Vervolgens vroeg ik hem naar de tweede reden tot klagten; terwijl ik

mijne verpligting voor de eerste jegens hem erkende, en er hem hartelijk

voor dank zeide. Hij zeide even rondborstig en vrij met mij daarover te

zullen spreken; het was dat, niettegenstaande deze mijne Engelsche

onderdanen, gelijk hij ze noemde, nu bijkans zeven jaren met deze

vrouwen geleefd hadden, en haar Engelsch hadden leeren spreken, en zelfs

lezen, en zij, naar hij opgemerkt had, vrij bevattelijke en verstandige

vrouwen waren, dat zij nog tot op dit oogenblik haar niets van de

Christelijke godsdienst geleerd hadden, zelfs niet zooveel, dat er een

God was, of eene eerdienst, of hoe God gediend worden moet, of dat hare

eigene afgoderij en aanbidding van zij wisten zelf niet wat, valsch en

ongerijmd was. Bat was, zeide hij, eene onverschoonbare achteloosheid,

die zij voor God zouden moeten verantwoorden. Hij vervolgde met veel

vuur: "Ik ben overtuigd, dat zoo deze lieden in het land woonden,

vanwaar hunne vrouwen gekomen zijn, de wilden meer moeite zouden gedaan

hebben om hen tot afgodendienaars en duivelaanbidders te maken, dan een

hunner, zoo ver ik zien kan, gedaan heeft, om de kennis van den eenigen

waren God te verspreiden. En ofschoon, mijnheer, uw geloof en het mijne

verschillend zijn, zouden wij echter beide gaarne aan dienaren van het

rijk des duivels de algemeene beginselen van de Christelijke leer zien

ingeprent; opdat zij ten minste van eenen God, van den Verlosser, van de

opstanding en van een toekomstigen staat hoorden; zaken, waarin wij

allen gelooven; dan zouden zij althans de ware kerk veel meer genaderd

zijn dan thans in de openbare belijdenis der afgoderij en aanbidding des

duivels."

Ik kon mij niet langer bedwingen; ik sloot hem in mijne armen en drukte

hem met vervoering aan mijn hart. "Hoe ver ben ik verwijderd van de

kennis van eens Christens grootsten pligt, namelijk van de liefde voor

Christus kerk en voor het geestelijk welzijn van anderen!" riep ik uit.

"Ik weet naauwelijks wat een Christen betaamt!"--"O, zeg dat niet,

mijnheer," zeide hij, "deze zaak is uwe schuld niet."--"Neen, neen,"

hernam ik, "maar waarom nam ik ze niet zoo wel als gij ter harte?"--"Het

is nog niet te laat," antwoordde hij, "veroordeel u zelven niet te

overijld."--"Wat thans echter te doen?" hernam ik, "gij ziet, ik sta op

mijn vertrek."--"Wilt gij mij toestaan er met deze arme lieden over te

spreken?" vroeg hij.--"Met al mijn hart," antwoordde ik, "en ik zal

zorgen, dat zij op uwe woorden acht geven."--Hij hernam: "Dat moeten wij

aan de genade van Christus overlaten, maar het is onze pligt hen

behulpzaam te zijn, aan te moedigen en te onderrigten, en zoo gij het

mij toestaat en God zijnen zegen geeft, twijfel ik niet of de arme

onwetende zielen zullen tot het rijk van Christus gebragt worden, tot

het geloof, dat wij allen belijden, en dat nog terwijl gij hier

zijt."--"Ik zal u niet alleen verlof, maar ook den hartelijksten dank

daarvoor geven," zeide ik. Ook hiervan zal ik den uitslag mededeelen.

Nu vroeg ik hem naar het derde punt, waarin wij te laken waren, "Het is

van gelijken aard," zeide hij, "en ik zal het, met uw verlof, even

rondborstig openleggen. Het betreft gindsche wilden, die, als ik mij zoo

uitdrukken mag, uwe overwonnen onderdanen zijn. Het is eene

grondstelling, mijnheer! die alle Christenen, tot welke kerk zij ook

behooren, erkennen of behooren te erkennen, dat de kennis van het

Christendom door alle mogelijke middelen en bij elke gelegenheid behoort

te worden uitgebreid. Van dit beginsel uitgaande, zendt onze kerk

zendelingen naar Perzië, Indië en China, en zelfs onze hoogere

geestelijken begeven zich gewillig op de gevaarlijkste togten en in de

gevaarlijkste verblijven onder moordenaars en barbaren, om hun de kennis

van den waren God te leeren en tot het Christelijk geloof over te halen.

Nu hebt gij hier, mijnheer! eene zoodanige gelegenheid, om zes- of

zevenendertig wilden van de afgoderij tot de kennis van hunnen Schepper

en Verlosser te brengen, dat het mij verwondert, dat gij zulk eene

gelegenheid, om goed te doen, kunt laten voorbijgaan, welke waarlijk de

belooning voor een geheel leven zou uitmaken."

Ik was nu inderdaad verstomd en wist geen woord in te brengen. Ik zag

hier voor mij een Christen vol waren ijver voor God en de godsdienst,

wat dan ook zijne bijzondere geloofsbelijdenis was; en ik had zelfs geen

oogenblik hier ooit aan gedacht, en zou er, geloof ik, nooit aan gedacht

hebben, want ik beschouwde die wilden als slaven, die wij zoo behandeld

zouden hebben, als wij er eenig werk voor gehad hadden, of gaarne

verkocht en naar een ander werelddeel gezonden hebben; zoo wij slechts

van hen ontslagen werden en zij niet naar hun eigen land konden

terugkeeren. Maar ik moet bekennen, dat zijne woorden mij verstomd deden

staan en ik niet wist, wat ik zeggen zou. Hij zag mij ernstig aan, en

mij eenigzins verbijsterd ziende, zeide hij: "Het zou mij spijten,

mijnheer! als gij misnoegd waart over iets wat ik gezegd heb."--"Neen,

neen," antwoordde ik, "ik ben alleen misnoegd op mijzelven; en ik ben

geheel verslagen, dat ik er vroeger niet alleen niet aan dacht, maar dat

ik ook nu niet weet wat ik er nu aan doen kan. Gij weet," vervolgde ik,

"in welke omstandigheden ik mij bevond. Ik moet naar de Oost-Indiën, met

een schip, welks reeders ik groot nadeel toebreng, met het schip hier op

te houden, terwijl het volk al dien tijd voor rekening van de reeders

komt. Wel is waar, wij zijn overeengekomen, dat ik hier twaalf dagen zou

blijven, en dat ik voor ieder dag daar boven drie pond sterl. als

liggeld per dag zou betalen. Maar ik mag niet langer dan acht dagen op

liggeld blijven liggen, en ik ben nu reeds dertien dagen hier; zoodat

het mij volstrekt onmogelijk is iets hieraan te doen, of ik moest zelf

hier achterblijven; en als dan dit schip op reis verging, zou ik in

denzelfden toestand zijn, als toen ik hier het eerst kwam, en waaruit ik

zoo wonderbaarlijk verlost ben."

Hij bekende, dat dit zeer hard voor mij was, maar drukte mij op het

hart, of niet het geluk van zevenendertig zielen te redden, verdiende,

dat ik daarvoor alles wat ik in de wereld had, in de waagschaal stelde.

Dit wilde er bij mij nog zoo niet in, en ik antwoordde: "Zeker,

mijnheer! is het een onwaardeerbaar geluk, in Gods hand het werktuig te

zijn, om zevenendertig heidenen tot de kennis van Christus te brengen.

Maar daar gij een geestelijke zijt en daarvoor opgebragt, zoodat het,

als het ware, uw beroep is, hoe komt het, dat gij het niet liever zelf

onderneemt, dan het van mij te eischen?"

Hierop bleef hij vlak voor mij staan, en maakte eene diepe buiging voor

mij. "Ik dank allerhartelijkst God en u, mijnheer!" zeide hij, "voor

zulk eene blijkbare roeping tot eene zoo gezegende onderneming, en zoo

gij er u van ontslagen acht en het van mij verlangt, wil ik het gaarne

doen, en het als eene ruime belooning beschouwen voor al de gevaren en

moeiten van mijne ongelukkige reis, dat mij eindelijk zulk eene

heerlijke loopbaan geopend is." Terwijl hij sprak, zag ik eene zekere

verrukking op zijn gelaat, zijne oogen fonkelden, zijn gelaat gloeide,

hij werd beurtelings bleek en rood, kortom, hij was verrukt van vreugde

over het werk, dat zich voor hem opdeed. Het duurde eene poos, eer ik

wist, wat ik hem zeggen zou; want ik stond inderdaad verrast een man te

vinden, zoo opregt en zoo vol ijver, en die zich door zijnen ijver zoo

ver liet vervoeren. Maar na eenig nadenken vroeg ik hem, of hij het

ernstig meende, en of hij op het vooruitzigt van deze arme lieden te

bekeeren, het wagen wilde, zich misschien levenslang op een schraal

bevolkt eiland te laten opsluiten, terwijl hij zelfs niet wist, of hij

hun eenig goed kon doen of niet.

Hij zag mij verbaasd aan, en vroeg wat ik wagen noemde. "Weet gij,

mijnheer!" vroeg hij, "waarom ik met u naar de Indiën wilde

gaan?"--"Neen," zeide ik, "ik weet dat niet, maar ik denk, om den

Indianen te prediken."--"Ongetwijfeld," hernam hij, "en denkt gij, dat,

als ik deze zevenendertig wilden tot het Christelijk geloof kan

bekeeren, dat dan mijn tijd niet wel besteed is, al verliet ik nimmer

het eiland weder? Is het behouden van zoovelen niet oneindig meer waard

dan mijn leven, ja, dat van twintig menschen als ik. Dagelijks,"

vervolgde hij, "zou ik Christus en de H. Maagd danken, als ik het

gezegend werktuig mogt zijn, om deze arme lieden te behouden, al zou ik

nimmer het eiland verlaten, of mijn geboorteland wederzien. Maar daar

gij mij de eer doet, mij dit werk op te dragen (waarvoor ik u al mijn

leven dankbaar zal zijn), heb ik u nog een verzoek te doen."--"Wat is

dat?" vroeg ik.--"Dat gij," antwoordde hij, "uw knecht Vrijdag hier bij

mij laat, om mijn tolk en medehelper te zijn, daar ik hen en zij mij

niet kunnen verstaan."

Dit verzoek was mij hoogst onaangenaam, want ik kon om verscheidene

redenen niet aan eene scheiding van Vrijdag denken. Hij was mijn

reisgezel geweest, hij was mij niet alleen getrouw, maar ook zeer

genegen, en ik had besloten, vrij wat voor hem te doen, als hij, gelijk

te verwachten was, mij zou overleven. Bovendien, daar ik Vrijdag tot een

Protestant had gemaakt, zou een ander geloof hem geheel verbijsteren, en

zoolang hij leefde zou hij nimmer willen gelooven, dat zijn oude meester

een ketter en een verdoemde was, en dit kon ten laatste hem weder tot

zijne vroegere afgoderij brengen. Echter schoot mij iets te binnen, en

ik zeide hem, dat ik geenen lust had, mij van Vrijdag te ontdoen, schoon

het waar was, dat een werk, dat hem hooger dan zijn leven toescheen, bij

mij zwaarder dan het behoud van eenen knecht moest wegen, maar aan den

anderen kant wist ik, dat Vrijdag mij nimmer zou willen verlaten, en om

hem tegen zijnen wil daartoe te dwingen, zou eene schandelijke

onregtvaardigheid zijn, omdat ik hem het tegendeel beloofd had, gelijk

hij beloofd had mij nimmer te zullen verlaten. Dit scheen hem te

verontrusten, want hij kon onmogelijk met deze lieden omgaan, daar hij

evenmin een woord van hen kon verstaan, als zij van hem. Deze zwarigheid

ruimde ik uit den weg, door te zeggen, dat Vrijdags vader Spaansch

geleerd had, dat hij ook verstond, en dus als tolk dienen kon. Thans was

hij tevreden en niets kon hem overhalen, zijn voornemen ter bekeering

der zevenendertig wilden op te geven. Doch de Hemel beschikte dit later

anders.

Ik kom thans tot zijn eerste bezwaar terug. Toen wij bij de Engelschen

kwamen, liet ik hen allen bijeenroepen, en na hen te hebben

voorgehouden, wat ik voor hen gedaan had, namelijk van welken voorraad

ik hen voorzien had, waarvoor zij zeer dankbaar waren, begon ik te

spreken over het schandelijke leven, dat zij leidden, en verhaalde hen

juist hoe de geestelijke het beschouwd had, en terwijl ik hen bewees hoe

onchristelijk en goddeloos het was, doch vooraf vroeg ik hun of zij

gehuwd of ongehuwd waren. Twee hunner waren weduwnaars en de anderen

waren ongehuwd. Ik vroeg hen, hoe zij met een goed geweten met deze

vrouwen konden zamenwonen en zoovele kinderen bij haar hebben, zonder

dat zij wettig met haar gehuwd waren.

Zij gaven allen ten antwoord, gelijk ik wel verwacht had, dat er niemand

was, die hen trouwen kon, dat zij zich voor den gouverneur verbonden

hadden, haar steeds als hunne wettige vrouwen te zullen behandelen en

behouden, en zij vermeenden, dat zij in deze omstandigheden even wettig

met haar gehuwd waren, alsof het huwelijk door eenen geestelijke en met

alle plegtigheden der wereld ingezegend was geworden. Ik antwoordde, dat

zij ongetwijfeld voor God gehuwd waren, en voor hun geweten verpligt

haar als hunne vrouwen te beschouwen; maar dat de menschelijke wetten

anders waren, dat zij later konden voorgeven niet gehuwd te zijn, en de

arme vrouwen en kinderen verlaten, en dat deze arme vrouwen, zonder

bloedverwanten of geld, zichzelve niet door de wereld zouden kunnen

helpen. Ik zeide, dat ik derhalve niets voor hen doen kon, zonder

verzekerd te zijn, dat zij het eerlijk meenden, maar dat ik zorgen zou

alles te doen, wat ik kon, voor hunne vrouwen of kinderen buiten hen, en

dat, ten ware zij mij blijken gaven, dat zij de vrouwen wilden trouwen,

ik het niet voegzaam oordeelde, dat zij als man en vrouw bleven

voortleven, want dat dit streed met alle goddelijke en menschelijke

wetten, en zij, zoo voortgaande, niet op Gods zegen konden hopen.

Alles ging zoo als ik verwacht had; zij zeiden mij, bijzonder Willem

Atkins, die voor de anderen het woord scheen te voeren, dat zij hunne

vrouwen zoo lief hadden, alsof zij hunne landgenooten waren, en dat zij

haar in geen geval zouden verlaten, en zij geloofden, dat hunne vrouwen

zoo zedig en deugdzaam waren, en zoo veel voor hen en hunne kinderen

deden, als zij bij mogelijkheid konden. En Atkins voegde er bij, dat wat

hem betrof, als iemand hem aanbood, om hem naar Engeland mede te nemen

en daar kapitein van het beste schip uit de marine te maken, hij niet

zou medegaan, als hij zijne vrouw en kinderen niet kon medenemen, en als

er een geestelijke aan boord was, wilde hij zich dadelijk laten trouwen

met al zijn hart. Dit was juist wat ik wenschte. De priester was op dat

oogenblik niet bij mij, maar toch in de nabijheid; om hem verder op de

proef te stellen, zeide ik, dat ik een geestelijke bij mij had, die, als

hij het meende, hem den volgenden morgen zou trouwen, en verzocht hem er

zich op te bedenken en er met de overigen over te spreken. Hij zeide,

dat hij voor zich er zich niet op behoefde te bedenken, maar blijde was,

dat ik een geestelijke aan boord had, en dat hij dacht, dat de anderen

het ook gaarne doen zouden. Ik zeide vervolgens, dat mijn vriend, de

geestelijke, een Franschman was, en geen Engelsch kon spreken, maar dat

ik als tolk zou handelen. Hij vroeg mij volstrekt niet of het een

Roomsch of Protestantsch geestelijke was, waarvoor ik eigenlijk gevreesd

had, doch hij vroeg er niet naar, en ik vertrok daarop naar mijnen

priester en Atkins naar zijne makkers. Ik verzocht den priester tegen

hen nergens over te spreken voor de zaak haar geheel beslag had, en

verhaalde hem wat het volk mij gezegd had.

Alvorens ik hunne streek verliet, kwamen zij weder bij mij en zeiden,

dat zij over mijne woorden nagedacht hadden, dat zij met vreugde

vernomen hadden, dat ik een geestelijke bij mij had, en gaarne,

ingevolge mijn verlangen, wilden trouwen, zoo spoedig ik begeerde, want

dat zij in het geheel niet verlangden van hunne vrouwen te scheiden, en

het beste met haar voorhadden. Wij stelden het dus op den volgenden

morgen, en bepaalden, dat zij middelerwijl hunne vrouwen zouden

verklaren wat het huwelijk was, en dat dit ook van haar eischte, hare

mannen in geen geval te verlaten.

De vrouwen begrepen dit gemakkelijk en waren er zeer mede tevreden,

gelijk zij ook reden hadden. Den volgenden morgen kwamen zij dus allen

in mijn vertrek, waar ook mijn geestelijke zich bevond. Schoon hij noch

een Engelsen geestelijke kleeding, noch een Fransch priesterkleed droeg,

droeg hij echter een zwart overkleed met een sjerp, hetgeen veel naar de

kleeding van een Engelsch geestelijke geleek. Ik diende voor tolk van

hetgeen hij zeide. Maar zijne ernstige taal jegens hen, en zijne

aarzeling om de vrouwen te trouwen, omdat zij ongedoopt waren en het

Christelijk geloof niet beleden, boezemden eerbied voor hem in, en nam

allen twijfel weg of hij een geestelijke was. Ik vreesde zelfs in den

beginne, dat deze zwarigheid hem zou verhinderd hebben haar in het

geheel te trouwen. Al wat ik ook zeide baatte niet, en hij weigerde

volstandig het huwelijk te sluiten, alvorens hij met de mannen en ook de

vrouwen gesproken had. Schoon ik hier eerst iets tegen had, deed echter

zijne welmeenende opregtheid mij daarin toestemmen. Hij zeide hun

daarop, dat ik hem hunne omstandigheid en tegenwoordig voornemen had

medegedeeld, dat hij gaarne, volgens mijn verlangen, hun huwelijk wilde

sluiten, maar eerst eenige woorden tot hen rigten moest. Hij bragt hun

daarop onder het oog, dat zij in de oogen van iedereen, en volgens alle

maatschappelijke wetten, tot hiertoe in openbare ontucht hadden geleefd;

dat dit, wel is waar, thans alleen verholpen kon worden als hij hen

trouwde of zij zich van elkander scheidden; maar dat zich bij hen nog

eene zwarigheid tegen een Christelijk huwelijk opdeed, die moeijelijk

weg te nemen was, namelijk die van een Christen aan eene heidensche,

afgodische vrouw te verbinden; terwijl hij echter zag, dat er geen tijd

was om de vrouwen vooraf te doopen en tot de leer van Christus over te

halen, daar zij ongetwijfeld nimmer iets van gehoord hadden, en zonder

welke hij haar niet doopen kon.

Hij zeide het er voor te houden, dat zij zelf slechts weinig van de

godsdienst wisten, en derhalve niet verwachten kon, dat zij er hunne

vrouwen veel van medegedeeld hadden, maar dat hij hen niet trouwen kon,

ten ware zij hem beloofden hun uiterste best te doen om hunne vrouwen

over te halen Christenen te worden, en dat zij haar zoo goed zij konden

zouden onderrigten nopens hunnen Schepper, en hunnen Verlosser leeren

dienen, want hij wilde geene Christenen en heidenen verbinden, hetgeen

strijdig was met alle beginselen der Christelijke leer; en door

Goddelijke wetten verboden.

Zij hoorden dit alles zeer oplettend aan, gelijk ik het hen, zoo na

mogelijk met zijne eigene woorden, mededeelde, terwijl ik er slechts

somtijds iets bijvoegde om hen te overtuigen hoe billijk het was, en hoe

volkomen naar mijne overtuiging; en ik zorgde steeds goed de woorden van

den geestelijke, en hetgeen ik er bijvoegde, te onderscheiden. Zij

zeiden, dat alles zeer waar was, dat zij zelve slechts laauwe Christenen

waren, en nimmer met hunne vrouwen over de godsdienst hadden gesproken.

"En hoe zouden wij haar de godsdienst leeren, mijnheer?" zeide Willem

Atkins. "Wij zijn zelf onwetend, en als wij haar spraken van God en

Christus, en Hemel en hel, zouden zij ons uitlagchen, en vragen wat wij

zelf geloofden. En als wij dan zeiden, dat wij alles zelf geloofden wat

wij zeiden, zoo als, dat de brave lieden naar den hemel gaan en de

slechten naar den duivel, dan zouden zij ons vragen waar wij zelf

wenschten heen te gaan, die dit alles gelooven, en toch zulke groote

schelmen zijn. Waarlijk, mijnheer, dat is genoeg om haar al aanstonds

tegen de godsdienst in te nemen. Men moet, als men anderen leeren wil,

zelf eenige godsdienst hebben."--"Willem Atkins," zeide ik, "ik vrees,

dat het maar al te waar is wat gij zegt, maar kunt gij daarom uwe vrouw

niet zeggen, dat zij een verkeerd geloof belijdt, dat er een God en een

godsdienst is, beter dan de hare, dat hare goden afgoden zijn, die noch

spreken, noch hooren kunnen; dat er een opperst Wezen is, die alles

geschapen heeft, die de goeden beloont, de kwaden bestraft, en door wien

wij eindelijk voor al onze daden geoordeeld zullen worden. Gij zijt zoo

onwetend niet, maar uw eigen verstand zal u zeggen, dat dit alles de

waarheid is, en ik vertrouw, dat gij dit ook weet en gelooft."

"Dat is waar, mijnheer," zeide Atkins, "maar hoe zal ik mijne vrouw daar

iets van zeggen, als zij mij dadelijk zal tegenwerpen, dat dit niet waar

zijn kan?"--"Waarom zou zij dat zeggen?" vroeg ik.--"Wel, mijnheer,"

zeide hij, "zij zal zeggen, het is niet waar, dat die God regtvaardig is

of straft en beloont, daar een kerel als ik, die zich zoo slecht jegens

haar en iedereen gedragen heeft, niet gestraft en naar de hel gezonden

is geworden; en dat mij het leven gelaten is, terwijl ik altijd het

tegendeel gedaan heb van hetgeen ik haar zeggen moet, dat goed is, of

wat ik behoorde gedaan te hebben."--"Ik vrees, dat hetgeen gij zegt maar

al te waar is, Atkins," zeide ik, en deelde daarop het gesprokene aan

den geestelijke mede. "O," zeide deze, "zeg hem, dat ééne zaak hem tot

den besten leermeester zijner vrouw zal maken, en dat is berouw. Opregt

berouw leert hem het best zijne misstappen kennen, en zoo hij dit

slechts gevoelt, is hij volkomen geschikt zijne vrouw te onderrigten;

hij zal haar dan zeggen, dat God niet alleen een regtvaardig vergelder

van goed en kwaad is, maar ook de hoogste Genade, die met eindelooze

goedheid en langmoedigheid de straf des zondaars ophoudt, en niet den

dood des zondaars wil, maar dat hij leve en zich bekeere; dat Hij

dikwijls de slechten langen tijd laat voortgaan, en zelfs spaart tot den

dag des oordeels; dat dit een duidelijk bewijs van Gods bestaan en van

een toekomstigen staat is, dat de regtvaardige zijn loon en de slechte

zijne straf niet ontvangt op deze wereld. Dit zal hem aanleiding geven

zijne vrouw de leer der opstanding en van het laatste oordeel mede te

deelen. Laat hem slechts opregt berouw gevoelen."

Ik zeide dit alles tot Atkins, die het met een zeer ernstig gelaat en

blijkbare ontroering aanhoorde, tot hij, toen ik nauwelijks uitgesproken

had, in drift uitriep: "Ik weet dat alles, mijnheer, en meer dan dat;

maar ik ben niet zoo schaamteloos van er tegen mijne vrouw over te

spreken, terwijl het God en mijn eigen geweten bekend is, en mijne vrouw

ook getuigen kan, dat ik altijd geleefd heb alsof ik nooit iets van God

en een toekomstig leven gehoord had. En wat berouw betreft, helaas!

(hier loosde hij een diepen zucht, en ik zag de tranen in zijne oogen)

daar is voor mij geen denken meer aan."--"Geen denken meer aan," zeide

ik, "hoe meent gij dat?"--"Ik weet wel wat ik zeg," hervatte hij, "ik

meen, dat het te laat is, en dat is maar al te waar."

Ik herhaalde den geestelijke woord voor woord wat hij zeide. De

ijverige, liefderijke priester (die, wat ook zijn geloof was, zeer voor

het eeuwig heil van anderen bezorgd was) kon zijne tranen niet

bedwingen, maar zeide daarop tegen mij: "Doe hem slechts eene vraag. Is

hij tevreden, dat het te laat is, of doet het hem leed en wenschte hij,

dat het anders ware?" Ik zeide dit aan Atkins, die met drift antwoordde:

hoe iemand tevreden zou zijn in een staat, die noodwendig tot zijn

eeuwig verderf moet uitloopen, dat hij alles behalve gerust was, maar

integendeel er den een of anderen dag een eind aan zou moeten

maken.--"Wat meent gij daarmede?" vroeg ik. Hij antwoordde, dat hij

geloofde, dat hij den een of anderen tijd zich zelf van kant zou maken,

om aan zijne ellende en angst een einde te maken.

De priester schudde zeer ontroerd het hoofd, toen ik hem dit mededeelde,

maar zeide daarop: "Als dat het geval is, kunt gij hem verzekeren, dat

het niet te laat is: Christus zal hem berouw schenken. Verklaar hem, bid

ik u, dat daar alle menschen door Christus behouden zijn, en door zijn

lijden de Goddelijke genade verwerven, hoe kan het voor iemand te laat

zijn om de genade te ontvangen? Denkt hij, dat hij zich buiten het

bereik kan stellen der Goddelijke barmhartigheid? Zeg hem, dat het

nimmer voor iemand te laat is, om vergiffenis van zonden af te smeeken;

en dat alle dienaren der godsdienst gelast zijn te allen tijde

vergiffenis te verkondigen aan hen, die opregt berouw gevoelen; en dat

het daartoe nimmer te laat is."

Ik deelde dit alles aan Atkins mede, die het zeer ernstig aanhoorde,

maar daarop het gesprek scheen te willen afbreken, want hij zeide, dat

hij thans zijne vrouw eens moest spreken. Hij vertrok dus, en wij

spraken tot de overigen. Deze waren allen even onkundig in het stuk van

godsdienst als ik, toen ik mijne ouders ontliep. Echter luisterden zij

gretig naar hetgeen wij zeiden, en beloofden er met hunne vrouwen over

te spreken, en te zullen trachten haar tot het Christendom over te

halen.

Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2 · 第 9 / 21 段