effene zee, in de verte de zee met iets zwarts bedekt, doch konden niet
zien wat het was. De opperstuurman echter, die met een kijker het groot
want inging, riep dat het een leger was. Ik begreep niet wat hij meende
met een leger, en riep wat te overijld, dat hij stapelgek was, of iets
dergelijks. "Word niet driftig, mijnheer," zeide hij, "het is een leger
en eene vloot ook; er zijn geloof ik wel duizend kanoes, vol volk, die
naar ons toe komen pagaaijen." Ik stond een weinig verzet en mijn neef,
de kapitein, ook, die verschrikkelijke dingen van de wilden op het
eiland gehoord had, en nimmer te voren in deze zeeën geweest was. Hij
wist niet wat hiervan te denken en herhaalde twee of drie maal: "Wij
zullen allen verslonden worden!" Ik moet bekennen, dat ik ook het kwaad
inzag, daar het doodstil was, en de stroom ons sterk naar het land
dreef. Ik ried hem echter niet bang te zijn, maar te ankeren, zoodra zij
zoo digt bij waren, dat het gevecht onvermijdelijk was.
Het weder bleef stil en zij kwamen steeds nader, dus gelastte ik te
ankeren en de zeilen in te nemen. Van de wilden had men, zeide ik, niets
te vreezen, dan dat zij brand verwekten, en hiertoe was het noodig de
sloepen uit te zetten, en die wel bemand, voor en achter het schip te
leggen, ten einde het volk daarin met putsen den brand kon blusschen,
als de wilden dien verwekten. Aldus wachtten wij hen af, en kort daarop
kwamen zij nader; ik geloof niet, dat ooit Christenen ontzettender
schouwspel zagen. De stuurman had zich echter in het getal van duizend
kanoes vergist; naar onze telling waren er niet meer dan honderd
vijfentwintig, doch zwaar bemand; sommigen voerden zestien en zeventien
man en meer, en de minsten zeven of acht.
Toen zij naderbij kwamen, schenen zij geheel ontzet van een gezigt,
welks wederga zij waarschijnlijk nimmer te voren gezien hadden, en eerst
schenen zij niet te weten wat van ons te maken. Zij naderden echter
steeds meer en meer, en schenen ons te willen omsingelen, doch wij
riepen het volk in de sloepen toe hen niet te laten naderen. Tegen onze
begeerte bragt dit een gevecht te weeg, want vijf of zes hunner grootste
kanoes, kwamen zoo digt bij onze groote boot, dat ons volk hen met de
handen toewenkte om achteruit te gaan, hetgeen zij zeer goed begrepen en
opvolgden, doch tevens schoten zij een vijftig pijlen op hen af, en een
matroos werd zwaar gewond. Ik riep hen echter toe niet te vuren, en wij
reikten hun eenige planken toe, waarvan de timmerman eene soort van
waring opzette, om hen voor de pijlen te bedekken, als de wilden weder
mogten schieten.
Een half uur daarna kwamen zij allen te gelijk naar den achtersteven,
zoo digt bij, dat wij hen zeer goed konden onderscheiden, maar niet
bevroeden wat hun oogmerk was. Ik zag dadelijk, dat het mijne oude
kennissen waren, de wilden, waarmede ik zoo veel te doen had gehad;
daarop roeiden zij wat terug en kwamen ons toen zoo digt op zijde, dat
wij hen beroepen konden. Ik gelastte al het volk zich bedekt te houden,
als zij soms weder mogten schieten, doch liet Vrijdag op het dek gaan om
hen toe te spreken en te vernemen wat zij wilden. Of zij hem verstonden
weet ik niet, maar zoodra hij hen aangeroepen had, wendden zes hunner,
die de voorsten waren, hunne kanoe, en toonden (met verlof) hun naakt
achterste. Of dit eene uitdaging of beschimping was, weet ik niet, maar
onmiddellijk daarop riep Vrijdag, dat zij gingen schieten, en ongelukkig
voor den armen jongen, schoten zij wel driehonderd pijlen af, en doodden
tot mijne onuitsprekelijke droefheid, den armen Vrijdag, den eenigsten
man dien zij zagen. De arme jongen was van drie pijlen getroffen, en
drie vielen vlak bij hem, zulke goede schutters waren zij.
Ik was zoo woedend over het verlies van mijn trouwen knecht, den
medgezel van mijne eenzaamheid, dat ik dadelijk vijf stukken met schroot
en vier met kogels geladen, liet afvuren, en hun eene laag toezond, zoo
als zij zeker nimmer in hun leven gehoord hadden. Zij waren zoo nabij en
onze konstapels mikten zoo goed, dat een enkele kogel drie of vier
hunner kanoes verbrijzelde.
Wij achtten ons juist niet zeer beleedigd doordien zij ons hun achterste
gewezen hadden, en daar ik niet wist of deze verregaande lompheid bij
ons, bij hen hetzelfde beteekende, had ik besloten vier of vijf schoten
met los kruid te laten doen, dat hen genoeg schrik aangejaagd zou
hebben. Maar toen zij zoo woedend op ons schoten, maar vooral toen zij
mijn armen Vrijdag doodden, dien ik zoo hoog schatte en lief had, gelijk
hij verdiende, achtte ik mijne handelwijze niet alleen geregtvaardigd
voor God en de menschen, maar zou ik gaarne iedere kanoe overzeild en
ieder hunner hebben laten verdrinken. Ik weet niet hoe velen er gekwetst
of gedood werden, maar nimmer zag men onder eene groote menigte zulk een
schrik, dertien of veertien hunner kanoes waren verbrijzeld of
omgeslagen, en al het volk aan het zwemmen; de overigen roeiden zoo hard
weg als zij konden, zonder zich te bekreunen aan hen, wier kanoes
gezonken waren. Veel hunner zijn, denk ik, verongelukt. Ons volk nam een
uur later, een armen kerel in, die het nog zwemmende gehouden had. Ons
schroot had zeker velen gedood, maar wij vernamen er niets van, want
binnen een uur of drie hadden wij hen geheel uit het gezigt verloren, op
drie of vier kanoes na, die niet spoedig voort konden, en daar
dienzelfden avond eene koelte opkwam, gingen wij onder zeil.
De gevangene die wij hadden was zoo woest, dat hij eten noch spreken
wilde, en wij dachten, dat hij zich wilde laten doodhongeren. Maar ik
wist hem wel te temmen, want ik liet hem in de sloep werpen, en hield
mij alsof wij hem in zee wilden smijten, als hij niet spreken wilde. Het
hielp echter niet, dus werd hij in zee gegooid, maar hij zwom de sloep
na, en riep hen toe, schoon zij er niets van verslaan konden. Eindelijk
namen zij hem weder in, en nu was hij wat handelbaarder; hetgeen ik
alleen gewild had, want ik zou hem niet hebben laten verdrinken.
Ik was bitter ter neder geslagen door het verlies van mijn Vrijdag, en
had gaarne naar het eiland willen terugkeeren, om vandaar een anderen
knecht te halen, maar dit ging niet, dus vervolgden wij onze reis. Het
duurde lang eer wij onzen gevangene iets konden doen begrijpen, maar met
der tijd leerden de matrozen hem wat Engelsch, en werd hij wat
handelbaarder. Wij vroegen van welk land hij kwam, maar konden er niets
van begrijpen, zulk een zonderling keelgeluid maakte hij bij het
spreken, daar zijne taal alleen uit scheen te bestaan, en hij de tong,
lippen of tanden niet scheen te gebruiken bij het spreken. Later, toen
de matrozen hem wat Engelsch geleerd hadden, zeide hij, dat zij met
hunne koningen uitgegaan waren om te vechten. Wij vroegen hem hoe veel,
en hij zeide vijf, die met hun allen tegen twee volken gingen vechten.
Op onze vraag waarom zij naar ons toe gekomen waren, zeide hij, om het
groot wonder te zien. Wij konden hem nimmer leeren het meervoudig even
als wij aan te duiden, en bij zijn uitspraak voegde hij altijd een _e_
achter ieder woord gelijk ook alle Afrikanen doen als zij Engelsch
leeren, en dat ik niet dan met de uiterste moeite Vrijdag had kunnen
afleeren.
En nu ik dezen armen jongen nogmaals noem, moet ik voor altijd afscheid
van hem nemen. Arme brave Vrijdag! Wij begroeven hem zoo welvoegelijk en
plegtig als ons mogelijk was. Het lijk werd in eene kist over boord
gezet, waarbij ik elf schoten liet doen. Dit was het einde van den
trouwsten, eerlijksten en genegensten dienaar dien ooit iemand had.
Wij zetten nu met een gunstigen wind koers naar Brazilië, en ongeveer
twaalf dagen later zagen wij land op 5° Z.B., zijnde het Noordoostelijkste
van dat gedeelte van Amerika. Vier dagen liepen wij Zuidoostwaars, in
het gezigt van het land, toen wij kaap Augustijn zagen, en drie later
lieten wij het anker vallen in de Allerheiligenbaai, de plaats mijner
redding, vanwaar mijn goed en kwaad lot begonnen is.
Nimmer liep hier een schip binnen, dat minder er te verrigten had dan
ik, en toch konden wij slechts met de grootste moeite verlof bekomen, om
eenige gemeenschap met den wal te hebben. Noch mijn compagnon, die nog
leefde en een zeer aanzienlijk man was geworden, noch mijne twee
gemagtigden, noch het gerucht van mijn wonderbaarlijk behoud op het
eiland, konden mij deze gunst doen verkrijgen. Mijn compagnon, die zich
herinnerde, dat ik vijfhonderd gouden moidores aan den prioor der
Augustijnen, en driehonderd tweeënzeventig aan de armen had gegeven,
haalde den tegenwoordigen prioor over, voor mij van den gouverneur
verlof te vragen, om met den kapitein en een ander, benevens acht
matrozen aan wal te komen. Dit ontving ik onder uitdrukkelijke
voorwaarde van geene goederen zonder verlof aan land te brengen, noch
iemand van daar mede te nemen. Zij waren zoo streng, dat ik de grootste
moeite had om drie balen Engelsche goederen aan land te mogen brengen,
die ik tot presenten voor mijn compagnon medegebragt had.
Deze was een braaf, onbekrompen man, schoon hij, even als ik, gering
begonnen was. Hij wist niet dat ik hem iets present wilde geven, maar
zond mij versch vleesch, confituren en wijn present, dat met eenigen
tabak en drie of vier fraaije gouden medailles, wel dertig gouden
moidores waard was. Maar ik deed voor hem niet onder in mijne
geschenken, die uit fijn laken, linnen en kant bestonden. Bovendien zond
ik hem aan dezelfde goederen eene waarde van 100 Pond St. tot een ander
einde, en verzocht hem de sloep, die ik voor mijne kolonie uit Engeland
had mede gebragt, in elkander te laten zetten, om daarmede den
voorgenomen onderstand naar mijn eiland te zenden. Binnen weinige dagen
was de sloep gereed, en ik gaf den schipper zulke inlichtingen, dat hij
het eiland niet missen kon, waar hij ook, gelijk ik later van mijn
compagnon vernam, gelukkig aanlandde. Een der matrozen, die met mij aan
wal geweest was, verzocht mij mede te mogen gaan en zich daar neder te
zetten, als ik hem een brief aan den Spaansche gouverneur mede gaf, dat
deze hem een stuk land zou geven, en ik hem eenige kleederen en
gereedschap mede gaf, om dat te bebouwen, waarvan hij verstand had, daar
hij in Maryland een planter geweest was, en een boekanier ook. Ik gaf
hem wat hij vroeg, en tevens den gevangen wilde als slaaf mede.
Terwijl ik aan zijne uitrusting bezig was, zeide mijn oude compagnon,
dat een Brazilisch planter, dien hij kende, een zeer braaf man, zich het
ongenoegen der kerk op den hals gehaald had. "Wat eigenlijk van de zaak
is," zeide hij, "weet ik niet, maar ik geloof, dat hij in zijn hart een
ketter is; en hij is genoodzaakt zich voor de Inquisitie schuil te
houden. Zulk eene gelegenheid, om met zijne vrouw en twee dochters te
ontkomen, zou hem zeer welkom zijn, vooral als gij hem op een eiland een
stuk gronds wilde afstaan, want al zijn goederen hier zijn in beslag
genomen, en hij bezit niets dan eenig huisraad en twee slaven. En,"
voegde hij er bij, "schoon ik zijne stellingen verfoei, wilde ik hem
toch niet in handen der geestelijke regtbank zien, want dan zou hij
zeker levend verbrand worden."
Ik stond hem zijn verzoek toe, en wij hielden den man met zijn gezin aan
boord verborgen, tot de sloep in zee stak, en toen deze buiten de baai
was, bragten wij hem daar aan boord, waar zijne goederen kort te voren
gekomen waren. Onze matroos was met zijn reisgenoot zeer in zijn schik,
en zij waren beide even rijk, namelijk in gereedschappen, en de belofte
van een stuk land. Het beste echter was eenig suikerriet, dat hij
medevoerde om daar te planten, en welks bouwing en bewerking de ketter,
de Portugees namelijk, in den grond verstond.
Onder den voorraad bevond zich voor mijn eiland drie koeijen en vijf
kalven, tweeëntwintig varkens, waaronder drie zeugen, die biggen
moesten, twee merriën en een hengst. Ik haalde ook drie Portugesche
vrouwen over zich derwaarts te begeven, en schreef aan de Spanjaards,
dat zij haar goed behandelen moesten, en als zij wilden met haar
trouwen. Ik had er wel meer kunnen overzenden, maar ik herinnerde mij,
dat slechts vijf Spanjaarden ongehuwd waren, terwijl de overige vrouwen
in hun eigen land hadden, en dat de Portugesche vlugteling twee dochters
bij zich had.
Deze geheele bezending kwam behouden over, en was den inwoners zeer
aangenaam, die nu met de nieuw aangekomenen, een getal van tusschen de
zestig en zeventig personen uitmaakten, eene menigte kleine kinderen
niet medegerekend. Bij mijne terugkomst te Londen vond ik brieven van
hen, die over Lissabon gekomen waren, en door hen met de naar Brazilië
teruggekeerde sloep medegegeven waren, en waarover ik later spreken zal.
Ik stap thans geheel van mijn eiland af om er niet weer op terug te
komen, en die het verdere mijner gedenkschriften lezen, moeten hunne
gedachten daarvan aftrekken, en zullen in de volgende bladzijden niets
anders vinden dan de dwaasheden van een oud man, die noch door zijne
eigene ongelukken, noch door die van anderen zich liet afhouden om die
telkens weder te begaan; wien bijkans veertig jaren vol jammer en
teleurstellingen geene bezadigdheid, noch ongedachte voorspoed
tevredenheid konden verschaffen, noch ongehoorde rampspoeden en nood
behoedzaamheid inprenten.
Ik had even weinig noodig naar Oost-Indië te gaan, als iemand, die vrij
en onschuldig is, zich naar de gevangenis behoeft te begeven, om zich
achter slot te laten zetten en van ellende te vergaan. Had ik in
Engeland een klein scheepje genomen, daarmede regt naar mijn eiland
gestevend, had ik het, gelijk het andere schip, beladen met allerlei
noodwendigheden voor het eiland en voor mijn volk, en een patent van de
regering gevraagd, om het als een aan de Engelsche kroon onderworpen
eiland in bezit te gaan nemen, dat ik zeker had kunnen verkrijgen; had
ik geschut en wapens, bedienden en landlieden medegenomen, en er in naam
van Engeland bezit van genomen en het versterkt en bevolkt, gelijk ik
gemakkelijk had kunnen doen; had ik mij daar gevestigd, en het scheepje,
met rijst geladen, terug gezonden, gelijk ik ook had kunnen doen in zes
maanden, en het daarop weder in Engeland laten uitrusten; had ik dit
gedaan en ware ik er zelf gebleven, dan hadde ik althans als een
verstandig mensch gehandeld. Maar ik was bezeten met een zucht tot
zwerven, die alle voordeel in den wind sloeg; ik schepte er vermaak in
de beschermer van de lieden te zijn, die ik daar geplaatst had, en hen
op eene aartsvaderlijke wijze wel te doen, door hen te behandelen als
ware ik hun vader. Ik had geen de minste gedachte om in den naam van
eenige regering het te bezitten, of de bevolking onderdanen van eenig
rijk te noemen; zelfs dacht ik er niet aan het eiland een naam te geven,
maar ik liet het zoo als ik het vond, als niemands eigendom, en het volk
onder geenerlei oppermagt of wetten dan de mijne, die, schoon mijn
invloed op hen die van een vader en weldoener was, geen ander regt
hadden op hunne gehoorzaamheid, dan die uit hunne vrijwillige
toestemming ontsproot. Dit zou echter voldoende geweest zijn als ik daar
gebleven was, maar daar ik hun verliet en niet terugkwam, behelsden de
laatste berigten, die mijn compagnon mij van hen deed toekomen, nadat
hij hun nog een tweede sloep derwaarts gezonden had, hoewel ik den brief
eerst vijf jaren ontving nadat hij geschreven was, dat de zaken daar
niet vooruit gingen, en zij over hun lang verblijf aldaar misnoegd
waren; dat Willem Atkins dood en vijf van de Spanjaarden vertrokken
waren, en dat, schoon de wilden hen weinig lastig vielen, zij echter
eenige schermutselingen met hen gehad hadden, dat zij hem smeekten mij
mijne belofte te herinneren van hen weg te halen, opdat zij voor hunnen
dood hun vaderland mogten terug zien.
Maar ik volgde steeds allerlei hersenschimmen, en die meer van mijn
leven willen hooren, moeten mij volgen door eene reeks van nieuwe
dwaasheden, moeijelijkheden en wilde avonturen, waaruit 's Hemels
regtvaardigheid duidelijk uitblonk, en men zien kan hoe gemakkelijk de
Hemel onze geliefdste wenschen tot de bron onzer rampspoeden kan maken,
en ons straffen door de vervulling van datgene, wat wij het vurigste
verlangden. Doch ik keer tot de geschiedenis van mijne reis terug.
Ik moet hier echter echter nog vermelden, dat de brave en waarlijk
godvruchtige priester mij hier verliet; daar er een schip naar Lissabon
zeilree lag, verzocht hij mij hem daarop te laten overgaan, daar het
toch, gelijk hij zeide, zijne bestemming scheen, nimmer eene reis te
volbrengen, die hij begon. Hoe gelukkig ware het geweest zoo ik met hem
gegaan was. Doch dit was nu te laat, en al wat de Hemel beschikt, is tot
ons bestwil. Ware ik met hem gegaan, ik had nimmer zoo veel reden tot
dankbaarheid aan God gehad, en de lezer zou nimmer het tweede deel van
de Lotgevallen van Robinson Crusoe ontvangen hebben. Ik zal dus alle
vruchtelooze klagten over mij zelven sparen en mijn verhaal vervolgen.
Van Brazilië stevenden wij regt naar de Kaap de Goede Hoop, en hadden
wel nu en dan eens storm of tegenwind, maar over het geheel eene
gunstige reis. Mijne tegenspoeden op zee waren nu ten einde, maar andere
ongevallen en rampen wachtten mij op het land, ten blijke, dat dit even
zoo wel als de zee, een middel kan zijn om ons te tuchtigen.
Wij hadden een supercarga aan boord, die na onze komst aan de Kaap over
alles het bestier had, alleen was hij door den vrachtbrief verbonden tot
een bepaald getal legdagen in elke haven, die wij aandeden. Ik had hier
mij niet mede te bemoeijen, en al wat schip en lading betrof, werd door
mijn neef den kapitein en den supercarga beide bestierd naar hun
goedvinden.
Ik zal den lezer niet vervelen met beschrijvingen van plaatsen, stukken
uit het journaal, of met wijzingen van het compas, breedten, lengten en
afstanden, passaatwinden, enz., die alleen nuttig zijn voor hen, die ook
derwaarts willen gaan. Wij deden eerst Madagascar aan, waar, schoon de
inboorlingen er stout en verraderlijk en zeer goed met bogen en lansen
gewapend zijn, waarmede zij zeer behendig weten om te gaan; wij eene
poos zeer goed met hen omgingen; zij behandelden ons zeer goed, en voor
eenige kramerijen als messen, scharen, enz., die wij hun gaven, bragten
zij ons elf goede vette ossen, niet groot maar goed gevoed, die wij
slagtten en gedeeltelijk voor scheepsgebruik inzoutten.
Na voorraad ingenomen te hebben, moesten wij hier eenige dagen blijven,
en ik, die altijd nieuwsgierig was om elken hoek van de wereld te zien,
ging zoo dikwijls aan den wal als ik kon. Op een avond ging ik aan de
oostzijde aan wal, en eene talrijke menigte inboorlingen drong om ons
heen en bekeek ons, schoon zij op eenigen afstand bleven. Daar wij met
hen handel gedreven, en vriendelijk bejegend waren, duchtten wij geen
gevaar, maar toen wij al het volk zagen, kapten wij drie takken van een
boom, en staken die op eenigen afstand van ons in den grond, hetwelk,
naar het schijnt, aldaar niet alleen een blijk van vrede en vriendschap
is, maar als men van de andere zijde ook drie takken steekt, geeft dit
te kennen, dat men den vrede of wapenstilstand aanneemt. Maar het is
eene bekende voorwaarde, dat men hen niet verder dan tot aan hunne drie
takken naderen mag, en zij niet verder komen dan die van u. Men is dus
binnen die takken volkomen veilig, en die ruimte is als het ware de
markt, waarop handel gedreven wordt. Daar binnenkomende, moet men geene
wapens medebrengen, en zij steken aan hunne zijde hunne spietsen en
lansen bij de eerste takken, en naderen ongewapend, maar zoo jegens hun
eenig geweld gebruikt, en de wapenstilstand daardoor verbroken wordt,
loopen zij naar de takken, vatten de wapens op, en de wapenstilstand is
geëindigd.
Op een avond, dat wij aan wal gegaan waren, kwam er veel meer volk dan
gewoonlijk naar het strand, doch allen waren beleefd en minzaam. Zij
bragten ons verscheidene eetwaren, die wij hun met eenige kramerijen
betaalden; de vrouwen bragten ons ook melk en groenten, en alles was
rustig. Wij sloegen van takken een hutje op, en bleven dien nacht op het
strand. Ik had echter een tegenzin, schoon ik er geen reden voor had, om
als de overigen op het strand te slapen, en daar onze sloep op een
steenworp afstands voor anker lag met twee matrozen er in, liet ik er
een van aan wal komen en eenige takken in de sloep brengen, waarna ik
het zeil op den bodem der sloep uitspreidde, en daarop mij ter rust
begaf.
Tegen twee uren in den morgen hoorden wij een vreesselijk rumoer aan den
wal, en een van ons volk riep ons toe, om Gods wil aan wal te komen met
de sloep om hen te helpen, want dat zij allen waarschijnlijk vermoord
zouden worden; tevens hoorde ik hen al hun schietgeweer lossen, dat uit
vier of vijf snaphanen bestond, en dit tot driemaal toe, want het
scheen, dat de inboorlingen hier niet zoo bang voor schietgeweer waren,
als de Indianen, met welke ik te doen had gehad. Zonder te begrijpen wat
er gaande was, maar door het rumoer dadelijk opgewekt, liet ik de sloep
dadelijk naar land gaan, en besloot met drie geweren, die wij aan boord
hadden, aan land te gaan, om ons volk bij te staan. Wij bereikten
spoedig het strand, maar ons volk sprong te water, om er te spoediger in
te komen, daar zij door drie- of vierhonderd man vervolgd werden. De
onzen waren slechts negen in getal, en slechts vier of vijf hunner
hadden geweren; de overigen hadden wel pistolen en sabels, maar daarmede
konden zij weinig uitrigten.
Wij namen zeven matrozen in de boot, en dit ging moeijelijk genoeg, daar
drie hunner zwaar gewond waren; en het ergste was, dat terwijl wij in de
boot stonden om ons volk er in te helpen, wij evenveel gevaar uitstonden
als zij op het strand gehad hadden, want zij beschoten ons zoo hevig met
hunne pijlen, dat wij genoodzaakt waren ons te verschansen met de
doften, en twee of drie losse planken, die bij toeval, of liever door 's
Hemels beschikking in de boot lagen. Ware het echter dag geweest, dan
zouden zij ons zeker allen gedood hebben, zoo zij slechts iets van ons
ligchaam hadden kunnen zien, zulke goede schutters zijn zij. Bij het
maanlicht zagen wij echter een glimp van hen, terwijl zij ons op het
strand spietsen en pijlen stonden toe te werpen, en na onze geweren
geladen te hebben, gaven wij hun de laag, en konden aan de kreten van
sommigen hooren, dat wij verscheidenen gewond hadden. Zij bleven echter
tot het aanbreken van den dag in slagorde op het strand geschaard,
waarschijnlijk om ons dan te wisser te treffen.
Terwijl wij zoo lagen, wisten wij niet hoe wij ons anker ligten of ons
zeil bijzetten zouden, omdat wij dan in de boot moesten gaan staan, en
zij dan ons zoo zeker zouden treffen als wij een zittenden vogel met
hagel. Wij maakten noodseinen tegen het schip, dat eene mijl in zee lag,
doch mijn neef de kapitein hoorde ons vuur, en door zijne kijkers ziende
hoe wij lagen, begreep hij dadelijk wat er gaande was, en ten spoedigste
het anker ligtende, naderde hij den wal zoo nabij als hij durfde, en
zond ons eene andere sloep met tien man te hulp, maar wij riepen hun toe
niet te nabij te komen, en hoe de zaken stonden. Niet ver van ons bleven
zij liggen, en een van het volk zwom naar ons toe met het eind van eene
lijn in de hand, terwijl hij onze boot tusschen zich en den vijand
hield, zoo dat men hem van het strand niet goed zien kon, en maakte dit
aan ons vast, waarop wij ons ankertouw lieten glippen, en ons anker
achter lieten, terwijl zij ons buiten bereik hunner pijlen boegseerden,
en wij ons achter de opgeslagen verschansing verborgen hielden. Zoodra
wij niet meer tusschen het schip en den wal lagen, zonden wij hen van
boord eene volle laag met schroot en kogels toe, hetwelk eene
schrikkelijke verwoesting onder hen aanrigtte.
Toen wij aan boord teruggekeerd en buiten gevaar waren, konden wij naar
de oorzaak van deze onlusten onderzoek doen, waarop onze supercarga, die
hier meermalen geweest was, aandrong, want hij zeide, dat de inwoners
ons, na het aangaan van een wapenstilstand, nimmer eenig leed zouden
gedaan hebben, als wij hen niet door het een of ander daartoe getergd
hadden. Eindelijk kwam het uit, dat eene vrouw, die ons eenige melk was
komen verkoopen, een jong meisje had medegebragt, die eenige groenten
had gebragt, en terwijl de oude vrouw (of het hare moeder was wisten zij
niet) hare melk verkocht, had een van ons volk zich ruw gedragen jegens
het meisje, waarop de oude vrouw een groot misbaar maakte. De matroos
wilde echter zijne prooi niet laten varen, maar sleepte haar buiten het
gezigt der oude, onder de takken, daar het thans genoegzaam duister was.
De oude vrouw moest zonder haar vertrekken, en bragt, naar het scheen,
den stam, vanwaar zij gekomen was, in opschudding, die daarop binnen
drie of vier uren dit geheele leger tegen ons op de been bragt; en het
was groot wonder, dat wij niet allen omgebragt waren.