Ik riep haar dus binnen en plaatste mij als tolk tusschen den priester

en de vrouw, en verzocht hem met haar te beginnen; maar waarlijk nimmer

werd een tweede predikatie als deze, in de laatste eeuwen, door een

Roomsch priester gehouden. Hij had, gelijk mij voorkwam, al de

opregtheid van een Christen, zonder de dwalingen der Roomsch-Katholijken,

en ik hield hem voor een geestelijke, gelijk de eerste bisschoppen der

Christelijke kerk ongetwijfeld geweest zijn. Om kort te gaan, hij bragt

de arme vrouw zoo ver, dat zij de kennis van Christus en van de

verlossing door Hem aannam, niet alleen met verwondering en verbazing,

gelijk zij de eerste begrippen van Gods wezen ontving, maar met

vertrouwen en vreugde, met aandoening, en met eene treffende bevatting,

die men zich naauwelijks verbeelden, laat staan beschrijven kan, en op

haar eigen verzoek werd zij gedoopt. Toen de geestelijke hiertoe

aanstalten maakte, verzocht ik hem hierbij voorzigtig te zijn, opdat zoo

mogelijk, de man niet bemerkte, dat hij Roomsch-Katholijk was. Hij zeide

mij, dat daar hij geene gewijde kapel, noch eenige dingen, tot den doop

geschikt, had, hij het op eene wijze doen zou, dat ik, zoo ik het niet

wist, niet zeggen zou, dat het door een Roomsch-Katholijk geschiedde.

Zoo deed hij ook, want na eenige woorden in het Latijn bij zichzelven

gezegd te hebben, stortte hij eene schaal vol water over het hoofd der

vrouw, daarbij in het Fransch zeggende: "Maria," zoo als haar man mij

verzocht had, dat zij heeten zou, want ik was haar peet, "ik doop u in

den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes!" zoodat niemand

daaraan kon hooren van welk geloof hij was. Daarop sprak hij den zegen

uit in het Latijn, maar Willem Atkins wist niet beter of het was

Fransch, of sloeg er geen acht op.

Onmiddellijk hierop trouwde hij hen, en zoodra het huwelijk gesloten

was, wendde hij zich tot Atkins, en vermaande hem op eene treffende

wijze, niet alleen in zijne goede voornemens te volharden, maar door

eene verbetering van zijn leven zijn geloof te bewijzen. Hij zeide, dat

zijn berouw niets baatte, zoo hij geen afstand deed van het kwaad; hield

hem voor hoe God hem tot het werktuig had gekozen om zijne vrouw tot het

Christendom te bekeeren, en dat hij zorgen moest Gods genade niet te

verwaarloozen, want dat anders de bekeerde heiden een beter Christen zou

zijn dan hij. Hij voegde daarbij nog vele goede lessen en gaf hun daarop

in korte woorden den zegen, terwijl ik al wat hij zeide in het Engelsch

overbragt. Hiermede eindigde deze plegtigheid. Steeds heb ik dezen dag

voor de aangenaamste mijns levens gehouden.

Maar mijn geestelijke hield zijne taak nog niet voor volbragt; zijn hart

hing aan de bekeering der zevenendertig wilden, en gaarne wilde hij

daartoe op het eiland blijven; maar ik overtuigde hem, dat deze

onderneming op zichzelve zeer bezwaarlijk was, en ten tweede, dat deze

misschien in zijne afwezigheid kon geschieden, waarover straks nader.

Na de zaken aldus op het eiland geschikt te hebben, maakte ik

toebereidselen tot mijn vertrek, toen de jongeling, die ik van de

uitgehongerde equipage had medegenomen, bij mij kwam, zeggende, dat hij

vernomen had, dat ik een geestelijke bij mij had, en de Engelschen met

hunne vrouwen had doen trouwen; dat hij ook een huwelijk gesloten

wenschte tusschen twee Christenen, hetgeen hij hoopte, dat mij niet

onaangenaam zou zijn.

Dit, wist ik, moest de jonge dienstmaagd zijner moeder zijn, want er was

geene andere Christenvrouw op het eiland; ik vermaande hem dus hierin

geen overijlden stap te doen, of omdat hij zich in deze eenzaamheid

bevond. Ik hield hem voor, dat hij, gelijk ik van hem en ook van de

dienstmaagd gehoord had, eenige bezittingen en goede vrienden in de

wereld had, dat het meisje niet alleen arm, en eene dienstbode was, maar

ook niet met hem gelijk stond, daar zij zes- of zevenentwintig, en hij

zeventien of achttien jaar oud was; dat hij met mijne hulp

waarschijnlijk van hier en weder in zijn land zou komen, en dat het

duizend tegen een was, dat zijne keus hem later zou berouwen, en dat

beider leven alsdan even onaangenaam zou zijn. Ik wilde hier nog veel

bijvoegen, toen hij mij glimlagchend zeide, dat ik mij vergiste, dat hij

daar volstrekt niet aan dacht, daar zijn tegenwoordig lot treurig genoeg

was; dat hij met vreugde hoorde, dat ik op middelen bedacht was, hem

naar hun vaderland terug te voeren, en dat niets hem zou overhalen hier

te blijven, dan dat mijne voorgenomen reis zoo uiterst lang en

gevaarlijk was, en hen zoo ver van al zijne vrienden zou voeren, dat hij

niets van mij verlangde, dan dat ik hem op het eiland een stuk land gaf

met eenige noodwendigheden, en een paar dienstboden, en dat hij dan als

een planter leven zou, in afwachting, dat ik hem zou vandaar helpen als

ik in Engeland terugkwam; in welk geval hij hoopte, dat ik hem niet zou

vergeten; dat hij mij eenige brieven aan zijne familie in Londen zou

medegeven, met vermelding hoe goed ik jegens hem geweest was, en hoe en

waar ik hem gelaten had; en dat als hij vandaar kwam, de plantaadje,

hoeveel die ook dan waard mogt zijn, geheel mijn eigendom zou zijn.

Dit was voor een zoo jeugdig mensch zeer verstandig gesproken, en mij te

meer aangenaam, omdat hij mij stellig zeide, dat het voorgenomen

huwelijk hem niet aanging. Ik beloofde hem, dat zoo ik behouden in

Engeland terugkwam, ik zijne brieven verzenden zou, en hij er staat op

maken kon, dat ik nimmer zou vergeten in welke omstandigheden ik hem

verlaten had. Op mijn verlangen om te weten wie er trouwen wilden,

noemde hij mijn duizendkunstenaar, en Suzanna, zijne dienstmaagd. Dit

beviel mij uitstekend, want ik hield hen voor een zeer geschikt paar.

Het karakter van den man heb ik reeds geschetst, en het meisje was zeer

braaf, zedig, godsdienstig en ingetogen; zij wist zich zeer wellevend en

van pas uit te drukken, en schroomde niet zich te laten hooren als het

noodig was, zonder dat zij, waar het onnoodig was, zich onbescheiden op

den voorgrond stelde; zij was zeer handig en huishoudelijk in haar

gedrag, en zeer goed tot het huisbestier geschikt, ja zij had het

geheele eiland wel kunnen bestieren. Zij had zeer goed den slag van met

alle menschen om te gaan, ook met aanzienlijker dan zij hier aantrof.

Wij trouwden het paar nog dienzelfden dag, en daar ik de bruid als vader

naar het altaar geleidde, gaf ik haar ook een bruidschat; want ik schonk

aan haar man en haar eene fraaije uitgestrekte plek gronds, voor eene

plantaadje. Dit huwelijk en het verzoek van den jongeling hem een stuk

grond af te staan, gaf aanleiding, dat ik de landerijen onder hen

verdeelde, opdat er naderhand geen twist over zou ontstaan.

Deze land verdeeling droeg ik aan Willem Atkins op, die nu een zeer

ingetogen, bezadigd, ernsthaftig man, geheel veranderd en zeer vroom en

godsdienstig was geworden; en voor zoo verre men in zulk een geval

stellig spreken kan, en naar ik geloof, zich opregt bekeerd had. Hij

deed deze verdeeling zoo regtvaardig en naar ieders genoegen, dat zij

alleen eene algemeene door mij geteekende acte voor zich allen

verzochten, die ik deed opstellen en teekende, waarbij de ligging en

grenzen van iedere plantaadje bepaald werden, met bepaling, dat ik het

regt op het geheele bezit en beschikking der verschillende plantaadjen

met derzelver aanhoorigheden, aan hen en hunne erfgenamen afstond

terwijl ik mij het overige des eilands als mijn bijzonder eigendom

voorbehield, met eene zekere rente of erfpacht, na verloop van elf

jaren, als ik, of iemand van mijnentwege met een echt afschrift van deze

acte kwam, om die te vragen.

Aangaande het bestier en wetten onder hen, zeide ik hun, dat ik hun geen

beter voorschriften geven kon dan zij zichzelven konden geven; doch ik

nam hun de belofte af met elkander in liefde te leven en goede buurschap

te onderhouden. En vervolgens maakte ik mij gereed tot mijn vertrek.

Ik moet echter nog eene zaak vermelden, dat is, dat daar zij thans eene

soort van gemeenebest uitmaakten, en volop werk hadden, het ongerijmd

was, dat zevenendertig Indianen, onafhankelijk, en zonder iets te

verrigten, in een hoek van het eiland woonden; want deze hadden niets te

doen dan zich voedsel te verschaffen, dat hun soms moeijelijk genoeg

viel, maar anders hadden zij niets te verrigten. Ik stelde derhalve

voor, dat de Spaansche gouverneur naar hen toe zou gaan, met Vrijdags

vader, en hun voorstellen of voor zich zelven te bouwen, of bij hen als

dienstboden ingedeeld te worden, om voor hunnen arbeid onderhoud te

erlangen, maar zonder eigenlijke slaven te zijn, want daartoe wilde ik

hen noch door geweld, noch door eenige middelen gemaakt hebben, omdat

zij zich als het ware bij een verdrag hadden overgegeven, en dit niet

behoorde geschonden te worden. Zij namen verheugd het voorstel aan, en

gingen welgemoed met hem mede. Wij gaven hun dus landerijen, die drie of

vier aannamen, maar de overigen wilden liever als dienstboden bij de

verschillende huisgezinnen gaan. Dus was mijne kolonie nu op de volgende

wijze zamengesteld. De Spanjaarden bezaten mijne oude woning, die de

hoofdstad uitmaakte, en hunne plantaadje strekte zich uit langs den

inham, die de zoo dikwijls door mij beschrevene kreek vormde, tot aan

mijne buitenplaats, terwijl zij hunne ontginningen steeds oostwaarts

uitbreidden. De Engelschen woonden aan de noordoost zijde, waar Atkins

en zijne makkers begon, en zij zich zuid- en zuidwestwaarts uitbreidden.

Ieder plantaadje had eene menigte woeste gronden, om als er gelegenheid

toe was, er bij aan te trekken, zoo dat zij niet uit gebrek aan ruimte

oneens behoefden te worden. Het geheele westeinde van het eiland was

woest gelaten, ten einde als de wilden daar alleen aan wal kwamen, om

hunne gewone barbaarsche feestmalen te houden, zij ongehinderd gaan en

komen konden, en zoo zij niemand deerden, zou niemand hun deren, en

ongetwijfeld kwamen zij dikwijls aan land en vertrokken, schoon de

planters niet door hen verontrust werden.

Nu bedacht ik, dat ik mijn vriend, den geestelijke gezegd had, dat de

bekeering der wilden, misschien in zijne afwezigheid, naar zijn genoegen

kon verrigt worden, en ik zeide hem, dat ik nu een goed vooruitzigt

daarop meende te hebben, daar de wilden thans onder de Christenen

verdeeld waren, en zoo ieder zich nu slechts moeite gaf op degenen, die

onder zijne handen waren, hoopte ik, dat dit zeer goed afloopen zou.

Hij stemde daarin toe, _bijaldien_ ieder zich moeite gaf, "maar," zeide

hij, "hoe zullen wij dat van hen gedaan krijgen?" Ik zeide hen bijeen te

willen roepen, en het hun allen op het hart te drukken, of wel hen een

voor een te gaan spreken, wat hij het best oordeelde. Wij verdeelden het

zoo, dat hij tot de Spanjaarden spreken zou, die allen Roomsch Katholijk

waren, en ik tot de Engelschen, die Protestanten waren, en wij bevolen

hen aan en deden hen beloven, dat zij nimmer eenig onderscheid tusschen

Roomsch en Protestantsch zouden maken in hunne vermaningen aan de

wilden, maar hun de algemeene grondstellingen van den eenigen waren God

en den Heiland leeren; en zij beloofden ons ook, dat zij nimmer onder

elkander over de Godsdienst zouden twisten.

Toen ik aan het huis van Willem Atkins kwam (dat ik wel zoo noemen mag,

want zulk een huis of stuk mandewerk zag men geloof ik nooit ergens ter

wereld) vond ik, dat de jonge vrouw, waarvan ik hiervoor gesproken heb,

en de vrouw van Atkins boezemvriendinnen waren geworden, en deze

verstandige, godsdienstige vrouw had het werk, dat Atkins begonnen had,

voltooid, en schoon het verhaalde eerst vier dagen geleden was, was

deze pas gedoopte Indiaansche vrouw zulk eene Christin, waarvan ik de

wederga in al mijne ontmoetingen in de wereld zelden aangetroffen heb.

Den morgen voor ik naar hen toeging bedacht ik, dat ik bij al de

noodwendigheden, die ik voor hen achterliet, geen Bijbel gevoegd had;

waarin ik mij minder bezorgd voor hen betoonde, dan de goede weduwe voor

mij was, toen zij mij de lading van honderd Pond St. van Lissabon zond,

waarbij zij drie Bijbels en een gebedeboek voegde. Deze liefderijkheid

van de goede vrouw had nuttiger gevolgen dan zij voorzien kon, want zij

werden gespaard tot stichting en onderrigt van hen, die er veel beter

gebruik van maakten dan ik gedaan had. Ik stak een der Bijbels in mijn

zak, en toen ik bij Willem Atkins tent of huis kwam, vernam ik, dat de

jonge vrouw en die van Atkins over de Godsdienst hadden gesproken,

hetgeen Atkins mij met veel vreugde verhaalde. Hoorende, dat zij nog bij

elkander waren, ging ik binnen en zij met mij, en vond haar beide

ernstig in gesprek. "O, mijnheer," zeide Atkins, "als God zondaars met

zich verzoenen wil, en verlorenen terug brengen, heeft Hij altijd boden.

Mijne vrouw heeft eene nieuwe leermeesteres. Ik weet, dat ik onwaardig

was tot dat werk; die jonge vrouw is door den Hemel hierheen gezonden;

zij is in staat een geheel eiland vol wilden te bekeeren." De jonge

vrouw stond blozende op en wilde heengaan, doch ik verzocht haar te

blijven, zeide, dat zij een goed werk verrigtte, waarin ik hoopte, dat

Gods zegen met haar zijn mogt.

Wij spraken eenige oogenblikken en ik zag niet, dat zij eenig boek

hadden, doch ik vroeg daar niet naar, maar haalde mijn Bijbel uit den

zak. "Hier," zeide ik tot Atkins, "hebt gij een onderwijzer, die u

misschien ontbrak." Hij was zoo verbijsterd, dat hij in het eerst niet

spreken kon, maar zich vervolgens herstellende, nam hij het boek met

beide handen aan en zeide tegen zijne vronw: "Heb ik u niet gezegd dat

God, schoon in den Hemel, hooren kan wat wij zeggen? Hier is het boek

waarom ik gebeden heb. God heeft ons gebed verhoord en het ons

gezonden." Hij weende als een kind van vreugde en dankbaarheid. Zijne

vrouw was uiterst vatbaar, en schier in eene dwaling vervallen, die wij

eerst later bemerkten; zij geloofde, dat God dit boek, op haar mans

gebed had gezonden. Het is waar, dat dit ook door de Voorzienigheid zoo

beschikt was, maar zij was geloof ik, geneigd te gelooven, dat er een

bode uit den Hemel gekomen was, om haar dat boek te brengen. De zaak was

te ernstig, om hier eenige misleiding te gedoogen, dus verzocht ik aan

de jonge vrouw onze nieuwbekeerde te verklaren, hoe onze gebeden

verhoord kunnen worden door den gewonen loop der zaken, en zonder dat

daarbij een wonder behoeft te geschieden. De jonge vrouw deed dit later,

zoodat hier geen vroom bedrog plaats greep, hetgeen ik voor

onverantwoordelijk zou gehouden hebben. De vreugde van Atkins echter was

onbeschrijfelijk. Nimmer gevoelde iemand meer dankbaarheid dan hij voor

zijn Bijbel, en niemand verheugde zich ooit over het bezit eens Bijbels

om beter redenen, en hoewel hij een zeer woest, kwaadaardig en losbandig

mensch was geweest, bewijst hij echter door zijn voorbeeld aan alle

ouders, dat zij nimmer het onderrigt hunner kinderen moeten staken, of

aan het goed gevolg hunner pogingen daartoe wanhopen, al zijn de

kinderen ook schijnbaar nog zoo halsstarrig en ongevoelig, want zoo zij

immer tot een waar inzigt hunner zonden geraken, komen deze vroegere

indrukken, die zoo lang geslapen hadden, weder levendig en weldadig voor

den geest. Zoo was het ook hier; het weinige onderrigt in de Godsdienst,

dat hij genoten had, kwam dezen armen man thans van pas, daar hij met

nog onwetender dan hij te doen had.

Vooral herinnerde hij zich, wat zijn vader hem zoo dikwijls van de

hooge waarde des Bijbels gezegd had, welk een voorregt deze voor geheele

volkeren, huisgezinnen en personen was, maar nimmer had hij dit naar

waarde beseft, dan nu hij de behoefte daaraan tot onderrigting van

heidenen en barbaren gevoelde. De jonge vrouw was er ook zeer blijde

mede, hoe wel zij en de jongeling onder hunne goederen, die nog aan

boord waren, er ieder een hadden. Na zooveel van deze brave vrouw gezegd

te hebben, kan ik niet nalaten er iets bij te voegen.

Ik heb verhaald welk gebrek zij geleden had, hoe hare meesteres van

honger gestorven was op dat ongelukkige schip, terwijl zij door het

scheepsvolk eerst onmeedoogend behandeld en vervolgens geheel aan hun

lot overgelaten waren. Eens hierover met haar sprekende, vroeg ik haar

of zij, na hetgeen zij had uitgestaan, mij beschrijven kon wat het is

van honger te sterven. Zij zeide, dat zij geloofde van ja, en deed mij

het volgende verhaal:

"Eerst," zeide zij, "hadden wij verscheidene dagen het zeer hard en

leden geweldigen honger, tot wij eindelijk niets geen voedsel meer

hadden dan een weinig suiker en wat wijn met water. Den eersten dag,

nadat ik geheel geen voedsel gehad had, gevoelde ik mij tegen den avond

flaauw en misselijk en zeer geneigd tot geeuwen en slapen. Ik ging op

eene bank in de groote kajuit liggen, en sliep bijkans drie uren, waarna

ik eenigzins verkwikt ontwaakte, daar ik, voor ik slapen ging, een glas

wijn gedronken had. Na drie uren wakker geweest te zijn, werd ik weder

misselijk, ik ging weder liggen, maar kon niet slapen, terwijl ik

duizelig was en dan weder neiging tot braken had, en dit ging zoo den

geheelen volgenden dag. Dien avond moest ik te rust gaan, zonder iets

dan eene teug water genuttigd te hebben; ik droomde toen dat ik te

Barbados op de markt was, die vol met levensmiddelen was, dat ik eenige

voor mijne meesteres kocht, en een goed middagmaal deed; maar bij mijn

ontwaken was ik zeer neerslagtig van denzelfden honger te gevoelen. Ik

dronk het laatste glas wijn dat ik had, met wat suiker tot voedsel; maar

door de zwakte van mijne maag, werkte de wijn onaangenaam op mijne

hersenen, en naar men mij zeide, lag ik eenigen tijd bedwelmd en als

iemand die dronken is.

"Den derden dag, na een nacht dien ik vol verwarde droomen, meer

dommelend dan slapend had doorgebragt, ontwaakte ik woedende van honger,

en zoo mijne rede niet teruggekeerd was, weet ik niet of, zoo ik moeder

ware geweest, mijn kind wel veilig bij mij zou geweest zijn. Dit duurde

ongeveer drie uren, gedurende welke ik, gelijk mijn jonge meester mij

gezegd heeft, ik in volslagen razernij verkeerde. In een der vlagen van

verbijstering, struikelde ik en viel met mijn gelaat tegen den kant van

een rustbed, waarop mijne mevrouw lag, zoodat mijn neus aan bloed

sprong. De kajuitjongen reikte mij eene kom toe, ik ging zitten en

verloor veel bloed, en naar gelang dat ik dit verloor, bedaarde de

hevigheid van de koorts en tevens de knagingen van den honger.

Vervolgens werd ik gekweld door neiging tot braken. Na eenigen tijd viel

ik van bloedverlies flaauw, en allen hielden mij voor dood, doch spoedig

kwam ik weder bij, en had toen de vreeselijkste maagpijn, die men zich

denken kan, niet als een kolijk, maar als een knagende, woedende trek

tot honger, die tegen den avond overging in een allerhevigst verlangen

naar voedsel, misschien gelijk zwangere vrouwen wel ondervinden. Ik nam

nog een glas water met suiker, doch mijn maag walgde van de suiker en

gaf die weder terug. Toen nam ik eene teug zuiver water, en hield dat er

in, waarna ik liggen ging en God allervurigst bad, dat Hij mij van de

wereld mogt wegnemen. De hoop hierop deed mij wat bedaren, ik sluimerde

eenigen tijd en toen ik ontwaakte, dacht ik dat ik lag te zieltogen,

want mijne zwakke en ledige maag verbijsterde mij het brein. Ik beval

mijne ziel aan God en verlangde hartelijk, dat iemand mij in zee wierp.

"Al dien tijd lag mijne mevrouw bij mij als eene stervende, maar zij

verdroeg het geduldiger dan ik, en gaf haar laatste stukje brood aan

haren zoon, die het niet nemen wilde, maar zij dwong hem het te eten, en

ik geloof dat hij zijn leven hieraan te danken heeft.

"Tegen den morgen viel ik weder in slaap, en eerst toen ik ontwaakte

barstte ik in tranen uit, en daarna had ik weder eene geweldige vlaag

van honger, zoodat ik half razend werd. Ware mijne meesteres dood

geweest, ik zou geloof ik een stuk van haar vleesch gegeten hebben, zoo

onverschillig en met zoo veel smaak, als ik ooit vroeger eenig voedsel

voor ons bestemd, genuttigd had, en eens of tweemaal beet ik mij zelve

in den arm. Eindelijk zag ik de kom waarin het bloed was, dat ik den

vorigen dag verloren had, ik liep er heen, en verzwolg het zoo haastig

en gretig, alsof ik vreesde, dat men het mij zou afnemen. Schoon ik

naderhand walgde van hetgeen ik gedaan had, was echter mijn honger

gestild; ik nam eene teug water en bragt eenige uren zeer kalm door. Dit

was de vierde dag en dezen bragt ik zoo door tot des nachts, toen ik

drie uren lang dezelfde reeks van gewaarwordingen weder had; namelijk

misselijk, slaperig, uiterst hongerig, pijn in de maag, dan weder als

razende, dan weder misselijk, dan ijlhoofdig, dan gillende, dan weder

krankzinnig, en zoo ieder kwartier. Ik werd zeer zwak, en des nachts

sliep ik in, alleen hopende, dat ik voor den morgen dood zou zijn.

"Den geheelen nacht sliep ik niet, de honger was door ziekte vervangen,

en ik had zware kolijkpijnen; en zoo lag ik tot den morgen, toen ik een

weinig verrast werd door het gejammer van mijn jongen heer, die mij

toeriep dat zijn moeder dood was. Ik hief mij een weinig op, want ik had

geen kracht om op te staan, en zag dat zij niet dood was, schoon zij

slechts weinig teekens van leven geven kon.

"Toen gevoelde ik zulk eene snijdende pijn in de maag, en zulke knagingen

van den honger, dat niets dan de kwellingen des doods die kunnen

evenaren. In dezen toestand hoorde ik de matrozen roepen: "Een zeil! Een

zeil!" en boven mij schreeuwen en rondspringen als razenden. Ik was zoo

zwak, dat ik niet opstaan kon en mijne mevrouw nog minder; en mijn jonge

meester was zoo ziek, dat ik dacht dat hij zieltoogde. Dus konden wij de

kajuitdeur niet openen, om de reden van dit rumoer te hooren. Sedert

twee dagen hadden wij niemand van het scheepsvolk gezien; zij hadden ons

gezegd, dat zij zelve niets te eten hadden, en later vernamen wij, dat

zij ons reeds gestorven waanden. In dezen jammerlijken toestand waren

wij, toen de Hemel u zond om ons het leven te redden."

Dit was haar verhaal, en naar het mij toescheen een zoo duidelijk

verslag van den hongerdood, als ik nimmer hoorde. Ik houd het voor

volkomen waar, omdat de jongeling mij verscheidene omstandigheden even

zoo verhaald had, schoon niet zoo juist en treffend als zijne

dienstmaagd; welligt omdat zijne moeder hem nog, ten koste van haar

leven, gevoed had. De arme meid echter, schoon sterker dan hare reeds

bejaarde en zwakke meesteres, was er welligt het hardste aan toe

geweest, daar hare mevrouw misschien nog iets langer wat bewaard, en dit

alleen aan haren zoon gegeven had. Ongetwijfeld zouden allen van honger

binnen weinige dagen gestorven zijn, zoo zij niet ons schip of een ander

ontmoet hadden, ten ware zij elkander verslonden hadden, en dit zou hun

nog weinig gebaat hebben, op vijfhonderd mijlen van alle land en zonder

uitzigt op andere hulp, dan hun thans te beurt was gevallen. Doch dit in

het voorbijgaan. Ik keer tot mijne schikkingen in de kolonie terug.

Om verscheidene redenen zeide ik aan niemand iets van de sloep, die ik

medegenomen en bij hen gedacht had in elkander te zetten, want de zaden

van tweedragt, die ik bij mijne komst bespeurde, deden mij vreezen, dat

zij bij eenige nieuwe oneenigheid, het eiland verlaten zouden of

misschien op zeeroof uitgaan, en mijn eiland hierdoor een

dievenschuilhoek worden zou, in plaats van eene vestiging van brave en

godsdienstige lieden. Hierom behield ik ook de twee koperen stukken, die

ik aan boord had. Ik achtte hen genoegzaam in staat, om zich tegen elke

overval te verdedigen, maar wilde hun geen gelegenheid geven tot een

aanvallenden oorlog of strooptogten, die eindelijk op hun verderf

moesten uitloopen. Ik behield derhalve de sloep en de kanonnen, om hen

daarmede op eene andere wijs van dienst te zijn, gelijk men later zien

zal.

Ik heb thans met het eiland afgedaan. Ik verliet het in een bloeijenden

staat en ging aan boord den 6 Mei, na een verblijf van vijfentwintig

dagen, en daar allen besloten hadden er te blijven tot ik hen kwam

afhalen, beloofde ik hun nog eenigen onderstand van Brazilië te zullen

zenden, als ik er gelegenheid toe vinden kon, vooral nog eenig rundvee,

daar wij datgene, wat ik in Engeland gekocht had, uit gebrek aan voeder

hadden moeten slagten. Den volgenden dag groette ik met een saluut van

vijf schoten en ging onder zeil, en kwam na tweeëntwintig dagen reis in

de Allerheiligen baai in Brazilië aan, zonder iets merkwaardigs ontmoet

te hebben, dan dat wij een paar malen door de sterke strooming ten N. en

N. O. uit onzen koers gedreven werden, en eens of tweemaal werd er "land

ten Westen!" geroepen, doch of het een eiland of het vaste land was,

weet ik niet.

Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2 · 第 11 / 21 段