij, hetzij te land of met de sloep, te

weten konden komen, welke schepen er in de havens daaromstreeks lagen.

Dit gelukkig besluit was ons behoud, want er lagen in de baai van

Tonking wel geene Europesche schepen, maar den volgenden morgen kwamen

er twee Hollanders binnen en een derde schip, dat geen vlag voerde, maar

dat wij ook voor eenen Hollander aanzagen, voer ons op twee mijlen

afstands voorbij, koers zettende naar de Chinesche kust, en des

namiddags zagen wij twee Engelschen denzelfden koers houden, en dus

zagen wij ons van alle kanten omringd van vijanden. De plaats waar wij

lagen was dor en woest, het volk diefachtig; en schoon wij weinig met

hen verlangden om te gaan, dan om eenigen leeftogt op te doen, was het

echter dikwijls moeijelijk genoeg dat wij allen twist met hen konden

vermijden.

Wij lagen op eene kleine rivier, op weinige mijlen afstands van het

noordelijk uiteinde van dat land, en met onze boot verkenden wij de kust

tot aan het punt van de groote baai van Tonking, en op deze vaart langs

de kust ontdekten wij, hoe wij als het ware van vijanden omringd waren.

Het volk van dit land was het onbeschaafdste van al de kustbewoners

aldaar; het had geenerlei omgang met andere natiën, en handelde alleen

in visch en olie en dergelijke. Als een blijk van hunne woestheid, kan

ik vermelden, dat zij onder andere gewoonten ook die hebben, dat zoo

eenig schip bij ongeluk op hunne kust strandt, zij al het scheepsvolk

tot gevangenen, dat wil zeggen tot slaven maken, en wij hadden weldra

een blijk van hunne geaardheid bij de volgende gelegenheid.

Ik heb reeds gezegd, dat ons schip op zee een lek had gekregen, dat wij

eerst niet hadden kunnen stoppen; echter was het gelukkig digt gemaakt

op het oogenblik, dat wij door de Hollandsche en Engelsche schepen bij

de baai van Siam zouden genomen worden. Het schip was echter niet zoo

digt als het wel behoorde, en dus besloten wij, terwijl wij hier waren,

onze zwaarste goederen aan wal te brengen, die gelukkig weinig waren, en

het schip te kalfaten en zooveel mogelijk de lekken te stoppen. Na dus

het schip verligt te hebben, en onze stukken en wat vervoerbaar was,

naar de eene zijde gebragt te hebben, haalden wij het op zijde, om bij

den bodem te kunnen komen. De inboorlingen, die nimmer zoo iets gezien

hadden, kwamen naar het strand, en toen zij het schip zoo op zijde zagen

liggen, en ons volk niet zagen, dat aan de andere zijde op steigers en

in booten aan het werk was, begrepen zij, dat het schip op zijde

geslagen was en aan den grond zat.

In deze meening kwamen zij allen, een paar uren later, met tien of

twaalf groote booten, waarin acht tot tien man waren, op ons af,

ongetwijfeld met oogmerk, om het schip te plunderen, en als zij ons

vonden, als slaven weg te voeren naar hunnen koning of opperhoofd, want

hoe zij geregeerd worden weet ik niet. Toen zij het schip genaderd

waren, en er rondom roeiden, zagen zij ons allen hard aan het werk aan

de buitenzijde van het schip, wasschende en schrapende en stoppende,

gelijk ieder zeeman weet hoe. Zij stonden eene poos naar ons te zien, en

wij, die eenigzins verrast waren, konden ons niet verbeelden wat hun

oogmerk was; maar om zeker te gaan, lieten wij eenigen in het schip

gaan, om aan de anderen, die aan het werk waren, wapens en kruid en lood

toe te reiken, om zich mede te verdedigen, als het noodig was. Het was

spoedig noodig, want na een kwartier uurs beraadslaagd te hebben,

schenen zij begrepen te hebben, dat wij werkelijk gestrand waren, en nu

allen bezig waren, om het schip vlot te krijgen of ons met de sloepen te

redden, en toen wij wapens in de booten lieten, begrepen zij, dat wij

eenige goederen trachtten te bergen. Zij begrepen, dat thans van zelve

sprak, dat alles hun toekwam, en dus voeren zij in slagorde regt op ons

aan.

Ons volk werd verschrikt door hun aantal, want wij waren in eene

ongunstige positie om te vechten, en zij riepen ons toe, dat zij niet

wisten, wat zij doen zouden. Ik gelastte dadelijk het volk dat op den

steiger werkte, om er af te komen, en hen, die in de booten waren, dat

zij het schip omroeijen zouden en aan boord komen, terwijl de weinigen,

die met ons aan boord waren, alle krachten inspanden, om het schip

overeind te halen. Maar eer het volk op den steiger en dat in de booten

konden doen wat hun gelast was, hadden de Cochinchinezen hen ingehaald,

en twee hunner booten kwamen onze sloep op zijde, en begonnen het volk

aan te pakken als hunne gevangenen.

De eerste, dien zij aangrepen, was een Engelsche matroos, een kloeke

sterke kerel, die een geweer in de hand had, maar, in plaats van vuur te

geven, het in de boot nederlegde, zeer onverstandig naar mij dacht. Maar

hij wist zeer goed wat hij deed, want hij greep den barbaar aan, en

rukte hem uit zijne boot in de onze, waar hij hem bij de ooren greep en

zijn hoofd zoo geweldig tegen het boord van de sloep stiet, dat de man

onder zijne handen dood bleef. Een Hollander, die naast hem stond, nam

terwijl het geweer op, en sloeg met de kolf zoo om zich heen, dat hij

vier of vijf, die in de sloep wilden komen, nedervelde; maar dit hielp

weinig tegen veertig of vijftig man, die onbevreesd, omdat zij hun

gevaar niet kenden, in de andere sloep sprongen, waarin slechts vijf man

waren. Een toeval verschafte echter ons volk eene volkomene overwinning

en bovendien vrij wat stof tot lagchen.

Onze timmerman was namelijk bezig, de buitenzijde van het schip te

breeuwen en de naden te vullen, waar hij die gekalfaat had, om de lekken

te stoppen, en had juist twee ketels in de boot gelaten, de een met

kokende pik en de andere met harpuis, olie en smeer, gelijk de

scheepsbreeuwers gebruiken, en de man, die bij hem was, had een grooten

ijzeren lepel in de hand, waarmede hij de lieden, die met dat kokende

goed werkten, er van voorzag. Twee vijanden stapten voor in de boot,

waar die man stond; hij bedeelde hen terstond met een lepel vol van zijn

brouwsel, dat hen zoo zengde en brandde, daar zij bijkans naakt waren,

dat zij brullende als stieren in zee sprongen. De timmerman zag het en

riep: "Goed gedaan; Jaap! geef ze nog wat!" en terwijl hij zelf voorop

stond, nam hij een van de dwijlen, en doopte die in de harpuispot, en

hij en zijne maats besproeiden hen zoo rijkelijk, dat van al het volk in

de drie booten er niet een was, zonder duchtig gebrand en verschroeid te

zijn; en zulk een gehuil en getier hieven zij aan, als ik nimmer gehoord

had. Ik mag hier wel opmerken, dat hoewel natuurlijk pijn iedereen

schreeuwen doet, echter ieder volk eene bijzondere wijze van schreeuwen

heeft, dat evenveel van elkander verschilt als hunne spraak. Ik kan het

geluid van deze kerels niet gepaster noemen dan gehuil, want nimmer

hoorde ik iets, dat zoo naar wolvengehuil geleek, hetwelk ik op de

grenzen van Languedoc gehoord had, gelijk ik verhaald heb.

Nimmer baarde eene overwinning mij meer genoegen dan deze, niet alleen

omdat wij zoo verrassend uit een waarlijk groot gevaar gered waren, maar

vooral omdat wij haar zonder bloedvergieten bevochten hadden, behalve

van den man, dien de Engelschman met zijne handen doodgeslagen had, en

dit was mij zeer aangenaam, want ik had eenen grooten weerzin in het

dooden van zulke arme wilden, schoon het ook uit zelfverdediging

ontstond. Ik wist, dat zij hunne handelingen als geoorloofd beschouwden,

daar zij niet beter wisten, en schoon wij misschien regt hadden, omdat

het noodzakelijk was (want in de natuur is niets, wat onregt is,

noodzakelijk), echter achtte ik het droevig, tot ons zelfbehoud zoovele

onzer medemenschen te moeten dooden; en ik zou tegenwoordig liever al

vrij wat leed willen ondergaan, dan zelfs den slechtsten mensch die mij

kwaad deed, het leven te benemen. Ik geloof, dat ieder redelijk denkend

mensch, die de waarde des levens beseft, bij eenig nadenken, mij hierin

zal toestemmen.

Maar ik keer tot mijn verhaal terug. Terwijl dit gebeurde, hadden mijn

compagnon en ik met het overige volk aan boord het schip weder overeind

gehaald, en de stukken weder op zijne plaats gebragt. De konstapel

verzocht mij, de booten terug te roepen, want dat hij vuren wilde. Ik

riep hem toe, geen vuur te geven, want de timmerman zou dat wel voor hem

klaren, maar gelastte hem nog een ketel met harpuis te vuur te zetten,

waarvoor onze kok zorgde. De vijand was echter van de eerste ontvangst

zoo voldaan, dat zij niet terugkwamen, en toen degenen, die het verst af

waren, het schip vlot zagen, schenen zij het raadzaam te achten, die

onderneming op te geven. Hiermede eindigde dit koddig gevecht, en daar

wij twee dagen te voren wat rijst en groenten en brood en zestien goede

varkens aan boord hadden gekregen, besloten wij dadelijk te vertrekken,

wat er ook van komen mogt, want wij begrepen, dat wij den volgenden

morgen meer roovers om ons heen zouden zien, dan onze harpuisketel

mogelijk kon verjagen. Derhalve bragten wij dien avond alles aan boord

in orde, en waren den volgenden morgen zeilree. Nu wij op eenigen

afstand van den wal voor anker lagen, waren wij niet zoo ongerust, daar

wij gereed waren om te vechten of te vlugten, al naar het noodig was.

Den volgenden morgen gingen wij onder zeil, en vonden dat ons schip

thans geheel digt was. Wij wilden de baai van Tonking inloopen, want wij

wenschten te weten wat daar bekend was omtrent de Hollandsche schepen,

die daar geweest waren, maar omdat wij verscheidene schepen derwaarts

hadden zien stevenen, durfden wij er niet binnenloopen. Wij hielden dus

N. Oostwaarts naar het eiland Formosa, evenzeer vreezende, een Engelsen

of Hollandsch schip te zien, als een Engelsch of Hollandsch koopvaarder

in de Middellandsche zee vreest een Algerijnschen kaper te zien.

Eenmaal in volle zee zijnde hielden wij het N. Oostwaarts, alsof wij

naar Manilla of de Philippijnsche eilanden wilden stevenen, ten einde

buiten het vaarwater der Europesche schepen te blijven, en toen weder

Noordelijk tot op eene breedte van 22° 20', op welke wijze wij Formosa

bereikten, waar wij ankerden, om water en levensmiddelen in te nemen.

Wij vonden de bewoners hier zeer beleefd en zij behandelden ons zeer

eerlijk en volkomen volgens overeenkomst, wat men niet altijd in alle

landen ondervindt, en hetgeen hier misschien ontsproot uit overblijfsel

van het Christendom, dat hier eenmaal door Hollandsche zendelingen

verkondigd is. Dit bewijst wat ik overal gezien heb, dat de Christelijke

godsdienst altijd beschaving en betere zeden bewerkt, behalve hetgeen

zij tot hun eeuwig welzijn bijdraagt.

Wij zeilden vervolgens Noordwaarts en hielden het op eenen afstand van

de Chinesche kust, tot wij wisten, dat wij alle havens van China voorbij

waren, die gewoonlijk door Europeërs bezocht worden, daar wij zoo

mogelijk niet in hunne handen wilden vallen, hetgeen ons vooral in dit

land geheel of gedeeltelijk in het verderf zou gestort hebben. Ik in het

bijzonder was zoo bevreesd, van in hunne magt te geraken, dat ik liever

in die der Spaansche inquisitie had willen zijn. Op 30° gekomen,

besloten wij de eerste haven, die zich opdeed, binnen te loopen, en toen

wij op twee mijlen afstands van de kust waren, kwam een oude

Portugesche loods bij ons aan boord, om zijne dienst aan te bieden, die

wij aannamen. Zonder te vragen waar wij heen wilden, zond hij daarop

zijne boot weg, waarmede hij gekomen was. Daar ik begreep, dat wij ons

thans door den ouden man konden laten brengen, waar wij wilden, begon ik

met hem te spreken, om ons naar de golf van Nanking, het noordelijkste

punt van de kust van China, te voeren. De oude man zeide, dat hij daar

zeer goed bekend was, maar vroeg wat wij daar doen wilden. Ik zeide: er

onze lading verkoopen en er calicots, thee, ruwe en gewerkte zijde enz.

voor nemen, en zoo denzelfden weg terugkeeren. Hij antwoordde, dat de

geschiktste haven daartoe Macao geweest was, waar wij eene goede

gelegenheid voor onzen opium zouden gevonden hebben, en voor ons geld

even goede Chinesche produkten konden inkoopen als te Nanking. Ik kon

den ouden man van dit denkbeeld niet afbrengen, en zeide dus, dat wij

niet alleen om handel te drijven reisden, maar ook om de wereld te zien,

en dat wij de groote stad Peking en het vermaarde hof van den Chineschen

keizer verlangden te zien. "Wel, dan moest gij naar Ningpo gaan," zeide

de oude man, "waar de rivier, die daar in zee valt, u binnen vijf mijlen

in het groote kanaal brengt. Dit kanaal is een bevaarbaar gemaakte

stroom, die het geheele Chinesche rijk doorloopt, al de rivieren

doorkruist, met behulp van sluizen over verscheidene groote heuvels

geleid is, en tot Peking loopt, zijnde 270 mijlen lang."

"Goed," zeide ik, "maar dit is thans ons zoeken niet; de vraag is: of

gij ons naar Nanking kunt brengen, vanwaar wij later naar Peking kunnen

gaan?" Hij antwoordde van ja, en dat kort geleden nog een Hollandsch

schip derwaarts gegaan was. Dit deed mij schrikken, want wij waren thans

banger voor een Hollandsch schip dan voor den duivel. Wij waren niet in

staat het te bevechten, want hunne schepen, die daarop varen, zijn veel

grooter en sterker bemand dan het onze. De oude man zag mijne onrust en

zeide: "Gij behoeft voor de Hollanders niet te vreezen, mijnheer! want

ik geloof niet, dat zij thans met uw volk in oorlog zijn,"--"Neen,"

zeide ik, "maar wie weet wat zij doen, als zij buiten het bereik der

wetten van hun land zijn."--"Wel," zeide hij, "gij zijt geene

zeeroovers, waarvoor zoudt gij bang zijn? Zij zullen een vreedzaam

koopvaarder wel ongemoeid laten." Zoo al mijn bloed niet naar mijn

gelaat vloog bij deze woorden, was het zeker, dat het in mijne aderen

verstijfde. Ik geraakte in de grootste verwarring en de oude man

bespeurde dit dadelijk.

Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2 · 第 15 / 21 段