ik zeker altijd den moord van Madagascar, gelijk ik dien altijd noemen
zou, veroordeelde, en dat ik dit bij alle gelegenheden ronduit had te
kennen gegeven, schoon niet meer tegen hem dan tegen een ander. Het was
waar, dat ik op het schip niets te bevelen had, maar ik matigde mij ook
niets geen gezag aan, maar nam alleen de vrijheid om over zaken, die ons
allen betroffen, ronduit te zeggen wat ik dacht; dat, welk belang ik bij
de reis had, hem volstrekt niet aanging, dat ik een der reeders van het
schip was, en als zoodanig begreep het regt te hebben van te spreken, en
meer te zeggen nog dan ik gedaan had, en noch hem, noch iemand daarvan
eenige verantwoording schuldig was; en ik begon hierop warm te worden.
Hij antwoordde weinig of niets, en ik dacht dat de zaak hiermede
afgeloopen was. Wij waren toen op de reede van Bengalen, en daar ik de
plaats gaarne wilde zien, ging ik met den supercargo met de sloep aan
wal. Tegen den avond wilde ik weder naar boord gaan, toen een van het
volk naar mij toekwam, en mij zeide, dat ik mij geene moeite moest geven
om naar het strand te gaan, want dat zij orders hadden mij niet naar
boord te brengen. Op deze onbeschaamde boodschap stond ik niet weinig
verbaasd, en vroeg den man wie hem daarmede belast had. Hij zeide de
bootsman. Ik maakte hierop geene aanmerkingen, maar gelastte hem te
zeggen, dat hij mij zijne boodschap gedaan en ik er niet op geantwoord
had.
Ik zocht dadelijk den supercargo op, en zeide hem wat er gebeurd was en
wat ik er van dacht, namelijk, dat er zeker muiterij aan boord zou
komen, en verzocht hem dadelijk in eene inlandsche boot naar boord te
gaan, en er den kapitein van te verwittigen. Ik had die moeite kunnen
sparen, want voor ik hem gesproken had, was het aan boord reeds
geschied. De bootsman, de konstapel, de timmerman, en in een woord al de
onderofficiers, waren, zoodra ik vertrokken was, naar achteren gekomen
en hadden verzocht den kapitein te spreken, en daarop had de bootsman
eene lange aanspraak gedaan (want de man was zeer goed ter taal) en na
eerst alles herhaald te hebben wat hij mij gezegd had, zeide hij den
kapitein, dat daar ik nu vreedzaam aan wal was gegaan, zij geen geweld
jegens mij gebruiken wilden, hetwelk zij anders zouden hebben moeten
doen om mij van boord te krijgen. Zij achtten zich dus genoodzaakt te
verklaren, dat zij, die scheep gegaan waren onder zijn bevel, zich
getrouw van hunnen pligt zouden kwijten; maar dat, als ik niet van boord
wilde gaan, noch de kapitein er mij toe dwingen, zij allen het schip
zouden verlaten en niet verder met hem zeilen. Op het woord _allen_
keerde hij zich om, hetwelk, naar het schijnt, een vooraf beraamd sein
was, waarop al de matrozen, die bijeen stonden, riepen: "Ja, allen;
allen, iedereen!"
Mijn neef de kapitein bezat zoo wel moed als tegenwoordigheid van geest,
en schoon het voorgevallene hem zeer trof, zeide hij zeer bedaard dat
hij er over denken zou, maar dat hij niets kon doen zonder mij eerst
gesproken te hebben. Hij trachtte hun daarop het onbillijke en
onregtvaardige van hunnen eisch onder het oog te brengen, maar niets
baatte. Zij zwoeren en gaven elkander in zijn bijzijn er de hand op,
dat, zoo hij hun zijn woord niet gaf, zij mij niet zouden toelaten weder
aan boord te komen.
Dit was eene harde voorwaarde voor iemand, die zoo veel aan mij te
danken had, en niet wist hoe ik het op zou nemen; dus sprak hij hun
ernstig toe, zeide, dat ik de voornaamste reeder van het schip was, en
dat men mij niet kon beletten bij mijn eigendom te blijven; dat dit
bijkans even zoo gehandeld zou zijn als die zeeroover deed, die den
kapitein op een woest eiland zette en met het schip doorging; dat dit
hen bitter zou opbreken als zij ooit weder in Engeland kwamen, dat het
schip mij toebehoorde en hij er mij niet kon afjagen, en dat hij liever
het schip en de reis in de steek zou laten, dan mij zoo slecht te
behandelen. Echter wilde hij aan den wal gaan en er met mij over
spreken, en hij noodigde den bootsman met hem mede te gaan, ten einde te
zien de zaak te schikken.
Zij weigerden dit echter eenstemmig en zeiden, dat zij niets meer met
mij te doen wilden hebben, noch aan boord, noch aan den wal, en dat, als
ik op het schip kwam, zij allen het zouden verlaten. "Nu," zeide de
kapitein, "als dat uw voornemen is, zal ik aan den wal gaan en er met
hem over spreken." Kort nadat de bootsman mij het berigt had gebragt,
kwam hij dan ook bij mij.
Ik was zeer verheugd mijn neef te zien, want ik was bang dat zij hem met
geweld zouden aan boord houden, zeil bijzetten en met het schip
vertrekken, en dan had ik naakt en bloot in een vreemd land moeten
achterblijven. In dat geval ware ik er erger aan toe geweest, dan toen
ik alleen op het eiland was.
Gelukkig waren zij zoo ver niet gegaan, en toen mijn neef mij verhaalde
wat zij hem gezegd en hoe zij gezworen hadden, tot den laatsten man het
schip te zullen verlaten als ik aan boord kwam, zeide ik, dat hij zich
om mij niet bekommeren moest, want dat ik aan den wal zou blijven. Ik
verzocht hem alleen, dat hij zorgen zou mij al wat ik noodig had aan den
wal te zenden, en mij genoeg geld te laten, en dat ik dan, zoo goed ik
kon, zou zien hoe ik naar Engeland kwam. Dit was mijn neef niet zeer
aangenaam, maar er was niet anders te doen; hij ging dus aan boord en
zeide het volk, dat zijn oom aan hun onbescheiden verlangen had
toegegeven en zijne goederen van boord liet halen. Hiermede was de zaak
afgeloopen, het volk keerde tot zijnen pligt terug, en ik begon te
overwegen welken weg ik thans moest inslaan.
Ik was nu alleen aan het einde der wereld, gelijk ik wel zeggen mag,
want ik was ter zee drieduizend mijlen verder van Engeland dan toen ik
op mijn eiland was; het is waar, ik kon van hier te land reizen, door
het land van den grooten Mogol naar Suratte, vandaar naar Bassora te
water, de Perzische golf op, en zoo den reisweg der karavanen op, door
de Arabische woestijn naar Aleppo, en vandaar naar Italië en zoo over
land naar Frankrijk, en dit zou te zamen gerekend, zeker meer dan de
helft van den diameter des aardbols bedragen.
Een ander middel was er nog, namelijk te wachten op Engelsche schepen,
die van Sumatra naar Bengalen kwamen, en daarmede naar Engeland terug te
gaan. Maar ik was hier gekomen zonder eenige betrekking tot de
Oost-Indische compagnie, zoodat het moeijelijk zijn zou zonder haar
verlof te vertrekken, tenzij door bijzondere gunst van de kapiteins of
kooplieden van de compagnie, en bij dezen was ik geheel onbekend.
Thans had ik het hartzeer het schip te zien vertrekken zonder mij; eene
behandeling, die iemand, geloof ik, nimmer wedervaren is, dan van
zeeroovers, die het schip afliepen, en hen, die niet wilden mededoen,
hier of daar op de kust zetten. Mijn geval verschilde hiervan niet veel.
Echter liet mijn neef mij twee bedienden, of liever lotgenooten, achter,
de een was de onderschrijver, dien hij overreed had, om bij mij te
blijven, en de andere was zijn eigen knecht. Ik nam mijnen intrek in het
huis van eene Engelsche vrouw, waar verscheidene kooplieden logeerden,
doch slechts een Engelschman. Hier had ik het zeer goed, en ten einde
niets overijld te doen, bleef ik hier negen maanden, alvorens ik tot een
besluit kwam, wat ik doen en hoe ik verder trekken zou. Ik had eenige
Engelsche goederen van groote waarde en vrij wat geld bij mij, daar mijn
neef mij duizend stukken van achten en een kredietbrief voor meer
achtergelaten had, ten einde ik in geen geval geldgebrek zou hebben.
Ik ontdeed mij spoedig en zeer voordeelig van al mijne goederen, en
gelijk ik altijd voornemens was geweest, kocht ik er eenige fraaije
diamanten voor, dat in mijne omstandigheden het best was, omdat ik dan
altijd mijne bezittingen kon medevoeren.
Na lang hier gebleven te zijn, zonder dat het mij gelukte, eene
gelegenheid naar Engeland te vinden, die mij aanstond, kwam op eenen
morgen de Engelsche koopman bij mij, die in hetzelfde huis logeerde, en
met wien ik bevriend was geraakt. "Landsman!" zeide hij, "ik heb u eenen
voorslag te doen, welke ik vertrouw, dat u even goed zal aanstaan, als
hij mij doet, nadat gij er goed over nagedacht zult hebben. Hier zijn
wij geposteerd, gij bij toeval en ik uit eigene verkiezing, in een deel
der wereld, dat zeer ver van ons vaderland verwijderd is, maar waar door
ons, die verstand van zaken hebben, vrij wat geld te verdienen is. Als
gij duizend pond wilt toeleggen, even als ik, zullen wij het eerste het
beste schip huren, dat wij krijgen kunnen; gij zult kapitein en ik
koopman zijn, en wij zullen een reisje naar China doen. Waarom zouden
wij stilzitten? De wereld en alle schepselen Gods, die er op zijn, de
hemelligchamen zelfs, zijn allen vol beweging en leven. Waarom zouden
wij alleen werkeloos zijn? Er zijn op Gods aardbodem geene andere
luiaards dan menschen. Waarom zouden wij ons daaronder scharen?"
Deze voorslag smaakte mij zeer, vooral omdat hij op eene zoo goedhartige
en minzame wijze gedaan werd. Ik zal niet zeggen, dat mijne
omstandigheden mij te geschikter voor eenen handelstogt maakten, want de
koophandel was eigenlijk mijn element niet. Maar was deze mijn element
niet, het zwerven wel, en dus moest iedere voorslag, om eenig deel der
wereld te zien, dat mij nog onbekend was, mij smaken. Het duurde echter
eenigen tijd, voordat wij een schip naar ons genoegen konden vinden, en
toen wij dit hadden, was het niet gemakkelijk, om zooveel Engelsche
matrozen te verkrijgen, als noodig waren, om de reis te kunnen doen en
de overige matrozen, die wij hier en daar opraapten, in bedwang te
houden. Na eene poos kregen wij een stuurman, een bootsman en een
konstapel, alle drie Engelschen; een Hollandsche timmerman en drie
Portugezen voor eerste matrozen; met deze meenden wij het wel te kunnen
doen, daar wij overigens Hindoes namen, om de verdere bemanning uit te
maken.
Zooveel reizigers hebben hunne togten en lotgevallen beschreven, dat het
weinigen smaken zou, hier een breed verhaal van de plaatsen, die wij
bezochten, en derzelver bewoners te ontvangen. Ik laat het aan anderen
over, naar wier werken ik mijne lezers verwijs. Alleen zal ik zeggen,
dat wij eerst Achim op het eiland Sumatra aandeden, en vandaar naar Siam
gingen, waar wij eenige onzer goederen voor opium en arak verruilden;
daar het eerste bij de Chinezen zeer duur betaald wordt en toen juist
zeer schaars was. Om kort te gaan, wij gingen naar Susam, deden eene
zeer groote reis, bleven acht maanden uit, en keerden naar Bengalen
terug, zeer tevreden over onze reis. In Engeland verwondert men zich
dikwijls, hoe de beambten en kooplieden der Oost-Indische compagnie, in
zoo goeden doen geraken en dikwijls met zeventig, ja honderdduizend pond
Sterl. huiswaarts keeren. Maar dit is gemakkelijk te begrijpen, als men
nagaat, dat op al die plaatsen en markten, waar Engelsche schepen komen,
gestadig vraag is naar de voortbrengselen van andere landen, zoowel als
retourgoederen voor de tehuisreis.
Wij hadden gelijk ik zeide, eene voordeelige reis, en door onze eerste
onderneming zooveel geld gewonnen, en ik zooveel inzigt in de wijze van
handel drijven, dat, ware ik twintig jaren jonger geweest, ik in
verzoeking zou gekomen zijn, om daar te blijven en mijne fortuin te
maken. Maar waartoe zou dit dienen bij iemand, die boven de zestig jaren
oud was, geld genoeg bezat, en meer reisde uit eene onbedwingbare zucht
om de wereld te zien, dan uit hebzucht, en waarlijk ik mag die zucht wel
onbedwingbaar noemen, want te huis verlangde ik op reis te zijn, en in
een vreemd land verlangde ik naar huis. Ik herhaal het, wat baatte mij
de winst? Ik was rijk genoeg, en verlangde niet naar schatten; derhalve
was het voordeelige van de reis voor mij geene drangreden, om mij tot
verdere ondernemingen aan te zetten, en ik achtte zelfs deze reis als
zonder gewin voor mij, omdat ik tot de plaats, vanwaar ik vertrokken
was, was teruggekeerd, alsof daar mijn vaderland was, terwijl mijn oog,
dat, gelijk dat waarvan Salomo spreekt, onverzadigbaar was van zien,
maar altijd verlangde om meer te zwerven en te zien. Ik was in een deel
der wereld gekomen, waar ik vroeger nimmer geweest was, en van hetwelk
ik vooral veel gehoord had, en had besloten, er van te zien zooveel als
ik kon, dan meende ik, had ik al het bezienswaardige in de wereld
gezien.
Mijn compagnon bezag de zaken uit een ander oogpunt. Ik zeg dit niet, om
het mijne te verdedigen, want het zijne was het beste en het meest voor
eenen koopman geschikt, die, als hij op avontuur uitgaat, verstandig
handelt als hij zich houdt aan hetgeen waarschijnlijk hem het meeste
voordeel zal geven. Mijn nieuwe vriend hield zich aan het wezen van de
zaak, en zou even als een paard in eenen molen, altijd denzelfden kring
hebben willen rondloopen, mits hij er zijne rekening bij vond; aan den
anderen kant was mijne denkwijze, hoe oud ik ook was, die van eenen
dollen jongen, die als hij eens iets gezien heeft, er dadelijk van
verzadigd is.
Maar dit was niet alles. Ik verlangde vurig digter bij mijn vaderland te
zijn, en kon volstrekt tot geen besluit komen, welken weg daartoe in te
slaan. Terwijl ik hierover nadacht, stelde mijn vriend, die altijd om
zijne zaken dacht, mij eene andere onderneming voor, naar de
Specerij-eilanden, en om van de Manilla's of dien kant uit, eene lading
nagelen mede te brengen. Wel handelen de Hollanders op deze plaatsen,
maar zij behooren gedeeltelijk aan de Spanjaarden. Wij gingen echter zoo
ver niet, maar naar eenige andere, waar hunne magt niet zoo gevestigd
is, als te Batavia, Ceylon enz. De toebereidselen tot deze reis waren
spoedig gedaan, de grootste zwarigheid was alleen om er mij toe over te
halen. Daar echter niets anders zich voordeed en ik ondervond, dat
reizen en handelen met eene zoo groote, en ik mag zeggen, zekere winst,
aangenamer en streelender was dan stil zitten, dat vooral voor mij, het
rampzaligste leven was, besloot ik ook deze reis mede te doen. Wij
volbragten die reis gelukkig, legden te Borneo aan, en op verscheidene
eilanden, wier namen mij ontgaan zijn, en kwamen binnen vijf maanden
terug. Onze specerijen, die voornamelijk in nagelen en eenige
notenmuskaat bestonden, verkochten wij aan Perzische kooplieden, die ze
naar de golf voerden, en daar wij vijf malen ons kapitaal terug
ontvingen, wonnen wij inderdaad veel geld.
Toen mijn compagnon de rekening opgemaakt had, zeide hij, glimlagchend
en als om mijne onverschilligheid te hekelen: "Welnu, is dat nu niet
beter dan hier rond te loopen als iemand, die niets te verrigten heeft,
en onzen tijd te verkwisten met den onzin en domheid der heidenen aan te
gapen?"--"Ik geloof waarlijk van ja, mijn vriend!" antwoordde ik, "en ik
begin de leerstellingen der kooplieden te omhelzen; maar ik moet u
zeggen," vervolgde ik, "gij weet niet wat ik doen kan, want als ik er
lust in krijg en met hart en ziel er deel in neem, zal ik, zoo oud als
ik ben, u de wereld doorslepen, tot gij er uw bekomst van hebt, want ik
zal het zoo ijverig aanleggen, dat gij geen oogenblik zult stilzitten."
Doch om voort te gaan. Eene poos daarna kwam een Hollandsen schip van
Batavia binnen; het was geschikt voor reizen langs de kust en niet naar
Europa, en van ongeveer tweehonderd ton. Het volk gaf voor, dat zij
zooveel aan ziekte geleden hadden, dat de kapitein geen volk genoeg had,
om weder naar zee te gaan, en daarom binnengeloopen was, en hetzij dat
hij geld genoeg had of om andere redenen naar Europa verlangde, hij
maakte openlijk bekend, dat hij zijn schip wilde verkoopen. Dit kwam mij
vroeger ter oore dan mijn compagnon, en ik kreeg lust het te koopen. Ik
ging dus naar hem toe en sprak er hem over. Hij dacht eene poos er over
na, want hij overijlde zich nooit, en zeide eindelijk: "Het is wel wat
groot; maar wij zullen het nemen." Diensvolgens kochten wij het schip,
betaalden het, en namen er bezit van. Toen dit afgeloopen was, besloten
wij, om aan het volk te vragen, of zij met onze matrozen bij ons dienst
wilden nemen, maar plotseling waren zij allen verdwenen, nadat zij,
gelijk wij later vernamen, niet alleen hunne gagie, maar ook hun aandeel
van den koopprijs hadden ontvangen. Wij deden veel navraag naar hen, en
eindelijk zeide men ons, dat zij allen over land naar Agra, waar de
groote mogol zijn verblijf hield, waren gegaan, en van daar naar
Suratte, en zoo te scheep naar de Perzische golf trokken.
Niets speet mij eenen geruimen tijd zoo zeer, dan dat ik de gelegenheid
van met hen te gaan, had verzuimd, want zulk eene reis, in een
gezelschap, dat mij zoowel tot bescherming als tot genoegen verstrekt
zou hebben, zou juist met mijne wenschen gestrookt hebben. Ik zou dan de
wereld gezien hebben, en tevens huiswaarts gekeerd zijn. Maar eenige
dagen later dacht ik er anders over, toen ik vernam, wat het voor knapen
waren, want de man, dien zij kapitein noemden, was slechts de konstapel.
Zij waren op eene reis door eenige Maleijers aangevallen, die den
kapitein en drie van zijn volk gedood hadden. Nadat deze gesneuveld
waren, besloten de overigen aan boord, elf in getal, met het schip door
te gaan, gelijk zij deden, en het in de baai van Bengalen bragten,
terwijl zij den stuurman met vijf man aan den wal achterlieten, van
welke wij later meer zullen hooren.
Doch hoe zij ook aan het schip kwamen, wij geraakten er op eene eerlijke
wijze aan, naar wij meenden, schoon wij misschien dat wat scherper
hadden moeten onderzoeken, want zoo wij de matrozen ondervraagd hadden,
zouden zij elkander zeker tegengesproken en ons grond tot achterdocht
gegeven hebben; maar de kapitein toonde ons eene overdragt van het schip
op zekeren Emanuel Kloosterhoven (waarschijnlijk alles valsch) en gaf
voor, dat hij zoo heette. Wij konden hem niet tegenspreken, en daar wij
wat onvoorzigtig waren, of liever in het geheel geen kwaad vermoeden
hadden, sloten wij den koop.
Wij namen vervolgens nog eenige Engelsche en Hollandsche matrozen aan,
en besloten nu tot eene tweede reis, om specerijen naar de
Philippijnsche en Moluksche eilanden; en om den lezer niet met
beuzelingen te vermoeijen, ik bragt in het geheel in dit werelddeel zes
jaren door met van de eene haven naar de andere te varen, en ging nu in
het laatste jaar met mijnen compagnon op reis naar China, doch eerst
zouden wij Siam aandoen om rijst in te koopen. Tegenwinden noodzaakten
ons hier eenen langen tijd in de engte van de Molucco's en tusschen de
andere eilanden te kruisen, doch naauwelijks waren wij uit dit
moeijelijke vaarwater of wij vonden dat het schip lek was, zonder dat
wij bij mogelijkheid konden vinden, waar dit lek zat. Hierdoor waren wij
verpligt, om eene haven op te zoeken, en mijn compagnon, die hier beter
dan ik bekend was, gelastte den kapitein de rivier Cambodia op te varen,
want ik had een Engelschen stuurman, zekeren Thomson, kapitein gemaakt,
omdat ik geen lust had, om zelf het gezag te voeren. De rivier ligt
noordwaarts van de golf of baai die tot Siam zich uitstrekt.
Terwijl wij hier lagen en dikwijls om ververschingen naar den wal
gingen, ontmoette ik daar eens een Engelschman, naar het scheen,
konstapelsmaat op eenen Engelschen Oost-Indiëvaarder, die op dezelfde
rivier digt bij Cambodia ten anker lag. Hij kwam naar mij toe, en sprak
mij in het Engelsch aan, zeggende: "Mijnheer! wij zijn onbekend, maar ik
heb u iets te zeggen, dat van veel belang voor u is." Ik zag hem strak
aan, en dacht eerst, dat ik hem kende, maar dat was zoo niet. "Zoo het
iets van belang voor mij en niet voor u is," zeide ik, "wat beweegt u
dan, om het mij te zeggen?"--"Het groot gevaar, waarin gij u bevindt,
en dat gij, naar ik meen te zien, geheel niet vermoedt, treft mij,"
hernam hij.--"Ik weet niet in welk gevaar ik mij bevinden zou," zeide
ik, "behalve dat mijn schip een lek heeft, dat ik niet vinden kan, maar
ik denk het morgen op zijde te halen, en te zien of ik het vinden
kan."--"Lek of niet, gij zult wel wijzer doen, dan uw schip morgen hier
te laten, als gij gehoord hebt, wat ik u zeggen zal," hernam hij. "Weet
gij wel, dat de stad Cambodia slechts vijftien mijlen van hier ligt, en
dat er vijf mijlen aan deze zijde twee groote Engelsche en drie
Hollandsche schepen liggen?"--"Wel, wat gaat mij dat aan?" hernam
ik.--"Waarlijk, mijnheer!" antwoordde hij, "iemand, die op zulke
avonturen uitgaat als gij, is het niet geraden, om eene haven binnen te
loopen, zonder eerst te onderzoeken welke schepen daar zijn, en of hij
in staat is, om ze het hoofd te bieden. Ik geloof niet, dat gij tegen
hen opgewassen zijt." Ik lachte over deze woorden, die mij geene zorg
baarden, want ik kon niet vatten wat hij meende, dus zeide ik eenigzins
scherp: "Ik wenschte wel, dat gij duidelijker spraakt, mijn vriend!
waarom zou ik bang zijn voor eenig kompagnies of Hollandsen schip; ik
ben geen smokkelaar. Wat kunnen zij tegen mij hebben?"
Hij zette een misnoegd gelaat; doch zeide na eene poos zwijgens, met
eenen glimlach: "Welnu, mijnheer! als gij u veilig acht, moogt gij
afwachten wat er komen zal. Het spijt mij, dat gij blind zijt voor
goeden raad, maar wees verzekerd, dat zoo gij niet dadelijk in zee
steekt, gij met het volgende getij door vijf groote booten vol volks
zult aangevallen worden; en als gij misschien genomen mogt worden, zal
men u als een zeeroover ophangen en daarna uw proces opmaken. Ik had
gedacht," vervolgde hij, "dat gij een berigt van zulk eene belangrijke
zaak anders zoudt hebben opgenomen."--"Ik ben nimmer ondankbaar,"
antwoordde ik, "voor eenige dienst, noch jegens iemand, die mij eene
dienst doet, maar ik begrijp niet, hoe zij zulk een oogmerk tegen mij
kunnen hebben. Daar gij echter zegt, dat er geen tijd te verliezen is,
en dat er een schelmsch voornemen bestaat, zal ik dadelijk aan boord
gaan en in zee steken, als mijn volk het lek kan stoppen of wij zonder
dat zee kunnen bouwen. Maar," vervolgde ik, "ik zou gaarne de reden
hiervan weten. Kunt gij mij hieromtrent geene opheldering geven?"
"Slechts gedeeltelijk, mijnheer!" zeide hij, "maar ik heb een Hollandsen
zeeman bij mij, en ik geloof, dat hij u wel alles zal willen verhalen,
maar er is naauwelijks tijd toe. De hoofdzaak echter is deze, waarvan
het begin u wel bekend zal zijn, namelijk dat gij met dit schip te
Sumatra geweest zijt, dat daar uw kapitein met drie of vier man door de
Maleijers vermoord is geworden, en dat gij, of eenigen die met u daar
aan boord waren, met het schip doorgingen, en sedert zeeroof gepleegd
hebben. Dit is de hoofdinhoud der zaak; en gij zult allen als zeeroovers
opgepakt en zonder vele pligtplegingen opgehangen worden, want gij weet,
dat koopvaarders den zeeroovers een kort proces aandoen, als die in
hunne handen vallen."
"Nu spreekt gij rond en duidelijk," zeide ik, "en ik bedank u, en schoon
ik weet, dat wij niets van dit alles bedreven hebben, maar op eene
eerlijke wijze aan dit schip gekomen zijn, zal ik echter op mijne hoede
zijn als er zoo iets gebeurt, en daar gij het eerlijk schijnt te
meenen."--"Spreek niet van op uwe hoede te zijn, mijnheer!" zeide hij,
"uwe beste handelwijze is het gevaar te ontwijken. Zoo gij op uw leven
en op dat van uw volk eenigen prijs stelt, zoo kies de ruimte, zoodra
het hoogwater is, en daar gij een geheel getij voor u hebt, zult gij al
ver in zee zijn, voordat zij bij u kunnen komen, en daar zij twintig
(Eng.) mijlen moeten afleggen, wint gij bovendien twee uren door het
verschil van het getij, en daar zij slechts met sloepen afkomen, zullen
zij u niet te ver in zee kunnen volgen, vooral als het wat waait."--"Ik
heb waarlijk veel verpligting aan u," zeide ik, "hoe zal ik u dit
vergelden?"--"Spreek daarvan niet, mijnheer!" zeide hij, "zoolang gij
niet weet, of het waarheid is wat ik u gezegd heb. Ik zal u iets
voorstellen. Ik heb negentien maanden gagie te goed op het schip,
waarmede ik uit Engeland ben gekomen, en de Hollander, die bij mij is,
zeven maanden. Zoo gij ons deze geven wilt, zullen wij met u gaan, en
zoo gij overtuigd wordt, dat wij uw leven en dat van uw volk en de
lading gered hebben, laten wij de meerdere belooning aan u over."