gedood, zoo als hij uit de tent, die wij gemaakt hadden, te voorschijn
kwam; de overigen bragten er het leven af, behalve de kerel, die het
geheele onheil veroorzaakt had, en zijn lust duur genoeg boette, want
wij hoorden niets van hem. Wij bleven, schoon de wind gunstig was, twee
geheele dagen liggen, en deden seinen voor hem, en lieten onze booten
het strand verscheidene mijlen ver op en neder zeilen, maar alles
vergeefs. Dus moesten wij het opgeven, en zoo hij er alleen voor geleden
had, ware het verlies zoo groot niet geweest.
Ik had echter geen rust voor ik nogmaals aan den wal beproefd had iets
van zijn lot te vernemen. Den derden nacht na het gevecht verlangde ik
volstrekt te weten wat kwaad wij hen gedaan hadden, en hoe de zaken bij
de Indianen stonden. Ik zorgde het in den nacht te doen, ten einde wij
geen gevaar van een nieuwen aanval liepen, maar ik had mij ook moeten
verzekeren, dat ik volkomen gezag had over het volk, dat ik medenam,
alvorens ik mij op een togt waagde, die zoo gevaarlijk was, en zoo
heilloos afliep, als zonder mijn weten of wensch gebeurde.
De supercarga en ik namen twintig van de moedigste matrozen mede, en wij
landden twee uren voor middernacht op dezelfde plaats, waar de Indianen
tijdens het gevecht gestaan hadden. Ik landde juist hier, omdat ik
hoofdzakelijk verlangde te zien of zij het veld geruimd en eenige
teekens hadden achtergelaten van het door ons gestichte onheil; en ik
hoopte, dat zoo wij soms een of twee hunner gevangen konden maken, wij
deze misschien voor onzen matroos zouden kunnen uitwisselen. Wij landden
in de diepste stilte, en verdeelden het volk in twee hoopen; de een
onder mijn bevel, de andere onder dat van den bootsman. Wij zagen noch
hoorden een spoor van eenig menschelijk wezen, dus trokken wij op
eenigen afstand van elkander tot naar de plaats van het gevecht. In den
beginne belette de duisternis ons iets te zien, maar verder op
struikelde de bootsman, die vooruit ging, een paar malen over een lijk.
Hierdoor wetende, dat dit de plek was waar de Indianen gestaan hadden,
hielden zij halt en wachtten mij af. Wij besloten te wachten tot de maan
opkwam, hetgeen binnen een uur zou geschieden, en toen zagen wij
duidelijk de door ons aangerigte vernieling. Wij telden tweeëndertig
lijken op het slagveld, waaronder twee die nog niet geheel dood waren.
Sommigen waren een arm, anderen een been, en een het hoofd geheel
afgeschoten. De gewonden schenen zij medegevoerd te hebben.
Na alles ontdekt te hebben, wat ik begreep te kunnen ontdekken, wilde ik
naar boord keeren, maar de bootsman en zijn volk lieten mij zeggen, dat
zij besloten hadden het dorp op te zoeken, waar die schelmen, gelijk zij
hen noemden, woonden, en verzocht mij mede te gaan; want vonden zij al
hen niet, dan vonden zij toch zeker een rijken buit, en misschien wel
Tom Jeffries, zoo als de man heette dien wij verloren hadden.
Hadden zij mij om verlof gevraagd, dan had ik hun dadelijk bevolen naar
boord te keeren, wetende, dat het ons niet betaamde dit gevaar te
loopen, aan wie een schip en zijne lading toevertrouwd waren, en die
eene reis te doen hadden, waartoe het leven van het volk van het hoogste
belang was; maar daar zij mij lieten weten dat zij gaan wilden, en mij
en mijn volk alleen verzochten mede te gaan, weigerde ik dit ronduit, en
stond op, want ik zat op den grond, om naar de boot te gaan. Een of twee
van mijn volk vielen mij lastig om hen mede te laten gaan, en toen ik
dit ook weigerde, begonnen zij te morren, zeiden, dat zij niet onder
mijn bevel stonden, en dat zij toch zouden gaan. "Ik ten minsten ga,"
zeide een hunner, "kom Jack, gaat gij mede?"--Jack zeide ja, en toen
volgde een ander en toen nog een, en om kort te gaan, allen verlieten
mij op een na, dien ik, en dat nog met veel moeite, overreedde te
blijven, waarop ik met hem en den supercarga naar de sloep ging, waar ik
de anderen gezegd had, dat ik op hen wachten zou, en trachten zou
zooveel van hen in te nemen als heelhuids terug kwamen; want ik hield
hen voor dat zij eene dwaasheid begingen, en naar het scheen hetzelfde
lot als Tom Jeffries wilden ondergaan.
Als echte matrozen zeiden zij, dat alles zeker goed afloopen zou, dat
zij daarvoor instonden, dat zij zeer voorzigtig zouden zijn, enz., en
daarmede gingen zij heen. Ik smeekte hen om het schip en de reis te
denken, en dat deze eenigermate aan hen toevertrouwd was; dat zoo hun
een ongeluk overkwam, het schip uit gebrek aan volk kon verongelukken,
en dat zij dit voor God noch menschen konden verantwoorden. Ik voegde er
nog veel bij, maar had even goed tegen den grooten mast kunnen spreken;
zij waren als verzot op den togt, doch gaven mij goede woorden,
beloofden dat zij uiterst voorzigtig en zeker binnen een uur terug
zouden zijn, want het dorp lag volgens hun zeggen, geen half uur
vandaar; schoon zij later ondervonden, dat het twee mijlen ver was. Zij
vertrokken dan op deze dolzinnige onderneming, en om hun regt te laten
wedervaren, even voorzigtig als moedig. Zij waren zekerlijk goed
gewapend, ieder had een geweer, een bajonet en een pistool; sommigen
hadden sabels en anderen enterbijlen, en bovendien hadden zij twaalf of
dertien handgranaten. Nimmer gingen moediger kerels op slechter
onderneming uit. Hun hoofddoel was plunderen, en zij hoopten er veel
goud te vinden; doch een onvoorzien toeval maakte hunne wraakzucht
gaande, en hen tot baarlijke duivels.
Aan de plaats gekomen, waar zij het dorp dachten te vinden, en die geen
half uur ver was, zagen zij zich teleurgesteld door slechts eenige
weinige hutten te vinden, en nu wisten zij niet waar en hoe groot het
dorp was. Zij beraadslaagden eenigen tijd of zij dit gehucht zouden
overrompelen. In dat geval moesten zij al de inwoners van kant maken, en
het was tien tegen een dat er een ontsnapte, die hun weldra uit het
naaste dorp een geheel leger op den hals kon zenden. Zoo zij aan den
anderen kant verder gingen, en de Indianen hier lieten slapen, wisten
zij niet hoe het dorp te vinden. Eindelijk besloten zij er toch toe en
gingen wat verder, tot zij eene koe aan een boom gebonden vonden. Deze
besloten zij hun tot gids te laten dienen, want, zeiden zij, de koe
behoort in het dorp voor ons of achter ons te huis; als wij haar los
maken en zij gaat terug, laten wij haar gaan, maar gaat zij verder dan
volgen wij haar. Zij sneden dus de koord van gevlochten takken los, en
de koe ging voorwaarts, en bragten hen zoo regt naar het dorp, dat
volgens hen uit tweehonderd huizen of hutten bestond, in sommige waarvan
verscheidene huisgezinnen woonden.
Alles was daar even gerust in slaap, en zij hielden op nieuw krijgsraad,
en besloten eindelijk zich in drie hoopen te verdeelen, en drie huizen,
op drie verschillende plaatsen in brand te steken, en als het volk naar
buiten kwam, hen te grijpen en te binden, en zoo zij zich verweerden
wist ieder wat hem te doen stond; en dan zouden zij de overige huizen
plunderen. Zij besloten echter eerst in stilte het dorp door te trekken,
om te zien hoe groot het was, en of zij ook beter zouden doen met af te
trekken. Dit deden zij, en besloten daarop tot den aanval; maar terwijl
zij nog bijeen stonden, waren drie wat vooruitgetrokken en riepen thans,
dat zij Thomas Jeffries gevonden hadden. Zij liepen allen derwaarts en
het was ook zoo, want zij vonden den rampzalige naakt uitgeschud, met
afgesneden hals, aan een arm hangende. Digt daarbij was een hut, waarin
zestien of zeventien Indianen zaten, waaronder twee of drie, die door
onze kogels getroffen waren geworden, en zij hoorden deze tot elkander
spreken.
Het gezigt van hunnen ongelukkigen, mishandelden makker, maakte hen zoo
verwoed, dat zij zwoeren hem te zullen wreken, en geen Indiaan, die in
hunne handen viel, kwartier te geven. Zij gingen echter niet zoo
onbesuisd te werk als men van hunne razende woede zou verwacht hebben.
Eerst zochten zij een en ander bijeen, dat spoedig vuur vatten kon, maar
zij vonden dat dit niet noodig was, daar de meeste huizen zeer laag en
met biezen en dorre takken bedekt waren, derhalve maakten zij van eenig
vochtig kruid een loop, en binnen een kwartier uurs stond het dorp op
vier of vijf plaatsen in brand, vooral het huis waar de Indianen hadden
zitten praten. Zoodra de vlammen uitsloegen, wilden de verschrikte
wilden naar buiten vlugten, maar vonden den dood aan den ingang, waar
de bootsman zelf twee hunner met zijne bijl velde. Daar het huis groot
en er veel volk in was, wilde hij er niet ingaan, maar wierp er een
handgranaat in, die bij de uitbarsting bijkans allen doodde die daar
binnen waren, behalve twee of drie, die aan de deur gekomen met de
bajonet afgemaakt werden. Er was een ander vertrek daar, waarin hun
koning of vorst zich met verscheidene anderen bevond, en deze hielden
zij met geweld binnen, tot dat het brandende dak instortte, en zij in de
vlammen omkwamen.
Zij hadden middelerwijl nog geen schot gedaan, omdat zij het volk niet
spoediger wilden wakker maken, dan zij hen konden vermeesteren, maar de
snel voortgaande vlam deed hen spoedig genoeg ontwaken, en was zoo
hevig, dat zij naauwelijks op den grond konden loopen, echter waren zij
genoodzaakt den loop des vuurs te volgen. Zoodra dus de vlammen de
bewoners uit hunne huizen dreven, stonden de onzen gereed om hen af te
maken, terwijl zij elkander aanhoudend toeriepen: "Denk om Tom
Jeffries!"
Ik was, terwijl dit gebeurde, in de grootste ongerustheid, en vooral
toen ik de vlammen zag opstijgen; die in de duisternis vlak bij ons
schenen te zijn. Mijn neef de kapitein, dien men bij het zien der
vlammen gewekt had, was ook niet weinig ongerust, daar hij niet wist hoe
de zaken stonden of in welk gevaar ik mij bevond, vooral toen hij ook
hoorde schieten, want zij begonnen nu ook hunne geweren te gebruiken.
Hij stond duizend angsten uit, wat er van mij en den supercarga geworden
was. Eindelijk, niet wetende in wat nood wij waren, liet hij, schoon hij
al zijn volk hoog noodig had, dertien man in eene andere sloep gaan, en
ging zelf met hen naar den wal.
Hij zag vreemd op, toen hij mij met den supercarga en slechts twee
matrozen in de boot vond, maar verlangde even hard als ik te weten wat
er omging, want het getier hield aan en de vlammen werden steeds
heviger. In zulk een geval is het bijkans onmogelijk het verlangen te
wederstaan, om te weten wat er gebeurt en zijn volk te hulp te komen, en
de kapitein zeide mij, dat hij, het kostte wat het wilde, zijn volk
bijstand wilde bieden. Ik hield hem, even als vroeger het volk, het
behoud van het schip, het gevaar dat hij liep en het belang der reeders,
voor; en zeide, dat ik met de twee mannen op verkenning wilde uitgaan en
hem berigt brengen. Maar ik had even goed spreken tegen mijn neef als
vroeger tegen het volk. Hij wilde gaan, zeide hij, en hij wenschte dat
hij slechts tien man aan boord gelaten had; want hij wilde zijn volk
niet uit gebrek aan hulp laten omkomen; liever, zeide hij, het schip, de
reis en zijn eigen leven er bij in te schieten, en daarmede vertrok hij.
Gelijk ik hen niet had kunnen overreden om niet te gaan, zoo kon ik mij
zelven thans evenmin bedwingen om mede te gaan. De kapitein gelastte dus
twee man met de pinnas terug te roeijen, en nog twaalf man van boord te
halen, terwijl de groote boot voor anker bleef liggen, en dat als zij
terug kwamen zes man op de booten zouden passen en zes ons volgen,
zoodat hij slechts zestien man op het schip liet, want de geheele
equipaadje bestond uit zesenvijftig man, waarvan twee bij den eersten
twist, die al het onheil te weeg bragt, gesneuveld waren.
Eens op weg dachten wij er weinig aan een pad te zoeken, maar gingen
regt op de vlammen aan. Had eerst het schieten ons verontrust, thans
waren de jammerkreten van het arme volk van een geheel anderen aard, en
deden ons bloed verstijven van ijzing. Ik had zeker nimmer het
stormenderhand innemen en verbranden van eene stad bijgewoond, maar ik
had van Cromwell's wreedheden in Ierland en van Tilly's plundering van
Maagdenburg gehoord, maar nimmer vroeger van die zaken eenig besef
gehad; ook is het niet mogelijk die te beschrijven of de ontzetting, die
het hooren daarvan ons aanjaagt.
Wij gingen echter verder en kwamen eindelijk aan het dorp, schoon de
vlammen ons beletten er binnen te gaan. Het eerst wat wij zagen was eene
hut in puin of liever in de asch, want het vuur had haar geheel
verteerd, en daar voor lagen de lijken van vier mannen en drie vrouwen,
en wij meenden nog een of twee in het vuur te zien. Kortom wij troffen
zoo veel blijken aan van onmenschelijke woede en wraakzucht, dat wij het
onmogelijk hielden, dat ons volk die allen had kunnen bedrijven; of
anders hadden allen naar ons gevoelen den gruwelijksten dood verdiend.
Doch dit was niet alles; voor ons uit vermeerderden de vlammen en tevens
de kreten, zoodat wij volstrekt niet begrepen wat er gaande was. Een
weinig verder gekomen zagen wij tot onze verbazing drie naakte gillende
vrouwen ons als razenden voorbij vlugten, gevolgd door zestien of
zeventien inboorlingen, met drie van onze Engelsche moordenaars achter
hen, die, daar zij hen niet konden inhalen, op hen vuurden, en een voor
onze oogen doodschoten. Toen de anderen ons zagen hielden zij ons ook
voor vijanden, van wie hun een gelijk lot te wachten stond als van de
anderen, en zij begonnen allerakeligst te gillen, vooral de vrouwen, en
twee hunner vielen neder als of zij reeds werkelijk dood waren.
Mijn bloed verstijfde toen ik dit zag, en ik geloof dat, zoo de drie
Engelsche matrozen, die hen vervolgden, bij ons gekomen waren, ik mijn
volk op hen zou hebben laten vuren. Wij gaven echter de arme
vlugtelingen te kennen, dat wij hun geen kwaad wilden doen, en dadelijk
kwamen zij naar ons toe, knielden met opgeheven handen, en hieven een
droevig gejammer om bescherming aan, die wij hun door gebaren beloofden,
waarop zij zich digt achter ons voegden. Ik liet mijn volk in orde
oprukken en gelastte hun niemand kwaad te doen, maar zoo mogelijk
eenigen van ons volk te bereiken, en te zien van welken duivel zij
bezeten waren, wat zij wilden, en hun te gelasten het moorden te staken
en te verzekeren, dat zij met het aanbreken van den dag honderdduizend
wilden om hen heen zouden hebben, en ik begaf mij met een paar lieden
onder de vlugtelingen, waar ik een jammerlijk schouwspel ontwaarde.
Sommigen hadden zich, bij het redden uit de vlammen, vreesselijk
gebrand, anderen waren bovendien door de onzen gekwetst, en een man, die
een kogel door het lijf had ontvangen, stierf terwijl ik er bij stond.
Ik had gaarne de aanleidende oorzaak van dit alles willen vernemen, maar
kon van hunne woorden niets begrijpen, schoon ik uit hunne teekens
opmaakte, dat zij er zelf niets van wisten. Ik was zoo verbitterd over
dezen onmenschelijken aanval, dat ik het hier niet langer uithouden
kon, maar naar mijn volk terug ging. Ik zeide hun mijn voornemen en
gelastte hun mij te volgen, toen op dat oogenblik vier onzer matrozen
onder aanvoering van de bootsman kwamen aanloopen, over hoopen van door
hen vermoorde wilden, geheel met bloed en stof bedekt, alsof zij naar
nog meer moorden verlangden. Ons volk riep hen toe zoo luid zij konden,
en deden zich eindelijk met veel moeite hooren, zoodat zij ons herkenden
en naar ons toekwamen.
Zoodra de bootsman ons zag riep hij hoezee, omdat hij dacht hulpbenden
te zien, en zonder te wachten dat ik iets zeide, riep hij: "Kapitein, ik
ben blijde dat gij gekomen zijt, wij hebben nog niet half gedaan. Die
honden, die helsche schurken! Ik zal er zoo veel doodslaan als de arme
Tomas haren op het hoofd had. Wij hebben gezworen geen hunner te sparen,
wij willen hunne geheele natie van den aardbodem verdelgen!" en zoo ging
hij voort, hijgende van drift, zonder dat ik er een woord tusschen kon
voegen.
Eindelijk verhief ik mijne stem om hem te overschreeuwen. "Barbaarsche
schelm, wat doet gij?" zeide ik. "Ik verbied u, op doodstraffe, nog een
van het leven te berooven. Blijf hier en houd uwe handen voor u, als gij
uw leven lief hebt, dat gelast ik u, of gij zijt zelf in twee minuten
een lijk."
"Wel mijnheer," zeide hij, "weet gij wel wat gij doet of wat zij gedaan
hebben. Wilt gij de reden weten van onze handelingen, kom hier," en
daarmede bragt hij mij bij den armen kerel, die met afgesneden strot aan
een boom hing.
Ik moet bekennen, dat ik toen zelf warm genoeg werd en op een anderen
tijd misschien de voorste onder hen zou geweest zijn; maar ik begreep
dat zij hunne wraak te ver hadden getrokken, en dacht aan de woorden van
Jacob tot zijne zonen Simeon en Levi: "vervloekt zij hunnen toorn, want
hij is heftig, en hunne verbolgenheid, want zij is hard!" Maar mijne
taak vermeerderde thans, want toen het volk, dat ik medegebragt had,
even als ik dit schouwspel zag, had ik om hen terug te houden even veel
moeite als aan de anderen, ja mijn neef zelf trok hunne partij, en zeide
mij, zoodat zij het hooren konden, dat hij alleen bang was dat zij eene
groote overmagt zouden vinden; maar dat de wilden allen den dood
verdiend hadden, om het vermoorden van den armen man, en dat zij als
moordenaars behoorden behandeld te worden. Dit hoorende, liepen acht van
mijn volk den bootsman na om hem in zijn bloedig werk te helpen, en daar
ik zag, dat ik volstrekt buiten staat was hen tegen te houden, ging ik
bitter bedroefd heen, want ik kon het gezigt, laat staan het jammerlijk
gegil en geschreeuw der ongelukkigen, die in hunne handen vielen, niet
uitstaan.
Ik kon niemand mede krijgen dan den supercargo en twee matrozen, en met
deze keerde ik naar de booten terug. Het was, dat beken ik, zeer dwaas
van mij, mij zoo alleen terug te wagen, want daar het nu reeds bijkans
dag begon te worden, en de geheele omstreek in rep en roer scheen
gebragt, stonden er bij het gehucht, waarvan ik vroeger sprak, ongeveer
veertig man met lansen en bogen gewapend; maar toevallig liep ik hen
mis, en kwam aan het strand toen het reeds klaar dag was. Dadelijk ging
ik met de pinnas aan boord, en zond haar daarop terug voor het volk.
Toen ik de boot bereikte, waren de vlammen bijkans uit, en het geraas
was veel verminderd, maar geen halfuur was ik aan boord, of ik hoorde
een geregeld geweervuur, en zag een grooten rook opgaan. Later vernam
ik, dat ons volk toen die veertig man, die, gelijk ik zeide, bij dat
gehucht stonden, hadden aangevallen, en er zestien of zeventien van
gedood, waarna zij de hutten in brand staken, doch de vrouwen en
kinderen lieten zij hier ongemoeid.
Toen de pinnas weder aan het strand kwam, begon ons volk te voorschijn
te komen, niet in twee afdeelingen, en in geregelde orde, gelijk zij
opgetrokken waren, maar bij kleine troepjes, die hier en daar
rondzwierven, zoodat eenige weinige moedige mannen hen gemakkelijk
hadden kunnen in de pan hakken. Maar de vrees voor hen was door de
geheele omstreek verspreid; en honderd wilden zouden geloof ik voor vijf
matrozen gevlugt zijn. Bij deze geheele slagting had zich niemand
ernstig verdedigd; zij waren zoo verrast door den schrik van de vlammen
en de overrompeling der onzen in den nacht, dat zij niet wisten waar zij
zich heen wenden zouden; want overal liepen zij den dood in den mond.
Geen der matrozen had ook eenig letsel, behalve een, die zijn voet
verstuikt had en een wiens handen zwaar gebrand waren.
Ik was zeer boos op mijn neef den kapitein, zoo wel als op al het volk,
maar op hem in het bijzonder, zoo wel omdat hij zijn pligt als
gezagvoerder van een schip vergeten, en het gelukken der geheele reis in
de waagschaal gesteld had, als omdat hij de woede van zijn volk in hunne
onmenschelijke wraak eer aangevuurd dan gestild had. Hij zeide mij,
ofschoon zeer eerbiedig, dat toen hij het lijk van den matroos zag, dien
zij zoo wreedaardig vermoord hadden, hij zijne drift niet had kunnen
bedwingen. Hij erkende, dat hij als gezagvoerder van een schip verkeerd
gehandeld had, maar dat hij een mensch was, en bij dit gezigt geen
meester van zichzelven had kunnen blijven. Over het overige volk had ik
niets te zeggen, gelijk zij zeer goed wisten, en zij stoorden zich dus
aan mijn misnoegen in het geheel niet, en op den dag gingen wij onder
zeil.
Onze matrozen verschilden van meening omtrent het getal der gedooden,
doch naar de beste berekening waren er wel honderdvijftig mannen,
vrouwen en kinderen gevallen, en was er in het dorp geen hut
overgebleven. Daar de arme Tom Jeffries dood was, zou het weinig gebaat
hebben hem mede te voeren, dus lieten zij hem waar zij hem vonden,
alleen namen zij hem van den boom af waaraan hij hing.
Hoe regtvaardig ons volk ook meende gehandeld te hebben, ik was van een
ander gevoelen, en zeide hun telkens, dat zij op hunne reis niet op Gods
zegen konden hopen; want ik beschouwde hunne daden als zoo vele moorden.
Het was wel waar, dat zij Tomas Jeffries vermoord hadden, maar het was
ook waar dat Jeffries de aanvaller was geweest, dat hij den
wapenstilstand verbroken en een jong meisje, dat in het vertrouwen
daarop in ons kamp kwam, geweld had aangedaan. De bootsman sprak dit
tegen toen wij later aan boord waren. Het was wel schijnbaar dat wij den
wapenstilstand gebroken hadden, maar eigenlijk hadden de inboorlingen
dit zelf gedaan, door een van ons volk te dooden, zoodat, daar wij regt
hadden hen te bevechten, wij evenzeer regt hadden ons zelven regt te
verschaffen; en ofschoon de arme man wat ruw tegen een meisje was
geweest, had men hem daarvoor zoo schandelijk niet mogen vermoorden; en
zij hadden niets gedaan dan hetgeen regtmatig was, en hetgeen volgens
goddelijke wetten hun tegen moordenaars vrij stond.
Men zou denken, dat dit ons had moeten waarschuwen van niet weder onder
heidenen en barbaren aan wal te gaan, maar de menschen willen niet
anders dan door hunne schade leeren; en hoe duurder de ondervinding hun
te staan komt, des te meer indruk schijnt zij op hen te maken.
Onze bestemming was thans naar de Perzische golf, en vandaar naar de
kust van Coromandel, terwijl wij Suratte zouden aandoen; maar
hoofdzakelijk was onze supercargo naar de baai van Bengalen voornemens,
en als hij op de uitreis niet slaagde naar zijn genoegen, zou hij naar
China stevenen, op de thuisreis daar weder de kust aandoen.
Ons eerste ongeval trof ons in de Perzische golf, waar vijf man, die het
aan de Arabische zijde waagden landwaarts in te gaan, door de Arabieren
afgesneden en gedood of in slavernij gevoerd werden; het overige
bootsvolk kon hen niet ontzetten, maar had naauwelijks tijd het met de
sloep te ontkomen. Ik bragt hen onder het oog, dat dit eene verdiende
straf des Hemels was; maar de bootsman zeide mij driftig, dat ik verder
ging, dan waartoe de Heilige Schrift mij regt gaf, en verwees mij op het
gezegde des Heilands, dat de mannen, op wie de toren van Silo viel, geen
zondaars waren geweest boven de anderen. Hetgeen mij echter hier den
mond stopte was dat van de vijf man, die wij hier verloren, geen bij den
moord van Madagascar was geweest, gelijk ik het altijd noemde, schoon
het volk dit kwalijk verduwen kon.
Mijne gedurige berispingen hierover hadden echter rampzaliger gevolgen
dan ik vermoed had, en de bootsman, die hen destijds aangevoerd had,
kwam eens bij mij en zeide dat ik die zaak gestadig op het tapijt bragt,
en al het volk en hem in het bijzonder er ten sterkste over gelaakt had,
hetgeen zij, daar ik slechts een passagier was, die niets op het schip
te bevelen had en wien de reis niets aanging, van mij niet langer
verdragen wilden; dat zij vreesden, dat ik eenig kwaad opzet brouwde, en
hen misschien bij onze terugkomst in Engeland zou aanklagen; en dat, zoo
ik er niet mede ophield, en mij nog verder met hem of wat hij gedaan had
bemoeide, hij het schip zoude verlaten, want hij achtte het dan niet
veilig als ik met hen aan boord bleef.