De geestelijke glimlachte, toen ik hem dit mededeelde, schudde het

hoofd, en zeide: "Wij dienaars van Christus kunnen niets doen dan

vermanen en onderrigten, en als men ons aanhoort en belooft te doen wat

wij verlangen, moeten wij met hunne beloften ons vergenoegen. Maar

geloof mij, mijnheer, hoe ook het gedrag van dien Willem Atkins geweest

is, ik geloof, dat hij alleen opregt bekeerd is. Ik wil aan de anderen

niet wanhopen, maar die man heeft blijkbaar een juist besef en berouw

van zijn vroeger leven, en zoo hij tot zijne vrouw over de godsdienst

spreekt, zal hij zichzelven tevens bekeeren; want de beste wijze om zelf

te leeren is somtijds, anderen te onderwijzen. Ik heb iemand gekend, die

weinig met de godsdienst ophad, en een overgegeven booswicht was, maar

geheel van zijn slechten weg teruggebragt is, door zijne pogingen, om

een Jood te bekeeren. Zoo Atkins tot zijne vrouw over den Heiland zal

spreken, zal hij zelf zich daardoor tot Hem leeren wenden."

Na dit gesprek en op de belofte, dat zij hunne vrouwen tot het

Christendom zouden trachten over te halen, trouwde hij de drie andere

paren, maar Willem Atkins en zijne vrouw waren nog niet terug. Na eene

poos wachtens werd de geestelijke nieuwsgierig te weten, waar Atkins

gebleven was, en verzocht mij met hem uit het doolhof te gaan, zeggende,

dat hij vast vertrouwde dien armen man hier of daar te zullen vinden,

waar hij zijne vrouw de beginselen der godsdienst leert. Ik dacht

hetzelfde en geleidde hem door een weg, dien ik alleen kende, en waar

het geboomte zoo digt was, dat men er naauwelijks door kon zien. Aan den

rand van het bosch gekomen, zag ik Atkins en zijne vrouw, in de schaduw

zeer ijverig zitten praten. Ik wachtte tot de geestelijke bij mij was,

en toen bleven wij hen eene poos gadeslaan. Wij bemerkten, dat hij zeer

ernstig met haar sprak, haar naar de zon en de lucht, dan naar de aarde,

dan naar de zee, dan op haar en zich zelven, dan naar de boomen wees.

"Gij ziet, dat ik gelijk had," zeide de geestelijke, "thans onderrigt hij

zijne vrouw. Hij leert haar, dat God de aarde, de lucht, de zon, de zee,

hen zelven gemaakt heeft."--"Ik geloof het ook," zeide ik.--Atkins stond

thans op, knielde neder en vouwde de handen. Wij waren te ver af om te

hooren of hij iets zeide. Daarop ging hij weder naast zijne vrouw zitten

en tegen haar spreken. Zij scheen zeer oplettend, doch wij konden niet

opmerken of zij iets zeide of niet. Toen hij nederknielde, zag ik den

geestelijke de tranen over de wangen loopen, en ook ik kon de mijne

moeijelijk bedwingen. Het speet ons, dat wij niet konden hooren wat zij

zeiden, doch wij durfden niet naderbij komen, om hen niet te storen; ook

gaven hunne gebaren genoeg den aard van hun onderhoud te kennen. Atkins

zat naast zijne vrouw, en sprak haar met zigtbare ontroering toe; twee

of drie malen omhelsde hij haar hartelijk, daarop zagen wij, dat hij

hare oogen afwischte en haar met buitengewone vervoering kuste,

eindelijk nam hij haar bij de hand, sprong op, en een paar stappen

voorttredende, knielden beide neder.

Mijn vriend kon zich niet langer bedwingen, maar riep luidkeels uit:

"Heilige Paulus, zie, hij bidt!" Ik vreesde, dat Atkins hem hooren zou,

en verzocht hem dus zich te bedwingen, om het verdere te zien van dit

tooneel, het treffendste en streelendste, dat ik ooit zag. De jonge

priester bedwong zich met moeite, want het denkbeeld, dat deze

afgodische vrouw eene Christin werd, bragt hem in vervoering. Hij

weende, kruiste zich en dankte God bij zichzelven in het Latijn en

Fransch, waarbij de vreugdetranen soms zijne woorden verstikten. Ik

smeekte hem zich te matigen en het verdere van dit tooneel gade te

slaan. Na opgestaan te zijn, hervatten de man en zijne vrouw hun

gesprek, en hare gebaren gaven de grootste aandacht en ernst te kennen.

Dit duurde ongeveer een half kwartieruurs, waarna zij vertrokken. Ik

trad thans met den geestelijke in gesprek, en betuigde hem mijne vreugde

over hetgeen wij gezien hadden, dat, schoon ik niet veel geloof sloeg

aan die spoedige bekeeringen, ik deze echter als opregt beschouwde,

zoowel bij den man als bij zijne vrouw, hoe onwetend deze ook nog was.

"En wie weet," voegde ik er bij, "of niet deze twee, in vervolg van

tijd, door voorbeeld en onderrigt, weldadig op sommigen der overigen

zullen werken."--"Op sommigen!" herhaalde hij, "neen, op allen, daar

kunt gij staat op maken, en zoo deze twee wilden (want hij schijnt

volgens u weinig beter dan een wilde) het Christendom omhelzen, zullen

zij het ook onvermoeid aan de anderen mededeelen. Een waar Christen zal

nimmer een heiden bij zijn geloof laten als hij hem daaraan ontrukken

kan." Ik stemde toe, dat dit een waar Christelijk beginsel was, en een

blijk van zijn opregten ijver en edel karakter. "Maar mijn vriend,"

zeide ik, "sta mij toe u hier eene vraag te doen. Ik kan niets inbrengen

tegen uwen ijver om deze arme lieden van heidenen tot Christenen te

bekeeren. Maar hoe kan u dit voldoen, daar deze lieden buiten den schoot

der Roomsche kerk blijven, waar binnen, volgens u, alleen de zaligheid

te vinden is; dus moet gij dezen nog als ketters beschouwen, en evenzeer

verdoemd als de heidenen zelve."

Met veel opregtheid antwoordde hij: "Mijnheer, ik ben Roomsch Katholijk,

een priester, monnik van de Benediktijner orde, en gehecht aan al de

leerstellingen van het Roomsche geloof. Echter, en geloof mij, dat ik

niet spreek uit beleefdheid jegens u, of om de verpligtingen, die ik aan

u heb, beschouw ik u, Protestanten, niet liefdeloos en als van de

Goddelijke genade uitgesloten. Ik wil geenszins de verdiensten van

Christus in zoo verre beperken van te denken, dat Hij u niet in zijne

kerk kan opnemen, op eene wijze, die voor ons verborgen is, en ik hoop,

dat gij eveneens over ons denkt. Dagelijks bid ik God, dat hij u allen

tot de kerk van Christus brenge, op de wijze, die de hoogste Wijsheid

goedvindt. Middelerwijl zult gij het in een Katholijk niet vreemd

vinden, dat hij een groot onderscheid maakt tusschen een Protestant en

een heiden; tusschen iemand, die Jezus Christus aanroept, schoon dan op

eene wijze, die naar mijne denkwijze niet met het ware geloof strookt,

en een heiden, die noch van God, noch van den Verlosser iets weet; en

zoo gij niet binnen den schoot der Katholijke kerk zijt, hopen wij, dat

gij er naderbij zijt dan diegenen, die nooit van den Heiland en zijne

eerdienst hebben gehoord. Het verheugt mij dus, dat ik dezen man, die

gelijk gij zegt, een deugniet en bijkans een doodslager geweest is, zie

nederknielen en tot Christus bidden, gelijk wij meenen, dat hij deed,

schoon hij dan nog niet tot het volle licht gekomen is; geloovende, dat

God, van wien alle goede werken komen, hem te zijner tijd verdere kennis

der waarheid zal schenken, en als door Gods invloed deze man zijne

heidensche vrouw onderrigt en bekeert, kan ik niet gelooven, dat hij

zelf zou verloren gaan. En zou ik mij dan niet verheugen als zij nader

bij de kennis van Christus gebragt zijn, schoon zij dan juist niet op

het oogenblik, dat ik zulks wenschte, in den schoot der Katholijke kerk

zijn gekomen, en laten het aan 's Heilands wijsheid over zijn werk te

zijner tijd te voltooijen? Zeker zou ik mij verheugen als al de wilden

van Amerika zoo ver waren, dat zij even als deze arme vrouw tot God

baden, al werden zij ook in den beginne Protestanten, liever dan dat zij

heidenen bleven; want ik zou vast gelooven, dat Hij hun het eerste licht

geschonken had, een straal der Hemelsche genade op hen zou laten

nederdalen, en als Hij goedvond, in den schoot zijner kerk brengen."

Ik was verbaasd over de opregtheid en gematigdheid van dezen vromen

Katholijk, en weggesleept door de kracht zijner redenering, en thans

bedacht ik, dat als alle menschen zoo gematigd dachten, wij allen

Katholijke Christenen konden zijn, tot welke kerk of sekte wij ook

behoorden; dat een geest van liefde ons alsdan weldra tot de waarheid

zou brengen. Ik zeide hem, dat als alle leden zijner kerk zoo gematigd

dachten, zij spoedig allen Protestantsch zouden zijn; en hierbij lieten

wij het berusten. want wij kwamen nooit tot redetwisten.

Ik viel hem echter op eene andere wijze aan, en zeide, hem bij de hand

vattende: "Mijn waarde vriend, ik deel volkomen in uw gevoelen, maar als

gij in Spanje of Italië zulke leerstellingen verkondigt, zal de

Inquisitie u spoedig beet pakken!"--"Het kan zijn," zeide hij, "ik weet

niet wat men in Spanje of Italië zou doen, maar deze gestrengheid zou

hen geen beter Christenen maken, want overmaat van liefde is geen

ketterij." Daar Atkins en zijne vrouw weg waren, hadden wij hier niets

meer te verrigten en keerden huiswaarts, en daar vonden wij hen op ons

wachten. Ik vroeg den priester of wij hen zeggen zouden dat wij hen

gezien hadden, maar hij zeide liever eerst te willen hooren wat hij ons

te zeggen had. Daar er niemand anders bij was, begon ik met hem te

vragen: "Willem Atkins, welke opvoeding hebt gij wel gehad? Wie was uw

vader?"

Atkins. Een aanzienlijker man dan ik ooit worden zal; hij was een

geestelijke.

Robinson Crusoe. En uwe opvoeding?

A. Hij wilde mij goed onderwijzen, mijnheer, maar ik had een afschuw van

alle onderrigt, vermaning en berisping, als een wild dier.

R. C. Ja, Salomo zegt reeds, dat hij, die berisping veracht, naar een

beest gelijkt.

A. Ja, mijnheer, ik leefde als een beest. Ik heb mijn vader den dood

aangedaan; om Gods wil, mijnheer, spreek er niet meer over, ik heb mijn

armen vader den dood aangedaan!

Terwijl ik dit alles den priester vertolkte, werd hij bleek, sprong op

bij de laatste woorden en riep uit: "Hemel! een moordenaar!"

R. C. Neen, neen, mijnheer, gij begrijpt hem verkeerd. Atkins, gij hebt

uwen vader niet met eigen hand vermoord?

A. Neen, mijnheer, maar ik heb hem het hart gebroken en het verdriet

over mij heeft zijne dagen verkort, doordien ik op de ondankbaarste,

onnatuurlijkste wijze de liefderijkste en teederste zorgen beantwoordde.

R. C. Ik bedoelde niet u deze belijdenis af te persen, ik bid God dat

Hij er u berouw over schenke, en u deze en uwe overige zonden vergeve;

maar ik vroeg u dit, omdat ik zie dat gij, ofschoon niet geleerd, toch

niet zoo onwetend zijt in het goede, en dat gij meer van de godsdienst

wist, dan gij in uw gedrag aan den dag legde.

A. Gij hebt mij die belijdenis niet afgeperst, maar mijn geweten heeft

het gedaan. Als wij op onze levensbaan terugzien zijn de zonden, jegens

onze liefderijke ouders gepleegd, zeker de eersten die zich opdoen; die

wonden zijn het diepst en van alle zonden drukken deze ons het zwaarste.

R. C. Hetgeen gij zegt treft mij te sterk, Atkins, ik kan het niet

aanhooren.

A. Gij mijnheer? Deze wroegingen zullen u toch wel niet bekend zijn.

R. C. Ja, Atkins, ieder strand, iedere heuvel, ja ik mag wel zeggen elke

boom van dit eiland is getuige van mijne wroegingen over mijne

ondankbaarheid en mijne slechte handelwijze jegens mijn vader; een vader

zoo als ook de uwe was, Atkins, maar ik geloof toch dat mijn berouw op

verre na zoo groot niet is als het uwe.

Mijne aandoeningen beletten mij meer te zeggen, maar ik achtte 's mans

berouw zoo veel sterker dan het mijne, dat ik op het punt stond het

gesprek te staken en mij te verwijderen, want ik begreep, dat in plaats

van hem te leeren en te onderrigten, ik in hem zeer onverwachts, een

treffend leeraar en onderwijzer gevonden had. Ik deelde dit alles aan

den geestelijke mede, die er zeer door getroffen was, en mij zeide: "Heb

ik u niet gezegd, mijnheer, dat zoo deze man bekeerd was, hij ons allen

onderrigten zou? Men heeft mij hier niet noodig, hij zal alles op het

eiland tot Christenen maken."

Na mij eenigzins hersteld te hebben, hervatte ik mijn gesprek met

Atkins. "Maar, Atkins," zeide ik, "hoe komt gij juist nu zoo tot inzigt

in deze zaak?"

A. Mijnheer, gij hebt mij een werk opgedragen, dat mij als een zwaard

het hart doorboort. Ik heb mijne vrouw over God en de godsdienst

gesproken, gelijk gij mij gelastte, om haar tot het Christendom over te

halen, en zij heeft mij eene predikatie gehouden, die ik nimmer zal

vergeten.

R.C. Neen, neen, uwe vrouw heeft die niet gehouden, maar uw geweten, dat

uwe bewijzen tegen u zelven heeft aangevoerd.

A. Ja, mijnheer en met onweerstaanbare kracht.

R.C. Verhaal mij, als gij wilt, wat er tusschen u en uwe vrouw is

voorgevallen; ik weet er reeds iets van.

A. Mijnheer, u daarvan een volledig verslag te geven is mij onmogelijk;

ik ben er vol van en kan het toch niet uitspreken; maar wat zij ook moge

gezegd hebben, dit kan ik u verzekeren, dat ik besloten heb boete te

doen en mijn leven te verbeteren.

R.C. Maar verhaal er ons iets van. Hoe zijt gij aangevangen. Dit is

waarlijk buitengewoon; zij heeft u inderdaad eene boetpreek gehouden als

zij dat bewerkt heeft.

A. Welnu dan, ik verhaalde haar eerst van den aard onzer wetten op het

huwelijk, en waarom mannen en vrouwen verpligt waren zulk eene

onverbreekbare verbindtenis aan te gaan; dat anders de orde en

geregtigheid niet gehandhaafd konden worden, en de mannen hunne vrouwen

en kinderen zouden verlaten, geen bloedverwantschap zou gekend blijven,

en geen opvolging of erfdeel wettig kunnen genoten worden.

R.C. Gij spreekt als een advokaat, Atkins. Kondt gij haar doen begrijpen

wat gij door erfenissen en door bloedverwantschap meende? Bij de wilden

kennen zij dat niet, maar trouwen naar ik gehoord heb, zonder op

maagschap acht te geven, broeder en zuster, zelfs vader en dochter.

A. Ik geloof mijnheer, dat gij dwaalt. Mijne vrouw verzekert het

tegendeel en zegt, dat zij bloedschande verfoeijen zoo wel als wij, maar

misschien zijn zij omtrent verdere verwantschap niet zoo naauwgezet als

wij.

R.C. En wat zeide zij op uwe voorstellingen?

A. Dat dit haar zeer goed beviel, en beter was dan in haar land.

R.C. Maar zeide gij haar wat het huwelijk was?

A. Ja, daarmede begon ons gesprek. Ik vroeg haar of zij op onze wijze

met mij wilde trouwen. Zij vroeg wat dat was. Ik zeide haar, dat het

eene Goddelijke instelling was, en hierop hebben wij het zonderlingste

gesprek gehad, dat ooit man en vrouw te zamen voerden.

Dit gesprek tusschen Atkins en zijne vrouw heb ik dadelijk opgeschreven,

nadat hij het mij verhaald had. Hier volgt het:

De vrouw. Door uw God ingesteld. Hebt gij dan een God in uw land?

Atkins. Ja, mijne lieve, God is overal.

V. Neen, uw God is in mijn land niet. In mijn land is de groote oude

Benamoekie God.

A. Kind, ik ben weinig in staat u den aard van God te leeren. God is in

den Hemel, en heeft den hemel en de aarde en de zee en al wat er in is

gemaakt.

V. Neen, uw God heeft de geheele aarde niet gemaakt, mijn land niet.

Atkins lachte over deze uitdrukking.

V. Waarom lacht gij? niet lagchen. Dit is geen ding om mede te lagchen.

Hij gevoelde hoe regtmatig zij hem berispte, want zij was in den beginne

ernstiger dan hij.

A. Gij hebt gelijk; ik zal niet meer lagchen.

V. Gij zegt dus, dat uw God alles gemaakt heeft?

A. Ja kind, onze God heeft de geheele wereld en u en mij en alle dingen

gemaakt, want Hij is de eenige ware God; er is geen God buiten hem. Hij

leeft eeuwig in den Hemel.

V. Waarom hebt gij mij dat niet al lang gezegd?

A. Gij hebt gelijk, maar ik was een deugniet, die niet alleen vergat u

met iets van dien aard bekend te maken, maar zelf buiten God leefde.

V. Wat, hebt gij een groote God in uw land, en kent Hem niet! Zegt niet

o tegen Hem? Doet niets goeds voor Hem? Dat is niet mogelijk.

A. Het is toch maar al te waar. Wij leven alsof er geen God in den Hemel

was en als had Hij geene magt op aarde.

V. Waarom laat God u dat doen? Waarom laat Hij u niet goed leven?

A. Dat is onze eigene schuld.

V. Maar gij zegt, Hij is groot, zeer groot, heeft zeer groote magt; kan

u dooden als Hij wil. Waarom slaat Hij u niet dood als gij Hem niet

dient, hem niet aanroept, geene goede dingen doet?

A. Dat is waar, Hij kon mij dooden en ik mogt het verwachten; maar God

is genadig en straft ons niet naar verdiensten.

V. Maar zegt gij uwen God daarvoor dan niet dank?

A. Neen, ik heb God niet gedankt voor zijne genade, evenmin als ik Hem

gevreesd heb om zijne magt.

V. Dan is uw God geen God. Ik geloof niet dat Hij zoo groot, zoo sterk,

zoo magtig is, als Hij u niet doodslaat als gij Hem beleedigt.

A. Hoe, zou mijn slecht leven u verhinderen in God te gelooven.

Ellendige, die ik ben! Welk eene droevige waarheid, dat het slechte

leven der Christenen de bekeering der Heidenen belet!

V. Hoe kan ik denken, dat gij zulk een grooten God dáár hebt (naar den

Hemel wijzende) als gij geene goede dingen doet. Kan Hij spreken? Zeker

weet Hij niet wat gij doet?

A. Ja wel, Hij weet en ziet alles; Hij hoort ons spreken, ziet wat wij

doen, weet, wat wij denken, al spreken wij niet.

V. Wat? Hoort Hij u vloeken, zweren, anderen verdoemen?

A. Ja, ja, Hij hoort dat alles.

V. Waar is dan zijn zoo sterke, groote magt?

A. Hij is genadig, dat is al wat wij er van kunnen zeggen, en dat

bewijst dat Hij de ware God is; Hij is God en geen mensch en daarom

worden wij gespaard.

Atkins zeide, dat hij hier zelf ijsde van de gedachte, dat hij zijne

vrouw zoo duidelijk kon zeggen dat God alles ziet en hoort en de

geheimste gedachten des harten kent; en dat hij toch al zijne euveldaden

had durven verrigten.

V. Genadig; wat meent gij daarmede?

A. Hij is onze Vader en Schepper, en Hij heeft ons lief en spaart ons.

V. Dan doodt Hij nimmer, wordt nimmer boos als gij kwaad doet, dan is

Hij ook zelf niet goed en niet magtig.

A. Ja wel, ja wel; Hij is oneindig goed en oneindig magtig om te

straffen. Somwijlen geeft Hij blijken van zijnen toorn jegens zondaren.

Menigeen wordt te midden zijner boosheden verdelgd.

V. Maar Hij heeft u niet gedood; dan hebt gij misschien een verdrag met

hem gemaakt, dat gij kwaad zoudt doen en Hij niet boos op u worden als

Hij het op anderen is.

A. Neen waarlijk niet; al mijne zonden zijn zoo veel tergingen zijner

langmoedigheid, en met regtvaardigheid kon Hij mij verdelgen als andere

zondaren.

V. Zoo, en toch maakt Hij u niet dood? Wat zegt gij daarvoor tegen hem?

Zegt gij hem geen dank daarvoor?

A. Ik ben een ondankbaar voorwerp, dat is waar.

V. Waarom maakt Hij u niet veel beter? Gij zegt, dat Hij u gemaakt

heeft.

A. Hij heeft mij gemaakt, zoo wel als de geheele wereld; ik ben het, die

mij zelven verlaagd en zijne goedheid misbruikt heb.

V. Ik wenschte, dat God mij leerde kennen; ik zou hem niet boos maken,

ik zou geen kwade slechte dingen doen.

Hier zeide Atkins dacht hij van schaamte te vergaan, dat een dom

onwetend schepsel naar de kennisse Gods verlangde; en dat hij zulk een

snoodaard was, dat hij haar omtrent God geen woord schier zeggen kon,

wat niet door zijn eigen gedrag haar schier ongeloofelijk moest

voorkomen; ja, dat zij reeds niet in God kon gelooven, omdat een zoo

slecht schepsel als hij niet verdelgd was geworden.

A. Gij verlangt, mijn lieve, dat ik u God leer kennen, maar God kent u

reeds en elke gedachte van uw hart.

V. Zoo, als Hij weet wat ik nu tegen u zeg, dan weet Hij, dat ik Hem

verlang te kennen. Hoe zal ik weten wie mij gemaakt heeft?

A. Arm schepsel, God moet u leeren, ik kan het niet. Ik zal Hem bidden,

dat Hij zich aan u leert kennen, en mij vergiffenis schenkt, dat ik

onwaardig ben u te onderrigten.

De arme man was zoo beangst, toen zij verlangde, dat hij haar God zou

leeren kennen, dat hij voor haar op de knieën viel, en God bad haar te

willen verlichten door de zaligmakende kennis aan Jezus Christus, en hem

zijne zonden vergeven en het werktuig worden, om haar de beginselen der

godsdienst mede te deelen. Vervolgens ging hij weder naast haar zitten,

en het gesprek ging voort. Het was toen dat wij hem zagen nederknielen

en de handen opheffen.

V. Waarom knielt gij? waarom heft gij de handen omhoog? Tegen wien

spreekt gij? Wat zegt gij? Wat beteekent dat alles?

A. Mijn lieve, ik boog mijne knieën met onderdanigheid aan mijnen

Schepper. Ik zeide "O" tegen Hem, gelijk gij het noemt, en zoo als uwe

oude lieden tegen uwen afgod Benamoekie doen, dat wil zeggen ik aanbad

Hem.

V. Waarom zeide gij O tegen Hem?

A. Ik smeekte Hem uwe oogen en verstand te openen; ten einde Hij zich

aan u leerde kennen, en Hij zich uwer aannam.

V. Kan Hij dat doen?

A. Ja. Hij kan alles doen.

V. Maar hoort Hij wat gij zegt?

A. Ja, Hij heeft ons gelast tot Hem te bidden, en beloofd ons te zullen

verhooren.

V. U dat gelast? wanneer? en hoe? Hebt gij Hem hooren spreken?

A. Neen, wij hooren Hem niet spreken, maar Hij heeft zich op

verschillende wijzen aan ons geopenbaard.

Hier wist hij niet hoe hij haar zou doen begrijpen, dat God zich aan ons

in zijn Woord heeft geopenbaard, en wat zijn woord was: maar eindelijk

zeide hij haar het volgende:

A. God heeft in vroegere dagen tot eenige goede menschen gesproken, uit

den Hemel, in duidelijke woorden, en God heeft eenige goede menschen met

zijn geest vervuld en deze hebben al zijne wetten in een boek

geschreven.

V. Dat begrijp ik niet. Waar is dat boek?

A. Ik heb helaas dat boek niet, maar ik hoop het den een of anderen tijd

te bekomen en u daarin te leeren lezen.

Hier omhelsde hij haar met veel aandoening, maar zeer bedroefd, dat hij

geen Bijbel had.

V. Maar hoe zult gij mij leeren, dat God hun geleerd heeft, dat boek te

schrijven?

A. Op dezelfde wijze, als waarop wij weten, dat Hij God is.

V. Hoe weet gij dat?

A. Omdat hij niet leert of beveelt dan wat goed, regtvaardig en heilig

is, en ons zoowel volmaakt goed als volmaakt gelukkig tracht te maken,

en omdat Hij ons gelast alles te vermijden wat slecht is, wat boos van

aard of boos in de gevolgen is.

V. Dat zou ik wel begrijpen, dat zou ik wel willen zien; als Hij alle

goede dingen beloont, alle slechte dingen bestraft; alle goede dingen

leert, alle kwade verbiedt, als Hij alles maakt, alles geeft, als Hij

mij hoort als ik O tegen Hem zeg, als Hij mij goed maakt als ik goed wil

zijn; mij spaarde, mij niet dood maakt als ik niet goed ben. Dat alles

zegt gij, dat Hij doet; ja, Hij is een groote God, ik denk, ik geloof,

dat Hij de groote God is; ik zal tot Hem "O" zeggen met u.

Hier kon de arme man zich niet langer bedwingen, maar opstaande, deed

hij haar nederknielen, en bad God met luider stemme haar door den H.

Geest in de kennisse Gods te onderrigten; en dat hij te eeniger tijd den

Bijbel mogt bekomen, ten einde zij Gods woord mogt hooren en door

hetzelve Hem leeren kennen.

Dit was het oogenblik, waarop wij hem haar bij de hand zagen vatten en

nederknielen, gelijk ik vroeger gezegd heb.

Naar het schijnt wisselden zij nog vele woorden, te veel om hier mede te

deelen, en in het bijzonder deed zij hem beloven, daar, volgens zijne

eigene bekentenis, zijn leven eene reeks van schandelijke overtredingen

van Gods geboden was geweest, dat hij zich zou beteren, en God niet

langer tergen, opdat Hij hem niet dood maakte, gelijk zij zeide, en dan

zou zij verlaten zijn, en nimmer God leeren kennen, en hij zou rampzalig

zijn, gelijk hij haar verhaald had, dat slechte lieden na hunnen dood

waren.

Dit verhaal trof ons beide, maar vooral den jongen geestelijke, wien het

echter bitter speet, dat hij niet tot haar spreken kon, daar hij geen

Engelsch en zij het zeer gebrekkig sprak. Hij zeide tot mij, dat hij

geloofde, dat bij deze vrouw nog iets anders te doen was dan haar te

trouwen. Ik begreep hem eerst niet, maar hij gaf mij zijne meening te

kennen, dat zij gedoopt moest worden. Ik stemde dit volmondig toe, en

wilde er dadelijk toe overgaan. "Neen, neen, mijnheer," zeide hij,

"schoon ik haar in allen geval wilde doopen, moet ik u doen opmerken,

dat Willem Atkins haar op eene wonderbaarlijke wijze den lust tot een

godsdienstig leven heeft bijgebragt, en haar zeer juiste denkbeelden van

het wezen van God, van zijne magt, regtvaardigheid en genade, gegeven;

maar ik wenschte wel van hem te weten of hij haar iets gezegd heeft van

Jezus Christus en van de behoudenis der zondaren, van den aard van het

geloof in Hem en der verlossing door Hem, van den Heiligen Geest, de

opstanding, het laatste oordeel, en een toekomstigen staat."

Ik riep Willem Atkins terug en vroeg hem dit, maar de arme kerel barstte

dadelijk in tranen uit, en zeide, dat hij haar over dat alles gesproken

had, maar dat hij zelf zoo slecht was, en zijn eigen geweten hem over

zijn goddeloos leven knaagde, dat de vrees hem deed beven, dat hare

bekendheid met hem haar belangstelling hierin zou verhinderen, en haar

de godsdienst eer doen verachten dan beminnen. Maar hij was, zeide hij,

zoo verzekerd; dat haar geest voor alle goede indrukken geopend was,

dat zoo ik slechts met haar wilde spreken, het spoedig blijken zou, dat

mijne moeite bij haar niet vruchteloos zou blijven.

Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2 · 第 10 / 21 段